Uit LIBER SEPTIMUS
 

Ann Bouckaert

3 LaMt

1998-1999
 

Athene wordt door Minos van Kreta met oorlog bedreigd

Vreugde is zelden volmaakt, maar geluk wordt nog vaker verstoord door onrust. Aigeus kon zelfs niet zorgeloos genieten van de behouden terugkeer van zijn zoon omdat Minos dreigde met oorlog. Minos had al een leger en een grote vloot, maar uit woede om zijn gestorven zoon Androgeos verzamelde hij nog legers van bevriende staten.

Hij voer zo ver over zee als zijn macht zich uitstrekte, naar Anaphe en Astypalaea; Anaphe won hij door beloften, Astypalaea won hij door strijd; dan schaarden het kleine Myconos en Cimolos met zijn krijtrotsen zich aan zijn zijde, gevolgd door de vlakten van Seriphos, door Syros (een plaats waar de tijm sterk geurt), door het marmereiland Paros en in Thrakië door de stad die Arne (een slechte, inhalige vrouw die veel goud vroeg) aan hem verraden had, maar nadat ze dat goud gekregen had, veranderde ze plots in een ekster, met zwarte poten en zwarte vleugels, een vogel die nog altijd naar goud pikt. Didyme, Oliarus, Tenos en Andros haakten af; ook Peparethus, rijk aan olijven, en Gyarus hielpen de vloot van Kreta niet. Daarom veranderde Minos zijn koers en voer naar links naar het rijk van Aiacus, Oenopia. Vroeger heette het zo, maar Aeacus heeft het land naar zijn moeder Aegina laten noemen.
 

Minos vraagt het eiland Aegina zijn bondgenoot te zijn in de oorlog tegen Athene

De mensen stroomden toe, want ze wilden die wereldberoemde koning wel eens zien. Prins Telamon ging Minos tegemoet, gevolgd door zijn broertje Peleus en de derde zoon Phocus; tenslotte kwam Aeacus naar buiten, traag door zijn ouderdom, en hij vroeg Minos waarom hij was gekomen. Minos, de heerser over honderd steden, zuchtte van smart omdat z'n vaderhart opnieuw de pijn voelde en antwoordde: "Ik smeek je, steun mijn strijd omwille van mijn zoon en doe mee aan de vergeldingstocht waarmee ik troost zoek voor een dode!"

Maar Aeacus zei: "Je vraagt iets wat niet kan, iets wat mijn stad niet mag doen, want geen land is nauwer verbonden met Athene dan het mijne, en ons verdrag is hecht." Teleurgesteld ging Minos weg maar riep nog: "Dat verdrag komt jullie duur te staan!" - want hij vond het nuttiger om te dreigen dan nu al oorlog te voeren en zo op voorhand krachten te verspillen.
 

Cephalus op Aegina

Een Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus bezoekt Aegina

De vloot van Kreta was nog net vanaf Aegina's burcht zichtbaar toen er een Attisch schip, gejaagd door de wind in haar volle zeilen, naderde en aanmeerde aan de kade van de bondgenoten. Cephalus was aan boord en had orders van de stad Athene. Hoewel ze elkaar lange tijd niet hadden gezien, herkenden de zonen van Aeacus Cephalus; ze verwelkomden hem warm en brachten hem naar het paleis. De edele Athener - een opvallende verschijning met nog altijd de sporen van zijn vroegere schoonheid - trad binnen. Hij hield een olijftak, symbool van zijn stad, in de hand; als oudere was hij vergezeld door een tweetal jongemannen, Clytus en Butes (zonen uit Pallas' huis).

Zodra ze elkaar begroet hadden, bracht Cephalus zijn boodschap over: Aegeus vroeg om hulp op grond van hun verdrag en van hun voorvaderlijke rechten omdat Minos heel Achaea in z'n macht wou krijgen. Op deze boodschap die in mooie zinnen was gebracht, antwoordde Aeacus, die zwaar leunde op de scepter in zijn hand: "Je moet ons geen hulp vragen, Athene, want die kun je altijd krijgen! Nee, aarzel niet, beschouw het leger van mijn eiland en alles wat mijn rijk biedt, als het jouwe. Ik heb genoeg soldaten, altijd meer dan mijn aanvaller, en er heerst hier gelukkig al een tijd ongeremde voorspoed." "Dat blijft zo!" zei Cephalus. "Ik hoop zelfs dat je volk nog zal groeien. Ikzelf was daarnet bij m'n aankomst blij dat er zoveel jongeren mij kwamen begroeten, allemaal even knap en fris door hun leeftijd. Maar ik mis toch ook een aantal mensen die ik hier in jouw stad ontmoet heb"

Aeacus zuchtte diep; zijn stem klonk droevig toen hij antwoordde: "Die voorspoed heeft een trieste voorgeschiedenis. Ik wou dat ik dat niet moest vertellen, maar ik doe het toch. Kort gezegd is het antwoord op jouw vraag dat wie je mist in jouw herinneringen, tot as en beenderen zijn vergaan, gestorven zoals de velen in mijn rijk"
 

Koning Aeacus vertelt over de pest op het eiland Aegina

"Een gruwelijke pest kwam over ons volk; het was de wraak van Juno omdat dit land de naam van haar rivale had gekregen. Zolang het een aardse kwaal leek en de boze oorzaak van al dat lijden duister was, werd ze bestreden met geneeskust. Maar de pest was sterker en geen hulp kon baten. Eerst kwam er uit de lucht een zware nevel over de aarde en zorgde door z'n wolkendek voor een verschroeiende hitte. De maan had al viermaal die volle bol weer laten verminderen en de hete zuidenwind blies nog steeds met zijn doodzieke adem. Het staat vast dat elke bron en elk meer bezoedeld was en dat er veel duizenden adders over onbebouwd terrein rondkropen en de rivieren besmetten met hun gif.

