LIBER NONUS

Diederik Syoen

3 LaWi

1998-1999
 

Acheloüs en Hercules

Het slot van Theseus' verblijf bij de riviergod Acheloüs

De zoon van Neptunus vroeg waarom Acheloüs zuchtte en hoe hij zijn hoofdwonde had opgelopen. De Calydonische riviergod die zijn haar met riet omwonden had, vertelde het hem: "Je vraagt mij een droeve gunst, want wie vertelt graag verhalen over zijn eigen nederlaag? Toch zul je alles van mij horen, want verliezen was echt geen schande vergeleken met de eer die aan het gevecht verbonden was. Maar mijn grootste troost is dat de winnaar een grote held was.

Misschien heb je de naam Deianira al vaker gehoord? Ze was het mooiste meisje en de grootste hartenwens van menig edelgeboren man. Ik kwam als een van de velen voor een aanzoek in haar vaders paleis en sprak: 'Jou, Oeneus, vraag ik om je dochters hand.' Hetzelfde vroeg ook Hercules; ieder van ons liet de ander de eer. Hercules pochte met zijn afkomst: hij had immers Jupiter als vader en hij had zijn twaalf werken tot een goed einde gebracht; daarmee had hij aan Juno's eis voldaan.

Daarop riep ik: 'Is het geen schande als een god als ik moet wijken voor een mens?' Hercules was toen immers nog geen godheid. 'Kijk naar mij, ik ben de heerser van alle stromen die door je rijk kronkelen! Ik ben geen schoonzoon die hier plots langskomt, maar ik ben een landgenoot, een van de jouwen! En moet het in mijn nadeel zijn dat die verheven Juno mij niet haat en mij geen zware werken oplegt? En jij, Alcmene's zoon, jij praalt met Jupiter als vader, maar dat is ofwel een leugen, ofwel zeer verdacht als het de waarheid is. Maak je keuze maar, Oeneus, want ofwel is dat verhaal over Jupiter een leugen, ofwel is Hercules zijn bastaardzoon.'
 

Worstelwedstrijd tussen Acheloüs en Hercules

Gedurende de hele tijd dat ik dit soort dingen riep, keek Hercules me briesend aan; hij vond de kracht niet zijn boos gemoed te temmen en snauwde me bits toe: 'Mijn vuist is een beter wapen dan mijn tong; als ik win met vechten, dan mag jij winnen met het woord...' en hij daagde me woedend uit tot een duel. Na al mijn grootspraak durfde ik niet weigeren; ik heb mijn groene mantel afgegooid, mijn vuisten dreigend opgeheven en mijn gespierde armen pal voor mijn borst in houding gezet, klaar voor een worstelwedstrijd. Eerst gooide hij handenvol zand naar mij, waarop ik hetzelfde deed. Hercules pakte mijn nek vast en onmiddellijk daarna probeerde hij mijn flitsend snelle benen te grijpen, en belaagde me ook nog van links en rechts.

Mijn stevigheid was mijn redding; zijn aanval werd verijdeld als door een dam waar de golven met luid gebulder op inbeuken maar die toch standhoudt door zijn gewicht... We namen even afstand voordat we weer ten aanval gingen; dan, vastbesloten geen duimbreed toe te geven, stonden we weer verstrengeld, voet aan voet; ik duwde met heel mijn bovenlijf tegen hem, voorhoofd op voorhoofd, vingers tegen vingers. Zo zag ik wel eens twee sterke stieren in een gevecht toen er gestreden werd voor de mooiste koe van de hele bergwei. De rest van de kudde keek angstig toe, vol spanning over wie de strijd in zijn voordeel zou beslechten.

Zeker driemaal wou Hercules mijn tegenwerkend lichaam van het zijne los duwen, maar zonder succes. Bij zijn vierde poging brak hij echter wel mijn greep, ontdeed zich van mijn armen om hem heen, diende me een stomp toe die - dat wil ik openlijk bekennen - mij deed rondtollen en sprong op mijn rug met zijn hele gewicht. Geloof me - want ik zoek met mijn verhaal geen valse glorie: ik dacht echt dat een bergrug me verpletterde! Toch wrong ik met veel wilskracht mijn met zweet bedekte armen naar boven en verloste me moeizaam, happend naar lucht, van die strakke knoop. Hij liet me echter niet op adem komen en greep me onmiddellijk in de nek; pas toen ging ik door de knieën en beet in het zand.

Omdat ik de mindere was in kracht, zocht ik mijn toevlucht tot mijn toverkunst: ik veranderde in een lange slang en kon Hercules ontglippen, maar toen ik met dat slangenlijf wat kronkelbochten had gedraaid en woest siste met mijn gespleten tong, lachte Hercules, de held uit Tiryns, me uit en bespotte me om mijn trucs: 'Ik was als wiegenkind al sterk in het wurgen van slangen,' riep hij, 'en zelfs al win je het van elke andere slang, je blijft een nietig klein slangetje, Acheloüs, vergeleken bij de draak van Lerna die door zijn eigen wonden sterker werd: geen enkele van zijn honderd koppen kon je zomaar afslaan zonder dat er een nog veel sterkere nek met twee koppen aan ontsproot! Dat beest, dat werd omkronkeld door uit bloed ontstane adders en groeide in zijn pijn, heb ik, Hercules, gedood en gevild. Hoe zal het jou vergaan, denk je, in je slangenvermomming, zonder dat je vecht met je eigen wapens maar worstelt in een geleend kostuum?' Na deze woorden knepen zijn vingers mijn keel van boven hard dicht. Ik snakte naar lucht - als zat mijn luchtpijp in een tang - worstelend om mijn keel van die vingers te verlossen.

