LIBER OCTAVUS

Het Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus keert van Aegina terug

Vroeg in de ochtend, in de gloed van warme zonnestralen en bij een aangename zuidenwind, zorgde Cephalus voor de terugreis samen met zijn garnizoen; zo keerden ze eerder dan verwacht naar Athene terug.
 

Scylla en Minos

Koning Minos van Kreta belegert Megara, de stad van koning Nisus

Minos plunderde steden op de kust bij Megara en testte de sterkte van zijn leger op de stad waar Nisus regeerde. Deze had op het midden van zijn eerbiedwaardig grijs hoofd een haarlok met purperen glans, symbool van en waarborg voor het voortbestaan van zijn machtig rijk. Bij het paleis was er een toren, naast de zogenaamde 'zingende muren', want Apollo had daar, naar men zegt, ooit zijn gouden lier neergelegd, waarna de klank ervan in de steen was blijven naklinken. Nisus' dochter klom daar vaak heen in vredestijd om steentjes naar de muur te mikken - dat klonk zo mooi. Maar ook toen het oorlog was geworden, ging ze nog vaak vanuit die toren kijken naar het harde strijdtoneel.

Zo kende ze de legerleiders bij hun namen, herkende ze wapens, paarden, kleding, bewonderde ze de Kretenzische pijlkokers, maar bovenal kende ze koning Minos, zoon van Europa; ze keek zelfs meer naar hem dan mocht. Ze vond hem oogverblindend! Als hij zijn hooggepluimde helm op het hoofd had, dan was het om die helm dat ze hem bewonderde; hanteerde hij z'n bronzen schild, dan stond juist dat schild zo prachtig; als hij met sterke arm een ranke werpspies slingerde, kraaide ze van bewondering om zijn kracht en werpkunst; maar als hij zonder helm, met onbedekt gelaat, rondreed op een schimmel met een fraai geweven dekkleed, was Scylla nauwelijks zichzelf; bijna uitzinnig riep ze dat die teugels en die speer gezegend waren omdat hij ze voelde en in zijn hand hield; ze wou (als het maar had gekund!) dwars door dat leger, dwars door die vijand, heen breken of van op de torentrans recht in het Kretenzisch kamp te springen; ze zou zelfs de bronzen stadspoort voor de vijand openen!

Terwijl ze naar de witte tent van Minos zat te kijken, dacht ze: "Ik weet niet of ik blij of treurig moet zijn om die hartverscheurende oorlog: treurig, omdat mijn geliefde een vijand is; maar zonder die oorlog had ik hem nooit gekend! Als Minos mij echter als losprijs zou aanvaarden, dan zou hij de oorlog kunnen staken: ik kan vrouw en vrede voor hem zijn. O, mooiste van alle koningen! O, als de schoonheid van je moeder even groot was als de jouwe, dan is Jupiter terecht voor haar ontvlamd! Dolgelukkig zou ik zijn, als ik de lucht op vleugels kon doorklieven en in het Kretenzisch kamp kon landen: ik zou vertellen over mezelf, over mijn hartstocht, ik zou hem vragen voor welke prijs ik mij verkopen kon… Als hij maar niet eist dat de stad van mijn vader zijn prijs is… Ik wil zijn bed graag delen, maar door landverraad? Dat nooit! Hoewel... een milde overwinnaar heeft vaak gezorgd dat men een nederlaag niet erg betreurde… Minos is mild en voert een rechtvaardige strijd omdat zijn zoon vermoord is; hij heeft het recht aan zijn kant, zijn strijd is rechtvaardig. Wij gaan verliezen, denk ik. Hoe vergaat het dan mijn stad? Waarom zou deze stadsmuur wel bezwijken voor zijn leger en niet voor mijn liefde? Hij kan toch ook zegevieren zonder lange strijd en zonder enig bloedvergieten? Dan hoef ik ook niet bang te zijn! Dit plan lijkt goed, ja, mijn besluit staat vast: ik maak een eind aan deze oorlog door mijn stad als bruidsschat uit te leveren met mij erbij! Maar het moet niet blijven bij een plan: de poorten zijn streng bewaakt, mijn vader heeft de sleutels. Hij alleen maakt mij nog angstig, hij alleen blokkeert mijn plannen. O, goden! Had ik maar geen vader! Maar is ieder mens dan niet zijn eigen god? Waarom zou iedereen sterker zijn dan ik? Ik zou door vuur en zwaarden durven gaan en hier is zelfs geen sprake van zwaarden of vuur, slechts van een haarlok op mijn vaders hoofd… Die is mij dierbaar, meer dan goud; die ene lok van purper zal mij gelukkig maken en geven wat ik wens!"

