Uit LIBER UNDECIMUS
 

Orpheus en Eurydice: tweede deel van het verhaal

Birger Callemein

3 LaWi

1999-2000
 

Orpheus' lot

Terwijl de dichter Orpheus in Thrakië dieren, bomen en zelfs rotsen meelokte met zijn gezang, kregen de vrouwen van de Ciconen, in Bacchantenstemming en gehuld in dierenvellen, hem in het oog van op een heuvel. Een van de vrouwen riep: "Kijk daar! Daar heb je onze vrouwenhater." Ze gooide haar thyrsus naar het hoofd van Orpheus, raakte hem maar kwetste hem niet omdat de tak dik bebladerd was. Een ander gooide een steen naar hem maar die werd in zijn vaart geremd door zijn gezang en viel voor zijn voeten neer. Orpheus smeekte om genade bij die mislukte aanval.

Ondanks zijn smeken nam het geweld toe en kende geen grenzen meer. Door het luid gekrijs, het handgeklap, de klank van toeters en timpanen en de Bacchuskreten was de stem van de dichter niet meer te horen en toen trof iedere steen zijn doel. Dan stortten de vrouwen zich op de vogels, slangen en andere wilde dieren (die luisterden naar Orpheus' gezang) en verscheurden hen. Toen gingen ze, met bloed aan hun handen, naar Orpheus toe en omringden hem als vogels die bij het ochtendlicht een nachtuil zien rondvliegen of zoals een hert reeds in de vroege uren de prooi wordt van enkele honden en beseft dat het gaat sterven.

Met hun thyrsus sloegen ze Orpheus neer. Sommigen gooiden met afgerukte takken, kluiten of stenen. Er was genoeg materiaal in de buurt omdat daar vlakbij boeren hun akkers bewerkten met ploeg en ossenspan. Maar die boeren waren in paniek gevlucht voor de Maenaden en hadden hun harken, houwelen en schoffels achtergelaten op het veld. De wilde bende nam het materiaal mee, jaagde de ossen uiteen en keerde dan terug naar Orpheus. Hoe hij ook smeekte, ze doodden hem toch.

Vogels, wilde dieren, rotsen en bossen treurden om Orpheus' dood. Veel bomen verloren hun bladeren, hele rivieren stroomden over door hun eigen tranen en bos- en waternimfen lieten hun haar loshangen en trokken rouwgewaden aan.

Orpheus' in stukken gereten lichaam werd door de Hebrus meegevoerd. En wonderlijk om zeggen: klagend klonk de lier, klagend fluisterde de mond, klagend antwoordden de oevers van de stroom. Toen de stroom het land verlaten had, dreef het lichaam verder weg op zee tot op de kust van Lesbos, waar Methymna ligt. Terwijl het hoofd van Orpheus op het strand lag, wou een slang het aanvallen. Maar toen de slang toehapte, snelde Apollo Orpheus te hulp. Hij liet de slangenbek verstenen zodat de kaken voorgoed opengesperd bleven. Orpheus' ziel daalde af naar de onderwereld, waar hij Eurydice aantrof in de Elyzese velden en haar omhelsde. Sindsdien zijn ze altijd samen: zij aan zij, of één voorop en één die volgt; dan is het dikwijls Orpheus die omkijkt naar Eurydice, maar hij hoeft nu niet bang meer te zijn...
 

De Bacchanten worden gestraft

Maar Bacchus treurde om Orpheus' dood en nam wraak op de Thrakische Bacchanten. Hij veranderde de tenen van de vrouwen in wortels, die diep in de grond drongen, waardoor de vrouwen aan de grond werden vastgehouden zoals een vogel die met zijn poot verstrikt raakt in een net, zich gevangen voelt en klapwiekt in paniek. De vrouwen probeerden los te komen, maar taaie wortels hielden hen op hun plaats. Als ze naar hun voeten keken, zagen ze hoe het hout naar boven groeide langs hun benen. Dan bereikt het hout het bovenlichaam en de schouders en uiteindelijk veranderen hun armen in takken.
 

Koning Midas

Bacchus verliet die landstreek waar Orpheus was vermoord en zocht zijn wijnberg Tmolus op. Daar stroomt de Pactolus die nog geen rivier van afgunst was, omdat er in die tijd nog geen goud in zat. Bacchus vond daar zijn trouwe Bacchanten, uitgezonderd Silenus. Die was door Phrygisch boerenvolk gevangen genomen en naar koning Midas gebracht, die in Bacchus' godsdienst was ingewijd door Orpheus en Eumolpus. Midas herkende Silenus dus direct als vriend en volgeling van Bacchus. Ter ere van Silenus gaf Midas tien dagen en tien nachten durende feesten. Toen Lucifer de elfde dag het hemels sterrenleger had afgevoerd, reisde Midas naar Lydië en bracht Silenus naar Bacchus terug.

Midas mocht, omdat hij Silenus had teruggebracht, van Bacchus een wens doen. Midas' wens was dat alles wat hij aanraakte, zou veranderen in goud. Bacchus vervulde zijn wens maar was teleurgesteld dat Midas niets beters had gekozen.
 

Midas' wens is bijna zijn ondergang

Midas ging dankbaar heen en probeerde zijn wens uit door hier en daar iets aan te raken. Hij geloofde zijn ogen niet toen hij een tak van een eik trok en die in goud veranderde. Hij nam een steen en ook die verbleekte tot goud. Hij raakte een kluit aarde aan en die werd in zijn handen een goudklomp. Droge korenhalmen veranderden in goud en als hij een appel plukte, leek die geschonken door de Hesperiden. Als hij een deurpost raakte, veranderde die in goud en als hij zijn handen waste, kon zelfs de straal die uit zijn handpalmen vloeide een Danaë verrassen. Alles wat hij aanraakte, veranderde in goud. Dolblij ging Midas aan tafel. Zijn lakeien hadden de tafel gedekt met schalen vol voedsel en mandjes brood. Maar zodra hij met zijn handen wat brood vastnam, veranderde het in goud. Als hij zijn tanden in het vlees wou zetten, kwam er een goudlaag om het vlees. Ook de wijn (een geschenk van Bacchus) veranderde bij zijn mond in vloeibaar goud. Geen hap stilde zijn honger, dorst verschroeide zijn keel. Toen smeekte hij: "O Bacchus, schenk me vergiffenis! Ik deed verkeerd, maar help mij. Ik smeek je: verlos mij van mijn gouden ziekte!"

Bacchus toonde zich genadig en ontsloeg hem van de afspraak; dan zei hij: "Als je niet langer met dat vervloekte goud besmeurd wil blijven, ga dan naar de Pactolus bij Sardes en volg de rivier door het bergland van de Lydiërs tot aan de bron. Waar de bron heel krachtig te voorschijn borrelt, spoel je je hoofd en lichaam af, en zo zul je ook je zonde wegspoelen."

Midas deed wat hem gezegd werd. De gouden toverkracht ging van zijn lichaam over in de stroom en nu nog blinken de akkers daar van goud.