Uit LIBER DECIMUS
 

Frederike Syoen

3 LaWi

1999-2000
 

Myrrha

Ook Paphos kreeg een zoon, Cinyras. Cinyras had zich gezegend mogen noemen, als hij maar geen dochter had gehad. Nu ga ik zingen over gebeurtenissen die niet goed zijn. Meisjes en ouders, ga weg! Of als mijn lied toch jullie oren kan strelen, vertrouw mij dan even niet, geloof de feiten niet. Als jullie ze wel geloven, geloof dan ook in hun verdiende straf. Als de natuur toelaat dat zoiets in het openbaar gebeurt, prijs ik het Thrakische volk, ons land en deze plek gelukkig: ze liggen ver verwijderd van dat eiland waar zich zo'n schandaal heeft voorgedaan, ver weg van het Arabische Pince dat ons veel rijkdom mag sturen zoals balsem, aroom, kaneel en reukwerk dat uit bomen drupt en meer van dat soort dingen - zolang het maar die nieuwe mirreboom, hoe prachtig ook, op afstand houdt! Zelfs Cupido ontkent dat hij zijn pijlen in Myrrha's hart schoot, hij behoedt zijn fakkel wel voor dat kwaad! Waarschijnlijk heeft een van de Furiën in haar hart geblazen met Syrisch vuur en addergif. Je vader haten is al slecht, maar passie voor je vader voelen nog veel slechter… Het puik van de adel dingt van alle kanten naar haar hand, de jeugd van heel het oosten strijdt om haar te winnen. Myrrha, kies een van al die mannen, behalve die ene!

Zij voelt dat ook, verzet zich tegen zo'n verdorven hartstocht en vraagt zich af: 'Wat doe ik? Wat bezielt me toch? O goden, ik smeek jullie, bij mijn dochterplicht, bij het heilig recht van ouders, verlos mij van dit kwaad. Help mij geen zonden te begaan, als dit tenminste zondig is… Je hoort nooit zeggen dat eerbied voor ouders dit soort liefde afwijst. Andere wezens paren toch zonder onderscheid: een koe verwekt geen schande als zij haar vader laat begaan, een hengst gebruikt zijn kind als vrouw, een bok beklimt de geiten die hij zelf verwerkt heeft, een vogel wordt bevrucht door het mannetje waarvan het zaad ook haar verwekt heeft. Wat een geluk als zoiets mag! Maar mensen bedachten strenge regels. Waar natuur de vrijheid laat, stelt de menselijke wet jaloerse grenzen...

Toch bestaan er volkeren waar vaders met hun dochters huwen, moeders met hun zoons, zodat hun liefde voor elkaar met liefde wordt verdubbeld. Arme ik! Waarom mocht ik daar niet geboren zijn? Mijn lot ligt hier, helaas… Maar waarom denk ik zulke dingen? Verboden hoop, ga weg uit mijn hart! Hij verdient mijn liefde enkel als vader, meer niet. Was ik geen kind van Cinyras, dan had ik nu met hem het bed kunnen delen. Mijn ongeluk ligt bij mijn verwantschap, want als vreemde had ik meer bereikt. Het liefst wil ik weggaan, ver van deze streek, als ik die schande maar ontvlucht.

Kwalijk liefdesvuur weerhoudt mij echter, omdat ik Cinyras steeds zelf wil zien en hem aanraken, hem spreken en hem kussen, als ik niet verder mag gaan dan dat. Want ach, verdorven meisje, waarop kun je verder hopen? Je voelt toch hoeveel regels, hoeveel namen je verwart: je zult je moeders mededingster worden en je vaders maîtresse, zuster heten van je zoon en moeder van je broer! Ben je niet bang voor de Furiën met hun zwart slangenhaar? De zusters die zoeken naar mensen met een slecht geweten en woeste fakkels voor hun ogen zwaaien? Nu jouw lichaam nog rein is, moet je geest dat ook zijn. Schend de regels van de machtige natuur niet met verboden liefde! Alhoewel je die toch wil… Maar het is liefde zelf die het verbiedt en mijn vader is godsdienstig, sterk gelovig… O, ik wou dat hij dezelfde hartstocht voelde als ik!' Zo sprak zij tot zichzelf.

Maar Cinyras, die niet kon kiezen uit het grote aanbod van geschikte pretendenten, somde haar al hun namen op en vroeg met wie ze wou trouwen. Ze zweeg eerst, haar blik zocht steun in de zijne en terwijl ze bloosde, kwam er een warme tranengloed voor haar ogen. Cinyras dacht dat dit te maken had met meisjesgêne en vroeg haar niet te huilen. Hij droogde haar wangen met een kus, die Myrrha maar al te graag ontving. Op de vraag wie zij zou kiezen als echtgenoot, antwoordde ze: 'Iemand zoals jij.' Hij prees haar om die woorden, die hem half ontgingen en riep: 'Blijf mij voor altijd zo toegewijd!' Toen hij dat zei, dat woordje 'toegewijd', sloeg Myrrha met diep schuldgevoel de ogen neer.

