Uit LIBER UNDECIMUS
 

Andy Ritzen

3 LaWi

1999-2000
 

Morpheus had zijn stem vervormd tot die van Ceyx, zijn tranen leken echt en hij leek ook op Ceyx. Ze zuchtte diep en barstte in tranen uit. Toen ze hem probeerde vast te grijpen, ving ze alleen maar nevels. Ze riep: "Blijf hier! Waar ga je heen? We kunnen samen gaan!" Door haar luide stem en door de schok van zijn verschijning werd ze wakker. Ze keek eerst rond om te zien of hij er was. Er was immers al licht, dat door de slaven was aangestoken toen ze haar hoorden roepen. Toen ze Ceyx nergens vond, begon ze zichzelf te slaan en rukte haar bovenkleed aan flarden. Ze sloeg met haar vuisten op haar borst en trok, nee, rukte haar haren los.

Haar voedster vroeg wat haar zo bedroefd maakte en kreeg als antwoord: "Ik leef niet meer! Alcyone bestaat niet meer, zij stierf samen met Ceyx! Nee, probeer me niet te troosten: hij kwam om door schipbreuk. Hij stond hier voor me en toen ik hem wilde grijpen, loste hij op in de lucht. Hij was een schim, maar geen vage schim want hij leek op mijn man! Alleen had zijn stralend gelaat nu plaats gemaakt voor een bleek gezicht waarvan de haren nog druipnat jaren. Hij stond hier op deze plek, kijk dan..." (opnieuw keek ze of er nog sporen te vinden waren) "Hiervoor had ik steeds zo'n angstig voorgevoel! Ik riep nog: ga niet weg van me weg, vertrouw niet op die winden! Ach, je ben toch vertrokken en ik wou dat je mij had meegenomen. Ja, ik was beter meegegaan! Dan zou dit alles niet gebeurd zijn, dan zou de dood ons niet gescheiden hebben... Nu verga ik ook, zo ver van jou. De golfslag beukt ook mij, ik ben de prooi van de zee, ook al is er geen zee. Ik kan het niet meer aan om te leven met zo'n verdriet. Ik wil er niet tegen vechten, maar ik wil je evenmin in de steek laten. Ik zal met je meegaan. We zullen verenigd zijn door een grafschrift en niet door een urn, maar we zullen niet naast elkaar liggen in een graf. Wel zullen we door onze namen met bij elkaar verbonden blijven."

Door haar verdriet kon ze geen woord meer over haar lippen krijgen, ieder woord werd gesmoord door een snik.
 

Ceyx en Alcyone verenigd

Het was nog vroeg toen ze het huis verliet en bedroefd naar het strand ging. Ze zocht de plek op waar ze van hem afscheid had genomen. Toen ze daar een tijdje zat, zei ze plots tot zichzelf: "Hier lichtte hij het anker. Op dit strand kuste ik hem vaarwel, onze laatste kus." Terwijl ze bezig was die herinneringen op te halen, keek ze naar de zee.

Plots zag ze wat verder in het heldere water iets drijven, dat op een lichaam leek. Eerst wist ze niet wat het was, maar toen het door de golven dichterbij was gebracht, zag ze dat het inderdaad een lichaam was: een drenkeling. Plots voelde ze een schok van onheil. Zonder te weten wie er daar in het water lag, riep ze hem toe: "Wie je ook bent, wie ook je vrouw mag zijn, ik beklaag je!"

De branding bracht de man dichterbij en hoe dichter hij kwam, hoe minder ze zich kon beheersen. Ze zag de man die nu voor haar voeten was aangespoeld heel goed en herkende hem: het was haar eigen man! "Het is Ceyx!" riep ze. Ze trok aan haar haren en rukte zich de kleren van het lijf. Ze strekte beide armen bevend naar Ceyx uit en riep: "Mijn arme man, zo kom je dus bij mij terug?" Ze sprong recht en wou naar een golfbreker lopen.

