LIBER TERTIUS DECIMUS

Rea Malfait

3 LaWi

2000-2001
 

De redevoering van Ajax

De leiders namen plaats en toen het leger rond hen stond, trad Ajax, buiten zichzelf van woede, naar voor. Bars en boos liet hij zijn blikken over de kustlijn gaan, langs de schepen op het strand, en riep met de armen wijd open:

"Bij Jupiter! Ik mag mijn eer hier, voor de vloot, verdedigen en tegen wie? Odysseus! De man die zonder aarzeling voor Hectors fakkels week, terwijl ik bleef vechten; ik heb de schepen van het vuur gered! Hij vindt het nu dus veiliger met leugens te strijden dan echt te vechten. Maar goed, spreken ligt mij evenmin als vechten hem ligt; en wat ik waard ben op het slagveld, is hij alleen met woorden waard.

Toch denk ik, Grieken, dat ik jullie niet over mijn overwinningen hoef te vertellen, want jullie hebben ze gezien. Laat Odysseus liever spreken over de zijne, al dat werk waar niemand anders dan Moeder Natuur van weet… Ik streef naar hoge eer, maar hij bederft de wedstrijd, want een Ajax kan nooit pronken met iets waar ook Odysseus aanspraak op maakte, hoe prachtig het ook is. Odysseus ziet zijn pogingen om de wapens te krijgen al met succes bekroond, want als hij verliest, zal hij bekend staan als de aartsvijand van Ajax, een grote eer voor hem!

Maar zelfs als men niet in mijn kracht gelooft, dan ben ik nog altijd sterker door mijn afkomst. Want ik ben de zoon van Telamon; mijn vader nam onder Hercules’ gezag de burcht van Troje in en voer met het Argosschip van Pagasae naar Colchis; ik ben de kleinzoon van Aeacus die recht spreekt in het rijk van de stille dood, waar Sisyphus zijn zwaar rotsblok rolt. Aeacus wordt door de hoge Jupiter erkend als zijn zoon en ik, Ajax, ben dus de achterkleinzoon van de oppergod! Toch mag die stamboom mij niet helpen, behalve dan dat ik daardoor verwant ben aan de held Achilles: hij was mijn neef, als neef eis ik dan ook zijn wapens op. Maar jij, Odysseus, nakomeling van diezelfde Sisyphus van wie je leugens en bedrog hebt geërfd, wat ben jij in Aeacus’ familie?

Komt mij, die zelfstandig en lang voor hem ten strijde trok, die wapenuitrusting dan niet toe? Verkiest men hem, omdat hij zo traag de wapens opnam en aan de strijd wou ontsnappen door zich als waanzinnige voor te doen, tot zijn laffe leugenpraat ontmaskerd werd door Palamedes? Want die was nog slimmer dan hij en sleurde hem mee naar het slagveld. Krijgt hij nu de beste wapens omdat hij niets van wapens wilde weten? Blijf ik onbeloond en van familiegiften verstoken, ik die altijd als eerste naar het heetst van de strijd ging?

Och, was zijn waanzin echt geweest! Had men hem maar geloofd! Dan zou die man, die nu alleen maar rampen veroorzaakt, nooit met ons naar Troje zijn gekomen... Dan zou Philoctetes ook nooit, door onze schuld, op Lemnos’ strand zijn afgezet... Daar ontroert hij, volgens de laatste berichten, in bossen en spelonken weggedoken, rotsen met zijn geklaag en smeekt hij de goden wraak te nemen op Odysseus, verdiende wraak. Als er echt goden bestaan, laat dan zijn smeekbeden verhoord worden!

Philoctetes zwoer, helaas voor hem, dezelfde eed als wij, hij was een van onze leiders en hij mag de boog en pijlen van Hercules bezitten. Geknakt door pijn en honger dekt hij zich nu met veren en leeft hij van vogels die hij neerschiet met pijlen die voor Troje’s ondergang bestemd waren. Maar goed, hij leeft nog, nu hij van Odysseus af is…

Hoe graag zou ook die arme Palamedes gedeserteerd zijn! Dan was hij niet gestorven en vooral niet zo oneervol: Odysseus, die hem de ontdekking van zijn pseudo-waanzin maar al te kwalijk nam, betichtte hem op valse gronden van landverraad door te wijzen op een goudschat die hij eerst zelf had verstopt! Zo vecht Odysseus, dat maakt hem gevaarlijk.

Hij mag met woorden winnen, zelfs van onze trouwe Nestor, maar nooit zal hij mij overtuigen dat zijn ontrouw aan diezelfde Nestor geen misdaad was. Want toen de vermoeide grijsaard, wiens paard gewond was, Odysseus om hulp riep, liet zijn ‘vriend’ hem in de steek. Dat mijn aanklacht geen leugens zijn, weet Diomedes wel: die heeft hem nog geroepen, ingehaald en hem zijn laffe vlucht verweten.

Ook de goden zien rechtvaardig op het mensdom neer: diegene die geen hulp bood, kreeg geen hulp. Hij kwam in nood en riep om hulp… Ik ging erop af, ik zag hem trillen, hij lag daar lijkwit van angst, bevend voor de naderende dood. Met mijn schild als bolwerk gaf ik hem dekking en redde de slappeling. Niet bepaald een grootse prestatie! Odysseus! Als je graag blijft vechten, denk dan aan dat slagveld. Denk aan de vijand, denk aan je wonden en aan je bange hart. Kom dan weer bij mijn schild schuilen, ik zal je weer dekken…

Nadat ik hem gered had, nam de man, die door de pijn zogezegd niet eens kon staan, opeens de benen, zonder hinder te hebben van zijn verwondingen: Hector naderde, en die heeft de goden aan zijn kant. Waar Hector aanstormt, heerst er paniek. Niet alleen bij jou, Odysseus, maar ook bij echte helden. Zoveel schrik zaait hij! Ik was het die Hector met een kei van ver trof toen hij weer eens te koop liep met zijn bloedige successen. Toen hij ons opriep om met hem te duelleren, heb ik hem heel alleen weerstaan. De hoop van alle Grieken dat ik dat zou kunnen, bleek terecht. Als je naar de afloop van het duel vraagt: ik heb niet verloren…

En toen de Trojanen dankzij Jupiter hun vuur en wapens naar ons scheepskamp brachten, waar was Odysseus toen met al zijn mooie praatjes? Jullie weten dat door mijn moed veel schepen gered zijn, een daardoor jullie kans op terugkeer. Wijs mij in ruil daarvoor die wapens toe! Als ik eerlijk mag zijn, die wapens worden dan wel meer geëerd dan ik, maar ze passen bij mijn roem. Niet Ajax wil die wapens, maar zij willen Ajax!

Wat zal die man van Ithaka hier tegen inbrengen? Rhesus of Dolon? Moorden op weerloze mannen! De vangst van Helenus? Het Pallasbeeld? Odysseus doet nooit iets bij daglicht en ook nooit zonder Diomedes. Als jullie hem straks de wapens zouden toekennen voor zijn vuile streken, verdeel ze dan en geef het grootste deel aan Diomedes. Wat moet die Ithakees, die altijd ongewapend op tegenstanders afgaat en hen met bedrog verrast, ermee doen? Alleen de glans al van die stralende gouden helm zal hem straks, tijdens het spioneren, in elke hinderlaag verraden! Maar ook Achilles’ helm zal te zwaar zijn voor het hoofd van een eilandvorst en die speer van Pelisch hout kan alleen maar te zwaar zijn voor zijn zwakke armen. Achilles’ schild, waarop heel de wereld gesmeed staat, past niet bij een bange linkerarm die leeft van diefstal!