Het was middernacht. De slaap had vermoeide mensen en hun zorgen in haar greep. Maar in Cinyras paleis lag Myrrha wakker, verteerd door niet te blussen vuur. Met wild verlangen in haar hart, dat ofwel wanhoopte of zocht naar daden; ze voelde schaamte maar ook lust en wist niet wat ze moest doen; zoals een boom in zijn stam verwond wordt door de bijl en voor de genadeslag aarzelt hoe hij zal vallen en daardoor rondom paniek zaait, zo wankelde ook haar hart, afwisselend gepijnigd, neigend naar links, naar rechts, onzeker zwaaiend tussen dubbel kwaad. Behalve sterven vond zij rust noch einde voor haar hartstocht en koos tenslotte voor sterven.

Vastbesloten stond ze op om een eind te maken aan haar leven. Ze fluisterde, nadat ze haar gordel vastgeknoopt had aan de deurpost: 'Lieve Cinyras, vaarwel! Begrijp waarom ik sterf!' Ze stak haar bleke hals naar voren…

Haar zacht gefluister was, zo zegt men, opgevangen door de trouwe oren van de voedster die haar deur bewaakte. De vrouw kwam overeind, keek door een kier en zag die lus voor zelfmoord. Ze had slechts een seconde nodig om luid gillend met veel lawaai haar eigen kleed te scheuren en die knoop van Myrrha's hals te rukken; dan pas was er tijd voor tranen.

De voedster sloeg haar armen om Myrrha heen en vroeg naar de reden van die strop. Het meisje sprak geen woord maar keek roerloos naar de grond, huilend omdat haar te trage zelfmoordpoging was ontdekt. De oude vrouw bleef echter vragen. Wijzend op haar dorre borsten en grijze haar smeekte ze, zo waar als ze haar in de wieg de eerste melk gaf, te vertellen wat haar nu kwelde. Zelfs toen Myrrha zich zuchtend van haar afwendde, bleef de voedster een antwoord eisen. Ze beloofde haar niet alleen te zwijgen, maar zei ook: 'Laat mij je helpen, vertel! Mijn ouderdom kan nuttig zijn. Is het liefdesverdriet? Ik ken een vrouw die met toverspreuken en kruiden weet om te springen. Word je behekst? Dan kan een magisch ritueel je reinigen. Of is het godentoorn? Die zal wijken voor offers… Wat kan er verder zijn? De welstand van dit huis is toch altijd onbedreigd? Je hebt je moeder nog, je vader…' Dat woordje 'vader' ontlokte aan Myrrha weer zo'n diepe zucht. De voedster kon nog steeds die slechte gevoelens niet raden, maar vermoedde wel een of ander amoureus conflict. Met haar doel voor ogen smeekte ze Myrrha hoe dan ook te zeggen wat haar bezielde.

Ze trok het huilende meisje op haar schoot, oud als ze was. Ze wiegde haar zachtjes in haar zwakke armen terwijl ze zei: 'Je bent verliefd, ik voel het. Maar juist dan kan ik - je moet niet bang zijn - je heel goed helpen zonder dat je vader er iets van merkt.' Het meisje sprong wanhopig van haar schoot, stortte zich op bed en gilde: 'Ga weg! Ik smeek je, alsjeblieft, bespaar mij m'n treurige schande!' en toen dat nog niet hielp: 'Weg! Of stop met vragen wat mij kwelt, want je krijgt iets vreselijks te horen!'

Het oudje huiverde, hief haar handen, bibberend van angst en ouderdom, ten hemel en viel het meisje smekend voor de voeten. Eerst vleiend, daarna werd ze boos: als ze het nu niet zou zeggen, dreigde de voedster haar vader van die strop en die zelfmoord te vertellen. Maar ze beloofde haar ook te helpen als ze eerlijk van haar liefde zou spreken. Het meisje tilde het hoofd en huilde aan de boezem van haar voedster een stroom van hete tranen. Ze wilde steeds gaan spreken, maar bleef telkens haperen en verborg uit schaamte haar mond in het kleed. Ze kwam nooit verder dan: 'Mijn moeder is zo gezegend met zo'n man!' en dan zuchtte ze.