Toen dat echter niet lukte, bleef mij nog een derde gedaante; die van een stier, en in stierengedaante vocht ik verder. Hercules greep van links mijn halskwab stevig beet, trok en liet me niet meer los, tot hij mijn omlaag gerichte horens de harde grond in boorde en mij diep in het stof deed bijten. En toen, doordat hij iets te woest een harde hoorn vastgreep, brak hij die af en rukte hem van mijn kop. Het is die hoorn die mijn nimfen vol met fruit en bloemen stopten en wijdden als rijk symbool aan godin Fortuna." Aldus klonk Acheloüs' verhaal. Een nimf, een van zijn dienaressen, gekleed volgens Diana's mode en met loshangend haar, kwam binnen en bracht uit de rijkgevulde hoorn de tweede gang van de maaltijd: een overvloed van herfstvruchten.
 

Theseus en zijn mannen nemen afscheid

Bij ochtendgloren, toen de eerste zonnestralen de rand van de bergen raakten, namen de mannen afscheid zonder te wachten tot de stromen gekalmeerd waren en de overvloed aan water weer vredig voortgleed. Acheloüs liet zijn ruige hoofd (waaraan een hoorn ontbrak) weer onder water zakken. Toch ging zijn nederlaag slechts gepaard met het verlies van die ene hoorn; verder bleef hij ongedeerd en zijn hoofdwonde bedekte hij met een krans van riet of wilgenscheuten.
 

Hercules en Nessus

De woeste Nessus had zijn liefde voor diezelfde Deianira moeten betalen met zijn eigen dood: een pijlschot in zijn rug. Hercules, op weg met zijn jonge vrouw naar Tiryns, zijn geboortestad, was al bij Euenus' snelle stroom beland. Het water stond echter veel hoger dan normaal; de Euenus was gezwollen door de talrijke winterregens en was door draaikolken niet meer doorwaadbaar. Hercules zelf was onverschrokken, maar hij was bezorgd om Deianira. Toen bood Nessus, sterk van lichaam en goed bekend met de rivier, zijn hulp aan en zei: "Ik draag haar naar de overkant, dan kan jij de andere oever op eigen kracht bereiken, Hercules."

De held vertrouwde het Calydonische meisje, dat erg bang was - zowel voor het water als voor de kentaur - aan Nessus toe en riep dan, van onder zijn zware vracht van leeuwenhuid en pijlkoker (zijn knuppel en kromme boog had hij immers al naar de overkant geslingerd) dat het niet de eerste keer was dat hij een stroom ging temmen. Hercules aarzelde niet, hij keek ook niet waar de stroom het gunstigst was om over te steken en weigerde zich door het water te laten meedragen. Toen hij aan de overzijde was en zich bukte om zijn wapens op te rapen, hoorde hij zijn vrouw gillen: Nessus wilde zich vergrijpen aan wat hem toevertrouwd was!

Daarop riep Hercules: "Vuile schurk, waar ga je heen? Vertrouw je eigen voeten niet! Ik zeg je, paardmens, en luister maar goed: je zult mijn eigendom niet aanraken! En als je mij niet respecteert, dan moet je eens denken aan je vader: de gedachte aan Ixions rad moet jou toch hoeden voor verboden lust? Nee, mij ontkom je zeker niet, al denk je dat je paardenbenen je zullen helpen. Ik zal je niet te voet inhalen, maar met een pijl." Dat laatste woord was reeds een feit, want terwijl de dief nog vluchtte, doorboorde een pijl zijn rug. De punt met weerhaak stak uit zijn borst en toen hij die terugtrok, spoot het bloed uit beide openingen, zich mengend met het gif van de draak van Lerna (waarmee de punt was ingesmeerd). Nessus ving dit bloed nog op en dacht: "Ik wil niet ongewroken sterven." En hij gaf een kleed, doordrenkt met zijn bloed, aan het meisje, als liefdesmiddel...
 

Tom Derutter

3 LaWi

1998-1999
 

Apotheose van Hercules

Deianira hoort geruchten over Hercules' ontrouw

Veel later, toen Hercules' heldendaden en Juno's afgunst wijd bekend waren, bracht Hercules als winnaar van Oechalia offers aan Jupiter op de Cenaeum-berg. Ondertussen maakte de leugenachtige Fama Deianira wijs dat Hercules verliefd was op Iole. Verdrietig en geschokt geloofde de arme vrouw deze leugen en liet haar tranen de vrije loop, maar al vlug dacht ze: "Wat? Geen traan ween ik nog; die hoer zou zich nog vrolijk maken over mijn verdriet. Maar wat moet ik doen? Straks komt ze met hem mee, ik moet dus vlug handelen. Zou ik mijn beklag bij hem doen? Of zou ik zwijgen? Moet ik terug naar Calydon? Of moet ik blijven? Zal ik hun tot last zijn als niets anders baat? Als een ware zus van Meleager moet ik toch ook in staat zijn iemand te doden? Ik kan die hoer toch doden en tonen waartoe onrecht en verdriet een vrouw bewegen?"