Terwijl deze gedachten door haar hoofd spookten, werd het nacht en groeide haar moed. Zachtjes sloop ze naar haar vaders bed, sneed die fatale haarlok van zijn hoofd en spoedde zich met die onheilsbuit weg, de stadspoort door, dwars door de linies heen, zo sterk was het vertrouwen in haar daad. Ze meldde zich bij koning Minos, die ontzet haar woorden aanhoorde: "Liefde verleidde me tot misdaad: ik ben Scylla, dochter van koning Nisus. Huis, haard en vaderstad heb ik voor jou verraden. Ik vraag geen andere prijs dan jou. Neem deze purperen lok als bewijs van liefde, want ik geef hiermee geen haarlok, geloof me, maar mijn vaders leven." En ze gaf hem het goddeloos geschenk.

Maar Minos weigerde wat zij hem gaf en riep: "Ach! Ik wou dat de goden jou van de aarde veegden; jij bent een smerige smet op ons bestaan! Ik wou dat land en zee jou nooit meer wilden zien! Ik zal in elk geval niet dulden dat een schepsel als jij toegang krijgt tot Kreta, mijn rijk en Jupiters geboortegrond!" Toen veroverde hij de stad en legde zijn vijand heel milde eisen op. Hij liet de trossen van zijn vloot losmaken en beval zijn met brons beslagen schepen zeewaarts te roeien.
 

Thomas Calmeyn

3 LaWi

1998-1999
 

Scylla gaat Minos' schip achterna

De vloot voer weg. Scylla begreep dat Minos haar niet voor haar misdaad zou belonen en ze brak, nu smeken niet meer baatte, in felle woede uit. Ze gilde, met haar haren wild van razernij en haar armen wijd open: "Naar waar vlucht je voor mij, de vrouw aan wie je zoveel te danken hebt? Ik heb voor jou mijn vaderland en mijn vader verraden! Wat doet je vluchten, wreedaard, met je overwinning die te danken is aan mijn misdaad, aan mijn verdienste? Liefde, geschenken, alleen nog maar het feit dat heel jouw toekomst aan mij te danken is, raakt jou niet... Je laat mij hier alleen - waar moet ik nu heen? Soms naar mijn stad? Die is ingenomen en als ze nog bestaat, houdt ze haar poorten zeker dicht als straf voor mijn verraad... Soms naar mijn vader? Die heb ik aan jou uitgeleverd. Nee, het is terecht dat het volk mij beledigt, dat buren mijn gedrag verafschuwen. Ik word verbannen naar een thuis die ik niet meer heb. Alleen op Kreta kan ik welkom zijn.

