LIBER QUINTUS DECIMUS

Numa gaat naar Croton 

Numa wordt Romulus’ opvolger; hij gaat naar Croton om te leren

Intussen was men wel op zoek naar een man die zo’n zware taak aankon en zo’n grote koning kon vervangen. Fama, voorspelster van de waarheid, wees de beroemde Numa als heerser aan. Numa, zeer leergierig maar niet tevreden dat hij slechts de levensregels van de Sabijnen kende, streefde naar het hogere en onderzocht de aard van dingen. Om kennis op te doen verliet hij zijn Sabijnse stad, Cures, en trok naar Croton, gaststad van Hercules. Toen Numa informeerde wie die Griekse stad had gesticht, kreeg hij van een oude, wijze inwoner van Croton het volgende antwoord:

De stichting van Croton

"Hercules, de zoon van Jupiter, bereikte na een vlotte vaart de kust van Lacinium met een rijke buit van Spaanse runderen. Terwijl zijn vee mals gras afgraasde, verbleef (zo zegt men toch) Hercules in het gastvrij huis van de machtige Croton om er uit te rusten van zijn zware tochten. Bij zijn vertrek zei Hercules: "Als uw kleinzonen straks volwassen mannen zijn, zal hier een stad staan."

Wat Hercules beloofd had, gebeurde en dat kwam door Myscelus. Deze Myscelus was een Griek, de zoon van Alemon uit Argolis en bij de goden in die tijd geliefd. Op een nacht, toen Myscelus in diepe slaap verzonken was, boog de godheid met de knuppel over zijn bed en zei: ‘Verlaat je vaders stad en zoek de kiezelrijke stromen van de verre Aesar op.’ Dreigend met verscheidene vreselijke dingen als hij niet zou gaan, verliet de god zijn kamer. Myscelus schoot overeind en herhaalde stil bij zichzelf wat hij zojuist gedroomd had. Hij zat lange tijd in tweestrijd: de god zei hem te vertrekken, de wet verbood hem te vertrekken, want de doodstraf dreigde voor iedereen die zijn vaderland ontrouw werd.

De zon was ondergegaan en de nacht heerste weer over de aarde. De god verscheen weer met dezelfde opdracht en sprak dezelfde straf uit als Myscelus zou falen. Myscelus besloot in doodsangst de nieuwe plek te zoeken, maar de mensen protesteerden: Myscelus werd aangeklaagd wegens schending van de wet. Toen bij de eerste ondervraging, zonder dat ook maar een getuige gehoord was, zijn schuld werd aangenomen, riep hij wanhopig de hemel toe:’Jij, die door twaalf werken god mocht worden, breng mij hulp, ik smeek je! Jij bracht mij tenslotte tot deze daad!’

Het was een oude gewoonte om het vonnis te vellen met zwarte en witte steentjes; zwart gaf schuldig, wit onschuldig aan. Hiervan maakte de jury ook toen gebruik. Het zag er niet goed uit voor Myscelus, elk steentje dat in de urne viel, was zwart. Maar toen die urn werd leeggeschud om de stemmen te tellen, bleken de steentjes wit!

Hercules had de steentjes veranderd zodat het vonnis gunstig was en Myscelus de vrijheid kreeg. Myscelus bracht daarom zijn dank aan Hercules. Hij voer op goede winden de Ionische zee over, langs Tarente, een kolonie van Sparta. Daarna voerde zijn reis langs Sybaris en langs het Sallentijnse Neretum, langs de Sirisbaai, Crimisa en tenslotte over de velden van Japyx. Na vele moeizame zwerftochten langs die kustgebieden vond hij dan toch de monding van de Aesarstroom. Dicht bij de stroom vond hij het aarden graf met de gewijde resten van Croton. Daar stichtte hij, zoals bevolen was, de stad met de naam van de daar begraven Croton. Dat is in de volksmond de overtuigende verklaring van Crotons ligging op het Italiaanse grondgebied."

De leerstellingen van Pythagoras 

In Croton leefde de Griekse filosoof Pythagoras. Hij was Samos en Samos’ tirannie ontvlucht. Hij had voor ballingschap gekozen uit afkeer van de alleenheerschappij... Pythagoras’ gedachten waren groot, hij zag dingen die van nature niet aan mensenblikken gegund waren. Toen zijn studie over het heelal beëindigd was, ging hij mensen daarover onderwijzen. Zwijgend en diep geboeid door wat hij zei, vernamen zijn leerlingen de oorsprong van het heelal en leerden ze over de natuur en haar bestel.

Ze leerden wat goden zijn, waar sneeuw vandaan komt en over het ontstaan van bliksem, of het Jupiter is die met wolken dreunt en dondert of de wind. Hij toonde hun aan waardoor de aarde schokt, zo ook de loop en de regelmaat van de sterren, kortom zowat alles wat nog verborgen was. Hij was de eerste die het eten van dierenvlees veroordeelde, hij als eerste gaf deze wijze, maar niet goed verstaanbare les:

"Mensen! Bezoedel je rein lichaam niet meer met misdadig voedsel. Er is graan en er is fruit in overvloed. Er zijn druiven die in de zon aan wijnstokken zwellen. Hoeveel malse gewassen en groenten kunnen we niet zacht stoven of koken. Niemand heeft een tekort aan roomwitte melk of honing met de bloesemgeur van tijm. Moeder aarde schenkt ons rijke oogsten, eetbaar voedsel en tafels vol met spijzen. We hebben daar geen bloedvergieten en moord voor nodig! De meeste dieren die honger voelen eten grassen: zo heb je paarden, runderen en schapen. Alleen wilde, ontembare dieren zoals de Armeense tijgers, woeste leeuwen, beren en wolven houden van maaltijden waar het bloed moet vloeien.

Het is een misdaad je eigen pens met pens te vullen, je eigen vlees te spekken met het vlees van anderen. Het is gruwelijk om zelf te leven door andere levende wezens te vermoorden! De aarde schenkt ons zoveel rijkdom en toch willen we onze tanden zetten in smakelijke hespen en tekeer gaan als woeste Cyclopen. Men moet de honger van een vraatzuchtige maag niet genezen door een ander dier te doden!

Ooit is er een tijd geweest, de Gouden Eeuw genoemd, waarin we alleen maar Moeder Aarde’s gewassen aten; onze mond was niet besmeurd met bloed. Toen vlogen de vogels nog ongehinderd door de lucht. Een haas huppelde volkomen onbevreesd door het open veld. Een vis bleef niet aan een vishaak hangen. Intriges bestonden niet, men had nog nooit van vals bedrog gehoord, er was alleen maar vrede. Toen werden enkele mensen jaloers op de goden bij het zien van hun offervlees. Sufferds gingen hun maag volproppen met vlees en zo wezen ze de weg naar moord. Van toen af aan verwarmde ieder zwaard zich aan het bloed van dierenoffers en daar ligt de grens.