Toen gebeurde er een wonder, want toen ze wou beginnen rennen, vloog ze! Wiekend door de ijle lucht met haar pas gekregen vleugels vloog ze net boven de zeespiegel, een bedroefde vogel. Terwijl ze vloog, liet ze een klaaglijk geluid horen met haar dunne bek alsof ze verdriet had. Toen streek ze neer bij het dode lichaam van haar geliefde en omhelsde hem met haar vleugels. Ze bleef hem hard en wanhopig kussen met haar snavel.

Of Ceyx dit nu voelde of het de deining van het water was die hem zijn blik deed opslaan, weet men niet precies. Maar wat men wel weet, is dat hij gevoel kreeg door het medelijden van de goden; ze veranderden hem samen met Alcyone in een ijsvogel. Hun liefde bleef bestaan, ondanks het gruwelijke lot dat elk van hen had ondergaan. Ook in de vogelwereld kun je hun liefde nog zien: ze paren, leggen eieren en Alcyone broedt zeven dagen lang op hun nest dat op het water drijft, maar alleen als er geen storm is. In die dagen blijft de zee stil, want Aeolus, de vader van Alcyone, kerkert dan de winden en gunt hun kroost een kalme zee.
 

Het verhaal van Aesacus

Een oude man die de twee vogels over het water zag vliegen, was vol van hun hechte band. Iemand die naast hem stond - of het kan ook de man zelf zijn geweest - zei: "Kijk, die vogel die daar met zijn poten gestrekt boven de zee vliegt, was ooit een koningszoon." Terwijl hij dit zei, wees hij naar een duikerseend met een lange nek. "Zijn stamboom loopt van Ilus via Assaracus naar Ganymedes, die door Jupiter ontvoerd werd. Dan van Laomedon, de oude koning, en tenslotte naar Priamus, die de val van Troje meemaakte. Die vogel had ook een halfbroer, Hector. Als er in zijn jeugd geen wonder was geschied, dan was hij nu misschien even beroemd als zijn broer Hector, de zoon van Priamus en Hecuba. Aesacus zelf was in de bossen van Ida geboren. Zijn moeder was een nimf, een dochter van de stroomgod Granicus. Daarom vermeed hij de stad: hij hield niet zo van al die praal van het hof. Hij leefde eenzaam in de bergen, in een streek waar geen mensen kwamen. Zelden kwam hij nog in Troje. Toch had hij nog gevoelens zoals liefde: vaak volgde hij stiekem Hesperia.

Op een dag zag hij hoe ze haar mooie lokken liet drogen in de zon. Plots had ze in de gaten dat ze begluurd werd en ze vluchtte razendsnel weg. Ze vluchtte alsof ze een hinde was die achternagezeten werd door een wolf of een watereend die ontdekt was door een gier. Aesacus volgde haar op de voet. Elk van beiden bleef rennen; de een werd geholpen door de liefde, de andere door de angst. Maar helaas, al lopend werd Hesperia gebeten door een adder die op de loer lag in het gras. Het gif verspreidde zich snel in haar bloed en ze stierf. Hij knielde bij het meisje neer en nam haar vast. Vol afgrijzen riep hij: 'Het spijt me, het is allemaal mijn schuld, het spijt me! Ik dacht niet na over wat er zou kunnen gebeuren. Het is mijn schuld en ook die van die adder, wij samen hebben jou vermoord. Hij beet jou, maar ik deed je vluchten. Wat ik heb gedaan, is veel erger en ik wil je troosten door zelf een einde aan mijn leven te maken!'

Nadat hij dit had gezegd, sprong hij van een rots. Maar Tethys brak uit meelijden zijn val en gaf hem vleugels om zijn zelfmoord te verhinderen. Hij wrokte omdat hij nu moest verder leven met wat hij gedaan had, want hij wou niet blijven leven. Met zijn vleugels vloog hij telkens weer hoog de lucht in om zich dan weer opnieuw in zee te storten. Maar zijn veren maakten zijn val licht, ook al dook Aesacus steeds weer diep met zijn kop in het water om de dood te vinden. Door de liefde was hij sterk vermagerd: zijn gelede poten en zijn nek waren lang en dun. Zijn kop stak ver uit naar voor. Hij hield erg veel van water en aangezien hij dol was op duiken, noemen ze hem nu duikereend."