Uit LIBER QUINTUS DECIMUS
 

Elodie Despret

3 LaWi

2001-2002
 

Ik wil de goden niet teleurstellen en daarom gebruik ik mijn kennis om over de hemel en zijn geheimen te praten. Ik vertel jullie over dingen die nog nooit door de mens bevroed werden en lang verborgen zijn gebleven. Ik wil ver van de wereld op wolken rijden om het redeloos en doelloos dwalen van de mens te onderzoeken, hem in zijn onzekerheid en doodsvrees te steunen en dan te spreken over wat er is beschikt. O, aarde die gevuld is met angst voor de dood, wat zal er gebeuren met de Styx, de schimmen en het waanidee dat stof voor dichters is? Men is bang voor een verzonnen wereld! Jullie moeten weten dat, nadat jullie lichaam afgestorven is, jullie ziel zal verder leven en van het ene lichaam naar het andere verhuizen. In de Trojaanse oorlog was ik ooit een zoon was van PanthoŁs en heette Euphorbus; ik werd getroffen in de borst door de zware speer van Menelaus. Het schild dat ik aan mijn linkerarm droeg, heb ik onlangs zien hangen in de Juno-tempel in Argos, de stad van Abas.

Alles verandert maar niets vergaat. De ziel doolt rond, van hier naar daar en omgekeerd, bewoont elk lichaam dat hij maar wil, gaat van een dier naar een mens en terug naar een dier, maar nooit zal hij het begeven. Hij beeldt steeds iets anders uit, blijft niet wat hij geweest is, bewaart niet dezelfde vorm, maar is wel uit dezelfde stof vervaardigd. Ze is steeds dezelfde, maar verschijnt in allerlei gestalten. Vandaar mijn boodschap: íHou van het leven! Zie af van het sterven, waardoor verwante zielen verhuizen! Bloed moet niet van bloed bestaan!í

En nu ik toch begonnen ben, moet ik verder doen. Er is niets op deze wereld dat in dezelfde vorm blijft bestaan. Alles verandert, elk ding krijgt een vorm en verdwijnt. Ja, ook de tijd verstrijkt als de stroming van een rivier, die haar beweging niet kan tegenhouden, net zoals een vluchtig uur niet kan stilstaan. Zo stuwt water zich voort en wordt het in de rug geduwd, maar vloeit ook zelf voort. Zo vliegt de tijd voorbij en verandert steeds. Wat vroeger was, is nu voorbij en nu gebeurt wat nog komen moet. Ieder moment verandert.

Zo zie je ook dat de nacht altijd weer wordt gevolgd door de dag. Steeds weer komt stralend zonlicht uit de zwarte nacht te voorschijn. Wanneer alles ligt te rusten, verschijnt er een andere kleur dan Lucifers witte ros. Alles is opnieuw weer anders als Aurora de dag aankondigt en de hemel kleurt vůůr zij het zonlicht laat schijnen. Ook de Zonnegod is ís morgens rood, als hij opkomt, en wordt weer rood, als hij slapen gaat. Maar op zijn hoogste punt is hij helder wit, omdat de lucht daar zuiverder is en omdat hij ver van het vuil van de aarde verwijderd is.

Ook de maangodin Diana zal nooit hetzelfde lichaam behouden: wanneer zij groeit, zal zij vandaag wat kleiner zijn dan morgen, en wanneer zij afneemt, weer wat groter. Je ziet dat een jaar vier seizoenen doormaakt als de fasen van een mensenleven. Bij nieuwe lente is het jaar teer, het leeft van de sappen als een kind. Er groeit een fris, nog niet zoín sterk gewas, maar het maakt de boeren wel al blij en hoopvol. Alles staat dan in bloei, op de rijke bodem groeien bloesemtinten, maar het groen moet nog volwassen worden.

Na de lente komt de zomer. De kracht van het jaar neemt toe... Er is geen ander seizoen dat even krachtig en vruchtbaar is en zoín gloed bezit. Maar als de levenswarmte mindert en het najaar nadert, is men rijp en rustig, niet meer jong, maar ook nog niet oud en het haar wordt grijs. Dan is er de winter, die oud en bars is. Zijn voetstap beeft en zijn kruin is kaal, maar wat er nog overblijft, is wit.

Ons lichaam verandert constant. We blijven niet wat we zijn. Eerst waren we zaad, als eerste hoop op leven, dat zich in de moederbuik bevond, als een kunstwerk in de handen van de natuur. De natuur zorgde ervoor dat we niet in de buik van de moeder bleven zitten, maar eruit geperst werden om de wijde wereld in te trekkenÖ Daar ligt de pasgeboren baby, nog krachteloos. Maar al snel begint hij op handen en knieŽn te kruipen, als een dier. En heel langzaam gaat het rechtop lopen, met de knieŽn gekromd, en om zijn evenwicht te houden, heeft hij nog steun nodig.

Vervolgens geniet de mens van zijn jonge jaren, wordt volwassen en daarna volgt hij het pad naar ouderdom en de dood. De tijden veranderen. De oude Milo treurt om zijn slappe en neerhangende armen die ooit te vergelijken waren met die van Hercules. Ook Helena treurt om de rimpels die ze ziet wanneer ze in de spiegel kijkt, en vraagt zich af waarom zij, de eerste maal door Theseus en de tweede maal door Paris, geschaakt werd. Tijd en jaloezie is het slechtste dat bestaat. Alles sterft langzaam af.