Goed, beesten die mensen beletten, worden doodgeschoten, maar doodschieten kan je niet vergelijken met verorberen! Het ging van kwaad naar erger: men beweerde dat het eerst geslachte zwijn zijn dood verdiend had, omdat het met zijn snuit naar zaad gewroet had en zo de oogst bedorven was. Een bok werd als straf geofferd aan Bacchus omdat de bok een wijnstok vernield had. Deze dieren stierven door eigen schuld, maar waarom worden schapen dan geslacht? Schapen, nuttig en vreedzaam vee, geven uit hun uiers overvloedig veel melk. Door hun wol kan de mens zich in zachte kleding hullen: ze zijn ons nuttiger levend dan dood.

Waarom ossen slachten? Het zijn dieren zonder enig kwaad, ze zijn onschadelijk voor een zware last geschapen. De mens is ondankbaar en verdient zijn graanoogst niet als we onze trouwe akkervriend slachten omdat de kromme ploeg hem te zwaar wordt. De nek van de os is afgebeuld door het zware werk, had zo vaak de stugge kluiten omgekeerd en de oogst opgehaald, en toch klieven we hem met de bijl. Het blijft niet bij dit onrecht. Men geeft zelfs de hemel de schuld van dit kwaad, omdat de mens denkt de goden blij te maken met het slachten van een stier.

Het offerdier, een vlekkeloos en prachtig exemplaar wordt bij het altaar neergelegd. Daar getooid met goud en offerlint aanhoort hij gebeden die hij niet kent. De stier krijgt korrels graan over zijn kop gestrooid waar hij zelf voor gezwoegd heeft. Dan kleurt het slachtmes dat hem wondt, rood door bloed. Direct daarna worden zijn ingewanden uit zijn warme lichaam getrokken om daaruit de plannen van de goden te lezen. Waarom waagt de mens daarvan te eten? Is de honger naar verboden voer zo sterk? Daarom: doe het niet en luister naar mijn woorden. Als jullie van het vlees van jullie geslachte ossen wilt gaan proeven, bedenk en voel dan dat jullie op jullie eigen werkvee kauwen!

Elodie Despret

3 LaWi

2001-2002

Ik wil de goden niet teleurstellen en daarom gebruik ik mijn kennis om over de hemel en zijn geheimen te praten. Ik vertel jullie over dingen die nog nooit door de mens bevroed werden en lang verborgen zijn gebleven. Ik wil ver van de wereld op wolken rijden om het redeloos en doelloos dwalen van de mens te onderzoeken, hem in zijn onzekerheid en doodsvrees te steunen en dan te spreken over wat er is beschikt. O, aarde die gevuld is met angst voor de dood, wat zal er gebeuren met de Styx, de schimmen en het waanidee dat stof voor dichters is? Men is bang voor een verzonnen wereld! Jullie moeten weten dat, nadat jullie lichaam afgestorven is, jullie ziel zal verder leven en van het ene lichaam naar het andere verhuizen. In de Trojaanse oorlog was ik ooit een zoon was van Panthoüs en heette Euphorbus; ik werd getroffen in de borst door de zware speer van Menelaus. Het schild dat ik aan mijn linkerarm droeg, heb ik onlangs zien hangen in de Juno-tempel in Argos, de stad van Abas.

Alles verandert maar niets vergaat. De ziel doolt rond, van hier naar daar en omgekeerd, bewoont elk lichaam dat hij maar wil, gaat van een dier naar een mens en terug naar een dier, maar nooit zal hij het begeven. Hij beeldt steeds iets anders uit, blijft niet wat hij geweest is, bewaart niet dezelfde vorm, maar is wel uit dezelfde stof vervaardigd. Ze is steeds dezelfde, maar verschijnt in allerlei gestalten. Vandaar mijn boodschap: ’Hou van het leven! Zie af van het sterven, waardoor verwante zielen verhuizen! Bloed moet niet van bloed bestaan!’

En nu ik toch begonnen ben, moet ik verder doen. Er is niets op deze wereld dat in dezelfde vorm blijft bestaan. Alles verandert, elk ding krijgt een vorm en verdwijnt. Ja, ook de tijd verstrijkt als de stroming van een rivier, die haar beweging niet kan tegenhouden, net zoals een vluchtig uur niet kan stilstaan. Zo stuwt water zich voort en wordt het in de rug geduwd, maar vloeit ook zelf voort. Zo vliegt de tijd voorbij en verandert steeds. Wat vroeger was, is nu voorbij en nu gebeurt wat nog komen moet. Ieder moment verandert.

Zo zie je ook dat de nacht altijd weer wordt gevolgd door de dag. Steeds weer komt stralend zonlicht uit de zwarte nacht te voorschijn. Wanneer alles ligt te rusten, verschijnt er een andere kleur dan Lucifers witte ros. Alles is opnieuw weer anders als Aurora de dag aankondigt en de hemel kleurt vóór zij het zonlicht laat schijnen. Ook de Zonnegod is ’s morgens rood, als hij opkomt, en wordt weer rood, als hij slapen gaat. Maar op zijn hoogste punt is hij helder wit, omdat de lucht daar zuiverder is en omdat hij ver van het vuil van de aarde verwijderd is.

Ook de maangodin Diana zal nooit hetzelfde lichaam behouden: wanneer zij groeit, zal zij vandaag wat kleiner zijn dan morgen, en wanneer zij afneemt, weer wat groter. Je ziet dat een jaar vier seizoenen doormaakt als de fasen van een mensenleven. Bij nieuwe lente is het jaar teer, het leeft van de sappen als een kind. Er groeit een fris, nog niet zo’n sterk gewas, maar het maakt de boeren wel al blij en hoopvol. Alles staat dan in bloei, op de rijke bodem groeien bloesemtinten, maar het groen moet nog volwassen worden.

Na de lente komt de zomer. De kracht van het jaar neemt toe... Er is geen ander seizoen dat even krachtig en vruchtbaar is en zo’n gloed bezit. Maar als de levenswarmte mindert en het najaar nadert, is men rijp en rustig, niet meer jong, maar ook nog niet oud en het haar wordt grijs. Dan is er de winter, die oud en bars is. Zijn voetstap beeft en zijn kruin is kaal, maar wat er nog overblijft, is wit.