Zo overwoog ze allerlei manieren om zich te wreken, om uiteindelijk het met bloed doordrenkte doodskleed van Nessus naar haar man te sturen, in de hoop dat de gedoofde liefde van Hercules daardoor weer zou opflakkeren. Niet wetend welk ongeluk haar te wachten stond, gaf ze het aan Lichas, die van niets wist. Hercules ontving het giftig kleed en sloeg het om zijn schouders.

Nauwelijks stond hij bij het offervuur of het gif smolt en drong in het lichaam van de held. Toen de pijn ondraaglijk werd, weerklonken zijn schreeuw en zijn kreten in Oeta's bos. Op de plaatsen waar hij het kleed probeerde los te trekken, scheurde hij zijn huid los. Zijn bloed siste door het gif. De vlam vrat aan zijn organen, zijn spieren knapten, zijn beenderen smolten door het gif.

Hij keek naar de hemel en riep Juno aan: "Geniet maar van mijn ondergang, kijk omlaag; zelfs wie mij haat, moet mij nu beklagen. Verlos je vijand uit zijn helse pijnen. Schenk mij de gunst van de dood. Heb ik hiervoor Busiris gedood die de tempels bezoedelde met bloed van vreemdelingen? Heb ik hiervoor aan die woesteling Antaeus de hulp van zijn moeder ontnomen? Heb ik hiervoor Geryones met zijn drie lichamen en het driekoppige monster Cerberus overwonnen? En een sterke stier met blote handen getemd? Ik overwon ook in Elis, in het Parthenisch bergwoud en bij het Stymphalische water; door mijn kracht kon ik de gouden Amazonegordel van Thermodon meebrengen en de door een draak bewaakte appels stelen. Zelfs de kentauren konden mij niet aan, of het zwijn dat Arcadië verwoestte; evenmin vond de Hydra baat door kracht te putten uit haar wonden en tweemaal zo sterk te worden. Toen ik in Thrakië de vleesetende paarden vond, doodde ik hen samen met hun meester. Ik heb ook Nemea's leeuw geveld en het hemelgewelf getorst met mijn schouders. Zelfs Juno werd moe van al de eisen die ze stelde, maar toch bleef ze me achtervolgen. Het vuur vreet mij op terwijl Eurystheus nog leeft!" Zo schreeuwend beklom hij de Oeta, zijn vader aanroepend, terwijl hij de kleren van zijn lijf trachtte te scheuren.

Hercules straft Lichas, die onschuldig is

En dan zag hij Lichas die zich angstig verborgen hield. Omdat hij door de pijn volledig waanzinnig was geworden, riep hij: "Lichas, word jij mijn moordenaar?" De ander sidderde van angst en riep dat hem geen schuld trof, maar Hercules tilde hem al omhoog, zwaaide hem rond en slingerde hem naar de zee. Terwijl Lichas wegvloog, werd hij zo hard als steen en raakte van schrik al zijn lichaamsvochten kwijt.
 

Dood en apotheose van Hercules

Jupiters zoon velde talloze bomen en maakte op de Oeta een brandstapel. Hij liet zijn boog en pijlen - die Troje nogmaals zou moeten voelen - na aan Philoctetes die de brandstapel aanstak. Hercules spreidde zijn leeuwenhuid en ging liggen, met zijn knots als kussen: hij keek even vrolijk als wanneer hij aan een feestmaal zou aanliggen. De vlammen bereikten reeds zijn lichaam; zelfs de goden hielden hun adem in.

Toen Jupiter dat merkte, zei hij tot de andere goden dat het hem genoegen deed dat ze vreesden voor Hercules' leven, want ook hij eerde zijn zoon. Maar ze hoefden niet te vrezen, want hij die alles overleefd had, zou ook dit wel overleven. Hij was immers zoon van een god en zijn goddelijk deel zou eeuwig blijven bestaan. Het vuur had nu zijn sterfelijk deel verteerd en daar zat de mooie jonge held die groeide tot hij zijn indrukwekkende godenvorm bezat. Toen kwam zijn vader hem halen met een vierspan en bracht hem naar het godenrijk.
 

Fem Schelpe

3 LaMt

1998-1999
 

Moeilijke geboorte van Hercules

Alcmene praatte met Iole (eens de vrouw van Hercules, nu van zijn zoon Hyllus) over haar ouderdom, over haar eigen lot en over Hercules' wereldwijde beroemdheid. Ze zei: "Hopelijk gaat de tijd voor jou snel als je tijdens de bevalling tot Lucina roept, de beschermgodin tijdens de bange weeën. Voor mij was ze niet vriendelijk omdat Juno zo jaloers was: toen het ogenblik van de geboorte van Hercules naderde, spande mijn huid erg strak. Omdat het kind in mij zo enorm was, kon je makkelijk weten dat het een kind van Jupiter was. Tenslotte kon ik de pijn niet meer verdragen ik voel nog steeds die angst; de herinnering alleen al is pijnlijk als ik je dit vertel. Zeven dagen en nachten duurden mijn folterende barensweeën.

