Uit LIBER TERTIUS DECIMUS
 

Annelies Claeys

3 LaMt

2000-2001

Polydorus en Polyxena

Aan de overzijde van Phrygië, waar ooit Troje lag, woonden nu de Bistoniërs. Daar lag ook het rijke paleis van Polymestor. Aan hem had Priamus in het geheim zijn zoontje Polydorus toevertrouwd om hem ver van de strijd op te voeden. Een wijs besluit, zolang hij hem maar veel goud gaf: dat werd de prijs voor een misdaad, dat was lokaas voor hebzucht. Want toen het lot van Troje beslecht was, trok de schurk, die vorst van de Thrakiërs was, zijn zwaard en stak het in de keel van zijn jonge gast Polydorus; hij wierp het lijk van een rots in zee. Alsof daarmee de misdaad kon laten verdwijnen...

De vloot van Agamemnon lag bij Thracië voor anker. Ze wachtte op kalme zee en een zachtere wind. Daar verscheen opeens Achilles’ schim, nog even indrukwekkend als toen hij leefde, dreigend en met dezelfde blik waarmee hij indertijd woedend zijn zwaard op Agamemnon had gericht. Nu riep hij: "Grieken! Vergeten jullie mij? Is jullie dankbaarheid voor mijn heldhaftigheid samen met mij gestorven? Doe wat jullie moeten doen en verlaat mijn graf niet zonder eer: verzoen mijn schim en offer Polyxena aan mij."

De bemanning van de vloot deed waar de schim om vroeg: het arme meisje werd van haar moeder losgerukt en werd naar het graf van de held gesleurd als offerdier: daar ging Hecuba’s laatste troost... Toen zij daar bij het altaar stond en had begrepen dat men haar ging offeren, bleef ze zichzelf. Toen ze Neoptolemus zag staan met het slachtmes in de hand en merkte dat hij haar aankeek, riep ze hem toe: "Laat nu dit adellijke bloed maar vloeien; doe het zonder uitstel! Steek dat wapen in mijn hals of hier, in mijn boezem, maar denk niet dat de goden zo’n offer te waarderen".

Vervolgens ontblootte ze haar hals en boezem, want ze wou aan niemand onderworpen zijn. "Hoe graag ik ook mijn dood voor mijn moeder verborgen had willen houden, toch treur ik om haar en dat bederft de vreugde die ik voel omdat ik mag sterven: zij zou meer haar leven moeten beklagen dan mijn dood... Laat mij nu vrijwillig naar het schimmenrijk afdalen. Nee, blijf daar staan, als ik dat vragen mag, raak mij, een vrouw, niet met mannenhanden aan. Mijn bloed zal voor die ander meer waard zijn als het vloeit in vrijheid. Als mijn laatste woorden nog iemand ontroeren, geef mij dan zonder prijs of losgeld straks aan mijn moeder terug, gun haar het recht mij te begraven. Dat vraag ik jullie, niet als jullie slavin maar als prinses van Troje."

Haar woorden ontroerden iedereen tot tranen toe, maar zijzelf beheerste zich; zelfs Neoptolemus, de offerpriester, huilde toen hij met tegenzin de borst die zij hem bood, moest treffen. Wankelend stortte ze neer. Geen spoor van angst op haar gelaat, tot aan haar laatste zucht. Ze had nog aandacht voor haar kleed opdat ze bij het vallen met kuis fatsoen bedekken zou wat bedekt zou moeten blijven. Trojaanse vrouwen zorgden voor haar lichaam.

Zij beklaagden de vloek die rustte op Priamus’ geslacht, dat hoge dodental in een familie, ze treurden om het meisje en om de moeder die zich nog tot voor kort koningin mocht noemen. Hecuba was ooit het symbool van de bloei van Troje, nu was ze een deel van de buit. Zo zielig zag ze eruit dat zij nooit door Odysseus zou meegenomen zijn als ze Hector niet had gebaard: door Hector vond zijn moeder in haar oude dag als slavin-moeder nog een meester...

