LIBER UNDECIMUS

Orpheus en Eurydice: tweede deel van het verhaal
 

Birger Callemein

3 LaWi

1999-2000
 

Orpheus' lot

Terwijl de dichter Orpheus in Thrakië dieren, bomen en zelfs rotsen meelokte met zijn gezang, kregen de vrouwen van de Ciconen, in Bacchantenstemming en gehuld in dierenvellen, hem in het oog van op een heuvel. Een van de vrouwen riep: "Kijk daar! Daar heb je onze vrouwenhater." Ze gooide haar thyrsus naar het hoofd van Orpheus, raakte hem maar kwetste hem niet omdat de tak dik bebladerd was. Een ander gooide een steen naar hem maar die werd in zijn vaart geremd door zijn gezang en viel voor zijn voeten neer. Orpheus smeekte om genade bij die mislukte aanval.

Ondanks zijn smeken nam het geweld toe en kende geen grenzen meer. Door het luid gekrijs, het handgeklap, de klank van toeters en timpanen en de Bacchuskreten was de stem van de dichter niet meer te horen en toen trof iedere steen zijn doel. Dan stortten de vrouwen zich op de vogels, slangen en andere wilde dieren (die luisterden naar Orpheus' gezang) en verscheurden hen. Toen gingen ze, met bloed aan hun handen, naar Orpheus toe en omringden hem als vogels die bij het ochtendlicht een nachtuil zien rondvliegen of zoals een hert reeds in de vroege uren de prooi wordt van enkele honden en beseft dat het gaat sterven.

Met hun thyrsus sloegen ze Orpheus neer. Sommigen gooiden met afgerukte takken, kluiten of stenen. Er was genoeg materiaal in de buurt omdat daar vlakbij boeren hun akkers bewerkten met ploeg en ossenspan. Maar die boeren waren in paniek gevlucht voor de Maenaden en hadden hun harken, houwelen en schoffels achtergelaten op het veld. De wilde bende nam het materiaal mee, jaagde de ossen uiteen en keerde dan terug naar Orpheus. Hoe hij ook smeekte, ze doodden hem toch.

Vogels, wilde dieren, rotsen en bossen treurden om Orpheus' dood. Veel bomen verloren hun bladeren, hele rivieren stroomden over door hun eigen tranen en bos- en waternimfen lieten hun haar loshangen en trokken rouwgewaden aan.

Orpheus' in stukken gereten lichaam werd door de Hebrus meegevoerd. En wonderlijk om zeggen: klagend klonk de lier, klagend fluisterde de mond, klagend antwoordden de oevers van de stroom. Toen de stroom het land verlaten had, dreef het lichaam verder weg op zee tot op de kust van Lesbos, waar Methymna ligt. Terwijl het hoofd van Orpheus op het strand lag, wou een slang het aanvallen. Maar toen de slang toehapte, snelde Apollo Orpheus te hulp. Hij liet de slangenbek verstenen zodat de kaken voorgoed opengesperd bleven. Orpheus' ziel daalde af naar de onderwereld, waar hij Eurydice aantrof in de Elyzese velden en haar omhelsde. Sindsdien zijn ze altijd samen: zij aan zij, of één voorop en één die volgt; dan is het dikwijls Orpheus die omkijkt naar Eurydice, maar hij hoeft nu niet bang meer te zijn...
 

De Bacchanten worden gestraft

Maar Bacchus treurde om Orpheus' dood en nam wraak op de Thrakische Bacchanten. Hij veranderde de tenen van de vrouwen in wortels, die diep in de grond drongen, waardoor de vrouwen aan de grond werden vastgehouden zoals een vogel die met zijn poot verstrikt raakt in een net, zich gevangen voelt en klapwiekt in paniek. De vrouwen probeerden los te komen, maar taaie wortels hielden hen op hun plaats. Als ze naar hun voeten keken, zagen ze hoe het hout naar boven groeide langs hun benen. Dan bereikt het hout het bovenlichaam en de schouders en uiteindelijk veranderen hun armen in takken.
 

Koning Midas

Bacchus verliet die landstreek waar Orpheus was vermoord en zocht zijn wijnberg Tmolus op. Daar stroomt de Pactolus die nog geen rivier van afgunst was, omdat er in die tijd nog geen goud in zat. Bacchus vond daar zijn trouwe Bacchanten, uitgezonderd Silenus. Die was door Phrygisch boerenvolk gevangen genomen en naar koning Midas gebracht, die in Bacchus' godsdienst was ingewijd door Orpheus en Eumolpus. Midas herkende Silenus dus direct als vriend en volgeling van Bacchus. Ter ere van Silenus gaf Midas tien dagen en tien nachten durende feesten. Toen Lucifer de elfde dag het hemels sterrenleger had afgevoerd, reisde Midas naar Lydië en bracht Silenus naar Bacchus terug.

Midas mocht, omdat hij Silenus had teruggebracht, van Bacchus een wens doen. Midas' wens was dat alles wat hij aanraakte, zou veranderen in goud. Bacchus vervulde zijn wens maar was teleurgesteld dat Midas niets beters had gekozen.
 

Midas' wens is bijna zijn ondergang

Midas ging dankbaar heen en probeerde zijn wens uit door hier en daar iets aan te raken. Hij geloofde zijn ogen niet toen hij een tak van een eik trok en die in goud veranderde. Hij nam een steen en ook die verbleekte tot goud. Hij raakte een kluit aarde aan en die werd in zijn handen een goudklomp. Droge korenhalmen veranderden in goud en als hij een appel plukte, leek die geschonken door de Hesperiden. Als hij een deurpost raakte, veranderde die in goud en als hij zijn handen waste, kon zelfs de straal die uit zijn handpalmen vloeide een Danaë verrassen. Alles wat hij aanraakte, veranderde in goud. Dolblij ging Midas aan tafel. Zijn lakeien hadden de tafel gedekt met schalen vol voedsel en mandjes brood. Maar zodra hij met zijn handen wat brood vastnam, veranderde het in goud. Als hij zijn tanden in het vlees wou zetten, kwam er een goudlaag om het vlees. Ook de wijn (een geschenk van Bacchus) veranderde bij zijn mond in vloeibaar goud. Geen hap stilde zijn honger, dorst verschroeide zijn keel. Toen smeekte hij: "O Bacchus, schenk me vergiffenis! Ik deed verkeerd, maar help mij. Ik smeek je: verlos mij van mijn gouden ziekte!"