Ons lichaam verandert constant. We blijven niet wat we zijn. Eerst waren we zaad, als eerste hoop op leven, dat zich in de moederbuik bevond, als een kunstwerk in de handen van de natuur. De natuur zorgde ervoor dat we niet in de buik van de moeder bleven zitten, maar eruit geperst werden om de wijde wereld in te trekken… Daar ligt de pasgeboren baby, nog krachteloos. Maar al snel begint hij op handen en knieën te kruipen, als een dier. En heel langzaam gaat het rechtop lopen, met de knieën gekromd, en om zijn evenwicht te houden, heeft hij nog steun nodig.

Vervolgens geniet de mens van zijn jonge jaren, wordt volwassen en daarna volgt hij het pad naar ouderdom en de dood. De tijden veranderen. De oude Milo treurt om zijn slappe en neerhangende armen die ooit te vergelijken waren met die van Hercules. Ook Helena treurt om de rimpels die ze ziet wanneer ze in de spiegel kijkt, en vraagt zich af waarom zij, de eerste maal door Theseus en de tweede maal door Paris, geschaakt werd. Tijd en jaloezie is het slechtste dat bestaat. Alles sterft langzaam af.

De elementen blijven niet bestaan. Ik zal u over hen vertellen. Het bestaan kent vier elementaire oerstoffen. Twee van hen zijn zwaar, aarde en water, die door hun gewicht vanzelf naar beneden getrokken worden. De twee andere zijn gewichtloos. Wanneer er niets op hen drukt, gaan ze naar boven: lucht en vuur. Vuur is nog lichter dan lucht. En alle vier, hoe ver ze ook van elkaar verwijderd zijn, ontstaan uit elkaar en gaan van de ene naar de andere over. De aarde wordt water, die lucht wordt. Wanneer de zwaartekracht wegvalt, schiet de lucht omhoog en wordt vuur. Daarna zijn de rollen omgedraaid. Vuur condenseert en wordt damp, die op zijn beurt in water verandert en opnieuw de aarde wordt.

Niets behoudt dezelfde vorm. Moeder Natuur laat elke vorm ontstaan uit een andere vorm. Niets gaat verloren, maar verandert. Men spreekt van een geboorte wanneer er iets anders ontstaat en men spreekt van sterven wanneer de oude vorm verdwijnt. Alles mag veranderen, maar de wereld blijft bestaan.

Ik geloof dat niets in hetzelfde lichaam blijft bestaan. Bekijk de eeuwen die veranderd zijn van goud naar ijzer. Bemerk hoe vaak de toestand van de aarde gewijzigd is. Ik heb een zee gezien waar vasteland was en ik heb land gezien waar de oceaan was. Ver van de kust vindt men wel eens een mosselschelp en hoog in de bergen vond men oude ankers. Wat ooit vlak was, is nu een dal, gebergten zijn nu velden door de watersnood. Moerasgebieden drogen uit tot zandgrond en wordt een streek die dorst moet lijden, maar nu staan ze weer vol met waterpoelen.

De natuur laat nieuwe bronnen ontstaan en laat oude opdrogen. Rivieren die ooit verdwenen waren door een aardschok, komen weer tot leven en andere drogen uit. Zo is de Lycusstroom verdwenen door een aardspleet en stroomt verder uit een nieuwe opening. De lange Erasinus dringt eerst de aarde binnen, stroomt daarna ondergronds verder en komt weer boven in Argolis. In Mysië stroomt de Caïcus nu heel anders, want hij was zijn bron en oude bedding beu. De Siciliaanse Amenanus stroomt niet altijd, want soms is hij uitgedroogd. Ooit dronk men graag uit de Anigrus, maar nu wil geen mens er nog van proeven sinds Centauren er de pijlwonden van de boog van Hercules in uitspoelden. En denk eens aan de Hypanis, die in het Scythisch bergland stroomt en zoet was, maar nu enkel nog naar bitter zout smaakt.

Ooit werden Antissa, Pharos en Tyrus in Fenicië door de zee overspoeld en nu zijn ze zelfs geen eiland meer. Maar Leucas, dat ooit beschouwd was als vasteland, ligt nu diep in de zee. Zancle hing ooit vast aan Italië, totdat de beide kusten gescheiden werden door zee. Helice en Buris, in Achaea, liggen onder water: zeelui wijzen er nog steeds de stadsruïnes met hun verdronken muren aan. De heuvelbult, niet ver van Troizen, Pittheus’ stad, was vroeger de vlakste vlakte. Nu is ze een steile, kale en boomloze heuvel, want toen de woeste winden weer eens in de aardbol zaten, wilden ze toch graag ergens waaien. Ze worstelden om de lucht te bereiken, maar doordat de aarde nergens een spleet vertoonde en doordat er nergens een uitweg voor hun blaaskracht was, begon de bodem uit te zetten. Het was net zoals men met adem een gedroogde blaas of leren zak van geitenvel kan spannen. Die zwelling bleef als een hoge heuvel zichtbaar en verhardde mettertijd.

Ik vertel slechts een enkel ding van alles wat ik allemaal vernomen heb. Water krijgt steeds een nieuwe vorm: Ammon, de stroomgod, is ’s middags koud, maar bij zonsopgang en zonsondergang is hij lekker warm. Het verhaal speelt zich af in Epirus. De inwoners staken fakkels aan in een bron, wanneer de maan er het kleinst was. Bij de Ciconen is er een rivier en als je er van drinkt, verander je in steen. De Crathis en de Sybaris, niet ver van hier, kleuren je haar met een glans van barnsteen of goud. Er is ook water dat niet alleen iemands lichaam, maar ook zijn geest verandert: wie uit het bronmeer van Salmacis of uit dat meer in Ethiopië drinkt, wordt gek of door een zware roes bevangen.

Wie uit de Clitorbron drinkt, houdt niet meer van wijn en drinkt zijn hele leven lang alleen nog maar water, ofwel omdat die bron een kracht heeft die het verlangen naar wijn dooft, ofwel omdat Melampus er met een toverspreuk en kruiden Proetus’ dochters van hun waanzin heeft afgeholpen en er de tovermiddelen heeft gegooid waardoor het wijnvijandig werd. Een stroom die omgekeerd werkt, bestaat bij de Lyncestiërs: wie te gulzig daarvan drinkt, wordt dronken, ook al heeft hij bijna geen wijn gedronken.

