LIBER QUARTUS DECIMUS

Sarah Pector

3 LaMt

2000-2001

De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilďe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij: "Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me… Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak: "Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw… Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde: "Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij." Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas’ schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip...

Het vervolg van Aeneas' reis

De Trojaanse schepen waren Scylla en Chayrbdis al roeiend voorbijgevaren. Toen de Italiaanse kust in zicht was, sloeg een storm hen uit de koers, naar Afrika. Aeneas en zijn mannen waren niet alleen welkom bij Dido, ze was ook erg op Aeneas gesteld. Zijn plotse vertrek greep haar zo aan dat ze geen andere uitweg zag dan zich op het zwaard te werpen op een voor de schijn ontstoken brandstapel: omdat ze zelf bedrogen was, bedroog ze iedereen door zich op het zwaard te werpen.

Na Dido’s dood vluchtte Aeneas weg uit het nieuwe Carthago. Voor de tweede maal kwam hij op Sicilďe op de Eryxberg en bij zijn trouwe vriend Acestes eerde hij zijn vaders graf met offergaven. Op bevel van Juno zorgde Iris ervoor dat Aeneas’ vloot bijna verbrand werd. Niet alleen Carthago liet hij achter, hij liet ook Aeolus, dat rookte van de hete zwavel, en de rotseilanden van de Sirenen achter. Aeneas’ vloot die het laatste deel van de reis zonder stuurman moest afleggen, kwam nu voorbij Inarime, Procyte en de Pithecusen.

De Pithecusen waren dorre heuvels die genoemd waren naar de apenstam die er leefde. Jupiter was woedend over de leugens die de Cercopen vertelden. Hij veranderde dat verradersvolk in een lelijke diersoort, een diersoort die geen mens meer was maar toch nog menselijke trekken had. Hij gaf hun een kleinere gestalte en veranderde hun neus vanaf hun voorhoofd in een apenneus. Hun gladde mensenhuid veranderde hij in oude-vrouwen rimpels. Een vacht met bruinachtige haren groeide nu op hun huid en de rotsen waren hun woonplaats geworden. Wel ontnam hij hun spraak, waarmee ze vroeger valse leugens verteld hadden; enkel een klaagstem, een schor gekrijs liet hij over.

Ylien Strubbe

3 LaWi

2001-2002

Aeneas bij de Sibille van Cumae

Napels en het graf van Misenus, Aeneas’ scheepstrompetter en zoon van Aeolus, lagen achter hen. Ze bereikten Cumae, een kustgebied met veel meren. Daar betrad Aeneas de grot van de bijna Sibille. Met aandrang vroeg hij haar te helpen om via het Avernusmeer de schim van zijn vaders te bezoeken. Traag sloeg zij haar ogen op; ze raakte ten slotte door Apollo bezield en zei:

"Je vraagt iets groots, zoals je daden groots zijn. Met wapens heb je ons je kracht getoond in je vuur, in je vroomheid. Welnu, Trojaan, wees niet bang. Je wens zal vervuld worden: je zult het Elysium en het rijk van de doden met mij als gids aanschouwen. Ook zul je de schim van je vader ontmoeten. Voor heldenmoed staan alle wegen open."

Met die woorden wees zij hem in het bos dat aan Proserpina gewijd was, de gouden tak aan. Die moest hij van de boomstam losrukken.

Aeneas bezoekt de onderwereld. De Sibille vertelt hem van Apollo’s liefde voor haar.

Toen Aeneas die opdracht voltooid had, bezocht hij het rijk van de gevreesde Pluto. Hij zag er zijn voorvaderen en zag er ook de schim van de oude held Anchises. Ook leerde hij de wetten van de onderwereld kennen en vernam van de nieuwe strijd die hem te wachten stond. Met vermoeide stappen ging hij de weg terug. De gesprekken met zijn gids, de Sibille, deden die zware, bange tocht door het schemerduister korter lijken.

Zo zei hij: "Of jij nu zelf een godheid bent of een gunstelinge van de goden, ik vereer jou voortaan als een godin omdat ik aan jou, dat besef ik goed, mijn leven dank. Door jouw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan jou wijden en jou levenslang met wierook eren."

De profetes keek naar hem om en sprak met een diepe zucht: "Neen, ik ben geen godheid en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je niet in je onschuld! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met geschenken kon winnen, zei hij: "Zeg wat je hebben wil Sibille, je zult je wens vervuld zien", waarop ik hem een hoop zand aanwees en hem evenveel jaren te leven vroeg als al die korrels daar. Ik was dwaas, want ik vergat bij al die jaren om ook de eeuwige jeugd te vragen…

Hij gaf ze mij, hij bood mij zelfs aan om eeuwig jong te zijn, als hij, Apollo, mij meer mocht beminnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. De glans van de jeugd neemt nu ook af, een zwakke ouderdom komt bevend nader en zal nog lange tijd mijn lot zijn. Zeven eeuwen lang besta ik nu, maar om het aantal korrels vol te maken moet ik nog driemaal honderd zomers en driemaal honderd herfsten beleven. Dan komt het uur dat ik van groot heel klein zal worden. Door mijn bestaan zal mijn oud, versleten lichaam tot een nietig hoopje krimpen. Niemand zal geloven dat ik ooit werd bemind, zelfs door een god! Apollo zelf zal mij misschien niet herkennen, of hij zal ontkennen dat hij eens van mij hield. Zo anders zal ik zijn, voor niemand zichtbaar, alleen nog kenbaar aan mijn stem, mijn stem mag ik behouden…"

Aldus vertelde de Sibille, bij hun tocht omhoog; nadien dook Aeneas, de Trojaan, weer uit de onderwereld bij Cumae op. Na een gunstig offerritueel bereikte hij de kust, die toen nog niet Caieta’s naam had.

Achaemenides vertelt zijn avonturen met de Cycloop 

Daar was ook Macareus beland, na een lange lijdensweg. Hij was reisgenoot van Odysseus. Opeens herkende hij Achaemenides, die eertijds in de bergstreek rond de Etna was vermist maar nu springlevend voor hem stond. Verheugd en verbaasd terzelfder tijd zei hij: "Door welk hemels lot word je beschermd, Achaemenides? Hoe komt een Griek aan boord van een Trojaans schip en naar welk land zijn jullie op weg?"