Een koude huiver bekroop de voedster diep tot in het merg, want zij begreep. Het witte haar rees haar aan alle kanten steil te berge en voortdurend riep ze om die verdorven lusten, indien ze de middelen had, te bannen. Myrrha wist dat dit de enige juiste raad was, maar toch koos ze, als haar liefde niet vervuld zou worden, voor de dood. 'Nee! Leef maar,' roept de vrouw, 'je krijgt…' en dan durfde ze niet 'je vader' zeggen. Ze zweeg dus en verving beloften door gebeden.

De godsdienstige moeders vierden net het jaarlijks Ceres-feest. Ze droegen dan witte kleren en gingen hun dank betuigen voor de eerste oogst met kransen van korenaren. Negen nachten lang was elk contact met mannen en elk Venusspel verboden. Ook koningin Cenchreïs deed met de vrouwen mee en vierde de mysteriën. Nu het echtelijk bed vrij was, deed de voedster haar boze werk. Toen Cinyras beneveld was door wijn, vertelde ze hem, onder een valse naam, over een meisje dat knap was en verliefd op hem... Toen hij vroeg naar haar leeftijd, antwoordde ze: 'Net die van Myrrha.' Na zijn vraag om haar te halen, rende ze terug naar haar vertrekken. 'Mijn lieve kind, het is gelukt! Verheug je maar! ', juichte ze. Het arme meisje proefde die blijdschap niet echt van ganser harte, want haar voorgevoelens waren somber. Ze was in de war omdat ze terzelfder tijd blij was.

Op dat uur sliep heel de wereld. De Ossendrijver had juist de bocht genomen tussen Grote en Kleine Beer toen Myrrha toesloop op het kwaad. De goudverlichte maan vluchtte weg van de hemel en een zwart wolkendek verborg de sterren: de nacht miste al zijn vuur. Icarus' ster bedekte als eerste zijn gezicht samen met de Maagd, zijn trouwe dochter. Myrrha werd nog wel gewaarschuwd, want ze struikelde tot driemaal toe en driemaal kraste een uil zijn onheilspellend doodswoord.

Toch ging ze ervoor: schaamte verdween in de duisternis en de zwarte nacht. Met haar linkerhand klemde ze die van de voedster vast en met haar rechter tastte ze de donkere gang af. Dan stond ze voor de deur van de slaapkamer, ze opende ze en daar stond ze dan in de kamer… Haar knieën knikten en bibberden van angst, haar bloed trok weg en bij elke stap verloor ze meer en meer haar zelfvertrouwen. Hoe dichter het kwaad kwam, hoe groter haar angst en spijt over haar daad werd. Hoewel ze aarzelde en ongezien nog wou weggaan, trok het oudje haar toch mee tot bij het hoge bed en zei, haar voorstellend aan Cinyras: 'Hier, ze is nu van jou.' Toen liet ze de vervloekte geliefden alleen.

Zo nam de vader zijn eigen vlees en bloed zedeloos bij zich in bed, suste haar meisjesangst en fluisterde haar toe niet bang te zijn. Misschien noemde hij haar wel 'kind', omwille van haar leeftijd en misschien noemde zij hem dan 'vader'; troetelnaampjes in hun zonde…Voldaan glipte ze uit haar vaders bed, in haar schoot droeg ze zijn zondig zaad, die vrucht van incest. De nacht daarop herhaalde het spel zich en het bleef zo doorgaan tot Cinyras zijn minnares na al dat minnegenot wel eens wilde zien. Hij ontstak een fakkel en tot zijn afgrijzen zag hij zijn eigen kind.

Sprakeloos van verdriet trok hij zijn blinkend zwaard dat altijd naast zijn bed hing, maar Myrrha vluchtte weg en dankzij de duisternis en de blinde nacht ontsnapte ze aan een gewisse dood. Negen maanden zwierf ze rond, tot de last van haar zwangerschap haar te zwaar werd. Bang om te sterven, maar ook het leven hatend, wist ze niet wat ze wou en smeekte in een gebed: 'O, goden, als jullie werkelijk luisteren naar mensen met spijt, luister dan naar mij: ik heb een droeve straf verdiend en wil die niet ontgaan, maar laat mij levend geen schandvlek zijn voor levenden noch dood voor doden. Jaag mij dus uit het rijk van zowel dood als van leven. Geef mij een andere vorm!'