Hecuba’s verdriet

Zij omarmde het nu zielloos lichaam van haar dapper kind, ze huilde voor haar, zoals zij al zo dikwijls voor de stad, voor haar man en zoons gehuild had. Tranen vloeiden in de wonden, zij kuste de dode lippen, bonkte zich als nooit tevoren op de borst en de schouders. Met haar grijze haren badend in het stollend bloed liet ze haar hartverscheurende klachten klinken.

"Mijn kind! Wat rest mij nog? Jij bent je moeders laatste rouw. Hier lig je dan, lief kind! Ik voel je wonden alsof ze de mijne waren! Geen van mijn kinderen mocht ik verliezen door moord, zelfs jij werd door het zwaard gedood! Ik dacht dat jij als vrouw voor wapens veilig was, maar ook als vrouw ben jij door staal gedood en het is dezelfde man die al jouw broers en jou deed sterven: Achilles, de ondergang van Troje, de plunderaar van ons geslacht. Toen hij door het schot van Paris en Apollo getroffen was, dacht ik: "Nu hoef ik niet meer bang te zijn voor Achilles!" Maar toch moet ik nog altijd bang zijn, zijn vijandigheid blijft, zelfs tot in zijn graf. Voor hem bracht ik mijn kindertal ter wereld!

Het machtige Troje ligt plat, het was een verschrikkelijke nederlaag voor de stad! Slechts voor mij blijft Troje leven, want mijn verdriet duurt voort. Tot kort voor nog zo hoog getroond, zo rijk gezegend door mijn man, door zoveel zoons en dochters, word ik nu van hun graven losgescheurd, beroofd, ontheemd, ik word slavin van Penelope. Terwijl ik mijn wol spin op Ithaka, wijst die mij aan de andere vrouwen aan: ‘Daar zit de vrouw van Priamus, de moeder van de befaamde Hector...’

Jij, kind, jij die na zoveel doden als enige je moeders leed had kunnen verzachten, jij viel aan een Griekse schim ten offer; het was een grafgeschenk dat ik het leven schonk! Wat doe ik hier nog? Wat heb ik nog aan mijn hoge leeftijd? O wrede goden, die een oude vrouw slechts sparen om steeds nieuwe doden te aanschouwen! Wie had kunnen denken dat Priamus na de val van Troje van geluk mocht spreken omdat hij dood is? Samen met zijn stad verliet hij het leven en hij hoeft jouw onheil niet te zien, mijn kind. Men zou jou als prinses toch wel een rouwdienst moeten geven; je lichaam dient te rusten in het oude familiegraf.

Helaas, ons huis kent dat geluk niet meer. Je krijgt als doodsgift je moeders tranen mee, een handvol zand uit vreemde grond. Nu ben ik alles kwijt. Er rest mij nog slechts een zoon, voor wie ik dit leven nog een korte tijd verdraag, mijn dierbaar kind Polydorus, de jongste in ons huis vol mannen, uitbesteed aan de koning van dit land... Maar kom, ik wil intussen deze vreselijke wonden, jouw met bloed besmeurd gelaat in zee gaan reinigen." Na deze woorden liep de oude vrouw het strand op, moeizaam, rukkend aan haar witte haren. "Vrouwen! Geef mij die urn!".

Ze wou van het water scheppen maar zag daar het lijk van Polydorus, aangespoeld op het strand. Het lichaam zat vol diepe wonden, toegebracht door een Thrakisch wapen. Een kreet steeg op bij de Trojaanse vrouwen; Hecuba verstomde van smart. Haar stem, haar tranen, dat puur verdriet... Als een harde rots verstijfde zij, strak richtte zij haar ogen op die plek vlak voor zich; dan hief ze het van smart vertrokken gelaat naar de lucht. Ze keek opnieuw naar hoe haar zoon daar lag, zijn hoofd, zijn wonden... Vooral die wonden. Wrok was nu haar enige wapen... Door wrok gedreven, alsof ze nog steeds koningin was, eiste ze vergelding. Alles waar zij nog aan dacht was wraak.