Op deze vraag antwoordde Achaemenides, na eerst zijn ruige met stekels vastgespelde dierenvacht te hebben ingeruild voor iets normalers: "Ik mag opnieuw de bek van de Cycloop, druipend van het mensenbloed, aanschouwen, als dit schip uit Troje mij nu niet even dierbaar is als Ithaca en het schip van Odysseus; ja, nog: Aeneas eer ik als een vader en nooit zal al mijn dank voldoende zijn, wat ik ook doe. Kan ik ooit zo ondankbaar zijn om dat te vergeten? Aeneas zorgde ervoor dat ik niet in die Cyclopenbek terechtkwam. Als ik nu zou sterven, dan krijg ik tenminste een graf. Ik zal in elk geval niet in zijn buik verteren.

Wat ik voelde, afgezien van doodsangst die mij van elk gevoel beroofde, toen ik jullie over zee zag weggaan en daar achterbleef? Ik wilde gaan schreeuwen, maar vreesde dat de bruut mij zou ontdekken. Jullie schip kwam door Odysseus’ stem toch al in groot gevaar: ik zag de Cycloop een groot stuk losgerukte berg de zee in slingeren… Ik zag hoe hij telkens opnieuw, met enorme kracht enorme blokken steen wierp. Ik was doodsbangs dat het schip door de golven of de luchtdruk zou zinken, en ik vergat dat ik me niet aan boord bevond…

Daarna, toen jullie aan een gewisse dood ontsnapt waren, zwierf hij luidt jammerend door de hele streek rond de Etna. In zijn blindheid greep hij tastend naar de bomen voor zich, struikelde over rotsen, vervloekte het Griekse volk en riep terwijl hij zijn bebloede armen zeewaarts strekte: ‘O, dat het lot mij ooit Odysseus weer in handen speelt, of iemand van zijn vrienden, om mijn woede te bekoelen! Ik zal zijn vlees verslinden en met eigen hand zijn lijf levend in stukken scheuren, met zijn bloed mijn keelgat smeren, hem spartelend vermalen met mijn kaken. Pas dan zal dit blindgemaakte oog me niet meer of nauwelijks meer deren.’

Zo brieste hij maar door. Ik begon te huiveren, toen ik hem voor mij zag: dat hoofd, nog steeds met bloed bespat, die vuisten van een moordenaar, die oogkas zonder licht, dat reuzenlijf en zijn baard die stijf stond van mensenbloed… Ik zag de dood voor ogen - wat het minste was van alle kwaad - en voelde mij al in zijn greep, mijn lichaam verslonden door het zijne…

In gedachten kwam een beeld van de dag voordien voor ogen. Toen had ik gezien hoe mijn makkers met twee tegelijk, driemaal en viermaal op de grond werden gekwakt; toen had ik gezien hoe hij als een behaarde leeuw over hen heen gebogen zaten hun vlees, ingewanden, botten met wit merg en al en nog halfwarme ledematen gulzig naar binnen schrokte. Een siddering voer door mij heen, ik stond daar wit van angst. Ik zag hem weer eten en hem bloederige voedselresten uitspuwen, ja zelfs braken - stukken brood gekneed met wijn - en stelde mij in mijn ellende datzelfde lot voor…

Ik verborg me dagenlang, ik trilde bij elk gerucht; elk ogenblik was ik bang voor de dood en terzelfder tijd verlangde ik om te sterven. Ik had honger van mijn maag gevuld met eikels, gras en loof. Reddeloos en radeloos alleen, met moord en wraak voor de ogen zag ik na lange tijd een schip dat een eindje van de kust verwijderd was. Ik zwaaide met mijn armen om hulp, rende het strand op en kreeg gedaan dat ik bij Trojanen aan boord kwam, ik, een Griek! Maar, vriend, vertel me nu van jullie lot en dat van Odysseus’ mannen met wie jij de zee opging."

Macareus vertelt de verdere avonturen van Odysseus

Macareus vertelde hoe Aeolus, Hippotes’ zoon en heerser over de Tyrrheense wateren, de winden goed in de hand hield, maar een opmerkelijk geschenk (een leren zak vol winden) had meegegeven aan Odysseus. Negen dagen lang werd hij voorspoedig voort geblazen: het begeerde land kwam in zicht. Maar toen Aurora voor de tiende maal verscheen, kregen de mannen last van jaloezie en roofzucht: menend dat er geld of goud in die zak zat, maakten ze de zak open…

Waarna het schip over diezelfde golven werd teruggedreven naar de baai van de windgod Aeolus. "Daarna", zo ging hij verder, "bereikten we de oude stad van de Laestrygoniërs, gesticht door Lamusen en geregeerd door Antiphates. Ik werd naar hem gestuurd met nog twee mannen. Een is op het nippertje ontkomen, net als ik, maar onze derde man heeft met zijn bloed de wrede mond van zo’n Laestrygoniër besmeurd! Antiphates zat ons op onze vlucht dicht op de hielen en zijn leger haalde ons in. Ze gooiden met bomen en stenen naar de vloot en bracht schip na schip tot zinken. Slechts een schip, dat van Odysseus en mijzelf, ontkwam…

We treurden nog over het verlies van zoveel makkers en klaagden voortdurend toen we daar landden", en hij wees naar het eiland… "Je ziet dat eiland in de verte… Geloof me maar - want ik zag het zelf - het is een eiland waar je nooit wil komen! Zelfs Aeneas, al is hij nog zo’n edele Trojaan en Venus’ zoon, geef ik de raad - want nu het vrede is, heet hij geen vijand: blijf weg van Circe’s kust!

Ook wij lagen daar voor anker, maar we dachten aan Antiphates en de Cycloop en wilden liever niet aan land gaan. Er werd geloot wie naar haar paleis zou gaan om te verkennen, en het lot zond mij, mijn vriend Polites, Eurylochus samen met nog achttien man - bij wie die dronkelap Elpenor - naar Circe’s woning. Toen we het huis bereikten en daar bij de poort stonden, maakten wel duizend beren, leeuwen, wolven en wolvinnen ons bang. Ze kwamen rennend op ons af. Maar geen ervan bedreigde ons of wou zijn tanden in ons zetten, integendeel, zij kwispelden vriendelijk met hun staarten. Ze bleven naast ons lopen tot wij door dienaressen werden opgewacht.

Deze begeleidden ons door een hoge marmeren hal naar een zaal waar hun meesteres plechtig op de troon zat. Een glanzend kleed hing van haar schouders, daaroverheen een gouden sluier. Nimfen en Nereďden zaten bij haar, maar niet om met bedreven vingers vol wol te spinnen. Nee: ze sorteerden grassen, bloemen en kruiden, bont van kleur en ordeloos vergaard, die zij verdeelden over mandjes en Circe zelf hield toezicht op het werk: zij was het, die de kracht van elk plantje en de beste combinaties verstond. Nauwlettend wees zij elk haar kruidenportie toe.