Doodmoe, met smekende handen riep ik Lucina en andere geboortegoden aan. Lucina kwam maar was omgekocht; ze wou mij doden voor Juno's jaloezie. Toen ze dus mijn klagen hoorde, ging ze daar op dat altaar voor de ingang zitten en hield de geboorte tegen door haar vingers ineen te strengelen en haar knieën tegen elkaar te klemmen. Op de koop toe hield ze mijn kind ook tegen door met een fluisterstem formules en toverwoorden te prevelen. Ik vocht terug en schold gek van pijn Jupiter uit voor ondankbare en smeekte om te mogen sterven. Mijn luide klachten hadden een steen kunnen verbrijzelen!

De Thebaanse vrouwen stonden me bij, baden of spraken me in mijn lijden moed in. Ook Galanthis hielp, een van mijn slavinnen; zij was een blond volksmeisje, goed in haar werk en trouw. Ze had al zo'n vaag vermoeden dat Juno tegenwerkte en terwijl ze af en aan liep, zag ze Lucina zitten, op dat altaar voor de deur en riep: 'Wie je ook bent, wees blij voor mijn meesteres, haar kind is geboren!' Geschrokken sprong Lucina op en maakte haar handen los - ikzelf leek bevrijd en baarde!

Galanthis schaterde het uit omdat ze Lucina zo had gefopt, maar werd al schaterend bij haar haren over de grond gesleurd en toen ze weer wou opstaan, werd ze tegengehouden door de woedende Lucina. Galanthis' armen werden pootjes, haar werklust bleef, de vacht op haar rug behield haar vroegere haarkleur maar nu is ze een wezel. Ze baart, omdat haar leugens een kraamvrouw hebben gered, haar jongen door haar bek en zoekt nog steeds ons huis op."
 

Dryope

Iole vertelt op haar beurt over haar zuster

Het verhaal van Alcmene had Iole aangegrepen en troostend zei ze: "Toch was dat wezel-meisje niet van je eigen bloed, moeder. Ik zal je eens over mijn zuster vertellen: een wonderbaarlijk lot... hoewel verdriet en tranen mij haast beletten te spreken....

Mijn zus Dryope was enig kind bij een andere vrouw van mijn vader. Ze werd het mooiste meisje van Oechalia genoemd. Ze was gehuwd met Andraemon, hoewel ze verkracht was door de gebieder van Delphi en Delus. Onwetend van haar lot ging Dryope naar een meer met glooiende oevers waar mirtestruiken welig groeiden; ze wou er een krans brengen aan de nimfen. Haar zes maanden oud kind lag in haar armen, drinkend van zijn moeders warme melk. Vlak bij dat meer bloeide waterlotus en Dryope had er wat bloemen van geplukt die ze aan haar zoontje had gegeven om te spelen. Ook ik wou bloemen plukken, tot ik wat bloed zag druppelen uit die lotus en de steel bang en beverig zag trillen. De bosnimf Lotis was namelijk in die bloem veranderd - vandaar de naam - maar mijn zuster wist dat niet!

Geschrokken wou ze weggaan maar ze stond vastgeworteld met haar voeten. Eerst vocht ze nog om los te komen maar alleen haar bovenlichaam bewoog. Langzaam kroop trage schors omhoog en bedekte heel haar onderlichaam. Toen ze dat merkte, wou ze zich de haren uitrukken maar trok slechts blaadjes uit omdat haar hoofd al een kruin was geworden. Haar kind Amphissus (dat was de naam die zijn grootmoeder had bedacht) voelde haar borsten verharden en hoe hard hij ook zoog, er kwam geen druppel melk meer uit. Ik was daar ook en moest dit wrede lot aanzien zonder mijn zus te kunnen helpen. Wel probeerde ik nog de groeiende takken met mijn armen tegen te houden - ik wou zelf in schors veranderen. Haar man en haar vader kwamen ook aangelopen en riepen om Dryope... ik wees hen de lotus aan, maar ze bleven roepen, ze kusten het warme hout en zegen tenslotte neer aan de voeten van hun eigen boom.

Mijn lieve zus was nu een volmaakte boom, behalve haar gelaat: haar tranen druppelden op het gebladerde dat uit haar arme lichaam was gegroeid. Zolang ze nog kon spreken, klaagde ze: 'Ik zweer bij de goden: ik heb dit kwaad niet verdiend! Ik word onschuldig gestraft! Ik leefde toch kuis? Ik mag verdorren als ik lieg, ik mag mijn bladeren verliezen of omgehakt in het vuur belanden! Hier, neem mijn zoontje uit mijn takken en geef hem aan een voedster. Zorg dat hij hier nog vaak melk kan drinken, dat hij vaak bij mijn stam komt spelen en laat hem, als hij kan spreken, uitroepen telkens als hij mij ziet: 'Binnen die boomstam zit mijn moeder!' Maar hou hem weg van vijvers, verbied hem bloemen te plukken van een boom of een struik en leer hem dat daarin goddelijke wezens wonen.... Vaarwel, mijn lieve man, vaarwel zus, vaarwel vader! Als jullie van me blijven houden, hak dan geen takken van mijn stam, en zorg er dan voor dat gulzig vee niet van mijn bladeren eet. Leg nu jullie armen om me heen want ik kan jullie niet meer omhelzen. Kus me maar zolang mijn lippen kunnen kussen, en til mijn zoon nog eenmaal op. Nu kan ik niet meer verder praten want zachte schors kruipt langs mijn nek en de kruin overmeestert mij! Nee, raak mijn ogen niet meer aan want dat laatste eerbetoon komt nu de boomschors toe: die zal voortaan heel mijn gezicht bedekken.'

