Uit LIBER TERTIUS
 

Dorothea Verheye

3 LaMt

1997-1998
 

De matrozen juichten. Maar dan bleek de jongen, die Bacchus heette, weer nuchter geworden te zijn door het gejuich en geroep. Geschrokken vroeg hij: 'Wat is er aan de hand, matrozen? Waarom roepen jullie zo?' Toen hij al die stoere mannen zag, werd hij bang en vroeg: 'Waar willen jullie mij heenbrengen?'

Proreus probeerde Bacchus gerust te stellen door te zeggen: 'Wees maar niet bang, jongeman, zeg maar waar je heen wil en wij zullen jou daar brengen.' Bacchus keek de matrozen even wantrouwig aan maar zei toen: 'Goed, breng me maar naar Naxus. Ik woon daar, en de bewoners zullen jullie zeker met open armen ontvangen.' De bemanning beloofde Bacchus dat ze hem naar Naxus zouden brengen, die grote leugenaars!

De matrozen dwongen mij om de boot te laten vertrekken, wat ik dus ook deed. Omdat Naxus aan de rechterkant ligt, liet ik het schip naar rechts koersen. Maar de matrozen begonnen te schelden en te roepen dat ik naar links moest varen. Ik keek verbaasd en vroeg: 'Hoezo, Naxus ligt toch aan stuurboord?' Pas dan vertelden de mannen mij hun snood plannetje. Ik was geschokt en riep: 'Vergeet het, bedriegers! Ik doe niet mee aan jullie stom spelletje!' en ik liep weg. De matrozen begonnen te vloeken en een van hen, Aethalion, riep mij woedend na: 'Wie denk je wel dat je bent, ventje? Denk je dat jij ons hele leven kunt regelen?' Hij greep het roer en stuurde de boot naar links, weg van Naxus.

Maar toen Bacchus zag dat de kusten die opdoemden niet de kusten van Naxus waren, doorzag hij het plan van de bemanning. Even bleef hij geschrokken staan maar dan riep hij: 'Dit is Naxus niet! Jullie vuile bedriegers!' Het huilen stond hem nader dan het lachen. Met tranen in zijn ogen zei hij: 'Waarom doen jullie mij dat aan? Wat heb ik, een arme zwakke knaap, misdaan? Wat heb ik jullie in vredesnaam misdaan?' Ik begon medelijden te krijgen met de jongen, maar mijn matrozen gierden van het lachen en roeiden nog harder dan voorheen.

Toen - ik zweer bij Bacchus dat alles wat ik nu zeggen zal tot in de details de waarheid is - bleef het schip plots roerloos liggen, wat de bemanning ook probeerde. De matrozen waren met stomheid geslagen, ze gooiden zich met verdubbelde ijver op hun roeiriemen en zetten alle zeilen bij, maar het schip bleef onbeweeglijk liggen. Opeens begonnen er overal klimopplanten te groeien, ze kronkelden langs de roeiriemen en zeilen omhoog en bleven maar voort groeien. Bacchus stond op het dek, met een krans op zijn hoofd en in zijn hand een staf waarrond druivenranken hingen. Naast hem lagen lynxen, tijgers en gevlekte panters - we dachten tenminste dat die daar lagen. Mijn mannen sprongen verbijsterd op.

Toen gebeurde er iets wonderlijks: het lichaam van Medon, een van mijn matrozen, werd helemaal zwart, en heel erg lenig boog hij om en om. En Lycabas' mond werd, terwijl hij riep: 'Zeg, in wat voor monster verander jij?', een wijde bek, zijn neus werd platter en platter en hij begon schubben te krijgen.

Ook Libys, die zijn roeispaan wou intrekken, zag hoe zijn armen korter werden en veranderden in vinnen. Een andere matroos strekte zijn armen uit naar de klimopplanten met de bedoeling erop te klimmen, maar opeens waren zijn armen verdwenen en dook hij, zonder armen, in de gedaante van een vis in zee. Al gauw volgden alle andere leden van mijn bemanning; ze waren allemaal in dolfijnen veranderd... Daar zwommen ze nu, mijn matrozen. Ieder van hen was een dolfijn geworden, behalve ik.

Nu was ik pas echt bang omdat ik dacht aan het vreselijke lot dat mijn deel zou worden, en ik stond te trillen op mijn benen. Maar Bacchus stelde mij gerust en zei: 'Wees maar niet bang, jou zal ik niets doen; vaar nu maar écht naar Naxus.' Zo kwam ik dus op Naxus aan en werd ik een volgeling van Bacchus."
 

Pentheus' straf

"Ik heb naar jou geluisterd" zei Pentheus "maar nu zal ik doen wat ik moet doen". En tot de soldaten zei hij: "Vlug, soldaten, neem deze man mee, folter hem, dood hem, stuur hem naar Styx!" De soldaten sleurden Acoetes mee naar de kerker, zetten ijzers klaar en maakten een vuurtje om hem te kunnen folteren. Maar opeens, zo gaat het verhaal, gingen de zware deuren van de kerker vanzelf open en gleden de ketens van Acoetes' polsen.

Nu was de maat vol voor Pentheus! Hij zou het nu wel zelf opknappen! Snel ging hij naar de Cithaeron-berg - daar kwamen de Bacchanten samen. In de verte hoorde hij de Bacchusfanaten al zingen. Pentheus was ondertussen zo razend geworden dat hij bereid was om alles en iedereen die hem voor de voeten zou lopen, uit te schakelen; hij kon de hele wereld verslaan!

In een krans van bomen lag een open veld. Toen Pentheus dat veld betrad, rende er een hysterische vrouw naar Pentheus en raakte hem aan met haar thyrsusstaf. Pentheus keek in het gezicht van de vrouw en zag... zijn bloedeigen moeder! Agauë riep haar beide zusters en zei: "Kijk, een everzwijn, we moeten het doden, zusters!" En dan vielen alle Bacchanten Pentheus aan. Die werd doodsbang, begon te roepen en bekende dat hij schuldig was en dat hij gezondigd had, maar het was vergeefse moeite.

De Bacchanten kwetsten Pentheus die het uitschreeuwde van de pijn. Smekend keek hij zijn tante Autonoë aan en zei: "Alstublieft, tantetje, help me dan toch, denk toch aan Actaeons schim!" Maar Autonoë wist nu niet eens meer wie haar zoon Actaeon was: ze rukte Pentheus een arm uit. Ino snokte Pentheus' andere arm van zijn lichaam. Hun slachtoffer kermde van de pijn; hij toonde zijn moeder de plaats waar zijn armen gezeten hadden en zei: "Kijk toch eens, mama..."

Dat waren zijn laatste woorden... Agauë, de vrouw die Pentheus gebaard had, juichte; het was haar gelukt! Ze had het hoofd van haar zoon uitgerukt, tilde het bloedende lichaamsdeel triomfantelijk omhoog en gilde: "Kijk, vriendinnen, onze jachttrofee!" Pentheus' lichaam, door de Bacchanten uiteengerukt, lag nu zielloos op de grond.

Dat was een ernstige waarschuwing, en sindsdien hebben Thebe's vrouwen zich altijd gewijd aan de eredienst van Bacchus, met wierookoffers bij zijn heilig altaar.