Toen zij ons zag, werden er eerst begroetingen gewisseld, haar blik leek zeer vriendelijk en haar woorden gaven goede hoop… Zij liet dadelijk een mengsel van gebrande gerstekorrels, krachtige wijn, kaas en honing roeren, voegde daar een toversap aan toe dat in die zoete drank niet kon geproefd worden. Ieder van ons kreeg uit haar godenhand een beker.

We waren uitgedroogd en dronken gretig, maar zij, de wrede nimf, tikte op ons hoofd met haar staf en tot mijn schaamte - maar ik zeg het toch - groeiden daar stekels uit. Ik kon niet meer spreken, rauw geknor in de plaats van taal kwam uit mijn mond. Ik hield mijn hoofd nu helemaal omlaag voelde mijn mond verharden tot een bolle snuit, mijn nek zwol op van de spieren en mijn handen, die net nog de beker vasthielden, bewoog ik nu als poten. Zo verging het ook met mijn makkers - dat was de kracht van het tovermiddel! Wij werden in een hok geduwd. Alleen Eurylochus, zo zagen we, kreeg niet die zwijnenvorm: hij had als enige de beker geweigerd. Was dat niet gebeurd, dan was ik nog steeds een stekelzwijn… Odysseus had dan nooit door hem ons lot gehoord en was ons nooit komen wreken.

Jeroen Fisher

3 LaWi

2001-2002

Mercurius, de god die de mensen rust brengt, had hem een wit plantje met zwarte wortels toevertrouwd. Door de god beschermd betrad hij Circe’s huis, waar hij verwelkomd werd met een toverdrank. Toen ze met haar staf zijn hoofd wou raken, duwde hij haar weg en trok zijn zwaard, wat haar hevig deed schrikken. Daarna verzoenden ze zich en zij nodigde hem zelfs uit in bed; in ruil daarvoor vroeg hij haar echter zijn vrienden terug!

Die vrienden werden bespat met een onbekend kruidensap, ze tikte hen op het hoofd met de onderkant van haar staf en nieuwe toverwoorden klonken tegen oude toverklanken… Hoe langer zij zong, hoe meer we ons van de grond oprichtten, ons borstelhaar viel uit, onze gespleten hoeven verdwenen, we kregen opnieuw schouders, onze korte poten werden weer lange armen, die we huilend om de schouders van de huilende Odysseus sloegen en onze eerste woorden waren er van dank en blijdschap.

Koning Picus en zijn vrouw Canens 

We bleven bijna een jaar bij Circe en in die tijd had ik veel vernomen door te zien en te luisteren. Het volgende werd me bijvoorbeeld in het geheim verteld door een van de vier dienaressen die altijd hielpen bij het toveren (terwijl Circe zich had afgezonderd met Odysseus): het meisje liet hem een uit sneeuwwit marmer vervaardigd beeld van een jongeman zien dat in een kapel stond. Het beeld had een specht op z’n hoofd en had opmerkelijk veel kransen.

Uit nieuwsgierigheid vroeg hij wie dat wel was, waarom hij daar in een kapel vereerd werd en waarom die vogel op z’n hoofd zat. Toen antwoordde ze: ‘Luister, Macareus, dan kom je te weten hoeveel kracht mijn meesteres heeft. Picus, Saturnus’ zoon, was koning van Ausonië; hij was ook een grote paardenkenner, die deze dieren trainde voor gevechten. Hij was even mooi als zijn beeld hier, je kunt zijn schoonheid zelfs proeven uit die nagebootste vormen, en zijn karakter was even mooi. Wat zijn leeftijd betreft: hij had nog geen vierde lustrum van de Spelen in Olympia beleefd. In het heuvelland van Latium trok hij de aandacht van de dryaden; najaden begeerden hem! Maar hij gaf om geen een van hen, hij eerde slechts een nimf: de dochter van Janus en Venilia die, zo wordt toch gezegd, op de Palatijn geboren is. Dit meisje, rijp en huwbaar, koos uit alle kandidaten voor Picus van Laurentium. Haar schoonheid viel op, maar haar zangtalent was nog opvallender; haar naam was niet voor niets Canens... Door haar gezang kwamen bossen en rotsen in beweging, bracht ze wilde dieren tot rust en stopte ze rivieren in hun loop en vogels in hun vlucht.

Maar op een dag, toen ze thuis met hoge stem haar zangkunst beoefende, was Picus in het Laurentijns gebied op jacht gegaan naar wilde zwijnen; hij mende zijn vurig paard, hield in z’n linkerhand twee speren vast en droeg een purperrode mantel met een gouden gesp. Juist op dat moment had Circe, de dochter van de Zon, de naar haar genoemde kaap verlaten en was in diezelfde bosstreek, dat rijkbegroeide heuvelland, op zoek gegaan naar verse kruiden.

Toen ze vanuit het dichte groen de man in ’t oog kreeg, voelde ze zich plots als het ware verlamd, haar kruidenbundels vielen op de grond; ze voelde zich vanbinnen branden en toen ze tot bezinning kwam na die eerste felle brand, wou ze hem haar liefde tonen, maar door zijn snelle paard en zijn jachtgezelschap werd hij steeds meer onbenaderbaar. Maar, dacht zij: «Zelfs al jaag je met de stormwind, mij ontkom je niet meer, als ik mezelf goed ken, als mijn kruiden maar hun kracht behouden en als mijn toverspreuken goed hun werk doen!».

Na deze woorden toverde zij een schijnbeeld van een everzwijn en laat dat vlak voor Picus’ ogen wegrennen naar een stuk dichtbegroeid bos, donker door al de bomen en voor paarden ondoordringbaar. Picus zette, niets vermoedend, de achtervolging op het schijnbeeld in, sprong ijlings van zijn paard dat hij daar schuimend achterliet, en volgde te voet, tussen het hoog kreupelhout, een ijdel spoor.