De elementen blijven niet bestaan. Ik zal u over hen vertellen. Het bestaan kent vier elementaire oerstoffen. Twee van hen zijn zwaar, aarde en water, die door hun gewicht vanzelf naar beneden getrokken worden. De twee andere zijn gewichtloos. Wanneer er niets op hen drukt, gaan ze naar boven: lucht en vuur. Vuur is nog lichter dan lucht. En alle vier, hoe ver ze ook van elkaar verwijderd zijn, ontstaan uit elkaar en gaan van de ene naar de andere over. De aarde wordt water, die lucht wordt. Wanneer de zwaartekracht wegvalt, schiet de lucht omhoog en wordt vuur. Daarna zijn de rollen omgedraaid. Vuur condenseert en wordt damp, die op zijn beurt in water verandert en opnieuw de aarde wordt.

Niets behoudt dezelfde vorm. Moeder Natuur laat elke vorm ontstaan uit een andere vorm. Niets gaat verloren, maar verandert. Men spreekt van een geboorte wanneer er iets anders ontstaat en men spreekt van sterven wanneer de oude vorm verdwijnt. Alles mag veranderen, maar de wereld blijft bestaan.

Ik geloof dat niets in hetzelfde lichaam blijft bestaan. Bekijk de eeuwen die veranderd zijn van goud naar ijzer. Bemerk hoe vaak de toestand van de aarde gewijzigd is. Ik heb een zee gezien waar vasteland was en ik heb land gezien waar de oceaan was. Ver van de kust vindt men wel eens een mosselschelp en hoog in de bergen vond men oude ankers. Wat ooit vlak was, is nu een dal, gebergten zijn nu velden door de watersnood. Moerasgebieden drogen uit tot zandgrond en wordt een streek die dorst moet lijden, maar nu staan ze weer vol met waterpoelen.

De natuur laat nieuwe bronnen ontstaan en laat oude opdrogen. Rivieren die ooit verdwenen waren door een aardschok, komen weer tot leven en andere drogen uit. Zo is de Lycusstroom verdwenen door een aardspleet en stroomt verder uit een nieuwe opening. De lange Erasinus dringt eerst de aarde binnen, stroomt daarna ondergronds verder en komt weer boven in Argolis. In MysiŽ stroomt de CaÔcus nu heel anders, want hij was zijn bron en oude bedding beu. De Siciliaanse Amenanus stroomt niet altijd, want soms is hij uitgedroogd. Ooit dronk men graag uit de Anigrus, maar nu wil geen mens er nog van proeven sinds Centauren er de pijlwonden van de boog van Hercules in uitspoelden. En denk eens aan de Hypanis, die in het Scythisch bergland stroomt en zoet was, maar nu enkel nog naar bitter zout smaakt.

Ooit werden Antissa, Pharos en Tyrus in FeniciŽ door de zee overspoeld en nu zijn ze zelfs geen eiland meer. Maar Leucas, dat ooit beschouwd was als vasteland, ligt nu diep in de zee. Zancle hing ooit vast aan ItaliŽ, totdat de beide kusten gescheiden werden door zee. Helice en Buris, in Achaea, liggen onder water: zeelui wijzen er nog steeds de stadsruÔnes met hun verdronken muren aan. De heuvelbult, niet ver van Troizen, Pittheusí stad, was vroeger de vlakste vlakte. Nu is ze een steile, kale en boomloze heuvel, want toen de woeste winden weer eens in de aardbol zaten, wilden ze toch graag ergens waaien. Ze worstelden om de lucht te bereiken, maar doordat de aarde nergens een spleet vertoonde en doordat er nergens een uitweg voor hun blaaskracht was, begon de bodem uit te zetten. Het was net zoals men met adem een gedroogde blaas of leren zak van geitenvel kan spannen. Die zwelling bleef als een hoge heuvel zichtbaar en verhardde mettertijd.

Ik vertel slechts een enkel ding van alles wat ik allemaal vernomen heb. Water krijgt steeds een nieuwe vorm: Ammon, de stroomgod, is ís middags koud, maar bij zonsopgang en zonsondergang is hij lekker warm. Het verhaal speelt zich af in Epirus. De inwoners staken fakkels aan in een bron, wanneer de maan er het kleinst was. Bij de Ciconen is er een rivier en als je er van drinkt, verander je in steen. De Crathis en de Sybaris, niet ver van hier, kleuren je haar met een glans van barnsteen of goud. Er is ook water dat niet alleen iemands lichaam, maar ook zijn geest verandert: wie uit het bronmeer van Salmacis of uit dat meer in EthiopiŽ drinkt, wordt gek of door een zware roes bevangen.

Wie uit de Clitorbron drinkt, houdt niet meer van wijn en drinkt zijn hele leven lang alleen nog maar water, ofwel omdat die bron een kracht heeft die het verlangen naar wijn dooft, ofwel omdat Melampus er met een toverspreuk en kruiden Proetusí dochters van hun waanzin heeft afgeholpen en er de tovermiddelen heeft gegooid waardoor het wijnvijandig werd. Een stroom die omgekeerd werkt, bestaat bij de LyncestiŽrs: wie te gulzig daarvan drinkt, wordt dronken, ook al heeft hij bijna geen wijn gedronken.

In ArcadiŽ is er een meer, ooit Pheneon genoemd, dat gevaarlijk is om er ís nachts te drinken, maar overdag is er niets aan de hand. Zo bestaan er meren en rivieren met een speciale kracht. Delos dreef ooit op zee, maar nu ligt het vast. Ooit was het Argoschip gevreesd voor het botsen van de Symplegaden, maar nu zijn ze niet te verslaan en trotseren ze elke storm.