LIBER DECIMUS

Orpheus en Eurydice: eerste deel van het verhaal
 

Mehdi Zagheden

3 LaMt

1999-2000
 

Orpheus nodigt Hymenaeus uit...

Hymenaeus, de huwelijksgod, kwam van een pas afgesloten huwelijk ergens op het eiland Kreta naar het land der Thrakiërs. Hij was door Orpheus geroepen om zijn huwelijk met Eurydice bij te wonen. Maar de god liet geen bruiloftsliederen horen, nergens zag men blije gezichten; men zag zelfs geen enkel gunstig voorteken. Integendeel, alles wees op een slechte afloop, en dat zou niet lang daarna bewaarheid worden door de dood van de pas getrouwde bruid, Eurydice.

Toen Eurydice met haar schare nimfen door het gras wandelde, gaf een adder haar een giftige beet en de ongelukkige Eurydice stierf. Orpheus vergoot veel bittere tranen en smeekte de goden om zijn vrouw terug te krijgen, maar zijn gebeden werden niet verhoord. Hij kon echter niet zonder haar leven en nam een besluit: hij zou haar zelf terughalen. Dus ging hij naar de Hades, het dodenrijk. Hij waagde zich tot bij Taenarum, de toegang tot het schimmenrijk. Daarna begaf hij zich naar de Styx waar hij overal menigten lichaamloze schimmen doelloos zag ronddolen.

Tenslotte stond hij voor Proserpina en Pluto. Hij zei: "Luister naar mijn smeekbede"; hij begeleidde zich op zijn lier en begon te zingen: "Ik ben naar de Tartarus gekomen, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit liefde voor Eurydice. Mijn liefde is te groot en ik kan niet zonder mijn Eurydice leven. Door een slangenbeet is ze uit haar jonge leven weggerukt. Ik smeek jullie, geef haar het leven terug; als dat niet mogelijk is, neem mij dan ook onder de doden op, want ik wijk niet meer van haar zijde."

Zijn lied was zo ontroerend dat de schimmen hun kwellingen vergaten. Zo greep Tantalus voor even geen wijkend water, Ixions rad stond stil en de gier bij Tityus had even geen honger. Ook de Danaïden onderbraken het vullen van hun bodemloos vat en Sisyphus hield een ogenblik op met zijn rotsblok op de heuvel te duwen. Zelfs de wraakgodinnen pinkten enkele tranen weg... De goden van de onderwereld waren zo ontroerd door het lied dat ze besloten dat hij zijn geliefde mocht terughebben, maar op een voorwaarde: hij mocht niet omkijken naar haar voordat ze het dal van het Avernus-meer hadden bereikt; daarna mochten ze weer samen zijn.

Maar het onvermijdelijke gebeurde: toen ze bijna op de aarde waren keek Orpheus achter zich, om te kijken of ze er wel echt was of uit verlangen. Hij had maar een glimp van haar opgevangen of ze viel al terug in het duister; het enige wat hij nog kon horen was een vage vaarwel. Tot zijn grote angst zag hij haar Cerberus voorbijgaan. Hij verloor pas zijn angst toen hij zichzelf verloor; zijn lichaam leek versteend. Zo waren Olenus en zijn onzalige vrouw Lethaea echt versteend: die prees zo haar eigen schoonheid dat Olenus zich schuldig voelde of zich schuldig wilde voelen, en beide voelden zich zo verbonden dat ze versteenden tot rotsen op de Ida. Nogmaals waagde Orpheus het om klagend naar de Tartarus af te dalen, maar de voerman weigerde hem nog eens mee te nemen.

Orpheus bleef daar zeven dagen en zeven nachten aan de oever van de Styx zitten, vol ongeloof om wat er gebeurd was: hij zou zijn Eurydice nu voor altijd moeten missen... Hij verweet de goden dat ze wreed waren en trok zich terug in afzondering in de Thrakische bergen. Drie jaar na dit pijnlijk ogenblik vermeed hij nog altijd de liefde; Venus was volgens hem de oorzaak van zijn ellende, want zij had hem verliefd laten worden op Eurydice. Veel vrouwen voelden iets voor de goddelijke zanger, maar ze werden allemaal genegeerd. In Thrakië was Orpheus de eerste om de liefde te bedrijven met jonge knapen...
 

Cyparissus

Orpheus zat in een groene vlakte; nergens in de verte kon je een plekje met schaduw bespeuren. Toen de zanger op zijn lier begon te spelen, zat hij plots in de schaduw van een van Dodona's bomen. Er kwamen nu van overal bomen; onder hen de bomengroep van de Heliaden, Daphne's laurier, een es, een steeneik waarvan de takken onder de eikels plooiden, een plataan, een ahorn met bonte kleuren en van de waterkant kwamen knotwilgen, lotusbomen, een buxusboom, hoogslanke tamarisken, een mirtestruik, een sneeuwbalstruik en zelfs klimop naar het gezang luisteren. Er waren ook nog wijnstokken, olmen, bergessen, sparren en wilde aardbeistruiken.

