Uit LIBER TERTIUS
 

EXCERPTUM TERTIUM

Marc Knecht
 

Narcissus en Echo

Narcissus vierde zijn zestiende verjaardag. Hij zag er al volwassen uit, maar in zijn hart was hij nog een echte jongen. Veel mannen en veel meisjes waren op hem verliefd geworden, maar hij wou van de liefde niets weten: jagen was zijn enige passie. Daarom liet hij zich ook door niemand benaderen of aanraken.

Toen hij op een dag op hertenjacht was, kreeg Echo hem in gaten. Echo was een praatgrage nimf die nooit haar mond kon houden als iemand anders sprak, maar ze kon niet uit zichzelf spreken: ze kon alleen maar de laatste woorden herhalen die iemand tot haar gericht had. Echo was op dat ogenblik nog een nimf, niet alleen maar een stem.

Dat praatgebrek had ze opgelopen door de woede van Juno. Telkens als de oppergodin vermoedde dat Jupiter haar bedroog (wat meer dan eens gebeurde), hield Echo haar met opzet aan de praat, zodat de nimfen van onder Jupiter konden wegvluchten. Toen Juno Echo's list doorhad, dacht zij: "Als zij denkt dat ze mij voor de zot kan blijven houden, dan moet ze maar eens wat minder praatjes krijgen, en van veel kortere duur!" En ze liet het niet bij dreigen maar voegde de daad bij het woord: van dan af kon Echo alleen maar de laatst gesproken woorden herhalen.

Toen dus Echo de jagende Narcissus had opgemerkt, was ze op slag op hem verliefd geworden. Stilletjes begon ze hem te achtervolgen. Bij iedere stap die ze zette, voelde ze haar liefde en haar verlangen groeien... Hoe graag was ze naar hem gelopen, hoe graag had ze lieve woordjes gesproken - maar haar gebrek belette haar als eerste te spreken. Wel kon ze zijn woorden afwachten om zo te antwoorden, maar hoeveel kans had ze dan om haar gevoelens kenbaar te maken?

Narcissus was al ver van zijn gezellen afgedwaald, toen hij achter zich plots iets hoorde. Hij riep "Is daar iemand?", en Echo antwoordde "Iemand". Hij keek spiedend rond en zei luid "Kom!", en met dat woord riep ook Echo de roepende jongen. Verrast riep hij "Waarom loop je weg?", maar het enige wat hij hoorde waren zijn eigen woorden. Toch gaf hij niet op; misleid door die andere stem zei hij: "Kom hier, we zullen samen..."

Daarop had Echo gewacht: ze herhaalde die woorden en kwam uit het struikgewas te voorschijn om haar armen rond de lang begeerde hals te slaan. Narcissus deinsde terug en schreeuwde: "Hou je handen thuis; ik val nog liever dood dan dat jij beschikt over mij!" Echo antwoordde nog wel "Jij beschikt over mij", maar besefte dat ze brutaal afgewezen was.

Vernederd hield ze zich schuil in de bossen of verborg zich in grotten. Haar liefde nam niet af, integendeel, die groeide nog door de pijn van die afwijzing. Eten kon ze niet meer, slapen kon ze niet meer... Haar huid verschrompelde, haar levenssappen verlieten haar lichaam; wat restte waren beenderen... en haar stem. Haar beenderen veranderden tenslotte in steen. Sindsdien hield ze zich schuil in de bergen, waar niemand haar ooit zag maar waar iedereen haar kon horen: alleen haar stem leeft verder.
 

Narcissus wordt op zichzelf verliefd en sterft

Narcissus was weggevlucht van haar, zoals hij ook al weggevlucht was voor verliefde mannen. Een van die afgewezen mannen had al gesmeekt: "Laat hem ook verliefd worden op iemand die hij niet kan krijgen. Zo weet hij wat ik nu voel." Nemesis, de godin van de vergelding, had dit gehoord en liet die wens in vervulling gaan.

Narcissus kwam bij een meer waar nog nooit een mens of een dier gekomen was. Rondom was er veel groen en het bleef er fris door een nabije bron en door bomen die het water beschutten tegen de zon. Narcissus was doodmoe van het jagen en vond het de perfecte plaats om uit te rusten. Toen hij zich voorover boog om te drinken, merkte hij plots aan de andere kant van de waterspiegel een ongelooflijk knappe jongeman op die zich naar hem toe boog.

