Uit LIBER QUINTUS
 

Colin Gray

3 LaWi

1997-1998
 

Het verhaal van Arethusa

Ceres, die wat gekalmeerd was na de terugkeer van haar dochter, vroeg Arethusa waarom ze gevlucht was uit Elis en waarom ze een bron geworden was. De nimf rees op uit het water, wrong haar groene haren uit en begon te vertellen van Alpheius' liefde voor haar, een oud verhaal uit Elis.

'Ik was een van de nimfen van Achaia. Ik zwierf van ons allen het liefst door de bossen en ging met veel plezier jagen. Hoewel ik er niet naar streefde om beeldschoon te worden - ik was eerder sportief - vond iedereen mij een heel mooi meisje. Ik werd te veel geprezen voor mijn uiterlijk en dat beviel me niet. Mijn lichaam - dat anderen wensten - deed mij blozen. Ik vond het ongepast om me charmant te gedragen.

Ik herinner me dat ik op een dag door een Arcadisch bos naar huis ging; ik was doodmoe. Door het jagen was de hitte nog ondraaglijker dan anders. Ik kwam bij een stille, geluidloze rivier: ik kon alle kiezelsteen op de bodem tellen. Zilveren wilgen en talloze populieren die gretig van het water dronken, zorgden voor schaduw op de oever. Daar ging ik dus heen.

Eerst stak ik alleen mijn voeten in het koele water, daarna waadde ik erin tot mijn knieën - maar ik wilde verder. Daarom knoopte ik mijn ceintuur los, hing mijn kleren aan een lage wilgentak en zo ging ik naakt het water in. Ik poedelde wat, maakte me helemaal nat, sloeg mijn armen wijd uit, totdat ik plots een stem hoorde die uit het water kwam. Geschrokken klauterde ik de dichtste oever op.... "Waarom vlucht je, Arethusa?" Het was Alpheius, de riviergod. "Naar waar loop je?" riep hij opnieuw met zware stem.

Ik vluchtte zoals ik was. Ik had dus geen kleren aan, ze waren aan de overkant van de rivier. Hij achtervolgde me met inzet van al zijn krachten. Omdat ik naakt was, dacht hij dat ik het wel niet erg zou vinden om met hem te vrijen... Zoals een duif soms angstig voor een havik vlucht, zoals een havik bange duiven achternazit, zo zat hij me achterna, zo haastte ik me weg.

Voorbij de steden Orchomenus en Psophis, voorbij het Cyllene-gebergte, door de dalen van het Maenalus-gebergte, langs het kille water van de Erymanthus, door Elis bleef ik lopen zonder stoppen. Hij was niet echt vlugger dan ik, maar ik kwam kracht te kort: ik was doodop, ik hield het niet meer vol. En daarbij: hij was gewend aan lange afstanden. Toch liep ik verder, langs vlakten, bergen, dichtbegroeid met bossen, langs iedere steen en rots, zelfs waar er geen pad was.

De zon gloeide op mijn rug, ik zag zijn lange schaduw al voor mijn voeten dansen - of kwam dat door mijn angst? Hoe dan ook, zijn voetstappen klonken angstaanjagend dichtbij. Hij hijgde in mijn vastgebonden lokken. Vermoeid door het vluchten riep ik: "Help me toch, ik word verkracht! Diana! Red mij, je gezellin die vaak je boog en je volle pijlkoker draagt!"

Diana toonde medelijden: ze hulde mij in een wolk, ik werd onzichtbaar in de mist. Alpheius neusde rond, blind tastend in de dichte nevel. Tweemaal kwam hij rakelings langs me - niets merkend - en riep twee keer: "Arethusa! Arethusa!"

Och, arme ik! Waar dacht ik aan? Ik was als een lam dat wolven hoort tekeergaan rond de schaapskooi, of als een haas die, weggedoken in de struiken, dreigende tanden van honden ziet en zich niet durft bewegen.

Toch zocht hij verder. Hij zag alleen dat doodlopend spoor en daarom bleef hij op die plaats wachten. Ik zat ingesloten. Ik zweette en watergroene druppels sijpelden langs mijn lichaam naar beneden. Toen ik bewoog, zag ik dat de grond nat was. Stromen vocht viel neer uit mijn haar. Ik veranderde in water, sneller dan ik nu kan spreken. De riviergod, die vlug het nieuw gevormde water herkende als zijn beminde, veranderde zich opnieuw van mens tot rivier om zich met mij te kunnen verenigen.

Toen liet Diana de grond waarop ik me bevond, splijten en ik stroomde in het donker weg naar beneden. Het daglicht zag ik opnieuw op Sicilië, het eiland waarvan ik hou vanwege de naam Ortygia, de bijnaam van Diana.'
 

Triptolemus

Triptolemus brengt graan naar de Scythen

Hier eindigde Arethusa haar verhaal. Ceres, de godin van het graan, spande twee draken voor haar wagen en reed door de lucht, tussen aarde en hemel in. Ze stuurde het lichte voertuig naar de stad Athene. Daar gaf ze een opdracht aan Triptolemus: hij moest het zaad dat hij van haar kreeg, in grond die nog nooit bebouwd was of in braakland zaaien.

De jongen had al via Europa de kust van Azië bereikt en vloog nu verder naar het land waar de Scythen wonen. Daar regeerde koning Lyncus. Toen de jongen het paleis van Lyncus betrad en die hem vroeg waar hij heen ging, wat zijn doel was, wat zijn naam was en waar hij vandaan kwam, antwoordde hij: "Mijn vaderstad is het machtige Athene, mijn naam is Triptolemus. Ik ben noch over zee, noch over land gekomen, ik ben hierheen gevlogen. Ik breng een geschenk van Ceres. Zaai deze korrels op je wijde akkers: ze zullen je een rijke graanoogst opleveren."

De Scythische koning, die natuurlijk jaloers was omdat hij liever zelf de gever van zo'n geschenk had willen zijn, nodigde Triptolemus uit om in zijn huis te overnachten.

Toen zijn gast in slaap gevallen was, trok Lyncus zijn zwaard. Hij wou het in Triptolemus' borst stoten, maar Ceres veranderde hem in een lynx... Zij gebood Triptolemus de luchtreis in zijn goddelijke wagen voort te zetten.»
 

Einde van de zangwedstrijd tussen de muzen en Piëriden

Calliope, de oudste van ons, muzen, had haar lied gebracht. Alsof het uit een mond kwam, klonk het unanieme oordeel van de nimfen die de jury vormden: de muzen van de Helicon hadden gewonnen! De Piëriden aanvaardden echter hun nederlaag niet, dus riep ik: 'Is jullie straf in deze wedstrijd nog niet genoeg? Hoe meer jullie schelden, hoe meer schuld jullie dragen. Ons geduld raakt op! We zullen ons wreken en onze wraak zal even ver gaan als onze wrok!'

De Piëriden lachten spottend met mijn dreigementen. Ze wilden scheldwoorden roepen en met brutale gebaren beginnen vechten, maar toen merkten ze dat er veren uit hun nagels groeiden. Hun armen werden bedekt met dons, hun mond verhardde tot een snavel; dat zagen ze bij elkaar gebeuren. Ze trokken als nieuwe vogels naar het bos...

Als ze nu willen klagen, stijgen ze op door het slaan van hun vleugels. Daar hangen ze dan, die spotvogels van het woud, de eksters. Ze hebben dat talent van vroeger om te kletsen, die oneindige babbelzucht behouden."