Tussen die menigte van bomen herkende Orpheus een kegelvormige cipres die vroeger een jonge knaap was geweest: Cyparissus, die dood Apollo werd bemind. Hoe was Cyparissus dan veranderd in een boom? De nimfen in de omgeving van Cartheia eerden een reusachtig hert met een groot gewei; zijn takken blonken als goud en aan zijn zachte hals hingen snoeren met juwelen die tot op zijn zachte vacht hingen. Aan een riempje bengelde een zilveren medaillon op zijn voorhoofd, en parels zo groot als bessen glansden langs zijn slapen. Het dier was ongelooflijk tam. Soms ging het binnen in huizen van mensen voor voedsel of om gestreeld te worden. Cyparissus, de mooiste knaap die ooit leefde op Ceos, was meer gehecht aan het dier dan om 't even wie anders. Hij was een echte vriend voor het hert. Hij verzorgde het en bracht het naar de vruchtbaarste plekjes of naar de zuiverste bronnen. Cyparissus mocht soms op de rug van het hert zitten, als een blijk van dank.

Op zekere dag in de zomer, op het heetste uur van de dag, had het vermoeide dier zich neergevlijd in het gras in de schaduw van een boom en leste daar zijn dorst. Cyparissus, jong en onvoorzichtig, zag het dier niet liggen en niets vermoedend wierp hij een speer in de richting van de plaats waar het hert zich bevond. Daarna ging Cyparissus kijken wat voor mooie buit hij misschien had getroffen, maar stelde vol afgrijzen vast dat hij zijn geliefde hert had doorboord. Langzaam zag hij uit het zwaar getroffen dier het leven wegebben....

Apollo zei tot Cyparissus dat hij niet mocht verder treuren, maar hij treurde verder. Hij smeekte de goden hem voor eeuwig te laten rouwen om zijn stervende vriend. Plots voelde hij dat zijn bloed en zijn tranen verdwenen, zijn lichaam vertoonde plots groene vlekken, zijn mooi haar veranderde in een weelderige kruin en hij kon zich niet meer bewegen. Apollo snikte en zei: "Ik zal nu altijd om jou treuren, en jij om een ander. Je zult het symbool zijn van verdriet."
 

Nick Therry

3 LaMt

1999-2000
 

Orpheus zingt

Zo lokte de zanger bomen naar zich toe. Hij zat te midden van viervoetige en gevleugelde dieren. Hij tastte de snaren met zijn duim af en luisterde of de vele tonen ondanks het klankverschil harmonieerden. Zo zong hij de volgende verhalen:

"Muze, mijn moeder! Mijn lied begint bij Jupiter, want alles wijkt voor Jupiter. Ik roem vaak de macht van Jupiter bij plechtig lierspel, zoals over zijn strijd tegen de Giganten en over zijn bliksemschichten. Nu ga ik minder ernstig klinken en ga ik zingen van liefde tussen goden en jongens, en van meisjes die verboden liefde koesteren en die voor hun lust gestraft zijn.
 

Jupiter en Ganymedes

Jupiter werd ooit verliefd op de Trojaan Ganymedes. Hij vond dat hij zich niet als Jupiter moest voordoen, maar als een adelaar, de enige gedaante die bij hem paste en die ook zijn bliksems kon dragen. Meteen vloog hij door het luchtruim en schaakte de Trojaan die nog steeds aan Jupiter de nectar aanreikt.
 

Hyacinthus

Apollo had ook graag Hyacinthus, de zoon van Amyclas, een plaats gegeven in het godenverblijf als hem geen droevig lot beschoren was. Toch werd de knaap in zekere zin vereeuwigd: wanneer de winter voor de lente wijkt en wanneer de Ram het sterrenbeeld van de Vissen vervangt, ontbloeit hij in het jonge gras als een voorjaarsbloem.

Apollo had hem boven iedereen lief en Delphi, de navel van de wereld, moest het zonder heerser stellen. Omdat Apollo steeds het ommuurde Sparta aan de Eurotas opzocht, dacht hij niet meer aan zijn boog of aan zijn lier, ja, hij vergat ook zichzelf, want niets was hem te veel. Hij zeulde met Hyacinthus' netten, hij dreef de meute honden voort, hij joeg met hem op moeizaam bergterrein en voedde zo dagenlang zijn hartstocht.

Telkens als het middag werd, deden ze hun kleren uit en smeerden zich in met olie van olijven voor een wedstrijd in het discuswerpen. Apollo draaide de brede schijf als eerste rond, slingerde ze en doorkliefde er het wolkendek mee. Na lange tijd viel de zware schijf weer op de grond; wat een voorbeeld van samenwerking tussen kunst en kracht!

Onmiddellijk liep Hyacinthus gefascineerd vooruit om de discus op te rapen, maar die werd door de harde grond teruggekaatst en vloog hem recht in het gezicht. Apollo werd even bleek als de knaap die op de grond lag. Hij tilde hem op ,legde hem in zijn schoot, depte de vreselijke wonde en probeerde hem in leven te houden met behulp van kruiden maar de wond was niet meer te genezen. Zoals viooltjes, papavers of zelfs rechte lelies opeens knakken bij het sproeien van de tuin en hun verwelkte kelken laten bengelen, zo hing bij Hyacinthus ook het stervend hoofd neer, zijn nek scheen veel te zwaar en lag tegen zijn schouder.