In Arcadië is er een meer, ooit Pheneon genoemd, dat gevaarlijk is om er ’s nachts te drinken, maar overdag is er niets aan de hand. Zo bestaan er meren en rivieren met een speciale kracht. Delos dreef ooit op zee, maar nu ligt het vast. Ooit was het Argoschip gevreesd voor het botsen van de Symplegaden, maar nu zijn ze onverslaanbaar en trotseren ze elke storm.

Pieter Vervisch

3 LaWi

2001-2002

De Etna die voortdurend zwavel uitstoot, zal toch nooit blijven vlammen. Dat heeft ze zelfs nog nooit gedaan. Hiervoor zijn er verschillende redenen. De aarde is ten eerste een levend wezen met wonden dat op een aantal plaatsen vuur uitstoot. Zij is heer en meester over die vuurkanalen en kan, na elke schok, de ene vuurmond sluiten en de andere openen. De snelle winden zijn opgesloten in hun hol waar ze elkaar stenen en gloeiende aardkluiten toegooien; daardoor raakt de Etna in brand. Pas als die winden bedaard zijn, zullen hun holen afkoelen. Als de aarde tenslotte de vuurzee niet meer voedt, zal het vraatzuchtig vuur in doodsnood doven: vuur kan geen honger verdragen.

Men zegt van de Hyperboreeërs (die in het noorden wonen bij Pallene) dat ze, na negen keer ondergedompeld te zijn in het Tritonmeer, een donzen vacht met pluimen krijgen. Ook zegt men dat de Scythendochters diezelfde kunst verstaan, maar dan door tovervocht te sprenkelen. Ikzelf geloof dat niet.

Enkele overduidelijke voorbeelden van dit soort gedaanteverwisselingen zullen je van deze eeuwige verandering overtuigen. Uit karkassen komen kleine diertjes vliegen, nadat ze lang zijn blijven liggen in de hitte van de zon. Neem je beste stieren, slacht ze en leg ze in een kuil. Bijen zullen er spontaan tot leven gewekt worden. Die honingzoekers houden van het veld en werken nijver aan de toekomst. Een begraven krijgsros brengt een horzel voort. Als je van een zeekreeft de scharen afbreekt en de rest met aarde toedekt, komt er uit zijn graf een schorpioen gekropen die met kromme angel aanvalt.

Vlinders die symbool zijn voor de dood, zijn ontpopt uit rupsen die zich hebben ingesponnen met hun witte draad tot een cocon. Uit zaad dat zich in moddergrond heeft genesteld, ontwikkelen zich poten om te kunnen zwemmen en bovendien nog ver te kunnen springen (vandaar dat de achterpoten langer zijn dan de voorste twee); uiteindelijk ontkiemt daaruit een kikker. Zelfs een beer vormt een onbeholpen vleeshomp al likkend om tot zijn jong. Ook de bijen ontwikkelden zich spontaan in hun zeshoekige wassen hokjes van eerst nog onvolledig geboren tot wat poten en vleugeltjes heeft. Zo breken Juno’s pauw met sterren in de staart, of de vogel die de wapendrager is van Jupiter, of Venus’ duiven, allemaal uit een en dezelfde oorsprong: een ei. Sommigen denken zelfs dat het merg van een menselijke ruggengraat zich in het graf ontbindt tot een slang.

Al deze dieren vinden hun oorsprong bij een ander dier, maar een vogel bij de Assyriërs Phoenix genaamd, heeft zichzelf verwekt en gebaard. Hij eet geen planten en geen graan, maar leeft van druppels hars en amomumsap. Na vijf volle eeuwen geleefd te hebben, bouwt hij hoog in een wiegende palm of eikenboom een nest. Zijn klauwen en reine snavel zijn hem dan steeds van dienst. Toegedekt met lavendelgroen, zachte narduspluimen, stukjes kaneel en bruine mirre, neemt hij er plaats en vindt zijn einde in dat geurig bed. Uit de as van de vader verrijst een kleine Phoenix, die weer zo lang mag leven. Zodra die vogel kracht genoeg heeft, tilt hij zijn wieg en ook zijn vaders graf op en brengt het naar Heliopolis, waar het in de voorhal van het heiligdom van de zon een nieuwe plaats krijgt.

We kennen nog meer van die wonderbaarlijke en ongekende verhalen die ons mogen verbazen. Zoals de dubbelrol van een hyena, een dier dat leeft van lucht en winde en de kleur aanneemt van alles wat het aanraakt. Eerst is zij ’t vrouwtje dat zich laat bespringen en daarna het mannetje! En lynxen, die ooit gewijd waren door het veroverde India aan de met wijnranken omkranste Bacchus, hebben blaasvocht dat, bij aanraking met de buitenlucht, zo hard als ijs wordt. Zo verstijft ook koraal, een zwierig wuivend zeegras, als dat maar even boven water komt.

De Zonnewagen zal eerder de diepe Oceaan bereiken dan dat ik alles wat nieuwe vormen krijgt, heb opgesomd. Wij zíen de tijden veranderen: terwijl het ene volk machtig wordt, komt het ander ten val. Hoe hoog heeft Troje, dat zoveel levens kon geven, tien jaar lang, niet gereikt met middelen en mannen? Nu kan ze enkel nog ruïnes en voorvaderlijke graven tonen, zonder rijkdom. Roemrijk was Sparta, groots was ooit Mycene’s macht, die van Cecrops’ stad en die van Amphions burcht. Maar nu zijn het nog maar namen: Sparta, dat is nu braakliggende grond; het hoge Mycene ligt geveld; zelfs Thebe met zijn Oedipus, Athene en Pandion, het zijn nog enkel namen!

En thans verrijst, aan de oever van de Apennijnse Tiberstroom, een machtig bouwwerk, het nieuw-Trojaanse Rome. Het legt er de grondslag voor een nieuwe heerschappij. Bij de groei ervan zal ook die stad van vorm veranderen, ooit zal het, volgens priesters en orakelspreuken, de hoofdstad van de wijde wereld zijn. Dit doet me denken aan Helenus, de zoon van Priamus: toen Troje in de vlammen opging, sprak hij Aeneas troost toe in diens wanhoop en verdriet met de volgende woorden:

"Zoon van een godin, let goed op wat ik je zeg! Zolang jij veilig bent, zal Troje nooit totaal ten onder gaan. Je moet jezelf en Troje’s Penaten zien te redden van het vuur, weg van die strijd, tot aan een vreemde kust, die gastvrijer zal zijn dan je eigen land. Dit land zal Troje en jou een nieuw bestaan geven. Ik zie dat er een nieuw-Trojaanse stad jullie wachten, zoals er nergens is, nooit meer zal zijn en nooit gezien is. Kortom, die stad zal onder vele heersers eeuwenlang haar macht ontplooien. Slechts een van hen kan tot wereldkoning gemaakt worden: Augustus, nazaat van Julus’ bloed. Hij zal, na zijn leven op aarde, hoog ten hemel stijgen. De godenwoning zal door zijn komst verblijd worden."