Zeg schurk, wat wil je met een prijs die jou nog zwakker maakt? Stel dat de Grieken fout beslissen en jij wint, dan zul je geen vrees maar rooflust bij de vijand opwekken. Vluchten, het enige waar je goed in bent, zal moeilijk worden als je zulke zware wapens moet dragen! Voeg daar nog bij dat jij een schild hebt dat nog zo goed als nieuw is, omdat je zelden vecht! Het mijne daarentegen is al duizend maal door pijlen stukgeschoten en is aan vervanging toe... Maar kom, wat doen woorden? Daden bewijzen meer: verplaats Achilles’ wapenuitrusting naar hartje Troje, laat Troje veroveren en wie de wapens terugbrengt, wint de buit…"

Jay Navas Navarro

3 LaWi

2000-2001

De redevoering van Odysseus

Ajax, de zoon van Telamon, zweeg. Na zijn laatste woorden klonk er een druk gemompel. Odysseus, de zoon van Laërtes, kwam naar voor, hield zijn blik een paar seconden naar beneden, keek daarna de leiders aan en pas toen brak hij de spanning en sprak met fraaie woorden:

"Grieken! Als onze wens verhoord zou zijn, dan zou er geen twijfel en geen onenigheid zijn om wie er mag erven: Achilles zou nog gewapend onder ons zijn. Maar het lot stond niet aan onze zijde en dat heeft hem zijn leven gekost." Hij maakte een gebaar alsof hij zijn tranen wegveegde. "Wie komt er zo dicht bij de grootheid van Achilles als Odysseus, de man die hem dichter bij de Grieken bracht? Dat Ajax dom is, heeft hij net bewezen; dat kan hem geen goed doen. Beoordeel mij niet verkeerd vanwege mijn vernuft en welbespraaktheid, want ik pleit niet voor u, maar ik pleit voor mijn meester.

Heeft iemand daar problemen mee? Elk heeft zijn eigen kwaliteiten. Voorouders, afkomst en alles waar wij niets aan kunnen doen, zijn geen eigen kwaliteiten. Ajax pronkt door zich achterkleinzoon van Jupiter te noemen, maar ook ik heb dat bloed in mijn aderen, niet meer of minder. Ik ben immers de nakomeling van Laërtes en van Arcesius en van Jupiter. Geen van hen werd ooit gestraft of moest vluchten!

Van mijn moederskant krijg ik dankzij Mercurius zelfs een tweede adellijke titel, mijn ouders zijn dus beiden afstammelingen van goden! Ik eis de wapens niet op grond van die tweede titel en ook niet omwille van het feit dat mijn vader zijn eigen broer niet gedood heeft. De wapens van Achilles gaan alleen om moed en eer, bloedverwantschap speelt hier geen rol. Trouwens, als de wapens aan bloedverwanten zouden moeten toebehoren, is er nog altijd Achilles’ zoon Pyrrhus. Of zijn vader Peleus. Om welke reden zou Ajax die wapens erven? Ze horen thuis op Scyrus of in Thessalië. Ajax is misschien de neef van Achilles, maar Teucer ook en hij vraagt niets. Wat als hij dat toch deed? Zou hij ze dan krijgen? Neen, want het gaat hier om daden en niets anders.

En ik heb meer gedaan dan ik in het kort zou kunnen vertellen, maar toch zal ik elk verhaal helemaal vertellen. Achilles’ moeder Thetis, de dochter van Nereus, wist wat voor dood haar zoon te wachten stond. Daarom verkleedde ze hem als meisje en zo wist ze ons allen, ook Ajax, te misleiden. Toen heb ik, om hem meer moed te geven, wapens onder de geschenken van de dochters van Lycomedes gelegd. Al gauw had Achilles zijn vrouwenkleren uitgetrokken en stond hij voor ons met schild en lans in de hand. Toen zei ik: ‘Zoon van een godin, je moet het machtige Troje veroveren! Je mag niet aarzelen...’ Hij volbracht heldendaden door mijn woorden, dus zijn het ook mijn daden.

Ik heb Telephus met een speerworp uitgeschakeld en dan naar zijn wens ook weer gered. Thebe is dankzij mij gevallen. Lesbos en Tenedos, Chryse en Cylla, steden van Apollo zijn ook dankzij mij gevallen; Scyrus ook. De burcht van Lyrnessus is door mijn woorden verwoest. Ik wil de rest niet noemen, maar de man die Hectors woestheid kon temmen, heb ik gemaakt en daarom ligt zijn roem nu geveld! De wapens waarmee ik de echte Achilles ontmaskerd heb, wil ik nu, na zijn dood, terugkrijgen.

Toen het verdriet van een persoon tot alle Grieken doordrong en de haven van Aulis bij Euboea druk bezet was door een vloot van duizend schepen, liet de wind verstek gaan. Een wreed orakel zei dat Agamemnon zijn onschuldig kind moest slachten vanwege Diana’s wrok. De vader weigerde dit en hij was woedend op de goden. Met mijn woorden heb ik dat tere vaderhart naar het openbare belang omgepraat en ik beken dat ik een moeilijke pleitrede hield voor een rechter die partijdig was. Maar het landsbelang, de wil van zijn broer, zijn eigen scepter en zijn wil dreven hem toch bloed te offeren voor de eer. Dan stuurde hij mij ook naar zijn vrouw Clytaemnestra, niet om haar te dwingen, maar om haar te misleiden met een list. Als Ajax naar haar zou gegaan zijn, dan lagen de zeilen ginds nog steeds op wind te wachten!

Ook ben ik naar Troje geweest. Ik zag er de raadzaal op de hoge burcht die toen nog vol Trojanen zat en ik trad er binnen. Zonder vrees ben ik met de zaak begonnen waarvoor heel Hellas mij gestuurd had. Ik klaagde Paris aan en vroeg Helena en haar bezit terug. Ik vond gehoor bij Priamus en Antenor, maar Paris en zijn broers en al die rovers om hen heen hielden hun boevenhanden nauwelijks thuis.

Herinner je je die eerste dag nog, Menelaus? We deelden het gevaar. Het kostte veel tijd om al het nuttige wat ik gedaan heb in die lange oorlog op te sommen. De vijand bleef na de eerste gevechten jarenlang binnen de stadsmuren en bood ons geen enkele kans meer om verder te strijden. Pas in het tiende jaar kwam er een veldslag. Wat deed jij al die tijd, Ajax? Jij die niet anders kunt dan vechten? Had jij enig nut? Maar vraag je naar mijn daden: ik heb hinderlagen gelegd, ik hielp bij graafwerken rond de wal, ik gaf mijn makkers moed zodat de lange oorlogskwelling hen niet te zwaar kon worden, ik toonde hoe we aan voedsel en aan wapens konden geraken en ik was overal waar ik nodig was.