Haar stem stierf weg, maar nog lang nadat ze veranderd was, gloeide de warmte nog na in de nieuwe takken."
 

Iolaus wordt verjongd

Tijdens het wondermooi verhaal van Iole had Alcmene haar tranen met een steels gebaar van haar hand weggewist en Iole zelf had ook moeten toegeven aan haar verdriet. Toen deed zich een wonder voor dat alle verdriet verdreef, want daar verscheen een amper volwassen jongeman met een beetje baarddons rond de kin: het was de verjongde Iolaus. Hebe had hem deze jeugd verleend nadat ze gezwicht was door het vele smeken van Hercules, maar ze had hem wel gezegd dat hij de laatste was aan wie ze deze gunst bewees. Wat buiten Themis gerekend was...

Die zei: "In Thebe heerst burgertwist en alleen Jupiter kan Capaneus verslaan. Broers zullen elkaar verwonden en de profeet zal nog bij zijn leven zijn eigen schim in de onderwereld zien. Wanneer de zoon, omdat hij zijn vader haat, zijn moeder doodt, zal dat zowel een misdaad als een weldaad zijn; geschokt door die rampen wordt hij, buiten zinnen, ver van zijn land door Furiën en door zijn moeders schim opgejaagd, totdat zijn vrouw hem onheilbrengend goud zal vragen en het zwaard van Phegeus hem zal doden. Tenslotte zal Callirhoë, de dochter van Acheloüs, de oppergod smeken haar zoontjes langer te laten leven zodat de moord op de veroveraar snel wordt gewroken. Jupiter zal in zijn genade dat geschenk uit Hebe's hand vlugger doen verlopen en hen reeds in de puberteit volwassen maken."
 

Vele goden wensen ook een verjongingskuur voor hun geliefden

Toen Themis, die de toekomst kende, die raadselachtige taal liet horen, klonk bij de goden gemopper: waarom kon dezelfde gunst ook niet aan anderen gegeven worden? Aurora jammerde om de oude Tithonus, haar man; de zachtaardige Ceres klaagde over haar vergrijzende Jasion; Vulcanus eiste een tweede jeugd voor Erichthonius; ook Venus werd door zorgen gekweld en probeerde Anchises' jaren te verjongen: iedere god had wel een troetelkind. De opschudding groeide totdat Jupiter luid riep: "Genoeg! Toon wat respect voor mij als jullie daartoe nog in staat zijn. Wat denken jullie wel? Het lot gaf Iolaus zijn jonge jaren terug; de zoontjes van Callirhoë dankten hun volwassenheid aan het lot en niet aan macht of invloed. Ook jullie worden door het lot geleid. Als ik het lot zou kunnen wijzigen, zou Aeacus, mijn zoon, niet oud zijn, zou Rhadamanthus eeuwig in de bloei van zijn jeugd zijn samen met Minos, die nu om zijn bikkelharde jaren geminacht wordt en niet, zoals vroeger, met beleid regeert."
 

Sandra Navas Navarro

3 LaMt

1998-1999
 

Minos, de oude koning van Kreta, wordt verlost van Miletus.

Jupiters woorden maakten veel indruk en geen god bleef klagen omdat men wist hoe afgeleefd die Rhadamanthus en Aeacus waren, net zoals Minos die in de kracht van zijn leven alleen al met zijn naam hele volkeren had bang gemaakt. Maar toen hij oud was, liet hij zich bang maken door een jonge kerel, Miletus, de zoon van Deione en Apollo. Hoewel hij hem verdacht van aspiraties naar de troon van Kreta, durfde hij hem niet uit zijn land verjagen. Miletus vluchtte zelf en stak per zeilschip de Egeïsche zee over om op Aziatische bodem een stad te bouwen die hij zijn naam gaf.

Hij ontmoette daar de dochter van Meander toen ze langs de oevers van haar vaders stroom wandelde. Een beetje verder kwam hij de nimf Cyanea tegen die hem een tweeling baarde: Byblis en Caunus, kinderen van uitzonderlijke schoonheid.
 

Byblis en Caunus

Byblis wordt verliefd op Caunus

Byblis bewijst dat meisjes moeten beminnen met fatsoen, want Byblis, verliefd op haar broer - Apollo's kleinzoon - beminde zoals een zuster een broer nooit mag beminnen....

Eerst wist ze zelf niet wat dat gevoel betekende. Ze vond het dan ook niet verkeerd om hem steeds weer te kussen en om haar armen rond zijn nek te slaan. Lange tijd dacht ze dat het een zuster-broer-gevoel was. Maar langzaam aan veranderde die liefde. Telkens als ze haar broer bezocht, maakte ze zich mooi om zich extra verleidelijk aan hem te vertonen. Ze werd jaloers wanneer hij andere meisjes mooier vond. Ze wist zelf nog niet dat ze verliefd was, maar in haar hart begon ze toch al iets meer voor hem te voelen. Ze haatte de woorden 'broer' en 'zus'. Byblis noemde hem nu 'lieveling'... Toch waagde ze het niet te denken aan vleselijke lusten - althans niet overdag. 's Nachts, wanneer ze sliep, zag ze heel vaak van wie ze hield. Ze droomde zelfs hoe ze met haar broer in bed zou liggen... En zodra ze wakker werd, lag ze zich dan stilletjes af te vragen wat die droom eigenlijk betekende. Dan zei ze twijfelend:

"Och arme ik! Wat betekent zo'n droom? Ik zou toch niet willen dat zoiets echt gebeurde? Natuurlijk vind ik hem aantrekkelijk; zelfs zijn grootste vijand vindt dat! Als hij mijn broer niet was, zou ik zeker verliefd op hem worden. We zouden zelfs goed bij elkaar passen! Maar met een zuster, dat mag niet... Zolang ik oppas dat er niets kan gebeuren, mag die droom nog vaak terugkeren in mijn slaap. Bij dromen zijn er geen ooggetuigen.