Vol bewondering bekeek Narcissus diens bekoorlijke gestalte, zijn schitterende ogen, zijn wondermooi gelaat, de blos op zijn wangen, zijn ivoorkleurige hals... Hij werd razend verliefd op die onbekende jongen die hij nog nooit eerder gezien had. Maar telkens als Narcissus de jongen aan de andere kant van de waterspiegel probeerde aan te raken, verdween die in de rimpels op het water... Als hij die jongen wou kussen, zag hij dat ook de onbekende jongen hem wou kussen - maar nooit kwam het tot een kus... Als Narcissus weende of lachte, van hoop of wanhoop, zag hij die jongen hetzelfde doen... De jongen verscheen dus als hijzelf verscheen, en verdween als hijzelf verdween... Niets kon hem van die plaats weghouden. Hij deed niets anders dan triestig naar zichzelf kijken in het water. Hij vroeg aan de bomen rond hem:

"Wie is er ooit zo verliefd geweest als ik? Dat moeten jullie toch weten! Velen moeten hier voor mij hun toevlucht hebben gezocht. Wie kennen jullie, die in al die tijd van jullie eeuwenlang bestaan zo heeft moeten lijden? Want ik ben verliefd, ik zie mijn geliefde, alleen kunnen we niet samen zijn.

Weet je wat het ergste is? Het zijn geen zeeën, geen bergen, geen muren die ons scheiden, alleen dat beetje water. Ik weet dat hij bij mij wil zijn, want als ik mijn lippen naar het water breng, buigt hij zich vol vreugde naar mij toe. Ik denk: 'Nu kust hij mij, er is zo weinig dat ons tegenhoudt'. Ik zeg: 'Wie je ook bent, kom hier ! Waarom kom je niet naar mij toe? Waarom wil je me niet kussen? Waar blijf je wanneer ik je wil aanraken? Maken mijn jeugd en mijn schoonheid jou bang? Je lief gezicht doet mij steeds weer de mooiste dingen hopen. Als ik mijn armen naar jou uitstrek, strek jij ze ook naar mij uit. Als ik je toelach, lach je terug. Altijd zie ik jouw tranen als ik moet huilen, maar jouw woorden bereiken me niet'.

Ach... Ik ben het zelf! Ik voel het nu! Ik ben verliefd op mezelf! O, wat moet ik nu doen? Wat ik verlang, heb ik al. Dat is het wat me zo triestig maakt. O, kon ik maar uit mijn lichaam kruipen! Een vreemde wens: wensen dat datgene, waarnaar je verlangt, er niet meer is. Door dit verdriet verlies ik mijn krachten en komt de dood nader - want ik voel dat ik ga sterven door mijn eerste liefde. Ik ben niet bang om dood te gaan, want de dood zal al mijn pijn wegnemen. Maar ik wenste mijn minnaar een langer leven toe. Nu sterven er straks twee, wij samen."

Ziek door zijn verdriet richtte hij zijn blik weer op zichzelf, waarbij zijn tranen in het water vielen. Hij riep: "Waar vlucht je heen? Blijf hier! Laat mij niet alleen! Dit is te wreed! Al mag ik je niet voelen, laat mij je toch bekijken. Alleen zo kan ik mijn zieke passie stillen."

In zijn verdriet scheurde hij zijn kleren stuk en sloeg zich met zijn vuisten op de borst. Waar hij sloeg, ontstonden rode vlekken met de kleur van appels of druiven. Toen hij zijn wonden zag, kon hij het niet langer verdragen. Hij kwijnde weg en werd langzaam opgevreten door iets dat niet bestond. Zijn lichaam was niet gezond of mooi meer. Er was geen kracht meer in wat vroeger zo begeerd werd. Hij was de jongen niet meer waar eens Echo naar verlangde.

Maar Echo zag hem wel en had, ondanks haar woede, medelijden met hem. Telkens als de jongen "Wee mij" riep, riep zij ook "Wee mij", en als hij weende uit liefdesverdriet, deelde ze met hem de pijn. Zijn laatste woorden waren: "Jij bent onbereikbaar!", toen nog "Vaarwel". En Echo herhaalde als altijd "Vaarwel". Hij bleef naar zijn spiegelbeeld kijken tot hij zijn ogen sloot om te sterven.

Zelfs na zijn dood keek hij naar zijn beeld in het water van de Styx. Zijn zusters weenden en sneden een haarlok af als offer. Iedereen rouwde om de dood van Narcissus. Nimfen gingen hout sprokkelen voor zijn brandstapel. Toen ze terugkeerden met de armen vol takken, was het lichaam van Narcissus verdwenen. Op de plaats waar het gelegen had, stond een heerlijk geurende bloem met een gele, ietwat naar beneden gerichte kelk. Ze leek op Narcissus, hoe hij met gebogen hoofd in het water had zitten staren...