Kerri Vande Ginste

3 LaWi

2000-2001

Plots zei Agamemnon, die op last van Juppiter verblind was: ‘Geef de oorlogsplannen op!’ Hij kon zijn leiderswoord alleen nog maar baseren op die droom, zelfs Ajax riep niet dat Troje moest verdwijnen en hij vocht niet zoals gewoonlijk. Waarom had hij de aftocht niet gestuit? Hij kon de weifelaars toch roepen hem te volgen? Niet te veel gevraagd voor iemand die nooit anders doet dan bluffen! Erger nog: hij vluchtte zelf! Ik schaamde me, Ajax, toen ik je zag vluchten. Ik riep direct: ‘Wat voeren jullie uit? Met wat voor een dwaasheid breken jullie de belegering van Troje op? Wat brengen jullie straks na tien jaar mee naar huis? Alleen maar schande…’ Met meer van dit soort sterke taal heb ik de vlucht gekeerd, weg van de vloot die al reisklaar was.

Daarna riep Agamemnon zijn getrouwen bij elkaar; allen waren doodsbang. Ajax durfde nog steeds geen kik geven, alleen Thersites was brutaal genoeg om onze vorsten uit te schelden. Ik diende hem van antwoord en ik spoorde mijn mannen opnieuw aan om te vechten, ik wekte hun oude strijdlust opnieuw op. Sinds ik Ajax belette te vluchten, is alles wat nog een daad van moed kan zijn, mijn verdienste.

En dan, wie van de Grieken eert jou nog of heeft je nog nodig? Diomedes nodigt mij wel uit bij wat hij doet, omdat hij me kent en omdat hij voortdurend vertrouwt op zijn vriend Odysseus. Dat is toch wat: uit duizend Grieken kiest Diomedes mij, zonder dat het lot erbij betrokken wordt! Zo heb ik, onbevreesd voor dag of nacht, Dolon de Phrygiër gedood. Hij was net zoals ik aan het spioneren, maar ik heb hem niet gedood vooraleer ik wist wat men in het trouweloze Troje van plan was.

Ik hoefde niet verder op speurtocht te gaan omdat Dolon mij alles verteld had. Ik had kunnen teruggaan met verdiend succes, maar ik wilde meer. Ik begaf mij naar het tentenkamp van Rhesus. Ik doodde de koning zelf en alle mannen in zijn buurt. Ik reed als succesvol winnaar, die in blijdschap zijn triomftocht viert, naar ons kamp op een veroverd vierspan. Dolon had voor die nacht Achilles’ paarden als beloning gevraagd. Wie gunt mij dan de wapens van Achilles niet? Zelfs Ajax is bereid de helft weg te schenken…

Moet ik beschrijven hoe ik met mijn zwaard de troepen van Sarpedon uit Lycië geslacht heb? Hoe ik Chromius, Alastor, Iphis’ zoon Coeranus, Alcandrus, Halius, Noëmon en Prytanis heb omgebracht? Ik heb Charops en Ennomon, die een verschrikkelijk lot onderging, gedood, nadat ik Thoön en Chersidamas had geveld. Ik heb ook anderen van minder roem in het stof doen bijten, mensen die voor hun stadsmuur stierven door mijn geweld. Ikzelf liep ook wonden op, eervol geplaatste wonden. Hier, als u mij niet zou geloven". Hij trok zijn kleed omlaag. "Deze borst heeft altijd voor jullie welzijn gestreden! Ajax aan de andere kant heeft in al die jaren nog geen druppel bloed voor ons vergoten en zijn lichaam toont nog geen enkel litteken van een eerbare veldslag.

En wat dan nog als Ajax roept dat hij de Griekse vloot verdedigd heeft en tegen Troje en zelfs met Jupiter gestreden heeft? Ja, dat deed hij! En wat dan nog? Hij deed het samen met jullie. En het zou laf zijn tegenover jullie om alleen met de eer te gaan strijken! Het was toch Patroclus, alias Achilles, die de Trojaanse fakkels wegjoeg van de vloot en van haar ‘verdediger’! Volgens Ajax is hij de enige die met Hector heeft geduelleerd. Waarschijnlijk was zijn geheugen niet meer fris want hij vergeet dat hij na mij en nog zeven andere leiders tegenover Hector kwam te staan, na eerlijke loting. En, grote held, de afloop van jullie duel, was dat niet dat Hector zonder wond of krasje thuiskwam?

Opeens moet ik met veel pijn in het hart denken aan de dag waarop Achilles, die beschermer van de Grieken, gesneuveld is. Tranen, verdriet en angst hebben mij toen niet belet hem op te tillen en hem en zijn wapenuitrusting naar huis te dragen. Op deze schouders hier bracht ik een memorabel man en zijn wapenrusting naar ons kamp. Daarom wil ik ze nu opnieuw dragen. Ik heb de moed en de krachten om deze opdracht tot een goed einde te brengen en ik ben duidelijk de man die jullie beslissing als een eer zal waarderen…

Heeft de goddelijke Thetis deze goddelijke, werkelijk prachtige wapenrusting aan haar zoon gegeven opdat zo’n boerse vechtjas zonder hart ermee zou gaan lopen? Iemand die niet snapt hoe fraai dat schild bewerkt is met oceaan, aardrijk en goddelijke sterren? Hij dingt naar wapens die hij grijpen kan, maar nooit begrijpen zal…

En als hij mij verwijt dat ik de zware oorlogsplicht ontliep en mij te laat kwam melden voor de expeditie, dan verwijt hij niet alleen mij maar ook de edele Achilles: als verschuilen fout is, deden wij dat beiden. Als laat zijn slecht is, was ik toch vroeger bij ons leger dan Achilles. Ik bleef nog bij mijn teerbeminde vrouw, hij bij zijn teerbeminde moeder. De eerste dagen bleven we thuis want we wisten dat we de andere dagen ver van huis zouden zijn. En zelfs al had ik geen excuus, ik vrees niet voor een aanklacht die ik met zulk een held mag delen. Hoe dan ook, had ik die held niet geholpen, dan was die held hier ook niet geweest. En Ajax heeft me niet moeten helpen om hier te zijn!

Dat hij mij uitscheldt, verbaast me niet. Maar dat hij jullie beschuldigt… Hij zegt dat Palamedes door mij op valse gronden is beschuldigd. Maar dat jullie hem daarna veroordeeld hebben, is wel fatsoenlijk? Nee, Palades kon zich in die voor mij duidelijke zaak niet goed verdedigen. Wat jullie betreft, jullie hebben mijn aanklacht niet alleen gehoord maar ook gezien. Het goud was het bewijs.

Dat Philoctetes nu op Lemnos zit, Vulcanus’ eiland, is niet mijn schuld. Pleit jullie zelf dan vrij! Jullie waren allen akkoord toen ik (dat wil ik niet ontkennen) voorstelde hem de zware reis en harde strijd te besparen, opdat hij zou kunnen herstellen. Hij gaf toe…en leeft! Mijn raad was niet alleen oprecht gemeend, maar ook de redding voor Philoctetes. De voorspellers zeggen dat zijn komst alleen maar kan zorgen voor de val van Troje. Dat zou best kunnen, maar ik ga hem niet halen! Stuur liever Ajax, die mag dan Philoctetes in een pijn- of woedeaanval troosten met zijn woorden en hem handig naar hier lokken met een list! Nee, eerst zal de Ida kaal worden of zal de Simoeis de andere kant op stromen - of nog beter, zal Hellas bondgenoot van Troje worden dan dat de hersenen van die stomme Ajax, in geval de mijne weigeren, de Grieken zouden kunnen dienen!