Bacchus toonde zich genadig en ontsloeg hem van de afspraak; dan zei hij: "Als je niet langer met dat vervloekte goud besmeurd wil blijven, ga dan naar de Pactolus bij Sardes en volg de rivier door het bergland van de Lydiërs tot aan de bron. Waar de bron heel krachtig te voorschijn borrelt, spoel je je hoofd en lichaam af, en zo zul je ook je zonde wegspoelen."

Midas deed wat hem gezegd werd. De gouden toverkracht ging van zijn lichaam over in de stroom en nu nog blinken de akkers daar van goud.
 

Lindsay Deprince

3 LaWi

1999-2000
 

Midas en de god Pan

Midas leefde nu in velden en bossen en wijdde zich aan Pan, de god die in de bergen in grotten woont. Toch bleef hij lomp en dwaze onnadenkendheid zou hem een tweede keer veel ellende bezorgen.

De steile Tmolus zag ver uit over zee. Hij reikte met zijn hellingen van Sardes links tot aan het nietige Hypaepa rechts. Toen Pan daar op een keer lieve nimfen met zijn zangkunst vermaakte en licht frivole wijsjes op zijn panfluit speelde, durfde hij Apollo's verzen kleineren. Hij durfde zelfs een ongelijke wedstrijd aan! De berggod Tmolus mocht scheidsrechter zijn. De grijsaard zette zich op zijn bergrug en schoof het geboomte van zijn oren weg. Er bleef slechts een eikenkrans om zijn blauwgroen haar liggen en de eikels hingen langs zijn slapen. Zijn blik richtte zich op Pan, de god van het vee. "De jury", zei hij, "zit klaar en luistert."

Toen begon Pan op zijn rietfluit te spelen. Zijn wat uitheemse lied vertederde Midas, want deze was daar toevallig ook aanwezig. Daarna wendde Tmolus zich tot Apollo en terwijl hij dit deed, draaide het bos mee. De god droeg een laurierkrans van de Parnassus op zijn blonde lokken. Zijn purperrode mantel sleepte over de grond en zijn lier, bezet met edelstenen en ivoor, rustte op zijn linkerarm. Hij leek al op een kunstenaar als hij met het plectrum in de hand stond. Daarna begon hij de snaren zo bekwaam te spelen dat Tmolus voor de zoete klank bezweek en uitspraak deed: "Apollo's lier wint van de panfluit."

Iedereen was het eens met het oordeel van de berggod. Behalve Midas; hij protesteerde en noemde het onredelijk… De god van Delus, die niet verdroeg dat zulke stomme oren nog op mensenoren leken, rekte ze naar boven uit, bedekte ze met een grijze vacht en maakte de onderkant wat slap: zo konden zijn oren flapperen. Verder bleef Midas mens, alleen dat lichaamsdeel kreeg straf en zo had hij voortaan de oren van een trage ezel.
 

Midas' geheim verraden

Hij wilde die oren graag verborgen houden, want hij schaamde zich voor zijn hoofd. Daarom droeg hij een dure tulband om de schande te verbergen. Alleen de dienaar die zijn lange lokken mocht knippen, wist van zijn oren af en had ze al gezien. Omdat de man over zijn ontdekking niet durfde te praten, maar er toch over moest praten - hij kon zijn geheim niet bewaren - groef hij buiten ergens een kuil. Daarin vertelde hij met zachte stem over de oren van zijn koning en fluisterde in de grond hoe deze er wel uit zagen. Daarna dekte hij zijn woorden en ook het geheim met scheppen aarde toe. Toen de kuil dicht was, ging hij stilletjes naar het paleis. Maar op de plek waar hij gefluisterd had, ontsproot een dicht bos wuivend riet; Toen dat in het hoogseizoen volgroeid was verrieden ze het geheim door zachtjes ruisend in de wind te zingen over de oren van de koning.
 

Apollo gaat naar Troje

Na zijn wraak op Midas verliet Apollo Tmolus' berg en vloog door heldere lucht tot bij de smalle zee van Helle, de dochter van Nepheles, en landde bij het Troje van Laomedon. Tussen de voorgebergten Sigaeum en Rhotaeum in lag er een heiligdom dat aan de Dondergod gewijd was. Vandaar zag hij hoe Laomedon de muren van het nieuwe Troje bouwde en hoe dat machtige bouwwerk moeizaam en langzaam vorderde, ten koste van een enorme krachtsinspanning. Toen deed Apollo zich voor als een sterveling en bouwde samen met Neptunus voor Troje's koning de vestingmuren op, in ruil voor goud.

Toen het werk af was, ontkende koning Laomedon de afspraak: het toppunt van bedrog. "Je krijgt je straf nog!", riep de zeegod en hij jaagde grote watermassa's af op Troje's geldbeluste kusten, de akkers werden tot een immense vlakte met zeewater opgevuld; de oogst van de boeren werd vernield en elk stukje land werd overspoeld. En dat was nog lang niet alles: de koning moest nu ook nog zijn dochter Hesione afstaan aan een watermonster! Hercules redde haar uit de ketens waarmee ze aan een rots was vastgeklonken, maar toen hij de hem beloofde paarden opeiste, kreeg hij ze niet. Daarom veroverde hij het valse Troje. Telamon werd voor zijn aandeel in die strijd geëerd en kreeg daarom Hesione tot vrouw, die dus de schoonzus werd van Peleus. Deze was de vermaarde echtgenoot van Thetis, de trotse schoonzoon van Nereus en de kleinzoon van Jupiter. En ook al was dat laatste al zeldzaam voor een mens, zijn huwelijk met een godheid was uniek.
 

Peleus en Thetis

De oude Proteus had de zeegodin voorspeld:"Jij, Thetis, zal moeder worden van een zoon die de daden van zijn vader en diens faam zal overtreffen." Daarom werd Jupiter bang dat iemand machtiger dan hij zou worden en besloot hij om niet meer met Thetis op te trekken, ook al voelde hij voor haar hevige hartstocht. Hij vroeg aan zijn kleinzoon Peleus om zijn wensen betreffende Thetis over te nemen en te huwen met deze waterbruid.

