Uit LIBER OCTAVUS
 

EXCERPTUM SEXTUM

Marc Knecht
 

Daedalus en Icarus

Daedalus zat ondertussen opgesloten op het eiland Kreta en had genoeg van zijn lange ballingschap: hij wou terug naar Athene! "Laat Minos maar de uitweg over land en zee controleren, maar we kunnen nog weg langs de lucht: we zullen die weg volgen. Ik geef toe dat Minos veel bezit, maar de lucht bezit hij niet!"

Hij begon na te denken over een nog nooit geziene techniek, iets dat nieuw was in de natuur. Hij legde een rij veren op de grond, aan de uiteinden korte, naar binnen toe steeds langere, zodat je zou geloven dat er een helling oprees; het had iets weg van een panfluit die aan een kant steeds breder wordt door de ongelijke stengels waaruit ze is samengesteld. Die pluimen maakte hij aan elkaar vast: met een draad in het midden, met bijenwas onderaan; dat geheel plooide hij lichtjes zoals hij dat bij vogels gezien had.

Zijn zoontje Icarus stond naast hem. Het kind besefte niet dat het met zijn leven speelde: nu eens pakte hij veren op toen die opwaaiden in een lichte bries, dan weer kneedde hij met zijn vingers in de bijenwas en hinderde zijn vader bij het afmaken van zijn wonderlijk werk. Toen de klus tenslotte toch geklaard was, bracht de uitvinder zijn lichaam op twee vleugels in evenwicht en bleef klapwiekend in de lucht hangen.

Hij gaf ook les aan Icarus: "Zorg ervoor dat je altijd in het midden vliegt! Let op, want als je te laag bent, maakt de zee je vleugels zwaar; als je te hoog vliegt, smelt de was door de hitte van de zon: vlieg dus tussen beide in. Kom ook niet in de buurt van de Grote Beer of de Kleine Beer, of van het zwaard van Orion. Ik ben je gids, blijf dus achter mij!"

Terwijl hij deze vermanende woorden uitsprak, bond hij zijn zoon de hem onbekende vleugels aan de schouders. Tijdens het werk en de vermaningen biggelden bij Daedalus de tranen over zijn wangen en beefden zijn handen. Hij omhelsde zijn zoon - voor de laatste keer... Hij verhief zich op zijn vleugels en vloog voor zijn zoon uit, bezorgd of hij wel volgde, zoals een vogel die vanuit een hoog nest zijn tengere kroost voorgaat in de lucht. Hij spoorde Icarus aan hem goed te volgen, leerde hem de fatale techniek van het vliegen en keek of de vleugels van zijn zoon wel goed vastzaten.

Een hengelaar, een herder en een boer zagen hen voorbijkomen - ze schrokken omdat ze dachten dat het goden waren: wie kon er anders door de lucht vliegen? Aan de linkerkant was Samos al in zicht, Delus en Paros waren al achter hen en Lebinthus en het honingrijke Calymne lagen aan hun rechterkant toen de knaap vliegen leuk begon te vinden. Hij liet zijn gids waar die was en ging, aangelokt door de wijde hemel, hoger vliegen. De nabijheid van de verzengende zon maakte de vleugellijm - de geurige bijenwas - zacht, en opeens was de was gesmolten. Armen zonder pluimen wiekten door de lucht maar vonden geen steun; tenslotte werd zijn mond, die nog de naam van zijn vader schreeuwde, omsloten door het blauwe zeewater dat aan hem zijn naam zou ontlenen.

De vader - die nu geen vader meer was - riep "Icarus!", en nogmaals "Icarus, waar ben je? Waar kan ik je vinden?" Hij schreeuwde opnieuw de naam van Icarus toen hij plots de vleugels op de golven zag drijven en zijn techniek vervloekte. Hij begroef het lichaam op de kust en het eiland kreeg de naam van hem die daar begraven ligt.