Ondertussen sprak Circe wensformules en gebeden, riep onbekende goden aan in een geheime zang, woorden waarmee zij ook de bleke maan kon laten vertrekken of haar vaders zonnenhoofd kon bedekken achter regenwolken. Ook nu trok de lucht dicht door haar gezang, er kwamen nevels uit de aarde, de jagers doolden rond in duisternis, de koning raakte afgezonderd van zijn lijfwacht…

En toen zij meester was van plaats en tijd, riep ze hem toe: «Jij die een schoonheid hebt die mij doet knielen - die een godin doet knielen! - en ogen die de mijne vasthouden, ik smeek je, gun mij mijn liefste wens: huw met de dochter van de allesziende Titaan, de Zon, en wijs mij, Circe, niet hardvochtig af!’ Zo sprak ze, maar hij wou noch haar noch haar gebeden horen en riep: «Wie je ook bent, ik ben de jouwe niet! Een ander bezit mijn hart en mag dat nog heel lang bezitten, hoop ik. Zolang ik nog met Janus’ dochter Canens leven mag, wil ik mijn huwelijkstrouw niet schenden met verboden liefde.»

«Dan zul je» riep Circe na herhaald en tevergeefs gesmeek, «je straf nog voelen: je keert niet terug bij Canens! Voel maar wat een vrouw kan doen als ze in haar liefde gekrenkt wordt!» Zij boog zich tweemaal naar het westen, tweemaal naar het oosten, sloeg Picus driemaal met haar staf en sprak drie spreuken uit. Hij rende snel weg, was zelf verbaasd dat hij veel sneller liep dan normaal, zag veren aan z’n lichaam groeien en uit protest dat hij een nieuwe vogelsoort in de Latijnse bossen moest zijn, pikte hij woedend met zijn harde snavel in ’t ruwe hout en deed de lange takken pijn. Zijn veren behielden de purperen glans van zijn mantel, de gouden gesp, die daardoorheen gestoken zat, was nu een pluim en rond zijn hals liep nog een blonde goudrand, maar verder restte er van de oude Picus slechts zijn naam.

Zijn makkers, die nog steeds in heel die bergstreek vergeefs naar Picus zochten, stoten daar wel op Circe, want die had de lucht opgeklaard en met de hulp van wind en zon de nevels laten wijken. Ze dwongen haar de waarheid te bekennen, eisten hun koning terug en dreigden met wapengeweld. Maar Circe wou kwaad: ze spatte met kruiden en giftig sap in het rond, riep de Nacht en nachtdemonen uit de onderwereld op en gilde met langgerekt gehuil om Hecate. Het bos - het is een wonderlijk verhaal - is van zijn plaats gesprongen, de bodem heeft gezucht, de bomen in de buurt verbleekten, de met gif besproeide planten waren nat van druppels bloed, het leek of er een rauw geluid van loeien uit stenen opsteeg, er blaften honden, zwarte adders kropen langs de grond en overal vlogen er lichaamloze schaduwen van doden.

De mannen staarden diep ontzet naar al die gruwelen. De tovenares gaf met haar staf een korte tik op al die starre angstgezichten, waardoor elk in een ander monster werd omgetoverd, niemand behield zijn eigen menselijk lichaam. De Zon had reeds in het Avondland Tartessus’ kust verlicht toen Canens vruchteloos met oog en hart nog steeds de komst van haar man verwachtte. Bedienden en gewone volksmensen doorzochten bos na bos met fakkels. De nimf had niet genoeg aan tranen storten, rouwmisbaar, zich aan de haren trekken - ook al deed zij al die dingen… Ze rende het huis uit, gek van verdriet, en zwierf door Latium. Zes nachten en zes dagen hebben haar rond zien dolen, zonder voedsel, zonder slaap, langs hellingen en door valleien, waar het lot haar ook langs voerde.

De Tiber was de laatste die haar zag, toen ze, doodmoe van zwerven en verdriet, zich neerlegde op zijn lange oever. Daar uitte ze bedroefd, onder een stroom van tranen en met zwakke stem, haar klagelijke woorden, zoals vanouds een zwaan vlak voor zijn dood zijn lijkzang zingt. Haar zacht merg werd in dit opperste verdriet zo vloeibaar, dat ze ging smelten en allengs in ijle lucht verdween. Toch leeft haar naam voort: die plek werd vroeger door de Muzen in het Camenae-bos ‘Canens’ genoemd, naar deze nimf.’

Zo hoorde ik, tijdens mijn lang verblijf daar, veel dergelijke dingen, en ik heb er zelfs met eigen ogen aanschouwd! Verzwakt en niet meer gewend om te werken moesten we de zee weer op, weer de zeilen hijsen. Door Circe waren we gewaarschuwd voor een lange en riskante reis, voor woeste zee en vele gevaren, en uit angst - dat beken ik eerlijk - ben ik op deze kust van boord gegaan." Na dit verhaal zweeg Macareus.

Van Aeneas' aankomst in Latium tot zijn dood

Aeneas’ voedster krijgt een graf op de kust van Italië

De urn van Aeneas’ voedster werd bijgezet met op een marmerplaat dit kort gedicht: "Hier ligt Caieta. Door een vrome held, haar pleegzoon, werd ze gered uit Griekse vlammenzeeën en met dodenvuur geëerd."

De Trojanen bereiken Latium

De trossen werden nu losgegooid en de kruidenrijke oever verlaten. Circe’s wereldbefaamde listen en paleis waren ver achter hen toen ze de bossen bereiken waar de Tiber met zijn lichte zandsoort door dichte nevels naar de zee stroomt; ze kregen onderdak van Faunus’ zoon Latinus. Met zijn dochter huwde Aeneas, maar dat kon alleen na oorlog tegen het woeste volk van Turnus, die de hem beloofde bruid in woede opeiste; heel Etrurië en Latium vochten een lange en moeizame strijd voor een zwaar bevochten overwinning. De beide partijen werden sterker door bondgenoten in te roepen, veel troepen hielpen de Rutuliërs, veel de Trojanen; Aeneas had succes, toen hij Euanders stad bezocht; Venulus had echter geen geluk bij de verbannen Diomedes.

Yoshi Vermeersch

3 LaWi

2001-2002

Diomedes weigert hulp aan de Rutuliërs

Diomedes had in Apulië voor Daunus een stad gebouwd die vergelijkbaar was met een grote burcht. Zelf woonde hij op een stuk land, dat hem geschonken was. Turnus wou een oorlog beginnen tegen Daunus en daarom stuurde hij Venulus om hulp naar onze Griekse held. Die weigerde echter deze opdracht omdat hij zich niet wou meten met Daunus’ mannen en omdat hij het niet zag zitten een eigen leger te bewapenen. Maar hij weigerde ook vanwege zijn armoede.