Maud Vandekerkhove

3 LaWi

2000-2001

Philoctetes is mijn vriend en hij is koning, maar hij haat mij verschrikkelijk. Hij spreekt voortdurend onheil uit over mij. Hij mag wensen dat hij me nog eens te pakken krijgt om me te doen afzien, om met mij te doen wat hij wil, zoals ik deed met hem, want ik heb hem veel pijn gedaan. Maar toch zal ik hem proberen naar hier te brengen; ik zal door offers aan Fortuna proberen zijn pijl en boog te bemachtigen.

Fortuna heeft me vroeger bijgestaan toen ik die Trojaanse priester in mijn macht kreeg en zo het lot van Troje te weten kwam, en toen ik het Trojaanse Palladium, het godenbeeld uit de tempel van Minerva, dwars door Troje heb meegeroofd! Zou Ajax kunnen zeggen dat hij hetzelfde heeft gedaan? Je weet dat Fortuna het Pallasbeeld eiste vooraleer Troje ten onder kon gaan. Waar bleef die sterke Ajax toen, de held met de grote mond? Waarom was hij bang toen ik, Odysseus, ‘s nachts langs de bewakers sloop? Waarom was hij niet bij me toen ik de stadsmuren van Troje bereikte en zelfs tot bij de top van de burcht geraakte om het Palladium uit de tempel te sleuren en het dwars doorheen de linies naar hier te brengen? Als ik dat niet had gedaan, dan was er tevergeefs gevochten om Troje te veroveren! Die nacht is onze zege over de stad Troje behaald! Ik heb er toen voor gezorgd dat we de overwinning konden behalen!

Bespaar me je klachten, Ajax, natuurlijk deelt Diomedes in die overwinning. Was jij soms alleen toen je de vloot van je bondgenoten beschermde? Jij had troepen naast je, ik die ene makker… Diomedes heeft goed begrepen dat vechten minder waarde heeft dan denken, anders had hij ook gevraagd om de wapens van Achilles te mogen bezitten; maar hij snapte tenminste dat deze wapens geen beloning kunnen zijn voor brute kracht! Ook andere helden hadden die wapens kunnen opeisen omdat ze even dapper zijn als jij, maar niemand heeft het gedaan omdat ze in mij hun meerdere erkennen als het op verstand aankomt!

Jouw kracht is op het slagveld nuttig, maar zonder mijn leiding is je vechtlust niets waard. Jij strijdt zonder er bij na te denken, daarom ben ik er voor de goede afloop en jij voor het vechten. Het uur wanneer er gestreden wordt, bepalen Agamemnon en ik. Jij kunt alleen helpen met je lichaam, wij met ons denkwerk. Een stuurman op een schip leidt toch ook de roeiers? Een veldheer, leidt toch ook zijn soldaten? Ik leid jou dus! Want mijn kracht wordt beheerst door mijn verstand; dat is pas ware kracht!

Dus, kameraden die de wapens moeten toewijzen, geef de wapens aan iemand die ze verdient. Beloon de inzet die ik jarenlang op gevaar voor mijn leven betoond heb. Schenk me iets dat dezelfde waarde heeft als mijn trouwe dienst. De strijd loopt naar haar einde, ik heb de obstakels overwonnen die het lot in onze weg had geplaatst; ik heb Troje al veroverd door dat Palladium weg te halen. Ik smeek bij de goede afloop van de oorlog, bij alles wat ik zojuist geroofd heb en bij wat er met wijsheid, inzicht en voortvarendheid nog niet bereikt is, dat jullie aan mij zullen denken. Als jullie mij de wapens toch niet schenken, geef ze dan aan dit beeld", en hij wees op het Palladium, het noodlot van Troje.

De beslissing over de wapens van Achilles

Odysseus maakte indruk op Agamemnon en door zijn welsprekendheid kreeg hij de wapens van Achilles. De man die in zijn eentje Hector aankon en zo vaak vuur, staal en zelfs Jupiter weerstond, kon zijn woede niet langer de baas. Hij kon amper zijn tranen bedwingen! Hij nam zijn zwaard en riep: "Is dit nog steeds van mij of is dit nu ook van Odysseus? Dit zo vaak met Trojaans bloed besmeurde wapen hoort niet meer bij mij en zal daarom besmeurd worden met het bloed van zijn meester. Ajax kan enkel zichzelf verslaan, iemand anders kan dit niet!"

Waarna hij het zwaard tussen zijn ribben stak; dit was de eerste wonde die hij ooit opliep. Hij had geen kracht genoeg om het wapen uit zijn lijf te trekken: het zwaard kwam samen met het bloed vanzelf naar buiten. Toen de grond doordrenkt was met bloed, groeide er in het jonge gras uit het bloed van Hyacinthus een purperen bloem, met in de kroonbladeren de letters A en Y, tweeduizend keer voor man en jongen: de naam Ajax en de klacht van Hyacinthus.

De winnaar zette koers naar Lemnos, het land van koning Thoas en zijn dochter Hypsipyle (waar vroeger de beruchte mannenmoord had plaatsgehad); daar ging hij de boog van Hercules ophalen. Toen hij met Philoctetes en de boog bij de Grieken was aangekomen, werd eindelijk de laatste wrede strijd gestreden: Troje viel.

Hecuba, Polydorus en Polyxena

Het einde van Troje

Priamus verloor. Hecuba, de arme vrouw die alles al verloren had, veranderde nu ook nog van gedaante: met haar vreemd geblaf verbaast zij verre kusten aan de lange Hellespont. Troje stond nog in brand en het water had het vuur nog niet helemaal geblust. Het altaar van Jupiter droeg sporen van het dunne bloed van Priamus. Cassandra, de priesteres van Apollo, werd bij de haren meegesleurd terwijl ze haar armen naar de hemel uitstrekte.

De Trojaanse vrouwen klemden zich vast, zolang het kon, aan godenbeelden, te midden van de vlammen van de tempel, maar werden tenslotte door de Griekse overwinnaars als buit weggevoerd. Astyanax werd van de muur gegooid vanwaar hij vaak naar zijn vader Hector had gekeken; daar had hij gezien hoe zijn vader voor zijn stad had gestreden. De noordenwind zorgde voor de terugreis, een stevige bries deed de zeilen klapperen; daarvan wou elke stuurman gretig nuttig gebruik maken. "Troje, vaarwel! Wij zijn hun buit…" Zo klonk de kreet van de vrouwen terwijl zij de grond van Troje kusten en hun stad in vlammen zagen opgaan.

De laatste die aan boord ging, was Hecuba. O droevige herinnering … Ze was bij de graven van haar zonen aangetroffen, zij klampte zich vast aan de aarde, met haar lippen op hun resten, tot Odysseus haar daar wegtrok. Maar toch nam ze van een, van Hector, wat as mee die ze in haar kleed bewaard had. Op zijn graf liet zij een grijze haarlok achter, een klein offer voor haar zoon: wat tranen en dat grijze haar…

Annelies Claeys

3 LaMt

2000-2001

Polydorus

Aan de overzijde van Phrygië, waar ooit Troje lag, woonden nu de Bistoniërs. Daar lag ook het rijke paleis van Polymestor. Aan hem had Priamus in het geheim zijn zoontje Polydorus toevertrouwd om hem ver van de strijd op te voeden. Een wijs besluit, zolang hij hem maar veel goud gaf: dat werd de prijs voor een misdaad, dat was lokaas voor hebzucht. Want toen het lot van Troje beslecht was, trok de schurk, die vorst van de Thrakiërs was, zijn zwaard en stak het in de keel van zijn jonge gast Polydorus; hij wierp het lijk van een rots in zee. Alsof daarmee de misdaad kon laten verdwijnen...