Ach, als ook jij mij afwijst en mij ondankbaar in de steek laat, dan ben jij niet de zoon van Europa maar gewoon een tijgerjong, een zoon van de levensgevaarlijke en alles verslindende zee. Dan is ook Jupiter je vader niet, die vermomd als stier je moeder heeft ontvoerd: dat is een vals verhaaltje! Wie je verwekt heeft, was een echte stier, een woesteling die nooit verliefd was op een koe... Mijn vader Nisus mag mij nu straffen. Mijn stad die ik zojuist verraden heb, mag om mijn wanhoop juichen. Ik verdien te sterven, dat geef ik toe. De mensen die ik bedrogen heb, mogen mij verdoemen. Maar jij niet! Jij wreekt je op mij, terwijl je door mijn misdaad won. Wat ik gedaan heb, is voor mijn stad en mijn vader een misdaad, maar voor jou zou het een weldaad moeten zijn. Die ontrouw van je vrouw heb je verdiend. Dat zij als houten koe een stier verleidde en zwanger raakte van een monstervrucht, dat is je verdiende loon!

Zeg eens, hoor jij wat ik roep of maakt dezelfde wind waarmee je nu ondankbaar wegvaart, alles onverstaanbaar? Het verbaast me niet dat Pasiphaë liever een stier had dan jou: jij bent heel wat bruter dan een stier... Zie me hier staan! Hij jaagt het tempo nog op; terwijl de roeiriemen de golven opjagen, ontvlucht hij mijn land en laat hij mij achter... Maar veel zal het niet uithalen. Je doet alsof je mij niet hoort en of je nu wil of niet, ik volg je. Ik grijp de ronde boeg van je schip goed vast en laat me trekken, zeeën ver..." en toen dook ze in zee, de schepen achterna. Ze putte kracht uit haar liefde. De ongenode gast klemde zich vast aan Minos' schip.

Haar vader was kort voordien veranderd in een zeearend met grijze vleugels. Toen hij daar van hoog in de lucht zijn dochter zag, dook hij omlaag om haar met kromme snavel uiteen te rijten. Vervuld van angst liet zij de scheepsromp los en viel, maar voordat ze het water raakte, leek een lichte bries haar op te vangen. Ze werd een vogel; aan haar veren plakte nog schuim. Haar naam werd 'Ciris', ontleend aan die afgesneden haarlok.
 

De Minotaurus

Minos laat voor de Minotaurus een labyrint bouwen

Toen Minos op Kreta aan land ging, bracht hij aan Jupiter een offer van honderd stieren als dank. De oorlogsbuit moest zijn paleis versieren. Het stier-mens-monster was echter een smet op Minos' bestaan. Nu het groot geworden was, bleef het een levend bewijs van de ontrouw van zijn moeder. Minos besloot die schandvlek uit zijn huis te weren en op te sluiten in een sombere doolhof. Daedalus, de begaafde en beroemde Atheense architect, bouwde een constructie vol verwarrende motieven. Tal van bochtige en kronkelende gangen misleidden het oog. Deze constructie geleek op de Frygische Meander: deze rivier dartelt rond met zijn helder water en kronkelt zo vaak dat ze niet naar zee schijnt te stromen; hij ontmoet steeds weer zichzelf en vloeit zijn eigen water tegemoet; hij beweegt zich nu eens onvoorspelbaar terug naar de eigen bronnen, dan weer naar de open zee. Zo maakte Daedalus een labyrint met ontelbare kronkelpaden. Hij kon zelf met moeite de uitgang vinden, zo bedrieglijk was zijn bouwwerk.
 

Theseus doodt de Minotaurus met hulp van Ariadne

Daar werd de stiermens met zijn dubbele gedaante opgesloten. Hij werd tweemaal om de negen jaar, gevoed met Attisch mensenbloed. De derde maal kon Theseus hem doden met Ariadne's hulp (door een gesponnen draad af te rollen had hij immers de uitgang van de doolhof gevonden; daar waren zijn lotgenoten voor hem nooit in geslaagd). Toen sleurde hij snel Minos' dochter mee en zeilde naar Naxos. Maar daar liet hij het meisje meedogenloos achter, alleen op het strand. Haar klachten werden gesmoord in Bacchus' armen. Hij troostte haar en wou haar eren met een stralend sterrenbeeld. Daarvoor nam hij haar diadeem van haar hoofd en wierp hem hoog in de lucht: de kroonjuwelen veranderden in glanzend vuur. Ze staan als een kroon aan de hemel tussen de sterren van de Slangendrager en de Man die knielt.
 