"Denk niet dat ik iets verzin. Hoewel spreken over mijn lot me weer pijn doet, zal ik het je toch vertellen. Toen de hoge burcht van Troje in de as lag, toen de Griekse plunderaars hun slag thuisgehaald hadden en Ajax door het roven van Cassandra - de priesteres van Apollo - ons allen de wraak van Minerva op de hals gehaald had, dreef de Griekse vloot uiteen. Door de tegenwind kwamen we in woelig water... We moesten noodweer, onweer, hevige winden, bonkende golven en - ergst van al - een schipbreuk bij Caphareus trotseren… Met dit triest verhaal wil ik je niet vermoeien, maar wat toen gebeurde, zou zelfs Priamus tot tranen toe hebben bewogen! Gekoesterd door Minerva werd ik uit zee gered. Toch werd ik daarna verbannen uit mijn stad Argos. Dit kwam omdat Venus haar wrok om oude grieven niet kon vergeten.

Tijdens de Trojaanse oorlog was ze zelf op het slagveld verschenen en ik heb haar verwond… Ik moest opnieuw zoveel kwellingen doorstaan dat ik mijn gezellen die bij die grote storm rond kaap Caphareus waren omgekomen, gelukkig prees en een van hen had willen zijn! Mijn makkers, die uitgeput waren na talloze gevaren op zee en gevechten op het land, verlangden niet langer dat zwerven, ze wilden rust. Acmon, een van hen, toch al heetgebakerd maar nu door die rampen verbitterd, zei: ‘Wat, mannen, kan nog zwaarder zijn dan dit? Wat kan Venus nog doen, als ze nog erger wil? Zolang een man iets ergers vreest, is hij nog kwetsbaar. Maar wanneer hij het slechtste heeft meegemaakt, staat hij boven angst omdat hij gehard is voor iedere kwelling. Laat Venus mij maar horen, laat haar haat, want haten doet ze, ons allen treffen, niemand van ons wordt erdoor geraakt en dat is ons sterkste wapen!’

Met deze woorden prikkelde Acmon de toch al boze Venus en maakte haar kwader dan ooit tevoren. Maar ook wij, zijn vrienden, keurden zijn woorden af. Toen hij zich wou verdedigen, werden zijn stem en zijn keelgat steeds dunner, zijn haar werd dons, zijn nieuw gevormde nek, zijn borst en zijn rug waren bedekt met veren, ook aan zijn armen groeiden er lange pluimen die tot vleugels bogen bij zijn elleboog. Een groot deel van zijn voet bestond nu uit vogeltenen en zijn mond liep uit in een punt en vormde nu een stijve, harde snavel. Verbaasd keken Lycus, Idas, Abas, Nycteus en Rhexenor toe, maar terwijl ze keken werden zij ook zo’n vogel en voor ik het besefte, vloog het grootste deel van mijn bemanning weg en scheerden ze met luid klappende vleugels rakelings langs de riemen. Als je me nu vraagt welke vogel het was, dan antwoord ik dat het geen zwanen waren, maar ze waren ook wit en ze leken er sterk op. Dit is het einde van mijn verhaal. Ik leid op dit moment een wat krap bestaan met enkele makkers op dorre Apulische grond die Daunus me bij mijn huwelijk aanbood."

Venulus had begrepen dat Diomedes niet wilde meewerken aan Turnus’ plan, dus zei hij diens rijk vaarwel en reisde door naar Percutia en kwam in het gebied van de Messapiërs.

Het verhaal van de Apulische herder

Onderweg zag Venulus een grot, beschaduwd door een dicht bos en heen en weer zwiepend riet. Deze grot werd nu bewoond door Pan, de god met bokkenpoten, maar vroeger werd ze bewoond door nimfen die uit Apulië waren gevlucht voor een herder. Hij had hen eerst zeer bang gemaakt, maar toen ze van de eerste schrik bekomen waren, merkten ze dat hij eigenlijk vredelievend was. Toch bleef hij hen volgen als ze lichtvoetig ronddansten, waarop hij hen belachelijk maakte door met plompe sprongen mee te dansen en obscene woorden naar hun hoofd te slingeren. Hij hield pas zijn mond toen zijn keelgat door een oleaster werd omsloten, de oleaster die ons met zijn bitter sap zijn ware aard laat zien: de bitter smakende vruchten herinneren nog steeds aanzijn woorden…

De schepen van Aeneas veranderen in waternimfen

De Rutuliërs zetten ook zonder bondgenootschap met Diomedes de strijd voort. Aan de beide kanten stroomde veel bloed. Turnus wierp zijn brandende fakkels al naar de schepen van Diomedes; die werden nu door brand bedreigd vanwege de pek en de was… Het vuur klom in de mast tot boven de zeilen en het dek boven de gewelfde kiel braakte rook uit. Maar toen bedacht Cybele, de Godenmoeder dat dit hout geveld was op haar Idaberg en ze deed het luchtruim schallen van cimbalen en buxusfluiten terwijl ze op haar leeuwenwagen langs de hemel reed; ze riep Turnus toe: "Je hand is goddeloos, je vuur vergeefs! Want ik bescherm wat uit mijn bossen komt! Nooit zal ik toestaan dat mijn hout door vretend vuur vergaat!"

Terwijl de godin dit zei, klonk een donderslag, gevolgd door zware regenval met kletterende hagelbuien; Astraeus’ zoons - de winden - mengden lucht en zee, die opeens hoog opgezweept werd. Cybele gebruikte de kracht van een van de winden om de ankertouwen van Aeneas’ vloot te breken; ze joeg de schepen voort, deed ze op volle zee vergaan, maar hun doorweekt hout veranderde in een levend lichaam: de ronde achterstevens kregen de vorm van een hoofd, de riemen werden handen, de voeten maken zwemgebaren; wat scheepsflank was, bleef flank. De balk die onder water de romp in het midden steunde, veranderde nu in een ruggengraat; de masten werden armen, touwen werden zacht, soepel haar. Maar de kleur bleef onveranderd zee-blauw - als blauwe waternimfen vermaken de vroegere oorlogsschepen zich meisjesachtig in diezelfde zee die eerst hun grote schrik was…

Uit hard hout van de Idaberg waren ze geboren, maar in het strelende water voelden ze zich thuis, ze werden niet gehinderd door hun oorsprong. Maar door hun ervaring met de gevaren op zee bieden ze schepen in nood nog vaak hulp omdat ze weten wat het betekent om verscheurd te worden door een allesvernietigende storm. Aan alle schepen bieden ze hulp, behalve aan Griekse! Na de val van Troje vervullen de Grieken de Trojanen met haat. Gelukkig als nooit tevoren hebben ze naar Odysseus’ schipbreuk gekeken en al even gelukkig het vaartuig van Alcinoüs met hout en al tot rotssteen zien verharden. Het was een schip van de Phaeaken dat Odysseus uiteindelijk naar Ithaca bracht en op de terugreis in een rots werd veranderd...

