Uit LIBER DUODECIMUS
 

Carl Deconinck

3 LaWi

2000-2001
 

Gryneus’ woeste blik viel op het rokend altaar waar hij naast stond; en hij dacht: ‘Wat houdt mij tegen om van dit ding gebruik te maken?’ en hij tilde het enorme, brandende offerblok boven zijn hoofd en wierp het tussen de Lapithen. Twee van hen doodde hij: Broteas en Orios, de zoon van Mycale, van wie men weet dat zij met toverspreuken dikwijls de maan omlaag deed komen.

‘Dat zet ik je betaald! Wacht maar tot ik een wapen vind!’ schreeuwde de Laptith Exadius, en hij vond als wapen een gewei, een offer dat hoog aan een boomtak was opgehangen. Hij boorde het breedgetakte ding in Gryneus’ ogen en stak ze uit; een oog zat aan het gewei, het andere schoot in zijn baard en bleef daar hangen in een korst van bloed.

Rhoetus, een centaur, graaide een brandende pruimentak van het altaar en hoewel hij slechts even Charaxus’ blonde haardos raakte, sloeg het vuur erin als bij droog koren en vloog zijn haar in brand; het bloed dat uit de wonde kwam, siste en knetterde vervaarlijk, net als het geluid van roodgloeiend ijzer dat de smid met gebogen tangen uit de oven haalt en onderdompelt in de spoelbak; dan sist het metaal luid en zinkt het bruisend in het lauwe water...

Ondanks de pijn sloeg de Lapith Charaxus de felle vlammen uit zijn verschroeide haren, rukte een drempel uit de vloer en tilde die tot schouderhoogte op, maar de drempel was veel te zwaar om er de vijand mee te raken en in plaats van Rhoetus te treffen, verbrijzelde Charaxus Cometes, een Lapith die naast hem stond! Rhoetus, de centaur, toonde graag zijn leedvermaak en riep Charaxus toe: ‘Ik hoop dat iedereen van jouw vrienden even goed kan vechten!’ en hij greep de nu al halfverbrande pruimentak om hem weer te treffen. Tot vier maal toe sloeg hij met luide mokerslagen op Charaxus’ hoofd zodat de stukken bot diep in de weke hersens drongen.

Na die triomf ging hij op Corythus af, een jongen die niet eens een baard kon laten groeien. Toen ook die geveld lag, riep Euager: ‘Wat voor roem verwacht jij van het doden van een kind?’ Maar Rhoetus liet hem niet uitspreken en duwde de rosse fakkel langs de open mond van Euager zijn keel in. Daarna viel hij, zwaaiend met zijn toorts boven zijn hoofd, de woeste Dryas aan. Maar bij Dryas was de afloop heel anders: terwijl Rhoetus juichte om zijn tot nu toe behaalde overwinningen, boordde Dryas hem een hete staak door zijn sleutelbeen. Rhoetus kreunde, wrikte met grote moeite de staak uit het harde bot en zette het, hevig bloedend, op een lopen.

Toen vluchtten ook de andere centauren: Orneius, Lycabas en Medon die gewond was aan zijn rechterschouder; Thaumas en Pisenor, ook Mermerus die kort tevoren nog kampioen was in het hardlopen, maar nu door een wonde niet snel kon vluchten; ook Abas, de zwijnenjager, Melaneus en Astylus, de ziener die tevergeefs de centauren de strijd had afgeraden; zelfs nu voorspelde hij nog aan de bange Nessus: ‘Blijf maar kalm, jou wacht de boog van Hercules!’

Ook Lycidas, Eurynomus, Imbreus of Areius ontsnapten niet aan de dood, zij vielen allen door de hand van hun tegenstander Dryas. Zelfs de vluchtende Crenaeus werd gedood door een speerpunt die hem recht tussen de ogen trof toen hij net achterom keek.

In al dat rumoer lag Aphidas ongestoord te slapen, bedwelmd door de alcohol, met een beker wijn in zijn krachteloze hand. Toen de Lapith Phorbas hem daar buiten westen op een ruige berenpels aantrof, bond hij zich de speerriem om de hand en schreeuwde: ‘Leng jij je wijn maar verder aan met water van de Styx!’ en onmiddellijk wierp hij zijn jachtspies naar de jeugdige centaur en trof hem in de hals - hij lag immers op zijn rug. Zijn dood kwam ongemerkt; uit zijn keelgat spoot donker bloed over de pels, het druppelde zelfs tot in zijn beker.