Er ligt een baai bij Thrakië die rond is als een sikkel; de landtongen lopen ver de zee in en ondiep water bedenkt de bodem. Het strand heeft harde grond en het houdt geen voetafdrukken vast; het is er makkelijk lopen en niet begroeid met zeewier, zodat het er ook niet glibberig is. Niet ver vandaar is er een bos, vol met groene en zwarte mirtebessen. Midden in dat bos is er een grot; de vraag is of die natuurlijk of kunstmatig ontstaan is, maar mooi is zij zeker…

Daar ging Thetis graag heen, naakt rijdend op beteugelde dolfijnen. Het was ook daar, dat Peleus haar verraste in haar slaap en haar wilde verkrachten; hij sloot haar in zijn armen. Zij wees smekend zijn toenaderingspogingen af. Hij zou in zijn snode plan geslaagd zijn als zij haar toverkunst niet had toegepast, waardoor zij steeds weer een ander gedaante kreeg. Eerst werd zij een vogel, dus had hij een vogel beet. Daarna werd ze een dikke boomstam: Peleus omhelsde een boom! De derde keer werd ze een gevlekte tijgerin en daarmee deed ze Jupiters kleinzoon zo schrikken dat hij haar liet gaan.

Dan bad hij tot de goden van de zee, hij goot schalen wijn over de golven en offerde vlees en wierook. Tot Proteus, de Karpatische voorspeller, uit de golven opdook: "Jij, zoon van Aeacus," zei hij, "je krijgt de vrouw die je begeert. Wanneer zij in die stenen grot in slaap ligt, bind je haar ongemerkt met strak geknoopte koorden vast. Al neemt zij honderd valse vormen aan, laat je niet foppen maar hou haar hoe dan ook goed in bedwang, tot zij zichzelf weer is". Na deze woorden verdween Proteus weer onder water en zijn laatste woorden werden door een golfslag toegedekt.

De Zon kwam reeds omlaag en liet de Zonnewagen dalen naar de westelijke Oceaan toen Nereus' mooie dochter weer eens in haar geliefde grot sliep. Peleus had het meisje nauwelijks in zijn macht of zij veranderde van gedaante. Ze had al snel door hoe krachtig ze vastgesnoerd was en daarom gaf ze zich, met haar handen in de lucht, over en zuchtte ze: "Je wint met behulp van goden; ik, Thetis, ben verraden…" Na deze woorden omhelsde hij haar; de held vond bevrediging en maakte haar zwanger van Achilles.
 

Joke Bouckaert

3 LaWi

1999-2000
 

Peleus bij koning Ceyx

Gezegend met die zoon en met zijn vrouw zou Peleus nu een man zijn geweest die in alles zou geslaagd zijn, als je de moord op Phocus niet meetelt: omdat hij schuldig was aan die broedermoord, was hij uit zijn eigen land verbannen. Zo was hij Trachis terechtgekomen, waar een vreedzame en menslievende zoon van Lucifer regeerde. Het was een man die dezelfde lichtglans als zijn vader uitstraalde: koning Ceyx.

Maar op het ogenblik van Peleus' aankomst was Ceyx niet zichzelf; hij was in rouw omdat zijn broer hem ontnomen was. Peleus was doodmoe door de lange reis en voelde zich door schuld gekweld. Toen hij met zijn klein gezelschap door de poort gegaan was (het vee dat hij bij zich had, had hij immers in een beschaduwd dal buiten de stad gelaten) en toen de koning hem tenslotte ontvangen had, begon Peleus te smeken. Hij vertelde wie zijn vader was maar verzweeg de moord die hij gepleegd had (de ware reden van zijn vlucht!); hij vroeg aan de koning gastvrijheid binnen de stad of in zijn land. Vriendelijk zei Ceyx: "Peleus, ook minder hoge mensen heet ons goede land welkom. Ik regeer niet over een ongastvrij gebied en afgezien daarvan zijn je wijdbekende naam en je afkomst van Jupiter sterke punten. Smeek daarom niet langer, je krijgt hier alles wat je vraagt; beschouw alles wat je hier ziet als het jouwe. Alleen zie je het nu niet op zijn best..."

Hij barstte in tranen uit. Toen Peleus en zijn mannen vroegen wat hem zo'n groot verdriet deed, deed hij zijn verhaal.
 

Ceyx' verhaal

"Die vogel ginds, die leeft van roof en voor de meeste vogels een bron van angst is, droeg niet altijd vleugels. Eens was hij een mens, maar een die wel al kenmerken van een vogel had. Hij was ook toen al vechtlustig en fel, en stond gauw met zijn vuisten klaar: zo was Daedalion. Daedalion en ik mogen broers zijn, en zonen zijn van Lucifer die elke dag Aurora wekt en als laatste de sterrenlucht verlaat, toch ben ik een man die houdt van vrede, rust en harmonie terwijl mijn broer altijd uit was op oorlog. Zijn vechtershart, dat nu binnen in een vogel paniek zaait bij Thisbe's duiven, heeft ooit menig koningshuis en volk de daver op het lijf gejaagd.

Daedalion had een wondermooie dochter, Chione, die wel duizend vrijers had. Ze was veertien jaar en dus huwbaar. Toevallig kwamen op een dag Apollo vanuit Delphi en Mercurius van de Cyllene-berg langs haar huis. Apollo en Mercurius zagen Chione en werden allebei verliefd op haar... Apollo stelde zijn hartsverlangens uit tot middernacht, maar Mercurius wachtte niet: met zijn staf streek hij haar ogen in slaap. Ze lag in een hemelse betovering en stond de god zijn lusten toe. Maar 's nachts, bij een volle sterrenhemel, verkleedde Apollo zich als een oude dienares en vierde zijn lusten bot.

Na negen maanden baarde Chione twee zonen. Voor de god die vleugelschoenen draagt, bracht ze een slimmerik ter wereld, Autolycus. Hij was sluw in elke soort diefstal, iemand die niets anders deed dan wit naar zwart en zwart naar wit verdraaien: een echte zoon van zijn vaders kunsten. Voor Apollo baarde ze Philammon, hoog geprezen om zijn citerspel en zangkunst.