Ik weet nog heel goed dat Helenus dit alles aan Aeneas, Troje’s redder, heeft voorspeld, en het verheugt me dat mijn dierbaar Troje is herrezen en niet voor niets door Grieken geveld is…

Wat ik uit dit alles kan besluiten: alles wat hemels en wat aards mag zijn, verandert van gedaante. Wij, als mensen die eveneens deel uitmaken van het heelal, ondergaan een gelijkaardige gedaantewisseling. Niet alleen als lichaam maar vooral als fladderende ziel kunnen wij veranderen in een wild dier of zelfs in vee. Gun dus die dieren een waardige, verdiende rust en vrede als de ziel van onze ouders, broers of van welke verwanten ook, in elk geval van mensen die in die dieren rusten.

Laten we dus geen Thyestes-voer eten! Hoe slecht is de gewoonte niet van een goddeloze aanslag op eigen bloed. Zo doorklieven mensen de keel van een jonge koe met hun zwaard. Ze laten haar daarna zonder meelij klagen. Zelfs een bokje dat om hulp roept als een angstig kind, zal men slachten. Men zal smullen van een vogeltje dat men zelf graantjes gaf… Wat is dan eigenlijk het verschil met wat men een echte misdaad noemt? Waar ligt de grens bij dergelijke daden? Een stier moet zijn leven lang ploegen om op hoge leeftijd geslacht te moeten worden.. Een schaap staat gedwee haar vacht af om ons te beschermen tegen de kille noordenwind. Een geitje moet haar volle uier laten leegmelken.

Schaf die netten, strikken, klemmen en andere gemene listen toch af! Bedrieg een vogel niet meer met takken vogellijm, omsingel herten niet met schrikdraad die volhangt met vogelveertjes, verberg geen scherpgebogen vishaak in dat bedrieglijke aas! Enkel dieren die schade doen, mag je doden, maar laat het dan bij doden. Hun vlees behoort niet in jullie mond: jullie mond kent toch zachter voedsel!"

Numa wordt koning van Rome en stelt wetten in

Gesterkt door dit soort wijze lessen keerde Numa terug naar zijn vaderland. Daar aangekomen werd hem gevraagd de teugels van de macht in Latium ter hand te nemen. Met de steun van de Muzen en gezegend met een nimf als echtgenote stelde hij de godsdienstregels in. Hij leerde zijn volk, dat gewend was aan felle strijd, vrede te hanteren.

Egeria treurt om Numa; Hippolytus probeert haar te troosten 

Na Numa’s dood is Egeria ontroostbaar, zelfs als Hippolytus haar zijn verhaal vertelt

Het koningschap droeg Numa tot op hoge leeftijd. Na zijn dood rouwden senaat en het volk van Latium, de vrouwen jammerden. Egeria zocht buiten Rome, in de dichte bossen rond Aricia, een schuilplaats. Ze verstoorde er, met veel geklaag, Diana’s offerdiensten die sinds Orestes waren ingesteld. Wonderbaarlijk was het hoeveel troost ze kreeg van de stilte van het bos, evenals van de waternimfen die zegden dat ze niet te klagen had. Ach, hoe dikwijls ook sprak Theseus’ zoon haar de volgende woorden toe om haar verdriet te stillen:

"Maak toch een eind aan je geklaag, je lot is immers niet droeviger dan dat van anderen. Verschillende voorbeelden zullen je tranen drogen, ook mijn voorbeeld. Toch wou ik dat het geen voorbeeld van mij was… Je hebt misschien wel gehoord van een zekere Hippolytus, de man die sterven moest door gemeen stiefmoederlijk bedrog. Mijn vader geloofde wat zijn tweede vrouw van hem had verteld. Dat zal je vast verbazen, maar ik kan het bewijzen: die man ben ik.

Phaedra deed indertijd vergeefse moeite om mij in mijn vaders bed te lokken. Toen loog zij tegen mijn vader. Ze zei dat ik het was die dat gewild had. Uit angst om ontdekt te worden of zelfs beledigd te worden door mijn onwil, schoof ze de schuld op mijn schouders. Met verwensingen en boze vloeken werd ik uit de stad verbannen, ook al was ik totaal onschuldig. Ik vluchtte met een wagen naar Troizen, Pittheus’ stad.

Toen ik langs de kustweg bij de engte van Korinthe reed, verhief de zee zich, een immense watergolf leek zich te krommen tot een soort bergrug die steeds groeide. Plots splitste die met een luid gebrul in tweeën. Uit de waterbreuk kwam een breedgehoornde stier te voorschijn. Hij verhief zich met zijn borst en schouders in de zwoele lucht. Uit zijn neus en wijde bek stroomde water. Mijn reisgezellen schrokken. Eerst zag ik geen gevaar, want ikzelf zat in diep gepeins over mijn vlucht, totdat mijn paarden, dat vurig span, de nekken zeewaarts wendden. Met stijfgespitste oren werden ze schichtig, angstig voor dat monster…

Omdat de wagen langs steile kliffen werd meegesleurd, trok ik uit volle macht maar tevergeefs aan de wit beschuimde teugels, ik trok, ver achterover hangend, aan dat stugge leer. Bijna had ik met volle kracht die dolle paarden bedwongen toen een wiel, juist bij het centrale draaipunt om de as, een boomstronk raakte. Door de botsing was het wiel totaal verbrijzeld…

Kobus Langedock

3 LaWi

2001-2002

Ik werd uit de wagen geslingerd maar bleef met mijn voet in de teugels hangen. Mijn darmen werden uit mijn buik gerukt. Ik bleef aan een boomstronk hangen en werd volledig uiteen gereten. Ik hoorde en voelde mijn botten stuk voor stuk breken. Als je mij daar had zien liggen sterven, had je geen enkel lichaamsdeel herkend. Ik was een verminkte, bloede- rige massa.

Zelfs jij, Egeria kunt je ongeluk niet meer meten met het mijne. Ik heb de duistere Hades gezien, heb mijn lichaam gebaad in de Phlegethon en was zelfs nooit teruggekeerd naar het leven zonder het krachtige middel van Aesculapius. Want door diens krachtige kruiden en Apollo’s hulp kwam ik, ondanks het protest van Pluto, weer tot leven. Opdat mijn verschijning door dit voorrecht geen afgunst zou wekken, goot Diana nevels om me heen en zorgde ze ervoor dat ik mij in alle veiligheid in het openbaar zou kunnen vertonen door mij wat ouder en onherkenbaar te maken.