Polyxena

De vloot van Agamemnon lag bij Thracië voor anker. Ze wachtte op kalme zee en een zachtere wind. Daar verscheen opeens Achilles’ schim, nog even indrukwekkend als toen hij leefde, dreigend en met dezelfde blik waarmee hij indertijd woedend zijn zwaard op Agamemnon had gericht. Nu riep hij: "Grieken! Vergeten jullie mij? Is jullie dankbaarheid voor mijn heldhaftigheid samen met mij gestorven? Doe wat jullie moeten doen en verlaat mijn graf niet zonder eer: verzoen mijn schim en offer Polyxena aan mij."

De bemanning van de vloot deed waar de schim om vroeg: het arme meisje werd van haar moeder losgerukt en werd naar het graf van de held gesleurd als offerdier: daar ging Hecuba’s laatste troost... Toen zij daar bij het altaar stond en had begrepen dat men haar ging offeren, bleef ze zichzelf. Toen ze Neoptolemus zag staan met het slachtmes in de hand en merkte dat hij haar aankeek, riep ze hem toe: "Laat nu dit adellijke bloed maar vloeien; doe het zonder uitstel! Steek dat wapen in mijn hals of hier, in mijn boezem, maar denk niet dat de goden zo’n offer te waarderen".

Vervolgens ontblootte ze haar hals en boezem, want ze wou aan niemand onderworpen zijn. "Hoe graag ik ook mijn dood voor mijn moeder verborgen had willen houden, toch treur ik om haar en dat bederft de vreugde die ik voel omdat ik mag sterven: zij zou meer haar leven moeten beklagen dan mijn dood... Laat mij nu vrijwillig naar het schimmenrijk afdalen. Nee, blijf daar staan, als ik dat vragen mag, raak mij, een vrouw, niet met mannenhanden aan. Mijn bloed zal voor die ander meer waard zijn als het vloeit in vrijheid. Als mijn laatste woorden nog iemand ontroeren, geef mij dan zonder prijs of losgeld straks aan mijn moeder terug, gun haar het recht mij te begraven. Dat vraag ik jullie, niet als jullie slavin maar als prinses van Troje."

Haar woorden ontroerden iedereen tot tranen toe, maar zijzelf beheerste zich; zelfs Neoptolemus, de offerpriester, huilde toen hij met tegenzin de borst die zij hem bood, moest treffen. Wankelend stortte ze neer. Geen spoor van angst op haar gelaat, tot aan haar laatste zucht. Ze had nog aandacht voor haar kleed opdat ze bij het vallen met kuis fatsoen bedekken zou wat bedekt zou moeten blijven. Trojaanse vrouwen zorgden voor haar lichaam.

Zij beklaagden de vloek die rustte op Priamus’ geslacht, dat hoge dodental in een familie, ze treurden om het meisje en om de moeder die zich nog tot voor kort koningin mocht noemen. Hecuba was ooit het symbool van de bloei van Troje, nu was ze een deel van de buit. Zo zielig zag ze eruit dat zij nooit door Odysseus zou meegenomen zijn als ze Hector niet had gebaard: door Hector vond zijn moeder in haar oude dag als slavin-moeder nog een meester...

Hecuba’s verdriet

Zij omarmde het nu zielloos lichaam van haar dapper kind, ze huilde voor haar, zoals zij al zo dikwijls voor de stad, voor haar man en zoons gehuild had. Tranen vloeiden in de wonden, zij kuste de dode lippen, bonkte zich als nooit tevoren op de borst en de schouders. Met haar grijze haren badend in het stollend bloed liet ze haar hartverscheurende klachten klinken.

"Mijn kind! Wat rest mij nog? Jij bent je moeders laatste rouw. Hier lig je dan, lief kind! Ik voel je wonden alsof ze de mijne waren! Geen van mijn kinderen mocht ik verliezen door moord, zelfs jij werd door het zwaard gedood! Ik dacht dat jij als vrouw voor wapens veilig was, maar ook als vrouw ben jij door staal gedood en het is dezelfde man die al jouw broers en jou deed sterven: Achilles, de ondergang van Troje, de plunderaar van ons geslacht. Toen hij door het schot van Paris en Apollo getroffen was, dacht ik: "Nu hoef ik niet meer bang te zijn voor Achilles!" Maar toch moet ik nog altijd bang zijn, zijn vijandigheid blijft, zelfs tot in zijn graf. Voor hem bracht ik mijn kindertal ter wereld!

Het machtige Troje ligt plat, het was een verschrikkelijke nederlaag voor de stad! Slechts voor mij blijft Troje leven, want mijn verdriet duurt voort. Tot kort voor nog zo hoog getroond, zo rijk gezegend door mijn man, door zoveel zoons en dochters, word ik nu van hun graven losgescheurd, beroofd, ontheemd, ik word slavin van Penelope. Terwijl ik mijn wol spin op Ithaka, wijst die mij aan de andere vrouwen aan: ‘Daar zit de vrouw van Priamus, de moeder van de befaamde Hector...’

Jij, kind, jij die na zoveel doden als enige je moeders leed had kunnen verzachten, jij viel aan een Griekse schim ten offer; het was een grafgeschenk dat ik het leven schonk! Wat doe ik hier nog? Wat heb ik nog aan mijn hoge leeftijd? O wrede goden, die een oude vrouw slechts sparen om steeds nieuwe doden te aanschouwen! Wie had kunnen denken dat Priamus na de val van Troje van geluk mocht spreken omdat hij dood is? Samen met zijn stad verliet hij het leven en hij hoeft jouw onheil niet te zien, mijn kind. Men zou jou als prinses toch wel een rouwdienst moeten geven; je lichaam dient te rusten in het oude familiegraf.

Helaas, ons huis kent dat geluk niet meer. Je krijgt als doodsgift je moeders tranen mee, een handvol zand uit vreemde grond. Nu ben ik alles kwijt. Er rest mij nog slechts een zoon, voor wie ik dit leven nog een korte tijd verdraag, mijn dierbaar kind Polydorus, de jongste in ons huis vol mannen, uitbesteed aan de koning van dit land... Maar kom, ik wil intussen deze vreselijke wonden, jouw met bloed besmeurd gelaat in zee gaan reinigen." Na deze woorden liep de oude vrouw het strand op, moeizaam, rukkend aan haar witte haren. "Vrouwen! Geef mij die urn!".

Ze wou van het water scheppen maar zag daar het lijk van Polydorus, aangespoeld op het strand. Het lichaam zat vol diepe wonden, toegebracht door een Thrakisch wapen. Een kreet steeg op bij de Trojaanse vrouwen; Hecuba verstomde van smart. Haar stem, haar tranen, dat puur verdriet... Als een harde rots verstijfde zij, strak richtte zij haar ogen op die plek vlak voor zich; dan hief ze het van smart vertrokken gelaat naar de lucht. Ze keek opnieuw naar hoe haar zoon daar lag, zijn hoofd, zijn wonden... Vooral die wonden. Wrok was nu haar enige wapen... Door wrok gedreven, alsof ze nog steeds koningin was, eiste ze vergelding. Alles waar zij nog aan dacht was wraak.