Apollo riep: 'Nu sterf je, Hyacinthus. Ik zie de wond die mij beschuldigt, ik ben de oorzaak van jouw dood. En toch, waar ligt mijn schuld? Moet het discusspel de schuld krijgen of wij, omdat we minnaars waren? Ach, kon ik maar met jou van lot wisselen of met jou sterven! Maar mijn lot laat dat niet toe. Je zal altijd bij mij zijn, want je naam ligt op mijn lippen, ik zal je bezingen met mijn lier! Je wordt een nieuwe bloem waarin mijn klachten geschreven staan en eens komt de dag dat Ajax, de befaamde strijder, zich bij jou voegt als bloem waarvan de blaadjes in dezelfde letters groeien...'

Pas had Apollo deze woorden gezegd of het bloed dat het gras rood had gekleurd, was verdwenen. Er groeide een bloem die glanzender was dan Tyrisch purper en die op lelies leek, behalve dat lelies zilverachtig zijn en deze purperkleurig. Apollo was nog niet klaar: Hij schreef in de blaadjes 'ai ai', waarmee hij zijn smart uitdrukte Ook Sparta was trots op zijn Hyacinthus en stelde het Hyacinthus-feest in dat volgens oude rituelen jaarlijks met grote luister gevierd wordt.
 

De Cerasten

De Cerasten hadden voor hun poort een altaar staan van Jupiter, de god van de gastvriendschap. Als een vreemdeling dat rood van bloed zag staan, dacht hij dat de oorzaak daarvan offers van kalveren of schapen waren . Maar nee, het was het bloed van vreemdelingen.

Zelfs Venus wilde niets van die riten weten. Ze wilde de stad en Cyprus' land verlaten, maar ze dacht: 'Wat heeft mijn stad, wat heeft dit land misdaan? Zijn zij soms schuldig? Die barbaren moeten zelf maar boeten met hun dood of met verbanning of beter nog, met een gedaanteverwisseling; dat houdt immers het midden tussen verbanning en dood!' Haar blik bleef op de gehoornde helmen van de Cerasten rusten; plots bedacht ze dat die hoorns konden blijven en ze vormde hun krachtige lichamen om tot jonge stieren.

De onkuise dochters van Propoetis waagden het toch nog om met Venus' goddelijkheid te spotten en haar wraak, zo zegt men, maakte hen tot de eerste prostituees. Toen ze om wat ze deden geen schaamte meer voelden en niemand nog bloosde, werden zij verhard tot steen; maar een klein verschil met hoe ze waren...
 

Pygmalion

Pygmalion had die vrouwen jarenlang in zonde zien leven en voelde een afkeer van het kwaad dat de natuur bij de vrouwen had ingeplant; daardoor bleef hij steeds vrijgezel. Ondertussen maakte hij wel een wit ivoren beeld met een weergaloze schoonheid en werd verliefd op zijn eigen werk.

Het leek op een echte jonge vrouw die graag bemind wilde worden. Pygmalion bewonderde haar en brandde van hartstocht voor dit namaak-lichaam. Hij voelde steeds met zijn vingers aan het beeld en maakte zich wijs dat het geen ivoor meer was. Hij kuste haar, sprak tot haar en hield haar in de armen, drukte zijn vingers in haar lichaam en was zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmde.

Hij vleide haar met verliefde woorden, gaf geschenken (schelpen of stenen, tamme vogeltjes, bloemenkransen, lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen en tranen van de Heliadenbomen). Vervolgens tooide hij haar met kleren, deed ringen aan haar vingers, snoeren om haar hals, lichte parelhangers aan haar oren en behing ook rijk haar borst. Alles sierde haar, ook al was ze mooi zonder dat alles. Hij legde haar op een divan met een purperen sprei, noemde haar zijn bed-vriendin en liet haar hals zachtjes in een kussen leunen, denkend dat ze dat kon voelen.

Het feest van Venus was begonnen. Jonge koeien met vergulde horens werden geofferd en overal kon je wierook ruiken. Na het offer bleef Pygmalion bij het altaar staan en wenste stil: 'O goden, als jullie alles kunnen geven, geef mij dan een vrouw.' Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep de bedoeling van deze wens: de vlam van het offervuur laaide driemaal op en een vuurtong schoot omhoog in de lucht; zijn wens zou in vervulling gaan.

Zodra hij thuis kwam haastte hij zich naar zijn beeld en kuste haar op de mond. Ze leek erdoor te smelten en weer kuste hij haar en raakte haar borsten aan met een vingertop: het aangeraakte ivoor werd week, de kilte verdween. Verbijsterd liet hij eerst geen vreugde toe, bang voor bedrog. Verliefd streelde hij steeds weer, steeds meer vrouw dan beeld: zijn strelingen doen haar bloed veel sneller stromen!

Daarna sprak Pygmalion, held van Paphus, dankwoorden uit voor Venus diep uit zijn hart, en drukte zijn lippen op de lippen van het meisje dat zijn kus voelde, begon te gloeien en haar ogen schuchter opsloeg. Op dat moment keek ze haar minnaar aan. Het huwelijk, door Venus voorbereid, ontving haar zegen: toen Paphos geboren werd, had de maan negenmaal haar sikkel tot een schijf gevuld en het eiland draagt soms nog de naam Paphia in plaats van Cyprus.
 