EXCERPTUM SEXTUM

Marc Knecht
 

Daedalus en Icarus

Daedalus zat ondertussen opgesloten op het eiland Kreta en had genoeg van zijn lange ballingschap: hij wou terug naar Athene! "Laat Minos maar de uitweg over land en zee controleren, maar we kunnen nog weg langs de lucht: we zullen die weg volgen. Ik geef toe dat Minos veel bezit, maar de lucht bezit hij niet!"

Hij begon na te denken over een nog nooit geziene techniek, iets dat nieuw was in de natuur. Hij legde een rij veren op de grond, aan de uiteinden korte, naar binnen toe steeds langere, zodat je zou geloven dat er een helling oprees; het had iets weg van een panfluit die aan een kant steeds breder wordt door de ongelijke stengels waaruit ze is samengesteld. Die pluimen maakte hij aan elkaar vast: met een draad in het midden, met bijenwas onderaan; dat geheel plooide hij lichtjes zoals hij dat bij vogels gezien had.

Zijn zoontje Icarus stond naast hem. Het kind besefte niet dat het met zijn leven speelde: nu eens pakte hij veren op toen die opwaaiden in een lichte bries, dan weer kneedde hij met zijn vingers in de bijenwas en hinderde zijn vader bij het afmaken van zijn wonderlijk werk. Toen de klus tenslotte toch geklaard was, bracht de uitvinder zijn lichaam op twee vleugels in evenwicht en bleef klapwiekend in de lucht hangen.

Hij gaf ook les aan Icarus: "Zorg ervoor dat je altijd in het midden vliegt! Let op, want als je te laag bent, maakt de zee je vleugels zwaar; als je te hoog vliegt, smelt de was door de hitte van de zon: vlieg dus tussen beide in. Kom ook niet in de buurt van de Grote Beer of de Kleine Beer, of van het zwaard van Orion. Ik ben je gids, blijf dus achter mij!"

Terwijl hij deze vermanende woorden uitsprak, bond hij zijn zoon de hem onbekende vleugels aan de schouders. Tijdens het werk en de vermaningen biggelden bij Daedalus de tranen over zijn wangen en beefden zijn handen. Hij omhelsde zijn zoon - voor de laatste keer... Hij verhief zich op zijn vleugels en vloog voor zijn zoon uit, bezorgd of hij wel volgde, zoals een vogel die vanuit een hoog nest zijn tengere kroost voorgaat in de lucht. Hij spoorde Icarus aan hem goed te volgen, leerde hem de fatale techniek van het vliegen en keek of de vleugels van zijn zoon wel goed vastzaten.

Een hengelaar, een herder en een boer zagen hen voorbijkomen - ze schrokken omdat ze dachten dat het goden waren: wie kon er anders door de lucht vliegen? Aan de linkerkant was Samos al in zicht, Delus en Paros waren al achter hen en Lebinthus en het honingrijke Calymne lagen aan hun rechterkant toen de knaap vliegen leuk begon te vinden. Hij liet zijn gids waar die was en ging, aangelokt door de wijde hemel, hoger vliegen. De nabijheid van de verzengende zon maakte de vleugellijm - de geurige bijenwas - zacht, en opeens was de was gesmolten. Armen zonder pluimen wiekten door de lucht maar vonden geen steun; tenslotte werd zijn mond, die nog de naam van zijn vader schreeuwde, omsloten door het blauwe zeewater dat aan hem zijn naam zou ontlenen.

De vader - die nu geen vader meer was - riep "Icarus!", en nogmaals "Icarus, waar ben je? Waar kan ik je vinden?" Hij schreeuwde opnieuw de naam van Icarus toen hij plots de vleugels op de golven zag drijven en zijn techniek vervloekte. Hij begroef het lichaam op de kust en het eiland kreeg de naam van hem die daar begraven ligt.
 