O lieve Venus en Cupido, wat een verrukkingen heb ik gekregen, wat een pure hartstocht! Hoe fijn om daaraan te denken, al is het maar van korte duur - de nacht gaat veel te snel voorbij. Ach, kon ik mij maar anders noemen, kon ik maar met je trouwen! Ik wou dat jij veel rijker geboren was! Straks maak je weet ik wie tot de moeder van je kind, en dan zul je voor mij alleen nog een broer zijn. Maar wat betekenen dan die dromen voor mij? Of liever: hebben dromen wel een betekenis in het dag-dagelijkse leven?

Goden mogen wel met hun zusters trouwen. Maar ja, goden maken hun eigen wetten. Ik moet niet proberen mijn liefde goed te laten keuren, want mijn liefde is slecht. ze moet snel uit mijn lichaam verjaagd worden en als dat niet lukt, laat mij dan maar sterven. Een zuster mag haar broer beminnen, maar niet meer dan gepast. Zou ik het hem kunnen vertellen? Eigenlijk ja, want liefde dwingt je daartoe... Zelfs als ik zwijg uit schaamte, kan ik nog altijd een brief schrijven."

Deze gedachte beviel haar wel. Ze richtte zich op in haar bed en zei: "Hij moet maar zien. Ik schrijf hem over mijn ziek verlangen. Maar ach, waar gaat dat heen met mij? Welke vlam raast er nu door mij hart?" en ze schreef een weldoordachte brief. Haar handen beefden; ze wist niet wat ze wou. Ze schreef iets, schrapte het, schreef iets anders en schrapte het opnieuw. Al wat ze dacht te doen, mislukte en haar gezicht vertoonde een mengeling van durf en schaamte. Eerst stond er: "Ik, je zuster..." Het woord 'zuster' schrapte ze. Uiteindelijk kwamen deze zinnen:

"Een vrouw, die slechts geluk zal kennen als jij haar dat schenkt, stuurt je dit uit liefde toe. Ik schaam mij diep om mijn naam te noemen. Het liefst van al zou ik anoniem willen blijven en alleen maar als er gegronde hoop is dat mijn verlangen zal bevredigd worden, zou ik bekennen dat ik Byblis heet... Je had van mijn gewonde hart al vele tekens kunnen zien: mijn bleke kleur, mijn magerheid, mijn dikwijls betraande blik, mijn zuchten zonder duidelijke oorzaak, al die omhelzingen en - wat je, denk ik, gemerkt hebt - die kussen die toch niet van een zuster konden komen.

Toch heb ik zelf, hoe verliefd ik ook ben, alles ondernomen - de goden zijn getuigen! - om verstandiger te worden. Dagenlang heb ik geprobeerd de pijlen van Cupido te ontvluchten; ik, arm meisje, ik verdroeg meer pijnen dan je van een meisje verwachten kan. Maar ik moet bekennen dat ik te zwak was en nu vraag ik jouw hulp, want jij alleen kunt mij nog redden of vernietigen: kies een van de twee. Ik smeek je niet met vijandige bijbedoelingen, maar ik smeek je als een vrouw die heel veel van je houdt en nu nog meer naar je verlangt.

Wij, jij en ik, weten nog niet wat mag en niet mag, wij denken dat alles mag! Geen boze vader, geen zorgen om schandaal, geen angsten houden ons tegen. Hadden wij maar reden om bang te zijn! Wij spelen ons verboden spel als broer en zuster: niemand verbiedt mij om met jou vertrouwelijk te spreken, om je te zoenen en je te omhelzen in het openbaar. Wat nog ontbreekt is toch zoveel niet? Red een vrouw die eerlijk haar liefde toont en laat mijn grafsteen jou niet noemen als de schuld aan mijn dood!"

Terwijl ze de laatste regels schreef, was het tablet verschoven zodat de laatste zin helemaal aan de rand gekrabbeld was. Dan verzegelde ze snel haar zonden met de afdruk van haar zegelring. Blozend van schaamte riep zij een dienaar, stelde hem op zijn gemak en zei: "Hier, trouwe vriend, breng dit naar mijn geliefde..."; haar stem stokte, dan ging ze verder: "...breng dit naar mijn geliefde broer", maar toen ze hem de brief wou overhandigen, viel die uit haar handen - een kwalijk teken dat haar een schok gaf; toch liet ze de dienaar gaan...

De man wachtte het juiste moment af en gaf de brief aan Caunus, die het epistel razend al na de eerste zinnen wegsmeet en riep: "Wat! Valse bode van verboden lust! Verdwijn zo snel je kunt! Bah! Als jij ook maar iets te maken had met dit schandaal, had ik je met de dood gestraft!"