Maar is bemind worden door twee goden, het baren van twee zonen en zelf een kleinkind zijn van Lucifer een voordeel? Werkt die roem soms niet verkeerd? Voor velen wel en zeker ook voor haar. Zij immers waagde het Diana te kleineren en geringschattend te spreken over haar schoonheid. Daardoor werd Diana woedend en riep: 'Kan ik je soms een plezier doen met daden?' Ze richtte onmiddellijk haar boog en schoot een rieten pijl in de tong die dat verdiend had en ook dadelijk zweeg. Geen klank, geen woord kon Chione ondanks haar verwoede pogingen, nog uiten. Met haar bloed week ook haar leven...

Hoe droevig heb ik toen mijn broer omarmd, hoe voelde ik in mijn hart dat vaderlijk verdriet! Ik sprak hem in zijn verdriet troostende woorden toe, maar troost had op hem het effect van water op een dam. Hij klaagde voort om zijn verloren dochter en toen hij haar zag verbranden, wilde hij zich tot viermaal toe zelf in de vlammen storten. Viermaal werd hij tegengehouden; toen sloeg hij verwilderd op de vlucht. Zo woest als een jonge stier die, met zijn kop omlaag, opgejaagd wordt door horzelsteken, zo rende hij voort, zelfs waar er geen pad was...

Toen al vond ik dat hij niet meer liep als een mens; je zou gedacht hebben dat zijn voeten vleugels kregen. Hij ontliep ons allemaal. Voortgestuwd door doodsverlangen klom hij naar de top van de Parnasus. Toen hij daar van een hoge rots sprong, kreeg Apollo medelijden met hem. Hij liet hem plotseling op vleugels zweven en maakte van hem een vogel met een snavel, met kromme nagels en met een meer dan grote lichaamskracht, maar zijn oude vechtlust had hij behouden. Als havik jaagt hij nu nog steeds op al wat vliegt. Door altijd wreed te zijn voor anderen, brengt hij nu verdriet omdat hij zelf verdriet had."
 

Peleus' straf voor broedermoord

Terwijl de zoon van Lucifer dit wonderlijk verhaal over zijn broer vertelde, kwam de opzichter van de kudden buiten adem van het lopen aangerend en stamelde: "Peleus! Peleus! Ik heb grote rampen te melden!" Peleus gebood de man te spreken, wat die grote rampen ook mochten zijn. Ondertussen luisterde ook Ceyx angstig naar het verhaal.

"Ik had de kudden in een lome gang naar het kronkelende strand gebracht. Het was ongeveer middag; veel dieren lage op het zand en staarden uit over de uitgestrekte zee. Een deel wandelde traag heen en weer en sommigen zwommen met hun kop hoog boven het water uit. Bij dat strand ligt een tempel, die niet om zijn goud of marmer bekend is; hij steunt op zware zuilen en is omringd door een oeroud bos. In die tempel is Nereus met zijn Nereïden thuis, want een visser die op die kust zijn netten uithing, zei mij dat Nereus hun zeegod is.

Niet ver daarvandaan is er veel moerasgrond door het binnenlopend zeewater; alles is er vol gegroeid met wilgen. Op die plaats brak opeens zo'n lawaai los dat de hele buurt ervan opschrok. Dat lawaai werd veroorzaakt door een reusachtige wolf. Besmeurd met modderig slib viel hij ons aan. Hij had een bliksemende muil die vol hing met speeksel en slierten bloed; zijn blik was doortrokken van rossig vuur, maar zijn razernij was nog het ergste. Hij wou duidelijk niet alleen met runderen zijn lege maag vullen, hij viel ook het kleinvee aan. Elk dier binnen zijn bereik werd op een wrede manier door hem geveld. Toen we hem wilden vangen, raakte ook een deel van onze mensen gewond, en enkelen werden doodgebeten. Alles zag rood van het bloed: het strand, het water; het moeras weergalmde van het gekerm van dieren. Maar praten alleen volstaat niet! De toestand laat geen getreuzel toe! Zolang er nog iets te redden valt, moeten we er gewapend heen gaan. Grijp daarom de wapens en help ons bij de wolvenjacht!"

Niet de slachting zelf deed Peleus schrikken, maar de gedachte dat deze ramp een dodenwraak was, gestuurd door Phocus' moeder (een dochter van Nereus) omdat hij, Peleus, haar zoon had gedood. Koning Ceyx had zijn mannen al te wapen geroepen, had scherpe pijlen laten brengen en stond zelf klaar om te gaan toen zijn vrouw Alcyone, ongerust door al dat rumoer, het huis uitrende. Ze was niet eens klaar met haar kapsel! Met haar armen om zijn nek smeekte ze haar man om niet aan de redding mee te doen. Huilend vroeg ze hem om te denken aan hun leven samen. Peleus stelde haar gerust: "Je vrees, vorstin, is mooi en edel, maar wees niet bang. Ik ben je echt dankbaar voor je bezorgdheid, maar ik ben niet van plan dat mysterieus ondier te bestrijden. Wat ik moet doen, is offeren aan een zeegodin."

Hoog bij de stad stond er een vuurtoren, een welkomstteken voor schepen die veel hebben afgezien. Die toren bestegen Ceyx, Alcyone en Peleus. Ontzet aanschouwden ze de slachting van de runderen op het strand en bemerkten ook de slachter met bloed rond zijn bek en in de lange haren van zijn vacht. Met zijn handen naar de open zee gericht bad Peleus tot de zeegodin Psamathe, om haar wrok te staken en hulp te bieden. Maar zij liet zich niet vermurwen door Peleus' smekende stem.

Pas toen Thetis, Peleus echtgenote, mee smeekte, toonde Psamathe medelijden en gebood ze de wolf zijn moordlust te staken. Maar omdat de zoete smaak van bloed in hem voortraasde, werd hij, nog kauwend aan een stuk gereten runderschouder, in steen veranderd. Zijn lichaam bleef gelijk, maar zijn kleur, de kleur van marmer, was een bewijs dat hij nu geen wolf meer was en dat men dus niets meer te vrezen had.

Toch was het Peleus niet gegund in dat land als balling te blijven wonen. Zwervend kwam hij aan in Magnesia waar de Thessaliër Acastus hem van zijn bloedschuld reinigde.
 

