Uit LIBER QUARTUS
 

Bruno Vallaeys

3 LaWi

1997-1998
 

De dochters van Minyas worden gestraft

Dat was het derde verhaal. Minyas' dochters bleven maar doorwerken, zonder zich te bekommeren om Bacchus en zijn feest, toen plots luidruchtig tamboerijngeroffel uit de verte hun gebabbel overstemde en toeters en cimbalen hoorbaar werden, begeleid door geuren van saffraan en mirre. Plots veranderde hun weefsel van kleur: het werd groen! De schering groeide uit tot klimopranken, de inslag werd wijnstokken; wat zo-even nog een purperen draad was, waren nu druiventrossen geworden...

De avondschemering begon te vallen en plots leek het hele paleis te schudden; een vette walm steeg op uit de olielampen die met hun rosse gloed plots heviger begonnen te branden. Een rode vuurzee scheen door alle kamers van het paleis te trekken. Akelig dierengehuil steeg op langs alle kanten...

De zusters vluchtten in alle richtingen om aan de vlammenzee te ontsnappen en zochten een veilig onderkomen, maar daar vormde zich langs hun armen een vlies; een dunne vleugel bedekte wat eens hun armen waren en nu hun pootjes werden. Door de duisternis was het onmogelijk de verandering van hun meisjeslichamen in hun nieuwe gedaante te zien. De zusters vlogen rond maar niet op vleugels van veren, wel op doorschijnende, dunne vliesvleugels. Toen ze wilden spreken, klonk hun stem heel zwak, zelfs in verhouding tot hun lichaam, alles wat je kon horen was een licht, piepend gejammer.

Van dan af zochten ze liever huizen op dan bossen en begonnen pas laat te vliegen uit haat voor het daglicht. Ook hun naam "vespertilio" wees op de avond (want "vesper" betekent "avond").