Uit LIBER DUODECIMUS
 

Bert Devriendt

3 LaWi

2000-2001
 

Ook Cyllarus zou sterven ondanks zijn charme - als we van charme kunnen spreken bij een centaurenlijf... Hij had nog maar pas een goudblonde baard en zijn al even blonde haardos hing van zijn schouders tot op zijn flanken neer. Er straalde kracht uit zijn gelaat, nek, schouders, handen en bovenlijf. Zijn menselijk bovenlijf leek op een beeldhouwwerk van veel geprezen kunstenaars en ook zijn paardengedeelte was volmaakt. Als je er een hoofd en manen zou bij denken, dan had hij Castor kunnen dienen.

Hij had een rug en een sterk gespierde borst die zwarter was dan donkere pek; alleen zijn staart en poten waren wit. Er waren heel wat centaurenmeisjes die hem als man wensten, maar slechts een kreeg hem: Hylonome. Onder de centauren was niemand zo mooi als zij. Zij alleen kon Cyllarus behagen met haar zoetheid en met liefde die zij niet verborg.

Zij dirkte zich ook op, zoveel als een centaur dat kan: ze kamde haar haren glad en verfraaide zich met rozen of viooltjes. Soms deed ze dat ook met rozemarijn of ze tooide zich met kransen van blanke lelie; tweemaal daags depte ze haar wangen in de beek die hoog in het bos bij Pagasae ontspringt. Ze nam ook tweemaal een bad in de rivier en koos zich een dierenhuid uit. Er was er een die haar flatteerde en die ze over linkerheup of bovenarm liet draperen. Ze hielden zielsveel van elkaar, doolden zij aan zij door het bergland en verscholen zich in de grotten…

Zo vochten ze ook, toen ze naar het Lapithen-feest waren gekomen, samen een woeste strijd. Er kwam een speer van links, ze wist niet van wie, die Cyllarus trof, iets lager dan waar hals en borst elkaar raken. Hoewel het hart niet diep geraakt was, verkilde het. Dat deed ook zijn lijf toen hij de speer uit zijn lichaam trok. Hylonome steunde zijn stervend lichaam en legde haar hand behoedzaam op zijn wonde, haar mond tegen de zijne zodat het leven hem niet kon ontsnappen. Maar toen ze merkte dat hij dood was, riep ze iets wat mij in het rumoer ontging en wierp zichzelf op hetzelfde wapen dat hem gedood had. Stervend sloeg ze haar armen om hem heen.

Ook kan ik me de centaur Phaecomes nog voor te geest halen. Die had zes leeuwenhuiden omgedaan: de ene had hij steeds aan een volgende geknoopt om daarmee zijn mensen- en paardenlijf te bedekken. Hij wierp een boomstam die nog te zwaar zou zijn voor een dubbel ossenspan, naar Tectaphon, de zoon van Olenus, en brak zijn brede hersenpan vanaf zijn kruin. Daardoor druppelde er uit zijn mond, neusgaten, ogen en oren halfweke hersenpudding… Het leek wel vers gestolde kaas die door het vlechtwerk van een mandje sijpelde of moes die door een grote zeef geroerd wordt en door de vele gaatjes druppel voor druppel naar buiten vloeit. Maar toen Phaeocomes zijn tegenstander de wapens wou ontnemen, stak ik hem mijn zwaard diep in de buik…

Ook Chthonius en Teleboas werden door mij geveld. De een had zich gewapend met een haakse tak en de ander met een speer die mij ook raakte. Als je kijkt kun je nog de sporen zien van een oude wond. Ach, was ik toen maar uitgestuurd om Troje in te nemen! Dan had ik Hectors wapenkracht nog kunnen stuiten - als ik hem al niet verslagen had! Maar Hector bestond toen nog niet of was nog maar een knaap, en nu ben ik te oud…

Moet ik nog meer vertellen? Hoe een centaur als Pyraethus door Periphas gedood werd? Over Ampyx die zijn lans in het gezicht van Echecles boorde zonder punt eraan? Hoe Macareus een pook greep en de borst van Erigdupus trof? Ook weet ik nog hoe Nessus’ jachtspies wegvloog en bij Cymelus in de onderbuik bleef staan. En denk maar niet dat Mopsus, de zoon van Ampyx, alleen maar de toekomst kon voorspellen: het was Mopsus’ speer die het centaurenlijf van Hodites neerstak en Hodites kon niets meer zeggen want zijn tong, kin en keel waren aaneen gepind.

Caeneus deed vijf centauren vallen met zijn hakbijl: Styphelus, Bromus, Antimachus, Elymus en Pyracmus. Hun wonden herinner ik me niet, enkel hun naam en aantal. Maar dan sprong Latreus op Caeneus, met wapens die hij na het doden van Halesus van diens lijk geroofd had. Latreus was een reus van lijf en leden en ondanks zijn ouderdom en grijze strepen aan de slapen zo krachtig als een jonge man.