Frederike Syoen

3 LaWi

1999-2000
 

Myrrha

Ook Paphos kreeg een zoon, Cinyras. Cinyras had zich gezegend mogen noemen, als hij maar geen dochter had gehad. Nu ga ik zingen over gebeurtenissen die niet goed zijn. Meisjes en ouders, ga weg! Of als mijn lied toch jullie oren kan strelen, vertrouw mij dan even niet, geloof de feiten niet. Als jullie ze wel geloven, geloof dan ook in hun verdiende straf. Als de natuur toelaat dat zoiets in het openbaar gebeurt, prijs ik het Thrakische volk, ons land en deze plek gelukkig: ze liggen ver verwijderd van dat eiland waar zich zo'n schandaal heeft voorgedaan, ver weg van het Arabische Pince dat ons veel rijkdom mag sturen zoals balsem, aroom, kaneel en reukwerk dat uit bomen drupt en meer van dat soort dingen - zolang het maar die nieuwe mirreboom, hoe prachtig ook, op afstand houdt! Zelfs Cupido ontkent dat hij zijn pijlen in Myrrha's hart schoot, hij behoedt zijn fakkel wel voor dat kwaad! Waarschijnlijk heeft een van de Furiën in haar hart geblazen met Syrisch vuur en addergif. Je vader haten is al slecht, maar passie voor je vader voelen nog veel slechter… Het puik van de adel dingt van alle kanten naar haar hand, de jeugd van heel het oosten strijdt om haar te winnen. Myrrha, kies een van al die mannen, behalve die ene!

Zij voelt dat ook, verzet zich tegen zo'n verdorven hartstocht en vraagt zich af: 'Wat doe ik? Wat bezielt me toch? O goden, ik smeek jullie, bij mijn dochterplicht, bij het heilig recht van ouders, verlos mij van dit kwaad. Help mij geen zonden te begaan, als dit tenminste zondig is… Je hoort nooit zeggen dat eerbied voor ouders dit soort liefde afwijst. Andere wezens paren toch zonder onderscheid: een koe verwekt geen schande als zij haar vader laat begaan, een hengst gebruikt zijn kind als vrouw, een bok beklimt de geiten die hij zelf verwerkt heeft, een vogel wordt bevrucht door het mannetje waarvan het zaad ook haar verwekt heeft. Wat een geluk als zoiets mag! Maar mensen bedachten strenge regels. Waar natuur de vrijheid laat, stelt de menselijke wet jaloerse grenzen...

Toch bestaan er volkeren waar vaders met hun dochters huwen, moeders met hun zoons, zodat hun liefde voor elkaar met liefde wordt verdubbeld. Arme ik! Waarom mocht ik daar niet geboren zijn? Mijn lot ligt hier, helaas… Maar waarom denk ik zulke dingen? Verboden hoop, ga weg uit mijn hart! Hij verdient mijn liefde enkel als vader, meer niet. Was ik geen kind van Cinyras, dan had ik nu met hem het bed kunnen delen. Mijn ongeluk ligt bij mijn verwantschap, want als vreemde had ik meer bereikt. Het liefst wil ik weggaan, ver van deze streek, als ik die schande maar ontvlucht.

Kwalijk liefdesvuur weerhoudt mij echter, omdat ik Cinyras steeds zelf wil zien en hem aanraken, hem spreken en hem kussen, als ik niet verder mag gaan dan dat. Want ach, verdorven meisje, waarop kun je verder hopen? Je voelt toch hoeveel regels, hoeveel namen je verwart: je zult je moeders mededingster worden en je vaders maîtresse, zuster heten van je zoon en moeder van je broer! Ben je niet bang voor de Furiën met hun zwart slangenhaar? De zusters die zoeken naar mensen met een slecht geweten en woeste fakkels voor hun ogen zwaaien? Nu jouw lichaam nog rein is, moet je geest dat ook zijn. Schend de regels van de machtige natuur niet met verboden liefde! Alhoewel je die toch wil… Maar het is liefde zelf die het verbiedt en mijn vader is godsdienstig, sterk gelovig… O, ik wou dat hij dezelfde hartstocht voelde als ik!' Zo sprak zij tot zichzelf.

Maar Cinyras, die niet kon kiezen uit het grote aanbod van geschikte pretendenten, somde haar al hun namen op en vroeg met wie ze wou trouwen. Ze zweeg eerst, haar blik zocht steun in de zijne en terwijl ze bloosde, kwam er een warme tranengloed voor haar ogen. Cinyras dacht dat dit te maken had met meisjesgêne en vroeg haar niet te huilen. Hij droogde haar wangen met een kus, die Myrrha maar al te graag ontving. Op de vraag wie zij zou kiezen als echtgenoot, antwoordde ze: 'Iemand zoals jij.' Hij prees haar om die woorden, die hem half ontgingen en riep: 'Blijf mij voor altijd zo toegewijd!' Toen hij dat zei, dat woordje 'toegewijd', sloeg Myrrha met diep schuldgevoel de ogen neer.

Het was middernacht. De slaap had vermoeide mensen en hun zorgen in haar greep. Maar in Cinyras paleis lag Myrrha wakker, verteerd door niet te blussen vuur. Met wild verlangen in haar hart, dat ofwel wanhoopte of zocht naar daden; ze voelde schaamte maar ook lust en wist niet wat ze moest doen; zoals een boom in zijn stam verwond wordt door de bijl en voor de genadeslag aarzelt hoe hij zal vallen en daardoor rondom paniek zaait, zo wankelde ook haar hart, afwisselend gepijnigd, neigend naar links, naar rechts, onzeker zwaaiend tussen dubbel kwaad. Behalve sterven vond zij rust noch einde voor haar hartstocht en koos tenslotte voor sterven.