Jasper Ugille

3 LaMt

1999-2000
 

Ceyx en Alcyone

Intussen maakten Daedalions gedaanteverwisseling en wat daarna gebeurde Ceyx diep ongerust. Hij wou een orakel raadplegen - wat een mens vaak steun biedt - en daarom wou hij het heiligdom van Apollo in Clarus bezoeken: Delphi werd onveilig gemaakt door de roverstroep van Phorbas en zijn Phleghyërs. Hij bracht zijn trouwe Alcyone op de hoogte van zijn voornemen. Onmiddellijk voelde die een intense koude rilling over haar rug kruipen; ze werd lijkbleek, haar gelaat betrok en tranen biggelden over haar wangen. Driemaal wou ze iets zeggen, driemaal stokte haar stem in haar keel.

Daarna brak ze snikkend maar liefdevol in klachten uit: "Wat heb ik je misdaan, mijn liefste? Waar haal je dat idee? Waar is die liefde van jou waarvoor alles moest wijken? Kun je nu met gerust gemoed weggaan? Mij, Alcyone verlaten en ver op reis gaan? Hou je ver van mij soms meer van mij? Natuurlijk reis je ook over land en dan zal ik treuren, niet vrezen. De zee daarentegen verschrikt me, het trieste beeld van de golven...Want laatst zag ik nog het wrak van een schip, en hoe vaak las ik op een schip geen namen van vermisten! Nee! Ik sta niet toe dat je bedrieglijke hoop koestert omdat je de schoonzoon bent van Aeolus, de god die windkracht temt en golven kan kalmeren wanneer hij dat maar wil. Maar als zijn winden vrijgelaten worden en de zee beheersen, zijn ze niet te houden; al wat land is en heel de zee valt hun ten prooi; ze plagen zelfs de wolken aan de hemel en slaan er met harde botsingen vurige bliksems uit. Ik ken de winden want ik zag ze als kind in mijn vaders huis; ik zie alleen maar gevaar. Mijn lieve man, als mijn smeekbede niets uithaalt en je blijft ondanks mijn woorden vastbesloten te gaan, neem me dan mee. Dan dolen we tenminste samen rond en kan ik voelen wat ik vrees. Samen kunnen we dragen wat komt, samen kunnen we de zee trotseren..."

Alcyone maakte met haar klagende woorden indruk op haar man; zijn liefde was immers niet minder dan de hare. Maar hij wou niet van zijn voorgenomen reis afzien en evenmin Alcyone in gevaar brengen. Vandaar dat hij troostende woorden sprak om haar angst weg te nemen, maar overtuigen kon hij haar nog niet. Alleen deze woorden vermurwden haar: "Voor ons duurt elke scheiding lang, dat weten we allebei, maar ik zweer bij Lucifer, mijn vader, dat - als het lot me wil sparen - ik terug ben voor de tweede volle maan."

Na deze belofte die haar hoop gaf op een behouden vaart, beval hij snel het schip in zee te trekken en van tuig en zeilen te voorzien. Alcyone voelde, toen ze daarnaar keek, weer een rilling als kon ze in de toekomst kijken. Ze liet haar tranen stromen, omarmde Ceyx en fluisterde hem diep ongelukkig een somber vaarwel toe. Ze stortte zich languit op de grond en Ceyx mocht nog overwegen zijn vertrek uit te stellen, maar de jonge roeiers die twee rijen sterk waren, trokken de riemen steeds tot aan de borst en lieten ze met gelijke slag over de golven scheren.

Eenzaam keek ze door haar tranen op en zag ze hem op het achterdek staan. Eerst zag ze hoe haar gemaal haar met wuivende armen afscheid wenst, en ze wuifde nog terug. Toen werd ze op de kust steeds kleiner voor hem en kon ze hem ook niet meer onderscheiden. Daarom hield ze, zolang het kon, het snel verdwijnende schip in het oog. Toen ook de romp door de grote afstand onzichtbaar werd, zag ze alleen nog maar het zeil wapperen. Pas toen het zeil uit het zicht was, ging ze naar zijn lege kamer en wierp zich ongerust op het bed. Dat bed deed het verdriet van Alcyone groeien en liet haar nog meer beseffen wat ze miste.
 

Ceyx's lot

Ze waren buitengaats en de wind blies de touwen strak. De roeiers laten de riemen rusten, trokken ze in en takelden de ra naar de hoogste stand. Ze hesen het zeil om de winden beter op te vangen. Het schip sneed door het water en was al halfweg - zeker niet verder, nergens kust te zien, niet voor, niet achter - toen plots de zee tegen de avond met hoge golven en witte schuimkoppen begon te kolken en een felle storm kwam opzetten.

"De bovenra omhoog! Onmiddellijk!" bulderde de stuurman "Snel! Strijk het zeil! Binnenhalen!" Zo luidden zijn orders, maar de tegenwind overstemde zijn woorden en het beuken van de zee op de scheepswand deed elk geluid verstommen. Toch trokken ze spontaan de riemen binnen en stopten de gaten van de roeiriemen dicht; ze zorgden ervoor dat de wind geen kans meer kreeg om in het zeil te blazen. Anderen hoosden of haalden snel de ra omhoog.

Terwijl dit bijna automatisch werd gedaan, zwol het noodweer aan: van overal vielen de winden aan en zweepten boze golven op. De angstige stuurman moest toegeven dat hij niet meer wist wat goed was voor het schip; daar was geen stuwmanskracht tegen opgewassen. Alleen al het lawaai: geschreeuw van mensen, gekraak van touwen, gebeuk van golf na golf en het gedonder in de lucht. De zee verhief zich met al haar water, ze leek wel tot in de hemel te reiken en stuk te spatten op het lage wolkendek. Soms was het water zandkleurig als de boden werd omgewoeld; nu eens was het zwarter dan dat van de Styx, dan weer strekte het zich uit als een wijde, wit-bruisende vlakte.

