Uit LIBER SEPTIMUS
 

Birgen Willemyns

3 LaWi

1998-1999
 

Jason en Medea

De Argonauten bij koning Phineus

De Argo, het Argonautenschip, sneed door de golven na een kort bezoek aan Phineus, die zijn trieste ouwe dag in eeuwige blindheid doorbracht. De zonen van Boreas hadden de vliegende Harpijen uit zijn bord weggejaagd, daarna hadden ze met de beroemde Jason heel wat avonturen beleefd en nu hadden ze eindelijk de snel stromende, zandige Phasis bereikt.
 

De Argonauten in Colchis; Medea wordt verliefd

Toen ze in Colchis waren aangekomen, werden de Argonauten bij de koning aangediend; ze vroegen hem het Gulden Vlies. Terwijl de koning uiterst gevaarlijke en huiveringwekkende voorwaarden opsomde, voelde Medea een warme gloed van binnen. Hoewel ze lang weerstand bood aan die onbekende gloed en hoopte dat haar gezond verstand zou zegevieren, kon ze haar verlangen naar Jason niet temmen.

"Het heeft geen zin, Medea, een godheid zit je dwars. Het zou me niet verbazen dat dit liefde is, of zeker iets dat daarop lijkt... Waarom vind ik vaders eisen eigenlijk zo onmenselijk? Ze zijn onmenselijk! Waarom ben ik zo bang dat iemand die ik nog niet goed ken, zal sterven? Waar komt die angst vandaan? Weersta aan de liefde die je prille hart doet ontvlammen, als je tenminste nog kunt... Helaas! Als ik dat zou kunnen, liep ik nu geen gevaar...

Een vreemde kracht dwingt me; mijn begeerte wil iets anders dan mijn verstand: ik zie, ik weet wat goed is, maar ik jaag het slechte na...Waarom, prinses, word je verliefd op een vreemdeling, waarom? Waarom droom je van een huwelijk ver van huis terwijl dit land genoeg te bieden heeft? En of Jason straks sterft of niet, dat zijn zorgen voor de goden... Nee! Sterven mag hij niet! Ook zonder liefde mag ik wensen dat hij leeft, want heeft Jason iets misdaan? Je moet wel van steen zijn als Jasons afkomst, moed en jeugd geen indruk maken. En wie wordt er anders niet aangetrokken door zijn gelaat? Ik wel, in elk geval...

Als ik geen hulp bied, zal hij straks de stierenadem voelen blazen; dan zal hij moeten vechten tegen vijanden die hij zelf heeft gezaaid, die uit de grond zijn ontstaan; hij zal een prooi zijn voor een gulzig monster! Als ik dat zou toestaan, zou ik een hart van steen of staal hebben, of zou mijn moeder een tijgerin zijn; dat geef ik eerlijk toe. Dan kan ik evengoed met mijn eigen ogen toekijken hoe hij sterft! Waarom hits ik niet zelf die stieren, dat uit de grond opgerezen leger of die waakzame draak tegen hem op? Goden, bewaar me! Nee, ik moet niet smeken, ik moet handelen.

Maar wat moet ik doen? Moet ik mijn vaders heerschappij verraden en een jonge kerel die ik niet ken, het leven redden? Zodat hij veilig kan vertrekken, maar zonder mij en daarna met een ander trouwt terwijl ik hier de straf voor mijn hulp niet kan ontlopen? O, als hij dat doet en iemand anders boven mij verkiest, dan mag hij voor mijn part sterven! Maar zijn verschijning, zijn edelmoedigheid en zijn charmes zijn niet zo dat hij mij zal bedriegen of dat ik ondank voor mijn hulp hoef te vrezen. Ik zal hem straks zijn erewoord vragen en hierbij de goden als getuigen aanroepen. Wat moet ik dan nog vrezen? Kom, Medea, doe het meteen, geen uitstel! Jason zal je nu voorgoed trouw blijven en een plechtig huwelijk met je sluiten; in Griekse steden zal ik als een redster en een heldin worden onthaald door heel wat moeders...

Maar keer ik echt mijn zus, mijn broer, mijn vader, mijn goden, mijn vaderland en mijn geboortestad de rug toe? Ja, echt, ik laat hen achter omdat mijn vader wreed en mijn land barbaars is; omdat mijn broer nog een kind is; mijn zuster zal mij steunen en in mij heerst die sterke god! Ik laat geen rijkdom achter, ik ga rijkdom tegemoet: ik zal leven in een beter land, ik zal als een redster door het Griekse volk worden geëerd. Ook hier wordt gesproken over de roem, de kennis van die mensen, over hun kunst en over Jason voor wie ik alle rijkdom van de wereld opgeef.

Met zo'n man zal ik gelukkig worden, en ik zal er de goden dankbaar om zijn. Het mag dan wel waar zijn dat er op zee gevaren dreigen; dat Charybdis, van wie elke zeeman schrik heeft, de golven opslokt en weer uitspuwt; dat het geblaf van Scylla met al haar honden over de wateren rond Sicilië wordt gehoord... De liefde zal mij helpen, ik vaar alle zeeën af in Jasons armen zonder dat ik iets zal vrezen, en als ik angst zou hebben, dan zou ik alleen kunnen vrezen mijn bruidegom te verliezen... Maar zou dat wel een huwelijk zijn? Zie ik de dingen niet rooskleuriger dan ze zijn? Schei uit, Medea, nu het nog kan, met wat verkeerd is."