Vastbesloten stond ze op om een eind te maken aan haar leven. Ze fluisterde, nadat ze haar gordel vastgeknoopt had aan de deurpost: 'Lieve Cinyras, vaarwel! Begrijp waarom ik sterf!' Ze stak haar bleke hals naar voren…

Haar zacht gefluister was, zo zegt men, opgevangen door de trouwe oren van de voedster die haar deur bewaakte. De vrouw kwam overeind, keek door een kier en zag die lus voor zelfmoord. Ze had slechts een seconde nodig om luid gillend met veel lawaai haar eigen kleed te scheuren en die knoop van Myrrha's hals te rukken; dan pas was er tijd voor tranen.

De voedster sloeg haar armen om Myrrha heen en vroeg naar de reden van die strop. Het meisje sprak geen woord maar keek roerloos naar de grond, huilend omdat haar te trage zelfmoordpoging was ontdekt. De oude vrouw bleef echter vragen. Wijzend op haar dorre borsten en grijze haar smeekte ze, zo waar als ze haar in de wieg de eerste melk gaf, te vertellen wat haar nu kwelde. Zelfs toen Myrrha zich zuchtend van haar afwendde, bleef de voedster een antwoord eisen. Ze beloofde haar niet alleen te zwijgen, maar zei ook: 'Laat mij je helpen, vertel! Mijn ouderdom kan nuttig zijn. Is het liefdesverdriet? Ik ken een vrouw die met toverspreuken en kruiden weet om te springen. Word je behekst? Dan kan een magisch ritueel je reinigen. Of is het godentoorn? Die zal wijken voor offers… Wat kan er verder zijn? De welstand van dit huis is toch altijd onbedreigd? Je hebt je moeder nog, je vader…' Dat woordje 'vader' ontlokte aan Myrrha weer zo'n diepe zucht. De voedster kon nog steeds die slechte gevoelens niet raden, maar vermoedde wel een of ander amoureus conflict. Met haar doel voor ogen smeekte ze Myrrha hoe dan ook te zeggen wat haar bezielde.

Ze trok het huilende meisje op haar schoot, oud als ze was. Ze wiegde haar zachtjes in haar zwakke armen terwijl ze zei: 'Je bent verliefd, ik voel het. Maar juist dan kan ik - je moet niet bang zijn - je heel goed helpen zonder dat je vader er iets van merkt.' Het meisje sprong wanhopig van haar schoot, stortte zich op bed en gilde: 'Ga weg! Ik smeek je, alsjeblieft, bespaar mij m'n treurige schande!' en toen dat nog niet hielp: 'Weg! Of stop met vragen wat mij kwelt, want je krijgt iets vreselijks te horen!'

Het oudje huiverde, hief haar handen, bibberend van angst en ouderdom, ten hemel en viel het meisje smekend voor de voeten. Eerst vleiend, daarna werd ze boos: als ze het nu niet zou zeggen, dreigde de voedster haar vader van die strop en die zelfmoord te vertellen. Maar ze beloofde haar ook te helpen als ze eerlijk van haar liefde zou spreken. Het meisje tilde het hoofd en huilde aan de boezem van haar voedster een stroom van hete tranen. Ze wilde steeds gaan spreken, maar bleef telkens haperen en verborg uit schaamte haar mond in het kleed. Ze kwam nooit verder dan: 'Mijn moeder is zo gezegend met zo'n man!' en dan zuchtte ze.

Een koude huiver bekroop de voedster diep tot in het merg, want zij begreep. Het witte haar rees haar aan alle kanten steil te berge en voortdurend riep ze om die verdorven lusten, indien ze de middelen had, te bannen. Myrrha wist dat dit de enige juiste raad was, maar toch koos ze, als haar liefde niet vervuld zou worden, voor de dood. 'Nee! Leef maar,' roept de vrouw, 'je krijgt…' en dan durfde ze niet 'je vader' zeggen. Ze zweeg dus en verving beloften door gebeden.

De godsdienstige moeders vierden net het jaarlijks Ceres-feest. Ze droegen dan witte kleren en gingen hun dank betuigen voor de eerste oogst met kransen van korenaren. Negen nachten lang was elk contact met mannen en elk Venusspel verboden. Ook koningin Cenchreïs deed met de vrouwen mee en vierde de mysteriën. Nu het echtelijk bed vrij was, deed de voedster haar boze werk. Toen Cinyras beneveld was door wijn, vertelde ze hem, onder een valse naam, over een meisje dat knap was en verliefd op hem... Toen hij vroeg naar haar leeftijd, antwoordde ze: 'Net die van Myrrha.' Na zijn vraag om haar te halen, rende ze terug naar haar vertrekken. 'Mijn lieve kind, het is gelukt! Verheug je maar! ', juichte ze. Het arme meisje proefde die blijdschap niet echt van ganser harte, want haar voorgevoelens waren somber. Ze was in de war omdat ze terzelfder tijd blij was.