Hij overzag het slagveld. Zijn opvallende Macedonische wapens bestonden uit een schild en een lans. Hij reed er, steeds in dezelfde kring, dreigend mee in het rond. Hij braakte een arrogante woordenstroom uit. Hij zei: ‘Dacht je dat ik dit zou toesta, Caenis? Je blijft voor mij een vrouw en ik blijf je Caenis noemen! Dacht je nooit aan wat je voorsprong was? Aan wat er is gebeurd voordat je je het voorrecht van een valse mannenvorm liet welgevallen? Bedenk eens hoe je werd geboren en hoe je werd verkracht! Pak je klos en wolmand en wind de weefdaad om je vinger, maar doe niet mee aan een mannenstrijd.’

Terwijl hij dit riep had Caeneus hem reeds met een speer in zijn flank getroffen, pal tussen man en paard. Toen stootte Latreus, woest van de pijn, met zijn lans naar het ongehelmde hoofd van Caeneus; telkens ketste het wapen af. Dat gebeurde op het ritme van kletterende hagelstenen op een dak of kiezels die men op een tamboerijn laat dansen. Latreus kwam nog wat dichterbij, probeerde met al zijn kracht zijn zwaard diep in de harde heup van Caeneus te steken, maar het zwaard drong er niet binnen. Toen schreeuwde Latreus: ‘Toch krijg ik je! De punt is kennelijk te stomp, maar ik zal je raken met het volle blad!’

Plots hief hij het wapen schuin op en trof Caeneus schouder met een lange houw van rechts. Dat gaf een dof geluid, alsof er een blok marmer was geraakt. Een stuk van het blad van het zwaard sprong door die harde klap ver weg. Caeneus, die zijn verbaasde vijand duidelijk getoond had dat hij onkwetsbaar was, riep uit: ‘Kom op, dan laat ik jou mijn ijzer voelen!’ en stak zijn zwaard tot aan de handgreep in de flank van Latreus, roerde er blindelings mee rond en bezorgde hem daardoor van binnen wonde na wonde.

Toen stormde het hele razende centaurenvolk luid krijsend op hem af; ze troffen hem allemaal met een zwaard of een speerpunt. De speren ketsten alle af naar de grond. Bij elke slag bleef Caeneus, de zoon van Elatus, ongedeerd. Hij verloor geen druppel bloed. Dat was een wonder dat hen allen met verbijstering sloeg. Monychus riep luid: ‘Een grof schandaal! Wij zijn allen door een man verslagen en het is niet eens een echte man! Maar of hij nu een man is of niet, ons zwak verweer maakte ons tot wat hij vroeger was. Waar blijven wij eigenlijk met ons krachtig centaurenlijf? Onze natuur bracht in ons toch de sterkste levensvormen samen? Wij zijn Ixions zonen en zelfs de zonen van een godin. Ixion had namelijk de hoog getroonde Juno verleid, terwijl wij nog niet kunnen winnen van een halve man! Kom, laten we bomen, rotsen en hele bergen over hem heen rollen, dan verpletteren we die taaie ziel van hem. Laat hem maar in het hout verstikken, laat hem kwetsbaar zijn voor het gewicht!’

Terwijl hij dit zei, greep hij een boomstam vast die na het razen van een zuiderstorm was omgewaaid. Hij slingerde hem als voorbeeld naar zijn onkwetsbare vijand en in korte tijd was de bergrug van de Othrys kaal en werd ook de Pelion niet meer beschaduwd. Bedolven onder de grote stapel worstelde Caeneus wild tegen die bomenvracht en torste op zijn geharde schouders een berg van hout. Toen die dan nog hoog boven zijn mond en hoofd bleef groeien en hij niet meer kon ademen, gaf hij het eerst op, maar probeerde zich dan opnieuw te bevrijden; maar het was tevergeefs. Je zag nog een siddering, zoals bij een aardschok van een hoge berg, de Ida bijvoorbeeld. Toen was het gedaan: hij werd door de boomlawine naar de diepe Tartarus geduwd...

Mopsus vertelde een andere versie. Hij zei dat hij Caeneus uit die berg had zien vliegen naar de open lucht als een goudgevederde vogel. Hij had hem horen krijsen met schrille klanken en was hem blijven volgen met ogen vol hechte vriendschap. Hij had geroepen: ‘Caeneus, vaarwel! Jij bent de roem van ons Lapithenvolk. Eens was je onze grote held en nu ben je een vogel zonder weerga!’ Wij geloofden zijn verhaal omdat hij het was die het verteld had. Wij waren ook kwaad en droevig omdat een man gedood was door een hele troep centauren, maar we bleven onze woede koelen, vechtend, tot een deel van de centauren gedood was en de rest vluchtend in de nacht verdwenen was...