Turnus, Aeneas’ vijand, wordt verslagen

Toen Aeneas’ vloot in waternimfen was veranderd, bestond de hoop dat Turnus door zo’n angstaanjagend teken de strijd zou staken; maar hij wist niet van ophouden. Omdat elk leger vocht met godenhulp en godgelijke moed, deed hij hetzelfde. Het ging niet eens meer om macht in Latium of om Latinus’ dochter Lavinia: men wou alleen nog winnen, men voerde oorlog omdat men zich schaamde voor vrede… Maar uiteindelijk kwam Aeneas toch als overwinnaar uit de strijd.

Zodra Turnus gevallen was, viel ook de stad Ardea die alleen haar macht aan Turnus dankte. Toen ze totaal verwoest was door vijandelijk vuur en veranderd was in een lauwe ashoop, vloog er midden uit het puin een nooit geziene vogel op. Hij schudde klapwiekend wolken as af. Zijn krijgsgeluid, zijn bleek en tenger lijf en al de rest wat bij een vesting past die pas na lang beleg gevallen is, leeft in hem voort: het is de reiger, genoemd naar zijn stad Ardea - wat immers "reiger" betekent; hij rouwt door het geluid van zijn vleugels.

Venus maakt Aeneas onsterfelijk; Aeneas' opvolgers in Latium 

Venus maakt haar zoon Aeneas onsterfelijk

Aeneas’ dapperheid had alle goden en zelfs Juno ertoe gebracht om hun oude wraaklust te beëindigen. De macht voor zijn zoontje Julus was gevestigd. Voor Aeneas brak nu het moment aan van zijn hemelvaart. Hiervoor was Venus langs de goden gegaan; ze had haar vader omhelsd en had hem gezegd: "Vaderlief, nog nooit heb je mij te streng behandeld. Wees nu minder streng dan ooit, ik smeek je, en gun Aeneas, die mijn eigen bloed is en daardoor je kleinzoon, Jupiter, een plaatje, hoe bescheiden ook, onder de goden: gun hem iets! Hij verdient het sinds hij het kille rijk van de onderwereld bezocht en sinds hij de Styx bevoer…"

De goden stemden in en zelfs Juno, de hemelse vorstin, was niet koppig maar knikte vriendelijk, waarop Jupiter sprak: "Mijn kind, de godenstatus die je voor Aeneas vraagt, past hem even goed als jou. Het hangt van jou af." Blij om zijn toestemming bedankte ze haar vader. Vervolgens reed ze op haar duivenspan door het luchtruim totdat ze de kuststrook bij Laurentum naderde waar Numicius zijn trage waterstroom tussen het riet naar zee laat glijden.

De stroomgod Numicius kreeg de opdracht van Venus om alles wat Aeneas aan sterfelijkheid bezat, weg te spoelen en met zijn stille stroming naar mee te nemen naar zee. De gehoorzame god deed zijn werk zoals Venus gevraagd had: zijn water spoelde weg wat Aeneas aan sterfelijkheid bezat maar het beste deel van Aeneas bleef leven. Het reine lichaam werd door Venus met hemels reukwerk gezalfd; zijn lippen werden met ambrozijn, vermengd met zoete nectar, gestreeld: ze maakte van hem een god. Het volk bood hem offers en een tempel aan en noemde hem Indiges.

De opvolgers van Aeneas in Latium

Na zijn vergoddelijking werden Latium en Alba geregeerd door Aeneas’ zoon Ascanius; zijn tweede naam was Julus. Vervolgens regeerde Silvius daar. Diens zoon ontving, samen met de voorvaderlijke scepter van Latium, opnieuw de naam Latinus. De vermaarde Alba volgde Latinus op, na hem kwam Aegyptus. Vervolgens werd het Capys, die de voorganger was van Capetus. Na hen kreeg Tiberinus de macht in handen. Hij verdronk in de Etruskische rivier die naar hem heet. Zijn zonen waren Remulus en Acrota, een felle vechter. Remulus, de oudste, wilde zich meten met de bliksem maar werd door een schicht gedood. Later gaf Acrota met veel minder trots de scepter door aan Aventinus, een krachtig man; hij ligt begraven op de heuvel die zijn naam draagt en vanwaar hij altijd heerste. Na Aventinus kwam de macht in handen van koning Proca.

Vertumnus vertelt aan Pomona het verhaal van Iphis en Anaxarete 

Sharon Wackenier

3 LaMt

2001-2002

Vertumnus en Pomona

Tijdens het bewind van Proca woonde in Latium de boomnimf Pomona. Van alle nimfen ging er niemand bedrevener om met planten dan zij en ook niemand had meer zorg voor de groei en de bloei van de bomen; vandaar haar naam. Zij geeft niet om rivieren of om bos, maar wel om tuin, boomgaard en takken, zwaar beladen met vruchten. Ze droeg ook geen zware jachtspies bij zich, maar wel een halfrond kapmes waarmee ze het onkruid snoeide, wild groeiende takken inkortte of waarmee ze boomschors open kerfde om er een ent in te plaatsen die het vreemde boomsap zou opzuigen.

Ze zorgde ervoor dat er geen droogte ontstond doordat ze de vezels van de droge plantenwortels nat sproeide met stromend water. Dit was haar lust en leven! Venus’ liefde zegde haar niets, integendeel: ze was bang voor opdringerige velddemonen, sloot haar moestuin af en probeerde ieder mannelijk contact te ontlopen. Saters en Faunen hadden al vele vergeefse pogingen ondernomen om haar voor zich te winnen. Ook Silenus die voor altijd jong zou blijven, en Priapus die dieven schrik aanjaagt door hun zijn mes of stijf lid te tonen, wilden haar bezitten.

Maar degene die het meest verliefd was, was wel Vertumnus; toch had hij niet meer succes. Hoe vaak had hij zich niet vermomd als een stoere landman, een korf met halmen torsend, als een echte boer die had geoogst! Hoe vaak had hij geen verse plukken hooi tussen zijn haren gestopt zodat het leek alsof hij het gemaaide gras had gekeerd. Ook had hij vaak een harde zweep ter hand, zodat je zou zweren dat hij juist zijn afgematte stierenspan had losgekoppeld. Met een snoeimes was hij groentekweker of wijnboer; met een ladder was hij juist op weg om appels te plukken. Soms had hij een zwaard en dan was hij een ridder; als hij visgerei bij zich had, was hij een visser. Kortom, in velerlei gestalten vond hij steeds opnieuw een manier om haar te zien en van haar schoonheid te genieten.