En bij die woorden stonden kuisheid, eergevoel en plicht haar strak voor ogen, zodat Cupido zich moest gewonnen geven.
 

Medea ontmoet Jason buiten het paleis

Medea ging naar het oeroude heiligdom van Hecate, de dochter van Perse, dat verscholen lag in een eenzaam bos. Haar hartstocht leek bedaard en ze voelde zich weer sterk. Maar juist nu kwam ze Jason tegen, en het smeulende vuur laaide opnieuw op. Haar gelaat kleurde rood, haar hele hoofd begon te gloeien, zoals een vonkje dat, toegedekt onder de as, voedsel vindt in het waaien van de wind, daardoor terug opflakkert en zich met herwonnen krachten dansend omhoog richt. Zo was haar liefde, die verflauwd was en verdwenen leek, weer opgelaaid toen ze die man in volle schoonheid zag verschijnen.

Ja, Jason was die dag op de een of andere manier knapper dan anders; je kon haar verliefdheid wel begrijpen. Ze keek hem aan en bleef strak in zijn gezicht kijken alsof ze het toen pas voor het eerst zag; ze bleef verstomd staan, ze geloofde dat ze meer dan alleen maar een mens had gezien en ze kon haar blik niet afwenden. Toen Jason haar aansprak, haar rechterhand nam, haar eerst om hulp smeekte en haar dan met een onderdanige stem ten huwelijk vroeg, vloeiden er tranen over haar wangen en ze zei: "Ik weet al wat ik moet doen: niet het gebrek aan plichtsbesef toont mij het slechte pad, maar wel de liefde. Door mijn toedoen word je gered, Jason, schenk mij in ruil daarvoor je trouw."

Hij zwoer het bij Hecate, de godin met drie gedaanten, bij haar heilig bos en alle goddelijke wezens die daar leefden; hij zwoer ook bij de Zon, de grootvader van Medea, en bij de goede afloop van zijn eigen avonturen. Toen hij haar had overtuigd, gaf zij zonder aarzelen haar toverkruid en legde de werking ervan uit. Opgetogen stapte Jason naar het paleis.
 

Jason wint het Gulden Vlies

Aurora had de volgende ochtend de fonkelende sterren verjaagd. Het volk begaf zich naar het heilig Marsveld, waar het plaatsnam op de hellingen. De koning, gekleed in een purperen gewaad en met zijn ivoren scepter in de hand, was ook al naar deze plek gekomen. Daar waren de stieren: ze hadden bronzen hoeven en stalen neuzen waardoor ze vuur bliezen (deze stieren waren immers door de god Vulcanus gemaakt); hun hete adem verschroeide het gras. Zoals een hoog gestookte oven loeit en giert, of zoals een stookplaats waarin losse stukken kalksteen vurig gaan sissen als er water over wordt gesproeid, zo klonk het geluid uit de gloeiende keel en borst van de stieren.

Toch naderde Jason de dieren; hun walgelijke koppen wachtten dreigend zijn aanval af. Hun scherpe horens waren bedekt met ijzer en met hun scherpe hoeven stampten ze op de losse grond. De Argonauten waren bang want Jason was al vlak bij de stieren maar voelde hun adem niet, zo krachtig werkte dat kruid; hij streelde hen met vastberaden hand, legde hen het juk van een zware ploeg op en dwong ze zo voren te trekken in het stukje land dat nog nooit was omgeploegd. Hij greep de bronzen helm met drakentanden, doordrongen met gif, en strooide ze in de voren. Zoals een vrucht zich in de moederbuik ontwikkelt en zich tot in het kleinste onderdeel daarbinnen vormt om pas in rijpe toestand op de wereld te verschijnen, zo rees ook daar, uit de bevruchte grond, een volk dat zich gevormd had in de zwangere ingewanden van de aarde, maar vreemder nog: die mannen waren bij hun geboorte al gewapend!

Toen de Grieken zagen hoe de krijgers hun scherpe lansen opnamen en zich klaar hielden om ze naar Jasons hoofd te slingeren, durfden ze niet meer kijken: ze verloren hun laatste sprankeltje hoop. Ook Medea werd bang, hoe goed ze hem ook beveiligd had. Toen ze op die ene man zo veel vijanden zag losstormen, verstarde ze en werd ze bleek. Uit angst dat haar kruiden niet zouden helpen, prevelde ze een toverspreuk. Maar Jason gooide een zware rots te midden van de vijanden waardoor de aanval omsloeg, omdat die krijgers nu met elkaar begonnen te vechten en in onderlinge strijd sneuvelden.

De Grieken juichten de overwinnaar toe en omarmden hem hartstochtelijk, iets wat jij, Medea, ook wou doen, maar voor je fatsoen en je goede naam moest je je beheersen en kon je slechts in stilte blij zijn. Je moest ook je toverkunst en de goden die je kunst mogelijk hadden gemaakt, bedanken.

Nu moest Jason nog een monster (dat nooit sliep en dat de boom van het Gulden Vlies bewaakte) met toverkruid bedwelmen. Toen hij dit monster, bevreesd om zijn drie tongen, zijn stekelige kam en zijn kromme tanden, met kruid vol slaapverwekkend sap bestrooid had en tot driemaal toe een spreuk had uitgesproken, die niet alleen mensen doet slapen maar zelfs gedonder van rivieren en geraas van de zee doet bedaren, sloot het monster zijn ogen en veroverde Jason, de held, de gouden vacht. Trots nam hij zijn buit, samen met de schenkster van die gouden trofee als bruid, aan boord en keerde in triomf naar de haven van Iolkos terug.