De man vluchtte in paniek en vertelde onmiddellijk over Caunus' woede aan zijn meesteres. Byblis verbleekte toen ze zijn afkeer vernam, haar lichaam raakte verstijfd en ze kreeg het koud van angst. Toen ze weer wat tot zichzelf kwam, keerde de hartstocht terug. Ze begon te roepen:

"Het is allemaal mijn schuld! Ik moest voorzichtiger geweest zijn met mijn woorden! Waarom heb ik zo overhaast gedachten die geheim moesten blijven, opgeschreven? Ik had eerst moeten kijken wat hij voor me voelt en, om gunstig op de wind te varen, eerst moeten kijken hoe die wind stond met een puntje van het zeil, en me dan pas veilig op zee wagen. Maar nu heb ik met volle zeilen onverwachte storm geoogst en loop ik op de klippen vast. Ja, ik raak bedolven onder een hele berg van water: mijn schip ziet geen uitweg meer.

En dan dat kwalijk teken: ik werd nog gewaarschuwd om mijn liefde op te geven... Viel die brief niet op de grond toen ik hem liet bezorgen? Verloor ik toen niet alle hoop? Had ik toen nog het tijdstip kunnen veranderen of zelfs het hele plan? Nee, liever het tijdstip... Ook de hemel waarschuwde duidelijk. Was ik maar wijzer geweest! Ik had hem zelf moeten spreken, ik had mijn gevoelens niet mogen opschrijven. Ik had meer kunnen zeggen dan wat er in een brief kan staan. Ik had hem in mijn armen moeten nemen, of hij wou of niet, en als ik werd afgewezen, had ik kunnen doen alsof ik stervende was en hem de voeten kussen, redding smeken op mijn knieën! Misschien was het wel de schuld van de dienaar die ik stuurde... Hij kwam onhandig binnen, denk ik, koos een slecht moment, keek niet of Caunus wel tijd had en volle aandacht schonk.

Dat werkte in mijn nadeel, want mijn broer heeft niet het karakter van een vals roofdier, zijn hart is niet van kille steen, geen blok van ijzer of staal. Ik zal hem winnen! Ik zal altijd weer naar hem toegaan en mijn doel, zolang ik adem heb, nastreven! Was ik daarmee maar nooit begonnen! Maar ja, eenmaal je begonnen bent, moet je voortdoen. Al geef ik mijn verlangen op, nooit zal hij die brief kunnen vergeten. Als ik nu opgeef, zal hij trouwens denken dat mijn liefde lichtzinnig was, dat ik getracht heb om hem in de val te lokken. Kortom, ik kan mijn zonden niet meer herstellen: ik schreef een brief, een liefdesbrief, en mijn wens daarin was onfatsoenlijk."

Zo sprak ze tot zichzelf. Haar verwarde tweestrijd was zo groot dat ze wou laten lukken wat allang mislukt was. Ze kende geen grenzen meer en werd steeds weer afgewezen, arme vrouw. En dan, omdat er geen eind aan kwam, vluchtte Caunus uit Milete om dat kwaad te ontvluchten en stichtte een nieuwe stad op vreemde bodem.
 

Mathijs Vonckx

3 LaMt

1998-1999
 

Byblis' zwerftocht

Men zegt dat Byblis door haar droefheid volslagen waanzinnig werd, dat ze zich de kleren van het lijf rukte en in razernij haar armen blauw sloeg. Het was nu duidelijk hoe ziek ze was en hoe ze verlangde naar ongepaste liefde, omdat ook zij haar vaderstad, de plaats van onheil, verlaten had, haar gevluchte broer achterna. Byblis rende krijsend door de wijde vlakten. Ze kwam eerst voorbij Bubasos, trok dan verder door Carië, belandde in het roversland rond Megara; vervolgens rende ze door Lycië, over de Xanthus-stroom, langs de stad Limyre en over de Cragos-berg.

De bomen verloren reeds hun bladeren toen Byblis, uitgeput van het lopen, instortte; zij lag op de harde grond, het haar gespreid, haar gezicht diep in de afgevallen blaadjes. De nimfen van die streek wilden haar steeds doen opstaan; steeds weer zegden ze dat zij haar liefde moest vergeten. Byblis luisterde echter niet. Zwijgend lag ze in het groene gras; een beek van tranen hield de grond nat. Men zegt dat waternimfen als eerbetoon van dit water een bron maakten die nooit kan opdrogen.

Meteen daarna, zoals bevroren water bij de komst van de zon ontdooit, zo smolt Apollo's kleinkind Byblis weg in haar eigen tranen. Ze werd bij een donkere steeneik een bron die nu nog altijd haar naam draagt.
 

Iphis

Iphis: jongen of meisje?

Dit jongste wonder zou op Kreta druk besproken zijn, als er niet kort tevoren nog een mirakel was geschied. Al een tijdje woonde er in Phaestus, niet ver van Knossos, iemand die Ligdus heette, een man van lage afkomst, maar wel een vrijgeborene. Rijk was hij niet; zijn levenswandel was eenvoudig. Toen zijn vrouw Telethusa hoogzwanger was, vroeg hij haar aandacht voor een probleem en zei: "Ik wens twee dingen: dat je zonder zware pijn verlost wordt en dat ons kind een zoon zal zijn. Want de last die meisjes meebrengen, is te zwaar, en Fortuna maakt hen zwak. Als jij in 't kraambed een meisje krijgt, zeg ik je met tegenzin dat het kind moet sterven...", en bij deze woorden barstten ze beiden in tranen uit, hij omdat hij zo moest spreken, zij omdat zij dit moest aanhoren. Hoewel Telethusa voortdurend smeekte om het kind te laten leven, had Ligdus zijn besluit genomen.