Thomas Calmeyn

3 LaWi

1998-1999
 

Daedalus en Perdix

Toen Daedalus het lichaam van zijn betreurde zoon begroef, werd hij ontdekt door Perdix, de snatervogel. Perdix zong van vreugde van op een eikentak. Toen was hij nog uniek, een pas gevormde vogel die voordien niet eens bekend was. Bovendien was hij een blijvend bewijs van Daedalus' schuld. Zijn zuster had Daedalus immers ooit haar zoontje toevertrouwd als leerling, zonder daarbij aan een slechte afloop te denken.

Perdix was een slim ventje dat altijd klaar stond om te leren. Zo had hij op een keer een vis met een stekelige rug gezien. Met dat beeld voor ogen sneed hij in een scherp stuk ijzer een rij van tanden en vond zo de zaag uit. Hij was het ook die voor het eerst twee staafjes in een draaipunt liet bewegen. Terwijl de ene poot bleef staan, beschreef de tweede, als hij maar dezelfde afstand behield, een cirkel. De passer was geboren!

Daedalus werd natuurlijk jaloers en duwde hem hals over kop van Athene's heilige burcht. Hij riep echter dat Perdix was gestruikeld. Maar de hoedster van talent, Minerva zelf, greep in. Ze maakte van hem een vogel zodat hij midden in zijn val op vleugels kon wegvliegen. De snelle kracht die eerst in zijn verstand zat, verplaatste zich nu naar vleugels en poten; toch behield hij zijn vroegere naam. Alleen werd hij geen vogelsoort die hoog vliegt en nesten bouwt tussen de takken van een hoge boomtop; hij fladdert langs de grond en legt zijn eieren in een struik, uit hoogtevrees: hij herinnert zich immers nog altijd zijn vroegere val.
 

Daedalus op Sicilië

Daedalus was moe geleefd en had zich uiteindelijk in het land van de Etna gevestigd. Cocalus had hem genadig met wapens beschermd en betoonde zich een ware vriend. Athene was nu ook door Theseus' heldendaad bevrijd van Minos' zware eisen. De tempels waren er bekranst, men riep er de strijdgodin Minerva aan, en Jupiter en de andere goden eerde men met wijgeschenken, offers van dieren en van wierook.
 

Het Calydonische everzwijn: Meleager en Atalanta

Theseus' naam lag op de lippen van alle Grieken. Als er grote gevaren dreigden, werd zijn hulp door vele volkeren uit het Griekse rijk ingeroepen. Zo riep ook Calydon om dringende hulp, hoewel daar Meleager woonde. De oorzaak was een everzwijn dat in dienst van de verbitterde Diana vernieling zaaide in heel het gebied. Diana wou zich namelijk wreken op koning Oeneus.

Van zijn rijke opbrengst had Oeneus het eerste graan aan Ceres gewijd, de eerste wijn aan Bacchus en de eerste olijfolie aan Minerva. Iedere god, van faun tot hemeling, ontving dank in ruil voor zijn gunsten. Maar Diana's altaar stond er als enige verwaarloosd bij: er was zelfs geen wierook. Het is normaal dat een god zich dan gekrenkt voelt! "Wacht maar," had Diana geroepen, "dit blijft niet ongestraft! Laat ze me maar ongeëerd noemen, maar ongewroken zal ik nooit zijn!"