Marlies Deloffer

3 LaMt

2000-2001

Vurig als een leeuwin die, van haar jonge welp beroofd, de jagers al op het spoor is zonder hen te zien, zo liep ook Hecuba, ten prooi aan smart en woede, op Polymestor toe die deze laffe moord bedreven had. Ze dacht niet aan haar hoge leeftijd, wel aan haar zelfrespect toen ze om een ontmoeting vroeg. Ze liet hem weten dat zij hem de rest van het goud wilde wijzen, dan kon hij het aan haar zoon geven.

De Thrakiër geloofde het in zijn hebzucht, ontmoette haar in het geheim en zei haar met zijn sluwe vleiersstem: " Hecuba, aarzel niet, geef mij die goudschat voor je zoon. Ik zweer je bij de goden, alles wat je geeft en vroeger gegeven hebt, zal hij ontvangen." Nors keek zij hem aan, die valse leugenaar! Zij kookte van woede en riep snel om hulp naar haar gevangen lotgenoten. Ze greep hem vast, stak haar vingers diep in zijn huichelende ogen en trok die uit hun kassen - in haar woede werd ook zij gewelddadig! Haar met schurkenbloed besmeurde handen rukten hem zelfs die holle kassen zonder ooglid uit het hoofd!

De Thrakiërs, ontsteld over de dood van hun koning, bestookten de Trojaanse vrouw met wapens en een regen van keien, maar Hecuba hapte met rauw gegrom naar alles wat op haar afkwam. Terwijl haar mond nog woorden trachtte te vormen, jankte ze luid! Die plek bestaat nog altijd; na dit voorval sprak men van ‘Hondengraf’, want Hecuba is daar nog lang, denkend aan haar leed, droef blijven janken in de velden van Thrakië. Haar lot ontroerde niet alleen het volk van Troje, maar ook de Griekse vijand, ja zelfs alle goden, tot Juno toe; want zij, zuster en vrouw van Jupiter, heeft zelf gezegd dat Hecuba zo’n einde niet had verdiend.

Aurora treurt om de dood van Memnon

Aurora had geen aandacht voor het ontluisterende lot van Hecuba en Troje, ook al stond zij altijd aan de zijde van de Trojanen: eigen verdriet kwelde de godin, haar eigen rouw om het verlies van Memnon. Zij had hem voor de muur van Troje zien sterven door Achilles’ speer. Toen had ze haar glans, waarmee de vroege ochtend zich roze kleurt, verloren; daglicht ging in wolken schuil.

Toen zijn lichaam op het vuur lag om verteerd te worden, verdroeg haar moederhart die aanblik niet: met wapperend haar wierp zij zich, zonder schaamte voor haar droefheid, aan de voeten van Jupiter en sprak door tranen heen:

"Ik mag de minste zijn van allen die jouw gouden rijk bewonen, want op aarde heb ik maar heel weinig tempels, maar toch blijf ik een godin... Ik kom je niet om tempels vragen, ook niet om offerdagen met een brandend altaarvuur. Als je bedenkt hoe ik jou steeds gediend heb doordat ik met nieuw daglicht altijd weer de nacht verjaag, dan zou je mij, Aurora, wel kunnen belonen. Maar mijn groot verdriet vraagt niet om verdiende eer. Ik kom omdat ik Memnon heb verloren, die voor niets zo dapper de strijd inging ter wille van zijn oom en nu zo jong moest sterven door Achilles’ kracht. Zo wilden het de goden... Eer hem, ik smeek je, met iets wat troost brengt in de dood, en stil zijn moeders smart, o godenvader!"

Jupiter had nog niet geknikt of hoog oplaaiend vuur greep Memnon op zijn doodsbed aan; donkere rookkolommen namen het daglicht weg, zoals wanneer een brede mist wordt uitgeademd door rivieren en daar geen zonlicht doorkomt. Een zwarte aswolk zweefde omhoog, verdichtte zich tot een compacte massa die eerst vorm kreeg, daarna levenswarmte aan het vuur ontleende en door eigen lichtheid vleugels kreeg. Eerst leek het op een vogel maar al snel werd het een echte vogel, luid klapwiekend met zijn vleugels. Tegelijk klonk het geklap van talloos vele vogelzusters van dezelfde oorsprong.

Zij zwermden driemaal rond de brandstapel, driemaal klonk hun klacht eenparig door de lucht totdat zij bij de vierde ronde uiteen zwermden in twee woeste legers. Ze bevochten elkaar van links en rechts, pikten met snavels en gekromde klauwen naar borst en vleugels van de vijand en storten vervolgens neer, als laatste eer voor Memnons as; ze waren immers zijn verwanten en getuigden zo van hun ontstaan. Die plots geboren vogels werden naar hem genoemd: zij heten de Memnoniden. Telkens als de zon zijn twaalf tekens voorbij is, vechten zijn hun doodsstrijd uit, in naam van Memnon.

Toen dus het geblaf van Hecuba zo triest weerklonk, kwijnde Aurora in haar eigen leed; altijd zou ze wenen om haar zoon en die tranen zijn nog steeds de dauw op de wereld.

Aeneas zet koers naar het Avondland 

Aeneas verlaat Troje

Toch stond het lot niet toe dat met zijn muren ook Troje’s toekomst verloren ging; Venus’ zoon Aeneas redde de Penaten en hij torste een tweede, goddelijke last eerbiedig mee: zijn vader, en ook Ascanius, zijn zoontje. Dit was alles wat Aeneas van al zijn rijkdom meenam. Hij vluchtte met zijn vloot vanuit Antandrus over zee; hij liet het misdadig strand van Thrakië, dat land waar Polydorus’ bloed gevloeid had, ver achter zich. Dankzij gunstige wind en gunstig tij kwam hij met zijn gezellen aan op Delos.

Anius, de koning van dat volk en tevens priester van Apollo, nam hen op in zijn paleis. Hij liet hun zijn stad zien, de vermaarde tempels en de twee ‘geboortebomen’ waartegen Latona eertijds steun gezocht had toen ze beviel van Apollo en Diana. Nadat zij wierook op het vuur hadden gegooid, wijn hadden geplengd en de ingewanden van het offervee verbrand hadden zoals dat hoorde, keerden zij terug naar het paleis en genoten van Ceres’ graan en Bacchus’ wijn.

Toen zei de vrome Anchises: "Waarde priester van Apollo, misschien vergis ik mij, maar toen ik ooit je stad bezocht, had je een zoon en ook vier dochters, als ik me het goed herinner..." Anius knikte instemmend; zijn witte priesterlinten schudden mee. Toen zei hij droevig: "Grote held, je hebt gelijk; jij zag mij ooit als vader van vijf kinderen terwijl ik nu bijna kinderloos hier bij jou zit. Zo grillig gaat het lot met mensen om...Wat heb ik aan een zoon die ver weg is? Hij bewoont een eiland dat ook naar hem genoemd is, Andros, waar hij regeert als plaatsvervanger van zijn vader. Apollo schonk hem zienersgaven.

Een heel andere gunst schonk Bacchus aan mijn dochters, groter dan en mens bedenken of wensen kan, want alles wat door hen werd aangeraakt, veranderde in koren, in wijn of in Minerva’ s olijven, en het nut van mijn meisjes was dan ook reusachtig... Toen Atreus’ zoon, de vernietiger van Troje, hiervan hoorde ( bedenk dat wij op Delos een deel van de oorlogsellende hebben gekregen), liet hij de meisjes onder dwang van wapens weghalen en gaf hen bevel dat zij het Griekse leger moesten voeden door hun wonderbare gaven.