De dood van honden, vogels, schapen, ossen en groot wild wees voor het eerst op het heersen van die plotse ziekte: bij het ploegen zag een boer, verschrikt en droef, dat zijn krachtig span het begaf en daar midden in de gleuf bleef liggen. Daarbij kwamen nog de schapen die ziek geblaat lieten horen: er vielen zomaar plukken wol uit hun vacht en hun vlees veretterde. Een eens zo vurig paard, met grote faam op de renbaan, maakte nu zijn zegepalm te schande: de oude roem vergetend wachtte het lusteloos de dood af, kreunend bij zijn voederbak. Geen varken dat nog aan vechten dacht, geen hert dat zich nog waagde aan snelle draf, geen beer viel nog een sterke kudde aan. Overal heerste zwakte. Op het land, langs de wegen en in de bossen lagen kadavers, halfvergaan, en hun stank verpestte de lucht. Ze werden - wonderbaarlijk om melden - niet door honden, roofvogels of grijze wolven aangeraakt, maar rotten uiteen en schaadden de omgeving met stinkende gassen.

Het werd nog erger toen de pest bij het arme boerenvolk toesloeg en daarna ook in de dichtbevolkte stad ging heersen: ze schroeide eerst de ingewanden, een hoogrode kleur en een zware ademhaling wezen op inwendige koorts; de tong, rauw door de koorts, zwol op, men hapte met droge mond naar lauwe wind en kreeg slechts zwaarbesmette lucht naar binnen. Geen dek of sprei, geen enkel kledingstuk verdroegen ze nog; naakt lagen ze op de vloer; toch werd hun lichaam niet koeler door de grond, de grond werd door hun lichaam warm!

En niemand kon helpen want die vreselijke ziekte velde ook dokters, de geneeskunst keerde zich tegen wie genas. Hoe dichter men een zieke vriend benaderde en hoe trouwer men hem verzorgde, des te sneller dreigde de dood. Toen de hoop op redding verdween en eindigde in sterven, volgden ze hun impulsen zonder zich te bekommeren om wat nog baatte, want er baatte toch niets meer: overal, bij bronnen, bij rivieren, bij waterputten drongen zij schaamteloos naar voren en dronken gretig, maar hun dorst verdween pas toen ze stierven. Want velen waren niet in staat om op te staan door het vele vocht dat ze gedronken hadden; ze stierven in het water waarvan anderen weer dronken! En wat een afkeer bij die sukkels voor hun bed: gekweld holden ze ervan weg, of als ze geen kracht meer hadden om nog rechtop te staan, rolden ze over de vloer en vluchtten zo hun huis uit. Iedereen dacht dat in zijn eigen huis de dood aanwezig was; de nauwe ruimte kreeg de schuld omdat men de ware oorzaak niet kende. Je kon ze half ontzield op straat zien zwerven - althans wie nog kon staan. Wie niet meer kon staan, lag huilend op de grond en wierp een uitgeputte blik in het rond met zijn laatste krachten, of hief de armen naar de sterren aan de hemel om op die plek, waar de dood hem had ingehaald, te sterven

Hoe was het mij toen te moede? Wat kon ik anders dan het leven haten en in hun ellende willen delen? In welke richting ik ook keek, overal zag ik ze liggen, als rotte appels die van de takken gewaaid zijn, als eikels rond een door de wind gebeukte stam. Zie je ginder die hoge tempel bovenaan die trappen? Dat is Jupiters eigendom. Wie heeft daar allemaal niet tevergeefs op het altaar wierook gebrand? Hoe vaak is het niet gebeurd dat daar een man of een vader tevergeefs smekende woorden prevelde voor z'n vrouw of kind, om zelf ter plaatse dood te vallen bij het altaar zonder dat Jupiter hun gebeden verhoorde? We vonden ze daar met onverbrande wierook in de hand!

Hoe vaak zijn er offerstieren bij de tempel, op het ogenblik dat de priester gebeden sprak en pure wijn tussen de horens goot, zomaar bezweken, zonder zelfs het slachtmes af te wachten! Toen ik er zelf een offer bracht aan Jupiter om voor mijn land, mijn zonen en mezelf te bidden, stootte het dier een gruwelijk geloei uit en viel plots, zonder nekslag, opzij, recht op mijn mes waarlangs een dunne bloedstraal sijpelde. Ook hun organen waren ziek, die waren niet langer een medium van godsspraak; de boze pest zat diep in hen. Ik zag mensen de doden neerwerpen voor de ingang van de tempel, zelfs vlak voor het altaar, waar de dood een nog grotere beschuldiging aan het adres van de goden vormde.

Sommige mensen knoopten zich op; zo verjoeg men met zelfmoord de angst om te sterven en liet het noodlot eigenhandig komen. Velen kregen zelfs geen fatsoenlijke begrafenis, geen uitvaart, want de stadspoort kon de stoeten niet verwerken. De doden bleven onbegraven liggen of werden op hoge brandstapels gelegd, zonder grafgeschenken, zonder eerbied; de overlevenden vochten om brandhout of gebruikten het vuur van anderen. Er waren geen tranen op het graf van de doden, nee; onbeweend dwalen nu ergens de schimmen van die mensen in het rond, van jong en oud, want nergens was er nog plaats voor een graf, nergens was er nog een boom die hout kon leveren.