Op dat uur sliep heel de wereld. De Ossendrijver had juist de bocht genomen tussen Grote en Kleine Beer toen Myrrha toesloop op het kwaad. De goudverlichte maan vluchtte weg van de hemel en een zwart wolkendek verborg de sterren: de nacht miste al zijn vuur. Icarus' ster bedekte als eerste zijn gezicht samen met de Maagd, zijn trouwe dochter. Myrrha werd nog wel gewaarschuwd, want ze struikelde tot driemaal toe en driemaal kraste een uil zijn onheilspellend doodswoord.

Toch ging ze ervoor: schaamte verdween in de duisternis en de zwarte nacht. Met haar linkerhand klemde ze die van de voedster vast en met haar rechter tastte ze de donkere gang af. Dan stond ze voor de deur van de slaapkamer, ze opende ze en daar stond ze dan in de kamer… Haar knieën knikten en bibberden van angst, haar bloed trok weg en bij elke stap verloor ze meer en meer haar zelfvertrouwen. Hoe dichter het kwaad kwam, hoe groter haar angst en spijt over haar daad werd. Hoewel ze aarzelde en ongezien nog wou weggaan, trok het oudje haar toch mee tot bij het hoge bed en zei, haar voorstellend aan Cinyras: 'Hier, ze is nu van jou.' Toen liet ze de vervloekte geliefden alleen.

Zo nam de vader zijn eigen vlees en bloed zedeloos bij zich in bed, suste haar meisjesangst en fluisterde haar toe niet bang te zijn. Misschien noemde hij haar wel 'kind', omwille van haar leeftijd en misschien noemde zij hem dan 'vader'; troetelnaampjes in hun zonde…Voldaan glipte ze uit haar vaders bed, in haar schoot droeg ze zijn zondig zaad, die vrucht van incest. De nacht daarop herhaalde het spel zich en het bleef zo doorgaan tot Cinyras zijn minnares na al dat minnegenot wel eens wilde zien. Hij ontstak een fakkel en tot zijn afgrijzen zag hij zijn eigen kind.

Sprakeloos van verdriet trok hij zijn blinkend zwaard dat altijd naast zijn bed hing, maar Myrrha vluchtte weg en dankzij de duisternis en de blinde nacht ontsnapte ze aan een gewisse dood. Negen maanden zwierf ze rond, tot de last van haar zwangerschap haar te zwaar werd. Bang om te sterven, maar ook het leven hatend, wist ze niet wat ze wou en smeekte in een gebed: 'O, goden, als jullie werkelijk luisteren naar mensen met spijt, luister dan naar mij: ik heb een droeve straf verdiend en wil die niet ontgaan, maar laat mij levend geen schandvlek zijn voor levenden noch dood voor doden. Jaag mij dus uit het rijk van zowel dood als van leven. Geef mij een andere vorm!'

De godenhemel luisterde naar deze oprechte spijt, en tenminste haar laatste wens kreeg goddelijk antwoord. Terwijl ze nog sprak, werden haar benen bedekt met zand en uit haar tenen groeiden wortels: het beginpunt van een hoge boomstam. Haar botten werden van hout met enkel het merg dat binnenin bleef bestaan, want haar bloed verging tot sap. Haar armen vervormden tot takken, haar vingers tot korte uitlopers en haar zachte huid verhardde tot schors. De boomgroei had haar zwangere buik al bereikt, zou daarna haar borst bedekken en rond haar hals kronkelen, maar het duurde te lang voor haar: ze kwam het hout dat langs haar opklom zelf tegemoet en liet haar hoofd verdwijnen in de schors. Hoewel ze samen met haar lichaam ook haar vroegere gevoelens moest afstaan, huilde ze toch: er vloeiden namelijk lauwe druppels uit haar stam, eervolle tranen, want dat druipend mirrevocht werd naar zijn meesteres genoemd - een naam die nooit zal verstommen.
 

Adonis

Het kind, verwerkt in ontucht, was ook in die boom verder gegroeid en zocht een manier om zich van zijn moeder te bevrijden. Haar zware buik was in de boomstam gezwollen en de last beknelde haar moederlichaam, maar ze kon haar pijn niet uiten, ook niet met kreten om Lucina te roepen. Toch leek ze op een vrouw met weeën: de gekromde boom slaakte telkens diepe zuchten en was nat van de tranen. Lucina naderde vol medelijden en troostte haar in haar pijn. Toen raakte ze haar takken aan en sprak formules van verlossing: de boom spleet open en tussen de gebarsten schors verscheen een mensenkind, een krijsend jongetje dat op een graszacht bed werd gelegd door de nimfen en werd gezalfd met zijn moeders tranen. Zelfs Vrouwe Jaloezie zou hem bewonderen. Zoals je op schilderingen naakte liefdesgodjes ziet afgebeeld, zo was hij ook; er is alleen een verschil in wat ze dragen: Adonis miste wat Amor heeft: die speelse pijlkoker…
 

Venus en Adonis: begin van het verhaal

Jaren vlogen voorbij en waren niet te stoppen; niets is immers sneller dan de tijd. Die vrucht die bij zijn zus verwekt was door zijn moeders vader en die daarna gedragen en gebaard was door een boomstam, werd al snel een beeldschoon kind. Snel ook een knaap, een man, zichzelf in schoonheid overtreffend en Venus' lieveling (een vergelding voor zijn moeders lust).