Na veel twijfel of ze mij naar Delos of Kreta zou brengen, besloot ze mij naar geen van beide te voeren. Maar naar hier te brengen. Ze deed mij mijn naam, die al te veel aan paarden deed denken, afzweren. Ze zei: ‘Vroeger was je Hippolytus, nu leef je voort als Virbius.’ Sindsdien woon ik dus in dit bos en als een aardse godheid wijd ik mij aan Diana, door wie ik beschermd wordt."

Egeria verandert in een bron

Toch vond Egeria’s verdriet geen troost in het verhaal van andermans leed. Ze lag languit aan de voet van een berg en smolt weg in tranen. Totdat Diana, Phoebus’ zus, de droevige nimf uit eerbied voor haar trouw veranderde in een koele bron en haar tot eeuwig stromend water verdunde.

Het wonder van Egeria vergeleken met drie vroeg-Romeinse gebeurtenissen

Dit wonder raakte de nimfen diep. Hippolytus stond ook verbijsterd, hij leek op die ploegende Etrusk die in open veld, een aardkluit zomaar, zonder dat er iemand bijstond, zag veranderen in een man die met zijn nieuw geboren stem de toekomst begon te voorspellen. Zijn naam was, volgens de Etrusken, Tages, en hij was de eerste die de Etrusken de toekomst leerde openbaren…

Misschien leek Hippolytus op Romulus, die ooit eens op de Palatijn zijn speer in de grond plantte en zag dat zijn speer blad kreeg! Het ijzer zag hij veranderen in wortels en in plaats van een wapen, stond er een boom met wiegelende takken voor zich die schaduw bood aan het stomverbaasde volk… Of misschien leek hij op Cipus, die in de Tiber zijn hoofd gekroond zag met twee hoorns. Cipus dacht dat dat beeld gezichtsbedrog was, maar toen hij meermaals met zijn vingers tastte, merkte hij dat zijn blik hem niet bedroog.

Hoewel hij op weg was naar Rome na een zege op de vijand, bleef hij ter plekke staan. Hij keek en strekte zijn armen naar de hemel en riep:"O Goden! Wat dit teken ook beduidt: indien het geluk brengt, laat het dan zijn voor heel het land en volk van Romulus, indien gevaar dreigt alleen voor mij…" En op een altaar, gemaakt van groene zoden stortte hij wierrook in het vuur, plengde uit een schaal, liet dieren slachten en raadpleegde hun nog trillende ingewanden.

Daarin zag een Etruskische voorspeller grote veranderingen in de staat, hoewel nog niet duidelijk was welke. Maar toen hij van de organen naar Cipus keek, en diens horens zag, riep hij: "O wees gegroet als koning! Dit gebied van Rome zal u, gehoornde majesteit, gehoorzaam zijn! Aarzel niet langer, Cipus, en haast je naar de stad. Want daar zal je veilig en lang heersen."

Maar Cipus deinsde terug, wendde zijn hoofd van de stad af en zei:"Nee! Weg ermee! De hemel verdrijft zo’n teken! Het is beter dat ik ver van mijn land wegga dan dat het Capitool zo’n koning moet zien…" Waarop hij zijn horens verborg achter zijn zegekrans en het volk en de eerbiedwaardige senaat bijeenriep. Toen stapte hij het aarden podium op dat snel door zijn mannen was opgericht, riep volgens de oude riten de goden aan en zei:

"Een van jullie zal hier heersen, tenzij jullie hem uit de stad verjagen. Ik noem hem niet, maar beschrijf hem wel. Hij heeft horens op zijn hoofd en de ziener zegt dat hij, zodra hij de stad betreedt, slavernij zal brengen. Hij had nu al in de stad kunnen zijn - de poort is open -maar ik heb dat verhinderd, ook al staat hij dichter bij mij dan bij wie dan ook. Jullie, burgers van Rome, mogen hem de stad niet inlaten. En als hij toch zou komen, sluit zijn dreiging dan uit door hem vast te ketenen of te doden."

Het gemompel dat daarop volgde klonk als het gesuis van hoge pijnbomen wanner de gure oostenwind, of als de golven in de zee, wanneer je van op afstand luistert. Maar boven alles klonk een vraag: wie is hij? Allen keken naar de mensen rondom zich om te zien of er toevallig iemand met horens bij was. Maar dan sprak Cipus weer en zei: "Hier is wie jullie zoeken!"

Waarop hij zijn krans afzette en zijn voorhoofd met beide horens toonde, hoewel het volk hem zei dit niet te doen. Er klonk een kreet van spijt. Eerst wendde men de blikken af, maar dan keek men toch, met tegenzin, naar hem. Niemand kon dit geloven van iemand die zoveel roem had verdiend. En omdat ze niet duldden dat Cipus verder ongeëerd zou blijven, drukten ze de feestkrans weer op zijn hoofd. Omdat hij nu de stad niet meer mocht betreden, heeft de senaat hem een stuk grond geëerd dat zo groot was als een ossenspan met de ploeg in een dag. En in de bronzen stadspoort werden de horens afgebeeld, als teken van de wondere gedaante.

De komst van Aesculapius naar Rome

Een vreselijke pest had ooit de lucht in Latium besmet. De mensen die vaal en uitgeput waren, waren bedroefd om hun doden. Ze zagen in dat niets hielp, noch mensenkracht, noch dokterskunst, en zochten godenhulp. Ze reisden naar het navelpunt van Moeder Aarde: Delphi, waar de tempel van Apollo staat. Ze smeekten hem om een verlossende voorspelling waardoor hun stad van de ondergang zou gered worden.

Onmiddellijk gingen de tempel, de laurierboom, en zelfs de pijlen van het godsbeeld bewegen. En uit de diepte klonk een zware stem die zei: "Wat jullie zoeken, Romeinen, hadden jullie eerder kunnen vinden. Zoek dichterbij naar hulp, ook nu. Het is niet Apollo die jullie zal helpen, maar zijn zoon. Ga met goede tekenen en vraag mijn zoon om bijstand." Toen de senaat dit had vernomen, zochten ze op waar Apollo’s zoon Aesculapius zijn tempel had en lieten ze een schip uitvaren naar de kust van Epidaurus.