Ik zag Petraeus een zware eik uit de grond trekken: met zijn armen eromheen wrikte hij hem heen en weer en rukte de boomstam almaar losser totdat Peirithoüs een lans dwars door zijn ribben stootte en zijn zwoegende lichaam aan de boom vastpinde.

Het was door Peirithoüs’ heldenmoed - vertelt men - dat eerst Lycus viel, vervolgens Cromis, maar de zege werd nog groter toen hij daarna Dictys en Helops overwon. Bij Helops boorde zich de speer dwars door zijn beide slapen en Dictys, die was uitgegleden op een steil, smal bergpad toen hij angstig op de vlucht was voor de dreigende Peirithoüs, stortte omlaag, knakte door zijn gewicht een hoge es en werd toen door de stronk recht door het onderlijf gespietst.

Toen naderde Aphareus om wraak te nemen: hij wilde een rotsblok gooien dat hij ergens had losgewrikt, maar op dat moment kwam Theseus tussenbeide met een stuk eikenhout; hij brak Aphareus’ armen, nam niet eens de tijd of de moeite om het hulpeloze lijf af te slachtten maar sprong onmiddellijk op de nek van Biënor. Theseus duwde met zijn knieën in zijn ribben, trok zijn haardos met een hand naar zich toe en sloeg hem krachtig tegen het hoofd, tegen die mond vol dreigementen, tegen die harde slapen.

Ook Nedymnus en Lycopes werden met geweld geveld; dat lot deelden ook Hippasus (hoewel die door zijn baard beschut werd) en Ripheus, groter dan de grootste boom; zelfs Thereus, die vaak beren ging vangen in de Thessalische bergen en die, nog levend en hevig tegenspartelend, naar huis voerde, ontsnapte niet aan de woede van Theseus.

Demoleon kon al die overwinningen van Theseus niet langer aanzien en probeerde uit het dichte struikgewas met alle kracht een jarenoude pijnboom los te rukken. Toen dat niet lukte, brak hij er een stuk van af en wierp dat stuk naar Theseus’ hoofd; maar die ontweek het naderende gevaarte na een sein van Pallas - zo althans deed Pallas het verhaal... Toch kwam de boom niet doelloos neer: hij verbrijzelde de borst en linkerschouder van Crantor… Crantor was ooit, Achilles, de schildknaap van jouw vader; Amyntor, de aanvoerder van de Dolopiërs, had hem na een nederlaag als borg voor vrede aangeboden.

Toen Peleus zag hoe Crantor aan zijn vreselijke wonde bezweken was, riep hij: ‘Hier, Crantor, komt je grafgeschenk, jij die me dierbaarder was dan wie ook…’, en hij wierp met inzet van al zijn krachten zijn houten speer naar Demoleon; de speer drong in diens lichaam binnen en bleef trillend in zijn ribben steken. Demoleon trok de essenhouten schacht met veel moeite nog eigenhandig uit de wonde maar de punt bleef achter in zijn long.

Verblind door de pijn deed Demoleon een wanhopige aanval: ondanks zijn wonde steigerde hij naar zijn vijand en probeerde hem met een verschrikkelijke golf van trappen van zijn hoeven te overweldigen. Maar Peleus ving die op met zijn helm en schild dat luide, harde hoefslagen incasseerde, hij zocht dekking door dreigend met zijn wapen te zwaaien en trof de centaur met een stoot in zijn hart, dwars door de flank.

Reeds eerder had hij ook Phlegraeon en Hyles van op afstand gedood en Iphionoüs en Clanis van dichterbij. Hetzelfde lot was ook Dorylas beschoren, die om zijn hoofd een wolfsvel droeg en in zijn handen kromme rundshorens, die dropen van het bloed en die hij als wrede wapens dreigend uitstak.

Strijdlustig had ik hem al toegeroepen: ‘Kijk eens hoe snel jouw horens het verliezen van mijn stalen punt!’ en met mijn lans op hem gemikt. Hij kon niet meer opzij maar hield zijn rechterhand snel voor zijn voorhoofd om zich te beschermen; mijn lans spietste zijn hand en voorhoofd aaneen. Hij brulde en was weerloos door de pijn; toen werd hij door Peleus die vlak naast hem stond, recht in de buik gestoken. Verwilderd sprong hij weg, zijn darmen sleepten over de grond. Hij trapte in zijn eigen darmen, raakte erin verward tot hij dood neerviel met een lege buikholte.