In haar eer gekrenkt zond zij naar Oeneus' akkers haar wraak, het everzwijn. Het was even groot als de stieren die op Epirus' land grazen en groter dan die op Sicilië; uit zijn ogen spoten bloed en vuur, zijn ruige nek stond stijf van borstelhaar. Zijn sprieten stonden recht als strakke lansen en wekten huivering met hun hechte, hooggerichte kam. Hij blies met rauw gehijg heet schuim over zijn brede flanken. Zijn tanden waren gevaarlijk als die van een olifant. Vurige adem bliksemde uit zijn bek en deed het loof van de bomen branden. Het beest brak de halmen van het groeiende graan en trapte de rijpe korenaren stuk, tot wanhoop van de boeren: het plette de korrels alsof het kaf was. Dorsvloer en korenschuur wachtten vruchteloos op oogsten. De wijnstokken, zwaarbeladen met druiven, lagen vertrappeld op de grond, net als de zwaar beladen takken van olijfbomen. Maar ook schapen waren de prooi van het monster. Geen hond, geen herder kon ze beschermen. Geen woeste stier kon op zo'n moment de kudden redden. De mensen vluchtten weg; binnen de stadsmuren voelde men zich veilig, er buiten echter niet.

Maar toen kwam Meleager; hij bracht een jachtgezelschap van edele Grieken met zich mee. Daar waren de tweelingbroers Castor en Pollux, de ene vermaard als bokser, de andere als paardenmenner. Jason die het eerste schip liet bouwen, was er ook. Het vriendenpaar Pirithoüs en Theseus was eveneens van de partij. Twee zoons van Thestius, en Lynceus, de zoon van Aphareus, bracht Meleager eveneens mee. De snelle Idas was er ook. Zelfs Caeneus, die eertijds een vrouw was geweest, was komen opdagen. Dryas, Hippothoüs en Phoenix, die Amyntors zoon was, waren ook van de partij. Ook twee zoons van Actor, en Phileus uit Elis, kwamen opdagen. Telamon was er ook net als Peleus, de vader van de grote Achilles. Verder hadden we Pheres' zoon en Iolaüs, de sterke Erytion en de renbaankampioen Echion. Lelex van Locris, Panopeus en Hyleus, de drieste Hippasus en zelfs Nestor, toen nog in zijn jonge jaren, ze waren er allemaal. De zonen van Hippocoön uit Amyclae, Laërtes, schoonvader van Penelope, de Arcadiër Ancaeus, de wijze Mopsus en ook Oecleus, die toen zijn vrouw nog niet moest vrezen, waren op de afspraak.

En daar was ook... Atalanta uit Tegea, het pronkstuk van het Lycaeus-woud. Een gladde speld stak door haar bovenkleed, haar haar was heel eenvoudig opgebonden. Een wit-ivoren koker vol met rammelende pijlen hing aan haar linkerschouder. Zo uitgedost had zij een charme die je bij een jongen wat meisjesachtig en bij een meisje wat jongensachtig noemt. Zodra Meleager, de held van Calydon, haar gezien had, werd hij verliefd op haar, zonder dat Cupido hem had getroffen met een pijl. In stilte gloeide hij van liefde en dacht: "Wie door zo'n vrouw verkozen wordt, mag zich gelukkig prijzen..." Maar gebrek aan tijd en verlegenheid braken die gedachten af: de strijd riep eerst op tot grote daden.
 

Silvie Salomez

3 LaMt

1998-1999
 

Tijdens de jacht op het everzwijn falen velen

Er lag een dicht woud midden in een vlakte. Daar aangekomen ging een deel van de mannen jachtnetten spannen; een ander deel liet de honden los of volgde de hoefindrukken om het zwijn op te sporen. Het was een diep dal waar regenwater altijd in beekjes naar omlaag kwam. In de laagte groeiden er taaie wilgen, moerasriet, gras en struiken.

Het zwijn dat van hieruit werd opgejaagd, schoot razendsnel op zijn belagers af. De jagers schreeuwden en hielden de speren op het dier gericht. Het viel aan en beet elke hond die het waagde op zijn pad te komen. Echion slingerde als eerste zijn werpspies maar ze raakte alleen een esdoorn. Jasons speer vloog over het zwijn heen. Mopsus riep: "Apollo! Zowaar ik jou eer en altijd heb geëerd, maak dat mijn speer zijn doel bereikt!"