De godenhemel luisterde naar deze oprechte spijt, en tenminste haar laatste wens kreeg goddelijk antwoord. Terwijl ze nog sprak, werden haar benen bedekt met zand en uit haar tenen groeiden wortels: het beginpunt van een hoge boomstam. Haar botten werden van hout met enkel het merg dat binnenin bleef bestaan, want haar bloed verging tot sap. Haar armen vervormden tot takken, haar vingers tot korte uitlopers en haar zachte huid verhardde tot schors. De boomgroei had haar zwangere buik al bereikt, zou daarna haar borst bedekken en rond haar hals kronkelen, maar het duurde te lang voor haar: ze kwam het hout dat langs haar opklom zelf tegemoet en liet haar hoofd verdwijnen in de schors. Hoewel ze samen met haar lichaam ook haar vroegere gevoelens moest afstaan, huilde ze toch: er vloeiden namelijk lauwe druppels uit haar stam, eervolle tranen, want dat druipend mirrevocht werd naar zijn meesteres genoemd - een naam die nooit zal verstommen.
 

Adonis

Het kind, verwerkt in ontucht, was ook in die boom verder gegroeid en zocht een manier om zich van zijn moeder te bevrijden. Haar zware buik was in de boomstam gezwollen en de last beknelde haar moederlichaam, maar ze kon haar pijn niet uiten, ook niet met kreten om Lucina te roepen. Toch leek ze op een vrouw met weeën: de gekromde boom slaakte telkens diepe zuchten en was nat van de tranen. Lucina naderde vol medelijden en troostte haar in haar pijn. Toen raakte ze haar takken aan en sprak formules van verlossing: de boom spleet open en tussen de gebarsten schors verscheen een mensenkind, een krijsend jongetje dat op een graszacht bed werd gelegd door de nimfen en werd gezalfd met zijn moeders tranen. Zelfs Vrouwe Jaloezie zou hem bewonderen. Zoals je op schilderingen naakte liefdesgodjes ziet afgebeeld, zo was hij ook; er is alleen een verschil in wat ze dragen: Adonis miste wat Amor heeft: die speelse pijlkoker…
 

Venus en Adonis: begin van het verhaal

Jaren vlogen voorbij en waren niet te stoppen; niets is immers sneller dan de tijd. Die vrucht die bij zijn zus verwekt was door zijn moeders vader en die daarna gedragen en gebaard was door een boomstam, werd al snel een beeldschoon kind. Snel ook een knaap, een man, zichzelf in schoonheid overtreffend en Venus' lieveling (een vergelding voor zijn moeders lust).

Want op een keer, toen Amor met zijn boog op Moeder Venus' schoot sprong, raakte een pijl die uitstak onbedoeld haar borst. Pijnlijk gekwetst schoof de godin haar zoontje weg, maar de wonde zat dieper dan zichtbaar was en dan zij zelf eerst had gedacht…

Betoverd door een sterveling vergat ze Cythera's strand en kwam niet naar Cyprus waar de diepe zee Paphus omspoelt, niet naar het visrijke Cnidus, niet naar Amathus' mijnen, zelfs niet naar de hemel, want Adonis was hemelser! Ze wou hem voelen, bij hem zijn. Terwijl ze zich gewoonlijk zat te koesteren in de schaduw en aan haar schoonheid poetste, zwierf ze nu rond door berg en bos en langs ruw begroeide rotsen met haar kleed, net als Diana, tot de knieën opgeschort. Ze vuurde de honden aan en jaagde op ongevaarlijke jachtbuit, pijlsnelle hazen of een hert met hoogopstaand gewei of soms ook reeën, maar sterke everzwijnen liet ze lopen, ook roofdieren ging ze uit de weg net zoals wolven of beren met hun sterke klauwen en leeuwen die belust zijn op schapenbloed.

Ze raadde ook Adonis aan om op te passen, van oordeel dat zo'n raad nuttig kon zijn. 'Gebruik je kracht tegen lafaards,' zei ze, ' want tegen dapperen is dapperheid geen goed wapen. Alsjeblieft, jongen, wees niet roekeloos ten koste van mijn liefde. Jaag niet op dieren die door de natuur wapens meekregen! Jouw glorie zal dan volgens mij te duur betaald worden. Je charmes, die verblindende jeugd van jou - er is geen borstelzwijn, geen leeuw, geen enkel dier dat oog of hart daardoor laat temmen. Evers zijn fel, hun kromme slagtand flitst als een bliksemschicht en blonde leeuwen hebben een onbedwongen drift en snelheid… ik haat die diersoort!' Toen Adonis vroeg hoe dat kwam, zei ze: 'Ik zal het je vertellen, het is het oude voorbeeld van dierenwreedheid, ongelooflijk! Maar ik ben een beetje moe en het niet gewoon te jagen… Kijk, die schaduwrijke populier lacht mij wel toe. Het gras is als een bed, ik wil hier graag rusten met jou, kom…' En ze vlijde zich op de groene bodem tegen hem aan, legde haar hoofd naar achter in zijn schoot en vertelde.