Maar mijn dochters ontsnapten, elk naar waar zij kon: twee dochters naar Euboea en de andere twee naar Andros, naar hun broer. Het Griekse leger volgde, dreigde met een aanval als hij hen niet terugzond. Mijn zoon zwichtte uit vrees: hij heeft zijn zusters aan de Griekse wraaklust uitgeleverd. Het was laf, maar ik kon het hem vergeven omdat hij geen Aeneas had of geen Hector die voor Andros kon vechten. Maar vlak voordat de boeien zich sloten rond hun polsen, hieven zij in vrijheid nog de armen naar de hemel op en riepen: ‘Vader Bacchus! Bied ons hulp!’ En hij hielp, als men van hulp mag spreken bij een wonderlijk verlies: want zij verloren opeens hun vorm, ik kan niet zeggen hoe, ik heb het nooit begrepen, maar de afloop is bekend: zij kregen veren en werden witte duiven, vogels van je eigen Venus..."

Rubie Derutter

3 LaMt

2000-2001

Nadat zij met gelijksoortige verhalen het gastmaal hadden beëindigd, werden de tafels weggeschoven en gingen ze rusten. De dag daarop bezochten ze Apollo’s orakel, dat hun aanraadde naar de kusten van Ausonië te gaan. De koning leidde ze uit en gaf als afscheidsgeschenken een scepter aan Anchises, een mantel en een pijlenkoker aan Aeneas’ zoon en aan Aeneas zelf een mengvat dat hem ooit door een gastvriend, Therses de Thebaan, gestuurd was vanuit Beotië. Alcon uit Hyle had het gemaakt en versierd met een lange serie taferelen.

Je zag een duidelijk herkenbare stad Thebe met zeven poorten die, als een titel, lieten zien om welke stad het ging. Buiten de stad wees alles op een ramp: begrafenissen, lijkverbranding, graven, vrouwen met loshangend haar en naakte boezems. Je zag ook waternimfen, huilend en klagend dat hun bronnen waren opgedroogd. Het bos was kaal; er was geen blad te zien. Geitjes knabbelen aan dorre rotsgrond.

Binnen, op de markt van Thebe, kon je Orions dochters zien: de een zou moedig een zwaard in haar ontblote hals steken, de andere verwondde zich onhandig met een scherpe weefpen... Ze stierven voor hun volk. Een bonte rouwstoet droeg hen de stad uit en onder grote belangstelling werden ze verbrand. Je zag dat uit hun as twee knapen, bekend als de Coronen, ontstonden om het geslacht te laten voortbestaan. Zij leidden de rouwstoet van hun moeders.

Dat toonden de fonkelende beelden in het oude brons; van boven had het vat een rand van gouden acanthusbladeren. Ook de Trojanen boden hun gastheer giften aan en het waren even fraaie: de priesterkoning kreeg een kist om wierook op te bergen, een schotel en een kroon; alles glansde van edelstenen en goud.

Aeneas vertrekt van Delos naar Sicilië

Ze zetten koers vanuit Delos naar Kreta; maar al snel viel het klimaat hen daar te zwaar: de Trojanen stammen immers uit het bloed van Teucer. Ze lieten de honderd steden voor wat ze waren en gingen op zoek naar Ausonië. Er stak een storm op die hen de verraderlijke havens van de Strophaden indreef en waar Aëllo, de harpij, Rea de stuipen op het lijf joeg.

Dolichium en Ithaka, het eiland waar die huichelaar Odysseus de macht had, waren ze al voorbij. Het door de goden zo omstreden Ambracia doemde op, Actium en het orakelland Dodona met zijn eik. Ook werd Chaonia zichtbaar, waar een grote brand de zoons van de koning der Molossen al vliegend deed vluchten. Daarop bereikten ze het eiland van de Phaeaken waar de rijkdom in de vruchten zat. Dan zagen ze Epirus en Buthrotus’ stad, een tweede Troje, bestuurd door Helenus, een zoon van Priamus, de Trojaanse ziener die oprecht en trouw hen de hele toekomst voorspelde. Op grond van zijn woorden zetten ze koers naar Sicilië dat met drie punten naar de zee wijst: in het regenachtige zuiden ligt Pachynus, kaap Lilybaeum voelt de zwoele westenwind en Pelorus ligt naar het noorden waar de Grote Beer nooit water raakt. Hier naderde de Trojaanse vloot de kust. Door roeikracht en door de gunstige stroom bereikten zij voor de nacht het strand van Zancle.

Het verhaal van Polyphemus en Galatea in dat van Scylla

Scylla

Scylla beloerde hen van rechts, van links dreigde Charybdis die schepen roofde, opslokte en weer uitspuwde. Scylla had een onderlichaam dat begroeid was met blaffende hondenkoppen. Ze had wel een vrouwenhoofd en als niet alles wat dichters zeggen gelogen is, dan was zij ooit een vrouw. Veel minnaars dongen naar haar hand. Zij wees hen allen af; daarna ging ze aan de waternimfen die graag naar haar luisterden, vertellen hoe ze zo’n verliefde vrijer had afgeschud. Op een keer, toen ze het haar van Galatea mocht kammen, zuchtte Galatea enkele malen diep en zei haar: "Jij heb ten minste nog beschaafde minnaars die je ongestraft kunt afwijzen, wat je ook doet. Maar ik, een kind van Nereus zelf, door de zeegodin Doris gebaard en veilig omringd door mijn zusters, kon de Cycloop die naar mijn hand dong, slecht met veel verdriet afwijzen..."

Tranen beletten haar om verder te spreken. Ze veegde die met helderwitte hand weg; toen zei Scylla troostend tegen de nimf: "Vanwaar komt dit leed, lieve vriendin? Verberg het niet. Je weet dat je kunt rekenen op mijn discretie!" Hierop vertelde Nereus’ dochter haar verhaal aan Scylla.

Polyphemus, Galatea en Acis

"Acis, zoon van de waternimf Symaethis en van Pan, werd door zijn vader en moeder diep bemind, maar nog veel meer door mij. Hij alleen had mijn hart gewonnen, zo mooi was hij! Hij was pas zestien jaar oud; zijn jongenswangen werden beschaduwd door een beginnende baard. Ik hield alleen maar van hem maar de cycloop hield van mij...

Als je mij vraagt wat sterker was, mijn haat voor de cycloop of mijn verliefdheid voor Acis, dan zal ik je dit vertellen: beide gevoelens waren even sterk. Ach, Moeder Venus, jij regeert over een waarlijk groot gebied, want die barbaarse cycloop die zelfs bossen doet huiveren, die elke vreemdeling met een wrede straf ontvangt en de goden op de machtige Olympus minacht, voelde nu liefde... Hij werd door felle liefdegloed verschroeid, hij dacht niet langer aan zijn vee en aan zijn grot. Nee, Polyphemus zat zich op te doffen, hij wou mij zo graag behagen. Hij kamde met een hark zijn stugge haren en snoeide zijn ruige baard met een soort kapmes. Steeds opnieuw moest hij zijn woeste kop in het water spiegelen en fatsoeneren. Zijn moordlust, zijn wrede kracht en zijn niet te stillen dorst naar bloed verdwenen; schepen konden veilig aanmeren en vertrekken.