Hij vermomde zich zelfs eens in een oude vrouw met om zijn hoofd een bontgekleurde doek, krom steunend op een stok en met een pruik van grijze krullen. Zo liep hij Pomona’s fraai verzorgde tuin in, prees haar appels en riep: "Jij bent de mooiste appel!" en kuste haar na al die complimenten - zoals een echte oude vrouw nooit zou kussen! Toen ging hij in het gras zitten en keek gebogen naar boven, naar de brede takken die zwaar waren van de vruchten. Zijn oog viel op een olm, waar wijnranken steun zochten. Hij prees de olm en de wijnstok om hun harmonie en sprak:

"Kijk, als die boomstam niet gehuwd was met de wijnstok, zou hij alleen nog aandacht trekken door zijn groen loof, en kijk, die wijnstok die nu op hem steunt en aan hem vastzit, zou zonder die boom geknakt op de grond liggen. En toch wil jij niet leren van het voorbeeld van die boom! Je wilt je aan niemand binden, je ontvlucht de liefde! Ach, wilde je maar wel! Je zou meer minnaars moeten afslaan dan Helena ooit had, meer dan die bruid die de Lapithen tot vechten bracht, meer dan die huisvrouw Odysseus! Want zelfs nu, terwijl je iedereen afwijst, zijn er duizenden verliefd op jou, goden en stervelingen, halfgoden, elke faun uit dit Albaanse heuvelland!

Toe, wees verstandig! Kies een goede man, en als je luistert naar wat een oude vrouw je aanraadt - ik die meer dan je denkt, meer dan ieder ander om je geef: kies voor een bruidegom die niet als iedereen is, neem Vertumnus. Op mijn erewoord: ik ken hem beter dan de man zichzelf kent. Hij zwerft niet op goed geluk de wereld door, maar koestert deze rijke grond. Hij wordt niet, zoals de meeste mannen, telkens weer verliefd zodra hij vrouwen ziet. Jij zult zijn eerste en laatste liefde zijn, aan jou alleen wijdt hij zijn leven.

Bedenk daarbij dat hij nog jong is en een knappe man, maar hij kan zich ook snel in andere gedaanten veranderen, in alles wat je hem maar vraagt. En het hart van jullie beiden verlangt naar hetzelfde: dat hij de vruchten die jij hier kweekt, altijd als eerste met blijde hand ontvangt, dat is toch belangrijk?

Maar nu verlangt hij niet zozeer naar de vruchten die jij voor hem plukt, niet naar sappenrijke planten uit jouw tuin, nee, nu verlangt hij alleen naar jou! Begrijp zijn hartstocht, doe alsof hij hier mijn mond gebruikt om jou te vragen hem te geven wat hij wil… Hoed je voor de wraak der goden: Venus is afkerig van kille harten en Nemesis vergeet haar wraak nooit! En om je extra bang te maken – want mijn hoge leeftijd heeft mij heel wat geleerd! - zal ik je iets vertellen wat heel Cyprus weet en wat ook jou wat minder wreed zal stemmen!

Iphis, een zoon van arme ouders, had Anaxarete, de dochter van het adellijke geslacht Teucer, gezien. Dat had hem een liefdegloed door heel zijn lichaam gejaagd… Hij dacht lang na; niet in staat om zijn hartstocht te bedwingen ging hij nederig tot aan haar poort. Hij praatte er met de opvoedster, smeekte om niet hard voor hem zijn omdat het om de toekomst van het meisje ging. Hij vroeg ook vleiend maar toch met aandrang aan haar dienaressen om hem een paar gunsten te verlenen, en liet hen dan voortdurend liefdesbrieven aan haar brengen…

Soms hing hij bloemenkransen, vochtig van zijn tranen, hoog aan haar deurpost, zakte daarna zachtjes opzij tegen de stenen drempel, scheldend op die onbarmhartige deur. Maar wreder nog dan het golfgeweld wanneer de Wagenmenner gaat dalen, harder nog dan ijzer dat in vuur gestaald is, dan natuursteen dat diep in de bodem vastzit, lachte zij hem uit! Ze wees hem minachtend af en vergrootte haar hardheid nog met boze, trotse taal waarmee ze haar minnaar elke hoop ontnam. Iphis, niet opgewassen tegen het voortdurend folterend verdriet, nam voor haar deur met deze woorden afscheid:

‘Je wint, Anaxarete, nu hoef je nooit meer haat voor mij te voelen! Vier maar vrolijk feest, zing voor Apollo je zegelied en krans je hoofd met stralende laurier! Jij wint, ik kies de dood. Je stalen hart kan nu blij zijn en ongetwijfeld zal mijn liefde jou nog dwingen tot een beetje dankbaarheid: je zult mijn dood een weldaad noemen! Je moet wel weten dat ik door zelf te sterven ook mijn hart voor jou prijsgeef, en dat ik dus een dubbel levenslicht moet missen! Maar niemand zal jou van mijn dood moeten vertellen, neen, ikzelf zal jou geen twijfel laten. Ik zal hier zelf nog te zien zijn, zodat jouw wrede blik zich aan mijn dode lichaam kan laven… Goden! Het enige wat ik nog vraag is dat men nog eeuwenlang van mij zal blijven spreken en tel de jaren die jullie van mijn leven afnemen bij mijn nagedachtenis.’

Na die woorden keek hij met betraande ogen naar de voordeur waar hij zo vaak bloemenkransen had gehangen. Hij bond er met bange armen een tot een lus geknoopt touw hoog aan de muur en riep: ‘Wrede, gemene vrouw, zal deze krans jou wel bevallen?’. Toen stak hij zijn hoofd erdoor, nog altijd kijkend in haar richting, en liet zich hangen met verstikte keel – een droeve last voor het touw. Zijn voeten bungelden en bonkten op de deur alsof er stil gekreun klonk…Toen ze opendeden, zagen ze wat hij had gedaan…

Geschreeuw bij het personeel dat hem nog wilde redden, maar het was te laat… Ze brachten hem naar zijn moeders huis. Zij, een weduwe, klemde het levenloze lichaam van haar zoon tegen haar borst. Na de stille woorden van haar rouwend moederhart, na al de handelingen die zo vaak voorkomen bij droeve moeders, leidde ze ook de droevige rouwstoet door de stad, met op de baar zijn grauw lichaam dat verbrand moest worden.

