Uit LIBER NONUS
 

Diederik Syoen

3 LaWi

1998-1999
 

Acheloüs en Hercules

Het slot van Theseus' verblijf bij de riviergod Acheloüs

De zoon van Neptunus vroeg waarom Acheloüs zuchtte en hoe hij zijn hoofdwonde had opgelopen. De Calydonische riviergod die zijn haar met riet omwonden had, vertelde het hem: "Je vraagt mij een droeve gunst, want wie vertelt graag verhalen over zijn eigen nederlaag? Toch zul je alles van mij horen, want verliezen was echt geen schande vergeleken met de eer die aan het gevecht verbonden was. Maar mijn grootste troost is dat de winnaar een grote held was.

Misschien heb je de naam Deianira al vaker gehoord? Ze was het mooiste meisje en de grootste hartenwens van menig edelgeboren man. Ik kwam als een van de velen voor een aanzoek in haar vaders paleis en sprak: 'Jou, Oeneus, vraag ik om je dochters hand.' Hetzelfde vroeg ook Hercules; ieder van ons liet de ander de eer. Hercules pochte met zijn afkomst: hij had immers Jupiter als vader en hij had zijn twaalf werken tot een goed einde gebracht; daarmee had hij aan Juno's eis voldaan.

Daarop riep ik: 'Is het geen schande als een god als ik moet wijken voor een mens?' Hercules was toen immers nog geen godheid. 'Kijk naar mij, ik ben de heerser van alle stromen die door je rijk kronkelen! Ik ben geen schoonzoon die hier plots langskomt, maar ik ben een landgenoot, een van de jouwen! En moet het in mijn nadeel zijn dat die verheven Juno mij niet haat en mij geen zware werken oplegt? En jij, Alcmene's zoon, jij praalt met Jupiter als vader, maar dat is ofwel een leugen, ofwel zeer verdacht als het de waarheid is. Maak je keuze maar, Oeneus, want ofwel is dat verhaal over Jupiter een leugen, ofwel is Hercules zijn bastaardzoon.'
 

Worstelwedstrijd tussen Acheloüs en Hercules

Gedurende de hele tijd dat ik dit soort dingen riep, keek Hercules me briesend aan; hij vond de kracht niet zijn boos gemoed te temmen en snauwde me bits toe: 'Mijn vuist is een beter wapen dan mijn tong; als ik win met vechten, dan mag jij winnen met het woord...' en hij daagde me woedend uit tot een duel. Na al mijn grootspraak durfde ik niet weigeren; ik heb mijn groene mantel afgegooid, mijn vuisten dreigend opgeheven en mijn gespierde armen pal voor mijn borst in houding gezet, klaar voor een worstelwedstrijd. Eerst gooide hij handenvol zand naar mij, waarop ik hetzelfde deed. Hercules pakte mijn nek vast en onmiddellijk daarna probeerde hij mijn flitsend snelle benen te grijpen, en belaagde me ook nog van links en rechts.

Mijn stevigheid was mijn redding; zijn aanval werd verijdeld als door een dam waar de golven met luid gebulder op inbeuken maar die toch standhoudt door zijn gewicht... We namen even afstand voordat we weer ten aanval gingen; dan, vastbesloten geen duimbreed toe te geven, stonden we weer verstrengeld, voet aan voet; ik duwde met heel mijn bovenlijf tegen hem, voorhoofd op voorhoofd, vingers tegen vingers. Zo zag ik wel eens twee sterke stieren in een gevecht toen er gestreden werd voor de mooiste koe van de hele bergwei. De rest van de kudde keek angstig toe, vol spanning over wie de strijd in zijn voordeel zou beslechten.

Zeker driemaal wou Hercules mijn tegenwerkend lichaam van het zijne los duwen, maar zonder succes. Bij zijn vierde poging brak hij echter wel mijn greep, ontdeed zich van mijn armen om hem heen, diende me een stomp toe die - dat wil ik openlijk bekennen - mij deed rondtollen en sprong op mijn rug met zijn hele gewicht. Geloof me - want ik zoek met mijn verhaal geen valse glorie: ik dacht echt dat een bergrug me verpletterde! Toch wrong ik met veel wilskracht mijn met zweet bedekte armen naar boven en verloste me moeizaam, happend naar lucht, van die strakke knoop. Hij liet me echter niet op adem komen en greep me onmiddellijk in de nek; pas toen ging ik door de knieën en beet in het zand.