Want op een keer, toen Amor met zijn boog op Moeder Venus' schoot sprong, raakte een pijl die uitstak onbedoeld haar borst. Pijnlijk gekwetst schoof de godin haar zoontje weg, maar de wonde zat dieper dan zichtbaar was en dan zij zelf eerst had gedacht…

Betoverd door een sterveling vergat ze Cythera's strand en kwam niet naar Cyprus waar de diepe zee Paphus omspoelt, niet naar het visrijke Cnidus, niet naar Amathus' mijnen, zelfs niet naar de hemel, want Adonis was hemelser! Ze wou hem voelen, bij hem zijn. Terwijl ze zich gewoonlijk zat te koesteren in de schaduw en aan haar schoonheid poetste, zwierf ze nu rond door berg en bos en langs ruw begroeide rotsen met haar kleed, net als Diana, tot de knieën opgeschort. Ze vuurde de honden aan en jaagde op ongevaarlijke jachtbuit, pijlsnelle hazen of een hert met hoogopstaand gewei of soms ook reeën, maar sterke everzwijnen liet ze lopen, ook roofdieren ging ze uit de weg net zoals wolven of beren met hun sterke klauwen en leeuwen die belust zijn op schapenbloed.

Ze raadde ook Adonis aan om op te passen, van oordeel dat zo'n raad nuttig kon zijn. 'Gebruik je kracht tegen lafaards,' zei ze, ' want tegen dapperen is dapperheid geen goed wapen. Alsjeblieft, jongen, wees niet roekeloos ten koste van mijn liefde. Jaag niet op dieren die door de natuur wapens meekregen! Jouw glorie zal dan volgens mij te duur betaald worden. Je charmes, die verblindende jeugd van jou - er is geen borstelzwijn, geen leeuw, geen enkel dier dat oog of hart daardoor laat temmen. Evers zijn fel, hun kromme slagtand flitst als een bliksemschicht en blonde leeuwen hebben een onbedwongen drift en snelheid… ik haat die diersoort!' Toen Adonis vroeg hoe dat kwam, zei ze: 'Ik zal het je vertellen, het is het oude voorbeeld van dierenwreedheid, ongelooflijk! Maar ik ben een beetje moe en het niet gewoon te jagen… Kijk, die schaduwrijke populier lacht mij wel toe. Het gras is als een bed, ik wil hier graag rusten met jou, kom…' En ze vlijde zich op de groene bodem tegen hem aan, legde haar hoofd naar achter in zijn schoot en vertelde.
 

Tuur Knockaert

3 LaWi

1999-2000
 

Atalanta en Hippomenes

'De vrouw die bij een wedren de snelste mannen overtrof, is geen vals gerucht. Maar of ze nu beroemder was door haar loopprestaties of door haar schoonheid, is moeilijk te zeggen. Toen zij Apollo's raad vroeg wie te huwen, antwoordde hij: «Voor jou geen bruidegom, Atalanta! Je moet de liefde mijden, anders verlies je levend ook jezelf...»

Geschrokken leefde ze ongehuwd in de schaduw van bossen. Ze wees het bezoek van mannen heftig af en zei: «Je krijgt mijn jawoord als je een wedloop van mij wint, maar voor verliezers wacht de dood.» Niettemin kwamen er toch een aantal overmoedige minnaars hun kans wagen, want schoonheid oefent zoveel macht uit! Hippomenes zat toe te kijken en verweet de mannen dat ze zoveel doodsgevaar riskeerden voor een vrouw, maar toen hij zelf die schoonheid zag, stak hij zijn handen op en riep: «Vergeef me, de beloning die jullie lokt, was mij nog niet bekend!»

Hij hoopte dat niemand haar voorbij rende, want hij zou ook wel zijn kans willen wagen. «Wie waagt, krijgt hulp van goden...» Terwijl Hippomenes dit bedacht, vloog Atalanta zo snel als een vogel voorbij. De jeugdige Beotiër was toch meer verbaasd om haar schoonheid dan om haar snelheid, en haar snelheid zelf droeg tot haar schoonheid bij: de wind gaf haar als het ware vleugels aan haar snelle voeten, haar lokken dansen om haar blanke schouders, bij haar kuiten wapperde het uiteinde van een kleurig geborduurde knieband. De blankheid van haar meisjesleden had een rosse glans gekregen - net zoals wanneer een purperen zonnescherm over een marmerwitte zaal een gloedvolle schaduw legt. Terwijl hij dit aanschouwde, ontving Atalanta de zegekrans; de verliezers moesten sterven.

Toch trad Hippomenes naar voren en zei: «Loop eens tegen mij! Als Fortuna mij helpt, zal verlies voor jou geen schande zijn. Mijn vader is Onchestius van Megara, Neptunus' kleinzoon; mijn kracht past bij mijn oorsprong. » Atalanta twijfelde of ze nog wel wou winnen en dacht: «Wie van de goden is zo wars van schoonheid dat hij iemand als hij wil laten sterven, hem zijn kostbaar leven laat riskeren voor mijn liefde? Niet alleen zijn schoonheid raakt mij diep, maar ook zijn jeugdige leeftijd! Hij toont ook veel moed en vreest de dood niet, hij stamt van een zeegod af en vindt een huwelijk met mij zo kostbaar dat hij wil sterven als de goden hem niet gunstig gezind zijn... Toe, ga heen! Ik ben een wrede bruid en ieder ander meisje wil wel jouw vrouw zijn. Vanwaar die zorg, terwijl er al zoveel stierven? Nu goed, hij ziet maar; als hij de dood niet inziet en het leven minacht... Sterft hij omdat hij met mij wil leven? Wordt zijn dood geen beloning voor zijn liefde? O alsjeblieft, toon je in je waanzin ook de snelste. Wat een onbedorven blik straalt uit je ogen! Ik wou dat je me nooit gezien had! Jij bent geschapen voor het leven. Als ik meer geluk had, was jij de enige voor mij..»

