Uit LIBER PRIMUS
 

EXCERPTUM PRIMUM

Marc Knecht
 

Apollo en Daphne

Uit de vochtige aarde ontstaat de Python

Toen langzaam aan het vocht uit de aarde verdampte, begonnen ook veel kiemen die nieuw leven in zich droegen, als in een moederbuik te groeien; ze kregen stilaan eigen vormen. Het water had dus vruchtbaarheid gebracht over de aarde, zoals de Nijl dat jaarlijks in Egypte doet. Vocht en warmte - ogenschijnlijk tegenstrijdige elementen (is vuur geen vijand van water?) - waren in evenwicht gebracht en zo kwam nieuw leven tot stand.

De aarde baarde ontelbare soorten dieren, die ze deels hun vroegere gedaanten gaf, maar deels ook nieuwe vormen. Zonder het zelf te willen bracht de aarde ook een reuzenslang voort, de Python, een monster zoals nog nooit door mensenogen was aanschouwd, een huiveringwekkend schrikbeeld.
 

Apollo doodt de Python

Apollo, die tot dan toe gewend was zijn boog te gebruiken voor de jacht op gems of reebok, schoot op de Python bijna zijn hele pijlkoker leeg. De Python stortte dood ter aarde, bloedend uit ontelbare wonden.

Apollo wou dat de herinnering aan deze roemrijke daad bewaard zou blijven en stelde een naar het monster genoemde wedstrijd in, de Pythische spelen. Wie daar in worstelwedstrijd, in hardlopen of in wagenwedrennen de beste was, ontving er een erekrans van eikenbladeren, want de laurier bestond nog niet. Apollo moest toen de lange lokken van zijn sierlijk hoofd nog tooien met loof van andere bomen.
 

Apollo beledigt Cupido

Daphne, de dochter van Peneus, was de eerste liefde van Apollo. Dat was geen toeval maar een gevolg van de wraak van Cupido. Apollo, apetrots op zijn overwinning op de Python, bemerkte Cupido die bezig was zijn boog te spannen. Geringschattend zei hij: "Zeg eens, snotneus, wat doe jij daar met een wapen dat alleen maar aan mijn schouders past? Ik heb met dat wapen tenminste al een gevaarlijke vijand gedood; het enige wat jij met die boog uitvreet, is mensen in liefde doen ontvlammen! Wil je daarvoor in het vervolg een fakkel gebruiken in plaats van het wapen van mijn triomf?"
 

Cupido wreekt zich

De zoon van Venus was spinnijdig geworden en had teruggeroepen: "Het kan best zijn, Apollo, dat jouw boog alles kan treffen; maar ik zal jou met mijn boog treffen!" En na die woorden had hij postgevat op een van de toppen van de Parnasus. Twee pijlen haalde hij uit zijn koker: een pijl met een loden punt, die alle liefde verdrijft, had hij afgeschoten op een nimf, Daphne, de dochter van Peneus; een pijl met een gouden punt, die in liefde doet ontvlammen, had hij afgevuurd op Apollo.

Onmiddellijk stond Apollo in lichterlaaie voor Daphne, die van zijn liefde natuurlijk niet wou weten. Ze wou alleen maar jagen, gekleed in dierenhuiden, als een nieuwe Diana. Haar vader mocht aandringen op een huwelijk, vragen dat ze hem kleinkinderen zou geven, niets baatte. Ze smeekte Peneus dat hij haar zou toelaten haar hele leven maagd te zijn, en tenslotte stond haar vader dat, zeer tegen zijn zin, toe.

Maar juist haar schoonheid belette dat haar wens in vervulling kon gaan. Apollo was immers smoorverliefd op haar geworden! Hij droomde van haar, verlangde naar haar en werd misleid door zijn eigen zienerskunst. Hij zag hoe haar onverzorgde lokken op haar schouders vielen en probeerde zich voor te stellen hoe mooi ze zou zijn als die haren opgebonden waren; hij zag haar ogen fonkelen, bewonderde haar veelbelovende lippen, liet zijn blik gaan van haar vingers naar haar handen, haar armen, haar...

Maar Daphne sloeg op de vlucht en wat Apollo ook riep om haar op hem te laten wachten, ze bleef niet staan. Hoe hij haar ook smeekte en probeerde te overtuigen, ze bleef maar lopen. Het leek wel of de snelheid van haar vlucht haar schoonheid nog deed toenemen... Apollo verdubbelde zijn snelheid en gedragen door de vleugels van de liefde begon hij de nimf in te halen: ze voelde al zijn adem in haar nek.

Uitgeput bad ze tot haar vader: "Vader, jij die stroomgod bent, jij hebt de macht om mijn schoonheid te veranderen. Help me toch!" En terwijl ze die woorden uitsprak, werd ze bevangen door stijfheid. Haar borst werd ingesloten door een dunne bast, haar armen groeiden uit tot takken, haar vingers tot twijgen en haar haren tot loof. Haar voeten die zonet nog zo snel waren, werden nu tegengehouden door wortels; haar hoofd was een kruin geworden. Alleen haar schoonheid was in haar blijven bestaan.

Apollo hield nog steeds van haar, ook al was ze dan een boom geworden. Hij legde zijn hand op de stam en voelde haar hart nog kloppen onder de nieuwe schors, hij omhelsde haar stam als was het nog een lichaam, hij kuste het hout - maar het hout boog van zijn kussen weg. Toen zei Apollo: "Je kunt mijn vrouw niet worden, maar je zult voor altijd mijn boom blijven. Kransen van jouw twijgen zullen mijn lier, mijn boog en mijn lier sieren. Jij zult Romeinse triomfators begeleiden op hun tocht naar het Capitool. Zoals ik altijd mijn haar lang draag, zo zul jij altijd je bladeren behouden." En het scheen Apollo toe dat de laurierboom instemmend knikte met de kruin, alsof het nog een hoofd was...