Omdat ik de mindere was in kracht, zocht ik mijn toevlucht tot mijn toverkunst: ik veranderde in een lange slang en kon Hercules ontglippen, maar toen ik met dat slangenlijf wat kronkelbochten had gedraaid en woest siste met mijn gespleten tong, lachte Hercules, de held uit Tiryns, me uit en bespotte me om mijn trucs: 'Ik was als wiegenkind al sterk in het wurgen van slangen,' riep hij, 'en zelfs al win je het van elke andere slang, je blijft een nietig klein slangetje, Acheloüs, vergeleken bij de draak van Lerna die door zijn eigen wonden sterker werd: geen enkele van zijn honderd koppen kon je zomaar afslaan zonder dat er een nog veel sterkere nek met twee koppen aan ontsproot! Dat beest, dat werd omkronkeld door uit bloed ontstane adders en groeide in zijn pijn, heb ik, Hercules, gedood en gevild. Hoe zal het jou vergaan, denk je, in je slangenvermomming, zonder dat je vecht met je eigen wapens maar worstelt in een geleend kostuum?' Na deze woorden knepen zijn vingers mijn keel van boven hard dicht. Ik snakte naar lucht - als zat mijn luchtpijp in een tang - worstelend om mijn keel van die vingers te verlossen.

Toen dat echter niet lukte, bleef mij nog een derde gedaante; die van een stier, en in stierengedaante vocht ik verder. Hercules greep van links mijn halskwab stevig beet, trok en liet me niet meer los, tot hij mijn omlaag gerichte horens de harde grond in boorde en mij diep in het stof deed bijten. En toen, doordat hij iets te woest een harde hoorn vastgreep, brak hij die af en rukte hem van mijn kop. Het is die hoorn die mijn nimfen vol met fruit en bloemen stopten en wijdden als rijk symbool aan godin Fortuna." Aldus klonk Acheloüs' verhaal. Een nimf, een van zijn dienaressen, gekleed volgens Diana's mode en met loshangend haar, kwam binnen en bracht uit de rijkgevulde hoorn de tweede gang van de maaltijd: een overvloed van herfstvruchten.
 

Theseus en zijn mannen nemen afscheid

Bij ochtendgloren, toen de eerste zonnestralen de rand van de bergen raakten, namen de mannen afscheid zonder te wachten tot de stromen gekalmeerd waren en de overvloed aan water weer vredig voortgleed. Acheloüs liet zijn ruige hoofd (waaraan een hoorn ontbrak) weer onder water zakken. Toch ging zijn nederlaag slechts gepaard met het verlies van die ene hoorn; verder bleef hij ongedeerd en zijn hoofdwonde bedekte hij met een krans van riet of wilgenscheuten.
 

Hercules en Nessus

De woeste Nessus had zijn liefde voor diezelfde Deianira moeten betalen met zijn eigen dood: een pijlschot in zijn rug. Hercules, op weg met zijn jonge vrouw naar Tiryns, zijn geboortestad, was al bij Euenus' snelle stroom beland. Het water stond echter veel hoger dan normaal; de Euenus was gezwollen door de talrijke winterregens en was door draaikolken niet meer doorwaadbaar. Hercules zelf was onverschrokken, maar hij was bezorgd om Deianira. Toen bood Nessus, sterk van lichaam en goed bekend met de rivier, zijn hulp aan en zei: "Ik draag haar naar de overkant, dan kan jij de andere oever op eigen kracht bereiken, Hercules."

De held vertrouwde het Calydonische meisje, dat erg bang was - zowel voor het water als voor de kentaur - aan Nessus toe en riep dan, van onder zijn zware vracht van leeuwenhuid en pijlkoker (zijn knuppel en kromme boog had hij immers al naar de overkant geslingerd) dat het niet de eerste keer was dat hij een stroom ging temmen. Hercules aarzelde niet, hij keek ook niet waar de stroom het gunstigst was om over te steken en weigerde zich door het water te laten meedragen. Toen hij aan de overzijde was en zich bukte om zijn wapens op te rapen, hoorde hij zijn vrouw gillen: Nessus wilde zich vergrijpen aan wat hem toevertrouwd was!

Daarop riep Hercules: "Vuile schurk, waar ga je heen? Vertrouw je eigen voeten niet! Ik zeg je, paardmens, en luister maar goed: je zult mijn eigendom niet aanraken! En als je mij niet respecteert, dan moet je eens denken aan je vader: de gedachte aan Ixions rad moet jou toch hoeden voor verboden lust? Nee, mij ontkom je zeker niet, al denk je dat je paardenbenen je zullen helpen. Ik zal je niet te voet inhalen, maar met een pijl." Dat laatste woord was reeds een feit, want terwijl de dief nog vluchtte, doorboorde een pijl zijn rug. De punt met weerhaak stak uit zijn borst en toen hij die terugtrok, spoot het bloed uit beide openingen, zich mengend met het gif van de draak van Lerna (waarmee de punt was ingesmeerd). Nessus ving dit bloed nog op en dacht: "Ik wil niet ongewroken sterven." En hij gaf een kleed, doordrenkt met zijn bloed, aan het meisje, als liefdesmiddel...