Het schip voelde die wisselingen ook aan en leek de ene keer als van een hoge bergtop in diepe dalen neer te kijken tot in de Acheron, om daarna, neergesmakt binnen een krater van kolkend water uit helse diepten op te kijken naar de verre lucht. Telkens kreunde en kraakte het luid, wanneer de wand werd aangebeukt door de golven - even hard als wanneer een vestingmuur door een katapult of stormram wordt neergehaald. Zoals woeste leeuwen met gebalde kracht de uitdagende speren van jagers aanvallen, zo deed ook de zee: door samenspel van winden opgezweept, viel ze steeds op de scheepswand aan en torende er vaak hoog boven uit: houtpennen werden losgeslagen, balken werden uit elkaar geduwd en lieten het noodlottige water binnenstromen.

En kijk, toen stortte er uit de wolken zoveel regen neer dat je zou denken dat de lucht in het water viel of dat de opgezweepte zee tot in de hemel reikte. De zeilen waren nu doorweekt, water en hemel schenen in elkaar te lopen, aan de lucht waren geen sterren meer te zien, een blinde nacht lag over alles heen. Soms knetterde er een bliksemschicht en dat verschafte wat licht. Het water stond al hoog in het ruim van het schip en paniek overviel de opvarenden, net zoals bij een aanval op een stadsmuur een van de strijders - de moedigste van allemaal - steeds weer een aanval waagt en eindelijk zijn hoop vervult ziet (als eerste man van al die duizenden bezet hij de muur); zo deden ook de golven: wel negenmaal raakten ze de schepswand, tot een tiende, nog veel grotere vloedgolf kwam aanrollen en het schip kon binnendringen.

Aan boord voelden allen een panische angst opkomen, alweer net zoals bij een stadsmuur waar de vijand aan het graven is; daarbinnen houdt men nog even stand, maar vechtlust biedt geen uitkomst meer en de wanhoop stijgt, de dood valt aan en lijkt even vaak binnen de stad binnen te dringen als die golvenzee het schip binnendrong.
 

Liselot Knockaert

3LaMt

1999-2000
 

De mannen barstten in tranen uit, stonden als versteend en beklaagden zich om hun zeemansgraf. Ze riepen de goden aan en beloofden hen veel, ze smeekten om hulp met hun handen naar de hemel gestrekt. De ene dacht aan zijn huis met al wat hem dierbaar was en dat nu achterbleef, de andere aan zijn familie. Ceyx dacht aan Alcyone, in zijn klachten hoorde je niets anders dan haar naam. Hoewel hij naar haar verlangde, was hij toch blij dat ze er niet was.

Hij wou graag nog voor de laatste keer kijken naar zijn land, naar zijn huis, maar wist niet in welke richting: door het hevig kolken van de zee, door de schaduw van de donkere wolken die de hemel deden verdwijnen en door de inktzwarte nacht werd het zicht belemmerd. Na een krachtige, natte windvlaag braken de mast en het roer; trots om die overwinning stortte een golf, hoger dan alle andere, zich met veel geweld op het schip. De kracht was groter dan wanneer je heel de Athos-berg en de Pindus zou losrukken om ze in zee te gooien...

Door het gewicht boorde de golf het schip de diepte in zodat de meeste mannen, verpletterd door de watermassa, niet meer boven kwamen en beseften dat ze verloren waren. Anderen probeerden stukken wrakhout van het schip te grijpen. Ook Ceyx probeerde zich met zijn hand (die meer een scepter gewoon was) aan een balk vast te klemmen en schreeuwde tevergeefs om hulp naar zijn vader Lucifer, naar Aeolus, maar nog het meest van al naar Alcyone. Hij riep haar, zag haar in gedachten en vroeg de zee om zijn zielloos lichaam te dragen naar de plaats waar Alcyone op de uitkijk zou staan, opdat ze met haar lieve handen zijn lichaam zou kunnen begraven. Ronddrijvend schreeuwde hij zo vaak hij kon 'Alcyone!' en al was ze ver, zelfs onder water kon je hem horen. Toen kwam er een grote golf opzetten die hem overspoelde en deed verdrinken.

Zijn vader Lucifer kleedde zich in rouw en was daarom die nacht niet goed te zien: omdat hij de hemel nooit mocht verlaten, verborg hij zich achter dikke wolken.
 

Juno wil Alcyone op de hoogte brengen

Intussen telde Alcyone, zonder te weten wat er gebeurd was, de nachten af. Ze was al druk bezig met de kleren die straks haar man (na zijn thuiskomst) en zij zelf gingen aantrekken en verheugde zich op een thuiskomst die er nooit zou komen. Dagelijks droeg ze wierookoffers op aan alle goden en vooral aan Juno's heiligdom bewees ze eer: ze knielde voor haar altaar, biddend voor haar man die niet meer leefde, smekend dat hij ongedeerd zou thuiskomen en haar niet zou in de steek laten voor een andere vrouw; alleen de allerlaatste wens kon uitkomen...

Maar Juno kon het smeken om het leven van een dode niet langer aanzien en kon niet verdragen dat er handen van een weduwe op haar altaar lagen. Daarom riep ze Iris: "Snel, mijn trouwe bode, ga naar de god van de Slaap en meld je bij zijn paleis. Hij moet zorgen dat Alcyone droomt van de pas gestorven Ceyx en dat ze zo verneemt wat er gebeurd is." Na deze woorden kleedde Iris zich met een sluier van duizend kleuren; ze werd als een wijde boog aan de hemel zichtbaar en landde, zoals haar bevolen was, bij het huis van de god van de Slaap dat diep in nevels verzonken lag.
 

Het paleis van de Slaap

Dicht bij het land van de Cimmeriërs ligt in een verborgen dal een grot, een holle berg: dat is de diepe woning van de loom makende Slaap. De zon kan daar, of ze nu op- of ondergaat, nooit binnen schijnen. Mist en nevelslierten vormen er een troebel schemerlicht. Er is geen vroege, trotse, haan die met zijn ochtendlijk kraaien Aurora uit haar bed zingt. De stilte wordt er door geen klank van wakende honden of ganzen (die nog beter waken dan honden) verbroken. Je hoort er nooit takken die door de wind bewegen, grote of kleine dieren of stemmen van mensen: er heerst diepe rust en stilte.