Toen de gezanten in Epidaurus waren aangekomen, zochten ze de Griekse raad op en vroegen naar de god die verlossing zou brengen. Sommigen vonden dat die hulp niet te weigeren was, maar anderen meenden dat men geen goden en geen eigen veiligheid mocht afstaan. Ze bleven twijfelen, zelfs in de nacht.

Maar die nacht verscheen de god zelf. Een van de Romeinen zag hem naast zijn bed staan, hij zag eruit zoals in de tempel: in zijn linkerhand had hij een herdersstaf en met zijn rechterhand streelde hij zijn lange baard. Hij zei vriendelijk:"Ik zal jullie volgen, wees niet bang, bekijk goed de slang die rond mijn scepter kronkelt, zodat je ze kunt herkennen, want ik zal die gedaante aannemen, weliswaar groter, zoals bij een god past." Toen verdween het droombeeld.

Het was al ochtend toen de gezanten- die niet wisten wat ze moesten doen met het verzoek van Aesculapius- zich naar diens tempel haastten. Ze vroegen hem aan te tonen waar hij wilde wonen. Ze waren amper uitgesproken toen er een luid gesis klonk. In het midden van de tempel stond een slangengedaante met het bovenlichaam hoog opgericht. Hij had een gouden kam en een blik die vuur spatte. Zijn komst bracht de hele tempel tot sidderen. De menigte verstijfde van schrik.

Maar dan riep de priester: "Het is de god! De god! Iedereen, eer hem in hart en woorden! O, schone god, laat je verschijning een zegen zijn, bescherm het volk dat je eert!" Waarna iedereen de god eer betuigde en de woorden van de priester herhaalde. Ook de Romeinen toonden diepe eerbied, zowel in gedachten als luidop.

De god knikte een aantal malen in hun richting, wat een betrouwbaar teken van hulp was. Hij siste en flitste ook een aantal malen met zijn tong. Hij gleed de marmeren trap af, maar wendde zijn hoofd nog eens achterover, als afscheid van zijn oude heiligdom, als een laatste groet aan die vertrouwde plek. Hij repte zich over de grond die vol met bloemen stond, kronkelde zich met zijn enorme lichaam dwars door Epidaurus, naar de plaats waar de haven met een ronde dam beveiligd is.

Hij leek de stoet van mensen met milde blik te danken voor het uitleiden en gleed aan boord van het Romeinse schip. Er heerste vreugde bij hen. Ze slachtten een stier, bekransten het schip, gooiden de trossen los en voeren weg met een licht briesje in de zeilen. De godheid stak hoog boven de scheepsrand uit. Zijn kop lag op de kromme achterplecht en keek uit over de blauwe zee.

Gestuwd door de zachte wind had hij door de Ionisch zee de zesde dag Italië bereikt. Hij voer langs Lacinium met Juno’s beroemde tempel, langs de kaap van Sylacaeum en passeerde Japygia, omzeilde de Amphrisijnse klippen aan bakboord en het steil Celennium aan stuurboord, zag Rhometium, Narycia en Caulon liggen, voer veilig door de waterengten van Messina, langs het rijk van Aeolus, langs de Temesaanse kopermijnen in de richting van Leucosia en de warme rozenkust van Paestum.

Dan koerste hij af op Capri en Minerva’s voorgebergte, de heuvelruggen van Sorrento, edel door hun wijn, langs Herculaneum, langs Napels, rustplaats bij uitstek, en vandaar naar Cumae met de tempel van Sibylle. Dan Baiae met zijn warme baden en Liturnum, rijk aan mastixbossen, langs het woelige water van de Volturnus en Sinuessa, de stad van de witte duiven. Via het warme Minturnae met Cajeta’s graf ging het verder naar waar Antiphates had gewoond, naar het door moeras omgeven Trachas, naar Circe’s streek en de stenen kust bij Antium.

Toen de bemanning daar het zeilschip landwaarts roeide, omdat er te ruwe zee stond, rolde de goddelijke slang zich uit en gleed na vele bochten en enorme kronkelingen zijn vaders tempel in, die daar aan het strand gelegen was. Pas toen de zee bedaard was en de god uit Epidaurus Apollo’s altaar en bescherming niet meer nodig had, trok hij zijn spoor weer door het zand, met luid gekraak van zijn schubben. Hij nam opnieuw plaats achter het roer. Zijn kop rustte hoog tegen de achtersteven tot men Castrum en het heilig Lavinium voorbij was en de Tibermond bereikte.

Nele Bille

3 LaMt

2001-2002

Aesculapius kiest het Tibereiland in Rome als woonplaats uit

Heel het volk kwam hem hier tegemoet: mannen, vrouwen en zelfs de Vestaalse Maagden, die het vuur uit Troje bewaken. De godheid werd begroet met kreten van blijdschap. Zolang het schip vooruit ging, geurde de lucht van de wierookoffers die het volk bracht aan weerszijden van de oever; er werden ook dieren geofferd. Toen Rome in zicht was, kwam de slang kijken om een geschikte plaats te vinden. Ze naderden het Tibereiland dat zo genoemd werd omdat de Tiber er rond vloeit. Daar ging de slang aan wal en nam opnieuw z’n gedaante van god aan. Als redder van de stad verloste hij de mensen van de pest.

Vergoddelijking van Julius Caesar en lof op Augustus 

Zo kreeg de buitenlandse god Aesculapius een plaats in Rome, waar Caesar later god zou worden. Caesar werd een god, niet zozeer zijn roem en al zijn zegenrijke veldtochten, als wel dankzij zijn onovertroffen zoon Augustus. Caesar heeft de Britten onderworpen, heeft zijn overwinningsvloot langs de Nijl gevoerd, heeft Jubas, oproerige Numidiërs en Pontus, dat trotse land van Mithridates, bij Rome gevoegd. Hij heeft meer triomf verdiend dan hij er gevierd heeft, maar is dit alles beter dan de vader van Augustus zijn? Want Augustus heeft heel wat verwezenlijkt door toedoen van de goden!

Venus zorgde ervoor dat Caesar tot een god verheven werd: zo kon zijn zoon meer dan een mensenkind zijn. Toen Venus zag dat Caesar zou vermoord worden, sprak zij elke god in haar nabijheid aan:

"Zeg, zie je wat daar allemaal wordt bekokstoofd? Met hoeveel valsheid men de man, die de enige overlevende is uit het Trojaanse huis, bedreigt? Waarom ben ik het steeds die zo bezorgd moet zijn? Eerst werd ik zelf getroffen door de lans van Diomedes; toen kon ik nog huilen omdat Troje slecht verdedigd werd en ik moest aanzien dat mijn zoon op jarenlange zwerftocht schipbreuk leed, moest oorlog voeren tegen Turnus - of beter gezegd tegen Juno - en tenslotte stierf… En dan spreek ik alleen van familieleed van lang geleden, terwijl mijn angst op dit moment te groot is om die oude pijn te voelen… Jullie zien toch hou men ginder al die valse plannen smeedt? Ik smeek jullie om hen tegen te houden en om die misdaad stop te zetten. Laat Vesta’s vuur niet uitgaan door een moord op Vesta’s priester!"