De weg waarlangs de treurige processie voortging, liep dicht langs het huis van de genadeloze Anaxarete. Die wachtte nu de wraak des hemels af… Zij hoorde de kreten van de rouwstoet en dacht, toch wel bedroefd: ‘Ik wil die stoet eens zien’, en liep naar een open venster van de hoge zaal. Nauwelijks had zij Iphis’ lichaam op de lijkbaar zien liggen of haar blik versteende, het warme bloed trok uit haar lichaam weg en bleekheid overviel haar.

Toen ze terug wou stappen, stond ze als vastgenageld, toen zij probeerde haar gelaat af te wenden, kon ze dat niet. Steeds verder werd haar lichaam, dat al een hart van steen had, nu helemaal van steen! En denk niet dat ik dit verzin: want Salamis bezit een tempel met een beeld van de beminde vrouw; men spreekt van ‘de Venus die naar buiten kijkt’…

Dus lieve nimf Pomona, onthoud dit: wees niet koppig, ik smeek je, kies de man die jou bemint, dan zal geen nachtvorst ooit je vruchtenknoppen bederven en geen snelle wind je bloemen teisteren !"

Nadat de god haar dit verteld had , zoals oude vrouwen dat doen - maar wel vergeefs - nam hij zijn jonge vorm weer aan. Hij ontdeed zich van zijn vrouwentooi en stond daar voor Pomona even stralend als wanneer het zonlicht door een wolkendek breekt en in volle glorie schijnt. Vertumnus (die haar eerst wou dwingen) moest zover niet gaan omdat hij de nimf voor zich had gewonnen.

Van de stichting van Rome tot de apotheosis van Romulus en Hersilia 

Stichting van de stad Rome in Latium

Na Proca heerste Amulius met brute legerkracht in het Ausonische rijk. Toen kreeg de oude Numitor de macht terug dankzij zijn kleinzoon. Op het feest van Pales werd Rome’s stad gesticht. Daarop volgde een oorlog met de Sabijnen en Tatius. Tarpeia, die de weg naar het Capitool verraden had, vond een verdiende dood onder de schilden van de Sabijnen.

Er ontstaat een nieuwe zwavelbron bij de poorten van Rome

Opnieuw slopen er zonen van Sabijnen, als stille wolven, onhoorbaar naar de stadspoort die door Romulus met grendels goed was afgesloten om daar de slapende stad te overvallen. Toch was er een poort weer ontgrendeld, zonder scharnier- of deurgeknars, en dit had Juno geklaard. De enige die iets gemerkt had van de open poort was Venus, en zij zou ze graag gesloten hebben, maar een god mag nooit iets veranderen aan wat andere goden hebben verricht…

Dus riep zij de hulp in van nimfen, de Ausonische Najaden, die een koele bron dicht bij de Januspoort bewonen. Ze gingen in op het verzoek van de godin: ze deden fonteinen uit al hun waterbronnen stromen maar de toegang van Janus’ poort bleef nog altijd open. Daarom vulden zij hun rijke bron met vuilgeel zwavel en maakten met rokend pek de holle aderen warm. Door dit soort krachten lieten ze hete dampen werken diep onder de grond, zodat hun bron , die eerst zo koud was als een Alpenbeek, nu zelfs niet voor de hitte van vuur moest onderdoen. De houten deuren rookten door de hete dampen. Juno had dan toch voor niets de poort geopend voor die stugge Sabijnen, want de nieuwe bron beschermt de stad van Mars zolang men niet paraat is. Toen Romulus als eerste een uitval had gedaan, toen Rome’s bodem bezaaid lag met lijken van Sabijnen en Romeinen en toen het bloed van vaders en echtgenoten door het boze zwaard vermengd was, wilde men de strijd toch staken. Liever vrede dan alleen maar vechten, en aan Tatius werd koninklijke macht verleend.

Minne Langedock

3 LaWi

2001-2002

De hemelvaart van Romulus, Rome’s eerste koning

Na Tatius’ regering kwam Romulus aan de macht en die bestuurde beide volken volgens dezelfde wetten. Toen sprak Mars tot de oppergod van aarde en hemel: "Vader! Het uur heeft geslagen, Rome heeft zich gegrondvest en laat zich door een leider besturen. Vervul nu uw beloften waar uw kleinzoon recht op heeft door hem op te nemen in de hemel. U hebt me tijdens een zitting van de godenraad, ik herinner het me nog alsof het gisteren was, beloofd een van je zonen te begeleiden naar de godenwoning. Laat die uitspraak nu in vervulling gaan." De opperheerser knikte.

Toen werd de lucht bedekt door een duister wolkendek en de aarde werd opgeschrikt door donder en bliksem. Mars begreep dat dit het teken was tot de beloofde hemelvaart. Hij besteeg zijn wagen en zonder vrees zweepte hij de paarden op. Hij gleed steil omlaag de lucht door en landde boven op de met bomen begroeide Palatijn. Daar velde Romulus als rechter vonnissen voor het volk. Plots werd Romulus, tijdens een vonnis, opgetild en zijn lichaam verdween als een afgeschoten kogel in de ijle lucht. Toen verscheen een stralend hoofd, de beeltenis van Quirinus, in koningskleed.

Romulus’ vrouw, Hersilia, wordt in de hemel opgenomen

Hersilia, Romulus’ echtgenote, beweende haar man... Toen gaf Juno Iris de opdracht van haar regenboog af te dalen om de weduwe de volgende boodschap te brengen: "Vrouw, vergiet geen tranen meer, jij die zo’n edel sieraad bent van Latium en het Sabijnse volk. Jij, die met eer Romulus’ eerste echtgenote was, bent nu die van Quirinus. Als je je echtgenoot wilt weerzien, leid ik je tot aan het bos dat met zijn loof het heiligdom van Rome’s vorst beschaduwt op Quirinus’ heuvel."

Hersilia durfde uit ontzag nauwelijks haar blik opslaan maar zei: " Godin, ik weet geen naam om je aan te spreken, maar ik weet zeker dat je een godin bent, leid me. Leid me naar de plek waar ik mijn man kan zien. O, als ik dit nog eenmaal beleven mag, voel ik me als het ware in de hemel. Toen beklom Hersilia, geleid door Iris, Romulus’ heuvel. Daar daalde plots vanuit de lucht een ster op de aarde neer. De ster gaf Hersilia een lichtkrans van stralend haar en tilde haar hoog in de hemel. Hersilia werd er ontvangen in de armen van haar Romulus. Hij veranderde haar naam en noemde haar Hora en ze is nu de godin naast Quirinus.