Je wordt slaperig door het zachte kabbelen van het water van de Lethe dat over rollende kiezelsteentjes voortglijdt en dat diep in de rots ontspringt. Buiten de ingang van de grot ligt er een veld van papavers en ontelbare kruiden, waar de dauw brengende Nacht haar slaapdrank haalt om over duister land te sprenkelen. Je kan er nergens een deur horen knarsen of het geluid van een scharnier horen, want er is geen deur en dus ook geen deurbewaker in heel het huis van de Slaap te bespeuren. In het midden van de grot staat een bed van zwart hout, bedekt met een zwarte sprei en veren kussens, waarop de Slaap zelf lui uitgestrekt ligt te rusten. Overal om hem heen krioelen vage schimmen, in allerlei vormen, zo talrijk als halmen bij de oogst, als al de blaadjes in het bos, als zandkorrels op het strand.

Toen Iris naar binnen ging en zich een weg baande door het dromenvolk, werd de zaal van de god verlicht door de glans van haar sluierkleed. De Slaap opende moeizaam zijn ogen, zwaar van loomheid en hoewel hij niet recht kon blijven zitten en knikkebolde met zijn kin tegen zijn borst, wist hij zichzelf te vermannen. Steunend op een elleboog vroeg hij wat ze kwam doen.(want hij herkende haar).

Zij antwoordde: "O, Slaap, jij die iedereen de nodige rust geeft, jij die de zoetste bent van alle goden, jij die door je slaap de mensen vredig maakt zodat ze even hun zorgen opzij kunnen zetten, jij die hun lichaam, uitgeput van zware arbeid, doet rusten en weer de nodige krachten geeft, geef aan je droomgestalten, die bestaande wezens kunnen nadoen, de opdracht naar de stad Trachis te gaan in de gedaante van koning Ceyx en Alcyone te laten dromen over zijn schipbreuk. Juno wil dit zo." Onmiddellijk na deze boodschap vloog Iris weer weg, want ze werd moe van die sterke slaaplucht, ze voelde de slaperigheid door haar lichaam trekken en snelde huiswaarts langs de boog aan de hemel waarlangs zij was gekomen.

Dus wekte vader Slaap uit dat ontelbaar aantal dromen een van zijn zonen, de meester van de gedaantewisseling, Morpheus. Geen ander kan beter en met meer bekwaamheid iemands houding , uiterlijk, stem en manier van spreken nabootsen. Bij iedereen kiest hij de beste woorden en de passende kledij. Hij bootst alleen mensen na, terwijl een broer van hem vaak vogels, zoogdieren of adders imiteert. Deze heet bij de goden Ikelus, maar bij de mensen Phobetor. Een derde broer heet Phantasus en hij vormt zich vakkundig om tot aarde, water, steen of hout, eigenlijk tot alles wat geen ziel heeft. Zij drieën laten 's nachts aan koningen en generaals hun valse beelden zien; de andere dromen zijn voor arme mensen. Maar nu trok de Slaap zich daarvan niets aan en koos hij een van de drie uit om het bevel van Iris uit te voeren, en dat was Morpheus. Daarna werd hij alweer moe en ging weer op zijn praalbed liggen, met het hoofd diep in de kussens.
 

Morpheus' boodschap

Morpheus vloog geruisloos door het duister. In korte tijd bereikt hij de plaats in Thessalië waar de burcht van Trachis lag. Hij deed daar zijn vleugels af en nam de gedaante van Ceyx aan. Met diens houding en uiterlijk, grauw als een dode, zonder kleren aan zijn lijf, was hij vlak voor het bed van zijn arme vrouw gaan staan. Zijn baardhaar was duidelijk doorweekt en zijn natte lokken klitten in slierten aaneen door het zeewater.

Gebogen over het bed zei hij met betraande wangen: "Herken je Ceyx nog, jij arme, arme vrouw, of ben ik te veel veranderd? Kijk maar goed, dan zul je merken dat ik je man niet ben, maar wel zijn schim. Al jouw gebeden, Alcyone, mochten ons niet helpen: ik ben verdronken. Je moet niet langer op mij wachten met valse hoop! Door een nevelrijke stormwind en door harde stortvlagen werd mijn schip in het Egeïsche water gebeukt tot het brak. Terwijl ik tevergeefs jouw naam riep, werd mijn mond overspoeld door golven. Dit is geen vals gedroomde boodschap die ik jou moet brengen, je luistert niet naar vage geruchten. Ikzelf, de drenkeling, kom jou hier melden wat er met mij gebeurd is. Sta op en ween, trek je rouwkleren aan en stuur mij niet zonder een dodenklacht naar het schimmenrijk in de Tartarus!"
 

Andy Ritzen

3 LaWi

1999-2000
 

Morpheus had zijn stem vervormd tot die van Ceyx, zijn tranen leken echt en hij leek ook op Ceyx. Ze zuchtte diep en barstte in tranen uit. Toen ze hem probeerde vast te grijpen, ving ze alleen maar nevels. Ze riep: "Blijf hier! Waar ga je heen? We kunnen samen gaan!" Door haar luide stem en door de schok van zijn verschijning werd ze wakker. Ze keek eerst rond om te zien of hij er was. Er was immers al licht, dat door de slaven was aangestoken toen ze haar hoorden roepen. Toen ze Ceyx nergens vond, begon ze zichzelf te slaan en rukte haar bovenkleed aan flarden. Ze sloeg met haar vuisten op haar borst en trok, nee, rukte haar haren los.

Haar voedster vroeg wat haar zo bedroefd maakte en kreeg als antwoord: "Ik leef niet meer! Alcyone bestaat niet meer, zij stierf samen met Ceyx! Nee, probeer me niet te troosten: hij kwam om door schipbreuk. Hij stond hier voor me en toen ik hem wilde grijpen, loste hij op in de lucht. Hij was een schim, maar geen vage schim want hij leek op mijn man! Alleen had zijn stralend gelaat nu plaats gemaakt voor een bleek gezicht waarvan de haren nog druipnat jaren. Hij stond hier op deze plek, kijk dan..." (opnieuw keek ze of er nog sporen te vinden waren) "Hiervoor had ik steeds zo'n angstig voorgevoel! Ik riep nog: ga niet weg van me weg, vertrouw niet op die winden! Ach, je ben toch vertrokken en ik wou dat je mij had meegenomen. Ja, ik was beter meegegaan! Dan zou dit alles niet gebeurd zijn, dan zou de dood ons niet gescheiden hebben... Nu verga ik ook, zo ver van jou. De golfslag beukt ook mij, ik ben de prooi van de zee, ook al is er geen zee. Ik kan het niet meer aan om te leven met zo'n verdriet. Ik wil er niet tegen vechten, maar ik wil je evenmin in de steek laten. Ik zal met je meegaan. We zullen verenigd zijn door een grafschrift en niet door een urn, maar we zullen niet naast elkaar liggen in een graf. Wel zullen we door onze namen met bij elkaar verbonden blijven."