Toen ze op het punt stond te bevallen, verscheen aan haar een droomgestalte. Midden in de nacht stond Io, omringd door volgelingen, bij haar bed. En toen zei Io, die nu Isis heet, net alsof het echt gebeurde, dat Telethusa het kind, al was het een meisje, moest laten leven.

Verheugd stond Telethusa op; met vrome handen bad zij om vervulling van haar droom. Toen het kind, een meisje, ter wereld kwam, zei Telethusa aan haar man dat het een zoon was. Die leugen werd geloofd, alleen de voedster kende de waarheid. De vader dankte de goden en noemde het kind, waarvan hij dacht dat het een jongen was, naar zijn eigen vader 'Iphis'. Dat deed de moeder plezier omdat die naam zowel bij een jongen als bij een meisje paste en er dus niemand mee misleid werd. Sindsdien bleef vrome schijn die eerste leugen toedekken: het kind droeg jongenskleren en het had een schoonheid die zowel een jongen als een meisje past.

De leugen had intussen dertien jaar stand gehouden, toen Ligdus een verloving regelde met de blonde Ianthe. Deze Ianthe werd alom geroemd om haar grote schoonheid; zij en Ligdus waren even oud en even mooi, ze hadden op school hun eerste kennis opgestoken bij dezelfde meesters. Sindsdien had liefde beide harten even diep geraakt maar elk met een andere verwachting. Ianthe zeg uit naar haar huwelijk en haar trouwdag en dacht dat Iphis, die zij voor een man hield, weldra haar man zou zijn.

Iphis keek evenveel uit naar het huwelijk maar miste de hoop op echt geluk, waardoor haar gloed nog steeg. Ze was verliefd op een meisje! Hard vechtend tegen tranen dacht ze: "Wat gebeurt er straks met mij als deze onnatuurlijke drang van Venus mij blijft drijven? Indien de goden wilden dat ik leefde, waarom werd mij dan dit niet bespaard? Als ik verdoemd moet zijn, waarom wordt mij dan geen normale mensenkwaal gestuurd? In de hele dierenwereld raakt nooit een vrouwtje op een ander vrouwtjesdier verliefd. De hele wereld mag hier alles komen proberen, maar niemand kan van een meisje een jongen maken. Nee, Iphis, toon je sterk en toom jezelf wat in! Bemin zoals een vrouw betaamt. Het is hoop die liefde doet ontstaan en hoop die liefde in stand houdt; jouw toestand geeft geen hoop. Je kan haar nooit krijgen, je kan nooit gelukkig zijn, hoe aarde en hemel ook hun best doen. Tot vandaag zijn mijn gebeden wel verhoord: de goden schonken mij genadig alles wat maar kon. Mijn verlangen om jongen te zijn is ook mijn vaders wens, en die van Ianthe en van haar vader, maar niet van de natuur die als enige - machtiger dan iedereen - mij schaadt. Binnenkort trouw ik en Ianthe zal de mijne zijn zonder de mijne te zijn! O Juno, bruidsgodin! O Hymenaeus, zie toch af van deze bruiloft waar wij, zonder bruidegom, beiden bruid zijn!" Toen zweeg ze. Het andere meisje gloeide al evenzeer van liefde, maar zij bad de huwelijksgod juist snel te komen.

Ianthe's wens maakte Telethusa bang. Eerst stelde zij nog de trouwdag uit, zocht dan respijt in quasi-ziek zijn. Steeds weer repte zij van dromen en voorspellingen, maar eenmaal was de hele leugenvoorraad op: het uitgestelde huwelijk moest nu toch doorgaan. Morgen zou het zover zijn. De moeder wierp zich samen met haar dochter bij het Isisaltaar neer. Ze riep: "Isis, ik bid je, help mij, bedaar mijn angst! Niet lang geleden heb ik je zelf in mijn droom gezien. Ik heb je opdracht goed verstaan. Door jou leeft Iphis, door jou ben ik nog niet gestraft. Help ons dan ook nu en steun ons beiden!" Op die woorden volgde een stroom van tranen.

Plots bewoog het altaar, de tempeldeuren trilden en de sikkelvormige hoorns van de godin lichtten op terwijl de klank van ratels hoorbaar werd. Verheugd door zulk een gunstig voorteken verliet de moeder samen met Iphis de Isistempel.

Iphis nam geen kleine stappen meer zoals voorheen en haar gelaatskleur was minder blank. Haar kracht groeide, haar blik leek dwingender en de lokken waren nu kort en werden niet meer opgebonden. Ze zag er nu forser uit dan toen ze een meisje was want zij was een meisje geweest, maar was nu een jongeman geworden! Dankbaar brachten ze een offer en wijdden een votieftablet met maar een korte regel: "Iphis heeft het geschenk als vrouw beloofd, als man gewijd."

Het volgende daglicht ving de wijde wereld in zijn stralen, toen Venus, Juno en Hymenaeus samenkwamen bij het altaar, waar bruidegom Iphis zijn Ianthe huwde.