Venus sprak alle goden in de hemel aan, helaas zonder succes! Toch voelden ze met haar mee want hoewel geen enkele god de ijzeren besluiten van de zusters van het noodlot kan breken, zond men voortekens uit die de moord van Caesar voorspelden: kletterende wapens tussen donderwolken, dreigend klaroengeschal en fluitgeluiden in de lucht. Ook de zon scheen met een strak gelaat over de bezorgde landen. Soms leek het of er in de sterrenhemel fakkels brandden en wanneer het regende , vielen er vaak druppels bloed. Zelfs Lucifer keek somber, zijn uiterlijk was met zwarte vlekken bezaaid; ook de wagen van de maan was met bloed bespat. Op veel plaatsen hoorde je de droeve kreten van de uil, duizenden ivoren beelden huilden; dreigend klaaggezang en onheilswoorden klonken in gewijde tempelbossen. Zelfs de offerdieren brachten geen hoop want hun ingewanden kondigden eveneens groot onheil aan. Men zegt dat je ’s nachts op het forum, bij de tempels en op straat het gejank van honden hoorden en dat er schimmen van doden ronddwaalden. Heel Rome werd geteisterd door hevige trillingen.

Toch konden al die voortekens het noodlot niet stoppen en het complot niet verijdelen, integendeel, met getrokken zwaarden kwamen ze bijeen in de Curio - kennelijk de beste plek voor de moord! Maar toen uitte Venus met veel kabaal haar gevoel, ze sloeg zich op de borst en probeerde Caesar te omhullen met een wolk, zoals ook Paris lang geleden aan zijn Griekse vijand ontsnapte en Aeneas ooit ontkwam aan Diomedes’ zwaard. Maar Jupiter sprak tot Venus:

"Denk jij in je eentje het onverbiddelijke lot te kunnen buigen? Ga maar naar het huis van het drietal schikgodinnen; daar zie je het lot van alle mensen. Je zult er ook het lot van je familie zien, in onverwoestbaar staal gegrift; ik heb het zelf gelezen en onthouden, en ik zal ook jou de toekomst meedelen: Venus, de tijd van de man om wie jij zo bezorgd bent, is gekomen. Nu mag hij als een god ten hemel stijgen; hij zal tempels krijgen - jij moet daarvoor zorgen, Venus, via Augustus, zijn zoon, die na hem en in zijn naam als enige de last van de regering zal dragen en met ons de moord op Caesar krachtig zal wreken.

Mutina, de fel betwiste stad, zal hem om vrede smeken; Pharsalus zal voelen hoe sterk hij is; Philippi zal opnieuw doordrenkt worden van het bloed; Pompeius’ grootheid zal in de Siliciaanse zee ten onder gaan en Cleopatra, misleid door haar echtgenoot, zal ten val komen. Haar dreigementen dat Rome’s Capitool zal knielen voor Egypte, zijn loze taal. Alle bewoonde landen zullen in zijn macht zijn, zelfs de zee zal van hem zijn.

Als hij de wereld vrede heeft gebracht, zal hij ook aandacht besteden aan het recht en de wetten op een zeer menselijke manier hervormen. Het zal Augustus’ wens zijn voor het voortbestaan van zijn familie dat zijn zoon zowel zijn titels als zijn heerschappij zal overnemen, maar pas als hij de ouderdom van Nestor heeft bereikt, zal hij ten hemel stijgen naar de hem verwante sterren. Maar eerst moet je ervoor zorgen dat Caesars ziel bevrijd wordt uit het levenloze lichaam en een ster vormt die voor altijd boven het Capitool en het Forum zal stralen."

Nauwelijks had Venus dit gehoord of ze stond al in het senaatsgebouw en zorgde ervoor dat Caesars ziel uit zijn lichaam werd bevrijd. Maar ze liet de ziel niet in de vrije lucht gaan: zij nam de ziel op en droeg hem in de richting van de sterren. Toen ze die vuurgloed vloeden branden, liet zij haar last gaan. De ziel vloog hoog voorbij de maan, als een stralende komeet die langs een wijde baan een sluier van vuur met zich meetrekt en sindsdien al de goede daden van Augustus bekijkt en blij is dat zijn zoon hem overtreft.

Lof voor keizer Augustus

Hoewel Augustus streng verbiedt om zijn daden boven die van Caesar te stellen, is zijn faam gigantisch groot. De grote Atreus ging voor Agamemnon opzij, Saturnus voor Jupiter, en dat is pas een eervol voorbeeld hier, want Jupiter beheert de hemelburcht en het drievoudige heelal; Augustus heerst hier op aarde. Beiden zijn vader en bestuurder.

Slotgebed en slotwoord van de zelfbewuste dichter

Slotgebed

Ik richt me tot alle goden: tot de Penaten die Aeneas meebracht uit de brand, tot onze eigen goden, tot Romulus, onfeilbare vader van onze stad, tot Mars, vader van Romulus, tot Vesta, die aan Caesars haard geëerd is, tot Apollo, evenhoog geëerd als Vesta, tot Jupiter die het verheven Capitool bewoont en tot elke andere god die religieus geïnspireerde dichters vermeld hebben! Ik vraag hen een ding: ik wou dat Augustus pas na mijn eigen dood zou sterven, pas na mijn dood zijn wereldrijk zou moeten verlaten en zal opstijgen naar de hemel, en dat hij van daar zijn biddend volk zou beschermen!

Slotwoord van de dichter

Ik heb een werk voltooid dat nooit door vuur vernield kan worden, noch door strijd of door de tand des tijds. Nu mag het uur aanbreken dat alleen mijn lichaam wegneemt en mij mijn onvoorspelbaar einde brengt. Dan zal mijn ziel voor eeuwig tussen de sterren zweven en zal mijn naam onvergankelijk zijn. Tot in de verre landen, waar Romeinse macht zal heersen, zal men mijn werk lezen en ik zal door alle eeuwen heen - als dichterswoorden waarheid zijn - roemvol blijven leven.