Door haar verdriet kon ze geen woord meer over haar lippen krijgen, ieder woord werd gesmoord door een snik.
 

Ceyx en Alcyone verenigd

Het was nog vroeg toen ze het huis verliet en bedroefd naar het strand ging. Ze zocht de plek op waar ze van hem afscheid had genomen. Toen ze daar een tijdje zat, zei ze plots tot zichzelf: "Hier lichtte hij het anker. Op dit strand kuste ik hem vaarwel, onze laatste kus." Terwijl ze bezig was die herinneringen op te halen, keek ze naar de zee.

Plots zag ze wat verder in het heldere water iets drijven, dat op een lichaam leek. Eerst wist ze niet wat het was, maar toen het door de golven dichterbij was gebracht, zag ze dat het inderdaad een lichaam was: een drenkeling. Plots voelde ze een schok van onheil. Zonder te weten wie er daar in het water lag, riep ze hem toe: "Wie je ook bent, wie ook je vrouw mag zijn, ik beklaag je!"

De branding bracht de man dichterbij en hoe dichter hij kwam, hoe minder ze zich kon beheersen. Ze zag de man die nu voor haar voeten was aangespoeld heel goed en herkende hem: het was haar eigen man! "Het is Ceyx!" riep ze. Ze trok aan haar haren en rukte zich de kleren van het lijf. Ze strekte beide armen bevend naar Ceyx uit en riep: "Mijn arme man, zo kom je dus bij mij terug?" Ze sprong recht en wou naar een golfbreker lopen.

Toen gebeurde er een wonder, want toen ze wou beginnen rennen, vloog ze! Wiekend door de ijle lucht met haar pas gekregen vleugels vloog ze net boven de zeespiegel, een bedroefde vogel. Terwijl ze vloog, liet ze een klaaglijk geluid horen met haar dunne bek alsof ze verdriet had. Toen streek ze neer bij het dode lichaam van haar geliefde en omhelsde hem met haar vleugels. Ze bleef hem hard en wanhopig kussen met haar snavel.

Of Ceyx dit nu voelde of het de deining van het water was die hem zijn blik deed opslaan, weet men niet precies. Maar wat men wel weet, is dat hij gevoel kreeg door het medelijden van de goden; ze veranderden hem samen met Alcyone in een ijsvogel. Hun liefde bleef bestaan, ondanks het gruwelijke lot dat elk van hen had ondergaan. Ook in de vogelwereld kun je hun liefde nog zien: ze paren, leggen eieren en Alcyone broedt zeven dagen lang op hun nest dat op het water drijft, maar alleen als er geen storm is. In die dagen blijft de zee stil, want Aeolus, de vader van Alcyone, kerkert dan de winden en gunt hun kroost een kalme zee.
 

Het verhaal van Aesacus

Een oude man die de twee vogels over het water zag vliegen, was vol van hun hechte band. Iemand die naast hem stond - of het kan ook de man zelf zijn geweest - zei: "Kijk, die vogel die daar met zijn poten gestrekt boven de zee vliegt, was ooit een koningszoon." Terwijl hij dit zei, wees hij naar een duikerseend met een lange nek. "Zijn stamboom loopt van Ilus via Assaracus naar Ganymedes, die door Jupiter ontvoerd werd. Dan van Laomedon, de oude koning, en tenslotte naar Priamus, die de val van Troje meemaakte. Die vogel had ook een halfbroer, Hector. Als er in zijn jeugd geen wonder was geschied, dan was hij nu misschien even beroemd als zijn broer Hector, de zoon van Priamus en Hecuba. Aesacus zelf was in de bossen van Ida geboren. Zijn moeder was een nimf, een dochter van de stroomgod Granicus. Daarom vermeed hij de stad: hij hield niet zo van al die praal van het hof. Hij leefde eenzaam in de bergen, in een streek waar geen mensen kwamen. Zelden kwam hij nog in Troje. Toch had hij nog gevoelens zoals liefde: vaak volgde hij stiekem Hesperia.

Op een dag zag hij hoe ze haar mooie lokken liet drogen in de zon. Plots had ze in de gaten dat ze begluurd werd en ze vluchtte razendsnel weg. Ze vluchtte alsof ze een hinde was die achternagezeten werd door een wolf of een watereend die ontdekt was door een gier. Aesacus volgde haar op de voet. Elk van beiden bleef rennen; de een werd geholpen door de liefde, de andere door de angst. Maar helaas, al lopend werd Hesperia gebeten door een adder die op de loer lag in het gras. Het gif verspreidde zich snel in haar bloed en ze stierf. Hij knielde bij het meisje neer en nam haar vast. Vol afgrijzen riep hij: 'Het spijt me, het is allemaal mijn schuld, het spijt me! Ik dacht niet na over wat er zou kunnen gebeuren. Het is mijn schuld en ook die van die adder, wij samen hebben jou vermoord. Hij beet jou, maar ik deed je vluchten. Wat ik heb gedaan, is veel erger en ik wil je troosten door zelf een einde aan mijn leven te maken!'

Nadat hij dit had gezegd, sprong hij van een rots. Maar Tethys brak uit meelijden zijn val en gaf hem vleugels om zijn zelfmoord te verhinderen. Hij wrokte omdat hij nu moest verder leven met wat hij gedaan had, want hij wou niet blijven leven. Met zijn vleugels vloog hij telkens weer hoog de lucht in om zich dan weer opnieuw in zee te storten. Maar zijn veren maakten zijn val licht, ook al dook Aesacus steeds weer diep met zijn kop in het water om de dood te vinden. Door de liefde was hij sterk vermagerd: zijn gelede poten en zijn nek waren lang en dun. Zijn kop stak ver uit naar voor. Hij hield erg veel van water en aangezien hij dol was op duiken, noemen ze hem nu duikereend."