In die tijd verbleef ook Telemus, Eurymus’ zoon, aan de voet van de Etna op Sicilië. Hij was een ziener die de vogels begreep. Hij kwam bij de cycloop Polyphemus en zei: ‘Dat ene oog in je hoofd zal door Odysseus worden verblind...’ Maar smalend riep de ander: ‘Slecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij al lang verblind!’

En daarmee luisterde hij niet naar de waarheid en liep met zware stap langs het strand, tot hij moe werd en naar zijn duister hol terugkeerde. Er stak een wigvormige klif met een lang gerekte punt in zee die aan elke kant omspoeld werd door golven. De woeste Cycloop klom daarop en zette zich neer. Hij lette niet op de wollige schapen die hun meester gevolgd waren. Hij liet de boomstam die hij bij zich had en die erg leek op een mast voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten en greep zijn rietfluit die uit wel uit honderd stengels was samengevoegd. De hele streek en ook de zee kon nu van zijn herderlijke muziek genieten. Ook ik, die verscholen zat in een grot; ik ruste tussen de benen van mijn geliefde Acis; daar kon ik Polyphemus ondanks de afstand goed verstaan.

Claire Lysy

3 LaMt

2000-2001

‘Jij, Galatea, bent witter dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Jij schittert mooier dan glas en bent speelser dan een levendig geitje, jij voelt gladder aan dan schelpen in de zee die door de golfslag zijn opgeblonken. Je bent aangenamer dan de winterzon en de schaduw in de zomer, rijker dan palmen en sierlijker dan een groeiende plataan. Jij bent helderder dan ijs, zoeter dan rijpe druiven en zachter dan zwanendons. Je bent frisser dan een goed besproeide tuin...

Ik wil niet dat je me ontglipt, want je bent ook wreder dan een stier, harder dan oeroud eikenhout en bedrieglijker dan water. Je bent ook taaier dan wilgentakken of de rank van een witte wingerd en kouder dan deze rots. Je bent nog woester dan een bergstroom, trotser dan veelgeprezen pauwen en pijnlijker dan vuur. Je bent scherper dan distels, grimmiger dan een berin met jongen en dover dan de zee. Je bent gemener dan een adder in het gras, je zou sneller vluchten dan herten, opgejaagd door luid geblaf en vooral dat laatste zou ik je graag beletten, als ik maar kon... Je bent sneller dan de wind en hun vederlichte briesjes!

Als jij me goed leert kennen, krijg je spijt dat je mij al die tijd ontlopen bent en probeer je mij zelfs vast te houden! Ik heb een grot, die in de stenen bergwand verscholen ligt; in de zomergloed kent ze geen zonnestralen en in de winter voelt ze geen koude. Er groeien vruchten, takken vol, en in mijn wijngaard hangen lange rijen druiven, deels goud glanzend, deels fonkelrood, en beide soorten koester ik voor jou. Aardbeien, rijp geworden onder de rijke schaduw van de bomen, kun je er eigenhandig plukken net als herfstkornoelje en pruimen, niet alleen de donkerblauwe, sappige, maar ook de meer verfijnde soort die goudgeel is als gesmolten bijenwas.

Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit tekort aan heesterbessen noch aan kastanjes; elke boom zal daar je dienaar zijn. En ook dit vee is van mij; veel van mijn dieren dwalen nog over de hellingen, veel in het bos, veel staan er thuis op stal; en mocht je willen weten hoeveel - dat kan ik gewoon niet zeggen: alleen wie arm is, telt zijn schapen...En wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de strak gespannen uiers staan. Mijn jonger vee, de lammetjes, zit in de beschutte hokken; in andere hokken zitten bokjes van hetzelfde jaar.

Ik heb altijd voldoende romige melk; een deel bewaar ik om van te drinken en de rest wordt tot kaas verwerkt. Je krijgt van mij speciale troeteldieren, niet alleen wat iedereen aan iedereen geeft: reeën, haasjes, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest. Nee, jij krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen; ze gelijken als twee druppels water op elkaar. Ik vond ze in de hoge bergen en dacht direct: ‘Die zijn voor Galatea.’

Toe, steek je mooie hoofdje nu toch eens uit de blauwe zee, kom, Galatea, kom dan! Wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in helder water en wat ik zag beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van jullie hemelgod, want jullie roepen vaak dat daar een Jupiter regeert, en kijk, mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt. En je mag mijn lichaam, dat dichtbegroeid is met stekelig gewas, niet lelijk vinden! Bomen zonder blaadjes zijn lelijk, een paard is lelijk als zijn nek geen blonde manen draagt, vogels dragen een verenkleed, schapen pronken met hun wollige vacht, bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Ik heb een oog in het midden van mijn voorhoofd, maar het is zo groot als een machtig schild. En dan? De grote zon neemt vanuit de lucht toch ook alles waar? En hij heeft maar een ronde oogbol! Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee, door mij word jij Neptunus’ dochter! Toon nu medelijden en luister naar een smekeling!

Ik kniel alleen voor jou; ik die om Jupiter, zijn hemel en fatale bliksems niets geef, ik aanbid jou wel, een kind van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur, en ik zou die nog verdragen als je alle mannen negeerde. Waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen cycloop omhelzen en Acis wel? Die mag dan blij zijn met zichzelf en jij met hem - helaas - maar Galatea, als ik de kans krijg, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart.

Ik zal zijn levende organen uitrukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee, jouw zee, dan is hij toch weer bij je...Want ik brand van liefde en mijn liefdesvuur laait hoger op door liefdespijn: het voelt alsof mijn hart de Etna met zijn vuur meesjouwt. Maar jij blijft ongevoelig, Galatea...’

Kimberly Maricau

3 LaMtWi

2000-2001

Ik kon alles goed zien; Polyphemus stond na deze klaagzang op en liep rusteloos rond, als een woeste stier die van zijn koe gescheiden is. Hij zwierf door zijn vertrouwde bossen tot hij me vond, in de schoot van Acis. Wij waren ons van geen kwaad of gevaar bewust.

Maar Polyphemus schreeuwde met een stem die zelfs de Etna deed beven: ‘Ik zie jullie wel, jullie laatste Venusuurtje heeft geslagen!’ Ik dook in mijn doodsangst het water in. Ook Acis sloeg op de vlucht en riep: ‘Help me, Galatea, ik smeek je… Vader! Moeder! Help! Als jullie me niet verbergen in jullie wateren, ben ik verloren!’ Maar de Cycloop zat hem al op de hielen en gooide een rotsblok dat hij uit een berg gerukt had. Acis werd verpletterd, hoewel alleen een hoekje van het gevaarte hem raakte. Ik was machteloos en kon alleen toestaan wat het lot beschikt had: Acis kreeg dezelfde krachten als zijn vader en moeder.

Van onder de rots drupte een felrood bloedspoor, maar na een tijdje begon de kleur van het bloed te veranderen en kreeg het de kleur van een rivier die door een stortbui vertroebeld is en langzaam weer helder wordt. Daarna barstte de rots die Acis gedood had; op die plaats groeiden doorheen de spleten slanke en welige rietpluimen en bruiste water. En - wonderlijk om zeggen - daar verrees plots uit dat water een man, zijn hoofd was omkranst met gevlochten riet. Het was Acis, maar zijn nieuwe verschijning was groter en was waterblauw. Zijn naam bleef bestaan, maar hij was in een rivier veranderd."

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vervolg van het verhaal over Scylla

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep: "Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei: ‘Ik keer hier niet meer terug!’ Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!"

Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de titanendochter.