Voor het eerst was ze verliefd, maar wist niet wat ze meemaakte en herkende het niet als liefde. De mensen drongen aan op nog zo'n wedstrijd. Hippomenes riep mij, Venus, dringend aan: «O, help mij, Venus, ik bid je, steun me!» Ik hoorde deze zoete woorden en gaf mijn hulp zonder uitstel. De Tamaseense velden van Cyprus werden aan mij gewijd toen de raad van ouden mij er een heiligdom schonk met een groot stuk grond erbij. In het midden van die velden staat een schitterende boom met goudblonde bladeren en met takken die rinkelen van goud. Ik kwam daar juist vandaan; ik had drie gouden appels geplukt en gaf ze aan Hippomenes.

Na het startschot schoot het tweetal weg. Je zou geloven dat ze over zee of boven gele korenvelden konden rennen! Het gejuich van de mensen gaf de jongeman moed; ze riepen hem toe: « Kom op! Geef nu al je krachten! Winnen! » Wie bereidden deze woorden meer vreugde, Atalanta of Hippomenes? Atalanta kon hem vaak weer inhalen, maar hield telkens weer haar pas in. Een droog gehijg kwam uit zijn vermoeide keel, de eindpaal was nog ver.

Hippomenes liet een gouden appel vallen opdat Atalanta de appel zou oprapen. Hij passeerde haar en ontving een luid applaus, maar ze haalde hem weer in en vertraagde opnieuw bij het zien van de tweede appel en raakte achterop, maar haalde Hippomenes tenslotte toch opnieuw in. Bij het ingaan van de laatste ronde riep hij: «Godin, bescherm mij; Venus, jij gaf mij dit geschenk...» en hij wierp zijn laatste hoop ver weg, zodat zij verder achterop kwam...

Ik zag haar aarzelen en heb haar ingegeven de appel op te rapen. Het meisje werd verslagen en de winnaar kreeg zijn prijs. Zeg me, Adonis, had ik geen dank verdiend? Maar nee, hij gaf me die niet! En dat bracht me tot razernij... Gekwetst door dit gebrek aan eerbied stelde ik een voorbeeld dat maakt dat niemand nog met mij durft spotten. Ik zou ze krijgen!»

Ze kwamen bij een tempel die de nobele Echion eens aan Cybele, de Moeder-aller-Goden had gewijd, diep in een woud. Ze verlangden naar rust. Maar liefdeshartstocht, in een tempel ongepast, beving Hippomenes - het was mijn goddelijke wil... Naast die tempel was er een kapel die de vorm had van een grot. De priester had er vele gouden beelden neergezet. Hippomenes betrad die grot en schond dat heiligdom met liefdesgenot.

De goden durfden niet te kijken! De godenmoeder wou ze eerst in de Styx verdelgen maar vond die straf te licht, waarna zij ze veranderde in leeuwen met een blonde manenvacht en klauwen. De schouders werden schoften, hun hele lichaamskracht ging in hun voorlijf zitten en met hun staarten veegden ze de zandgrond; hun blikken schoten toorn en hun woorden weken voor gebrul. Het bos was nu hun thuis. Hoewel ze anderen angst inboezemen, spande Cybele hen voor haar wagen. Maar jij, Adonis, mag op geen enkel dier jagen, want anders zal jouw moed ons noodlot zijn...', aldus haar dringende raad, maar zijn vechtershart wou niet gewaarschuwd worden.
 

Venus en Adonis: einde van het verhaal

De honden joegen een zwijn uit zijn schuilplaats. Het dier wou juist ontkomen toen het in de zij werd geraakt door Adonis' speer. De ever rukte de speer snel uit de wonde. Hij stortte zich woedend op Adonis die trillend trachtte te vluchten, maar het zwijn zette zijn tanden in de buik van Adonis en liet hem stervend achter in het zand. Venus was nog op weg naar haar Tamaseense velden toen ze zijn doodsklacht hoorde en keerde onmiddellijk terug.

Zodra ze hem, dood, badend in een plas van bloed, hoog uit de lucht zag liggen, dook ze omlaag en riep verwijtend tot de Schikgodinnen: 'Jullie macht zal niet alles krijgen, mijn verdriet wordt een eerbewijs aan Adonis; jaarlijks zal jouw dood herdacht worden, een naklank van mijn klagen. Meer nog: je bloed zal tot een bloem uitgroeien.'

Bij die woorden liet ze zoete nectar in zijn bloed vallen. Nog geen uur later was uit dat bloed een nieuwe bloem ontloken, rood als appels van een granaatboom. Maar die nieuwe bloem biedt korte vreugde, omdat zij, broos van bouw en kwetsbaar door haar licht gewicht, geknakt wordt door de wind, waaraan zij ook haar naam dankt: windroos.