De god verhoorde tot op zekere hoogte de bede: het zwijn werd wel geraakt maar niet gekwetst omdat Diana de speerpunt in de lucht al had vernietigd. Het zwijn werd nog kwader. In zijn stormloop beukte hij Hippalmus en Pelagon omver. Toen Enaesimus in paniek wou vluchten, knauwde het zwijn zijn kniepees over, waardoor deze jager door zijn benen zakte. Nestor ontsnapte op het nippertje aan hetzelfde lot omdat hij in de takken van de dichtstbijzijnde boom was gesprongen. Het beest sleep zijn slagtanden tegen de stam van de boom om daarna bij Eurytus' zoon diezelfde kromme tanden in het bovenbeen te haken.

De tweelingbroers Castor en Pollux kwamen aangereden op sneeuwwitte paarden, elk zwaaiend met een lans. Maar het borstelige zwijn week uit tussen donkere bomen waar noch een paard, noch een pijl doorheen kon. Telamon zette de achtervolging in maar struikelde over een wortel. Peleus hielp hem weer op de been. Atalanta schoot een pijl af die langs de rug van het zwijn bleef steken in de huid achter het oor: een straaltje bloed sijpelde door de haren van het dier. Meleager was de eerste die het zag; hij wees zijn makkers op het bloedspoor en riep trots naar Atalanta: "Jij mag de prijs van vakmanschap krijgen!"

Waarop de jagers, rood van schaamte, zich probeerden te vermannen door te schreeuwen en in het wilde weg te gaan schieten. Ancaeus riep terwijl hij vervaarlijk met zijn bijl zwaaide: "Jongens, uit de weg! Ik laat wel even zien dat mannen met wapens meer presteren dan zo'n meisje!" Maar... het wilde dier stootte hem met zijn scherpe tanden boven in zijn buik. Ancaeus zakte ineen en zijn ingewanden gleden naar buiten; de aarde kleurde rood van zijn bloed.

Dan wou Pirithoüs het zwijn aanvallen. Maar Theseus hield hem tegen en wierp zelf zijn spies die in een boomtak bleef steken. Ook Jason mikte met een werpspies die echter afweek en het onverdiende eind betekende van Celadon. Toen greep Meleager zijn kans. Hij wierp tweemaal: de eerste lans bleef in de grond steken maar de tweede raakte zijn doel. Het beest ging vreselijk tekeer van de pijn. Meleager naderde en stak zijn jachtmes in de flanken van het monster. Zijn vrienden schreeuwden enthousiast en liepen op hem af om hem de hand te schudden. Ze durfden het grote dier nog niet aanraken, maar ieder prikte wel even met zijn speerpunt in het bloed.
 

Meleager geeft Atalanta het mooiste deel van de buit

Meleager steunde met één voet op de kop van het monster. Hij riep Atalanta bij zich en bood haar een stuk rug en de kop van het zwijn aan. Het meisje was zeer blij met haar geschenk, maar er ontstond natuurlijk jaloezie: de rest van het gezelschap mopperde. Plexippus en Toxeus riepen met opgestoken vuist en harde stem: "Zeg, vrouwmens, leg dat maar neer, bemoei je niet met onze prijzen! Vertrouw ook maar niet te veel op je eigen charmes! Die verliefde winnaar helpt je heus niet!" En toen namen ze haar prijs af.

Maar Meleager pikte dat niet en barstend van woede stak hij zijn zwaard in Plexippus' hart. Toxeus die twijfelde wat hij moest doen, werd gedood door het zwaard dat nog lauw was van zijn broers bloed.
 

Althaea, moeder van Meleager, is in tweestrijd

Terwijl Althaea de goden in de tempels dank bracht vanwege het succes van haar zoon, zag ze opeens een stoet naderen met de lijken van haar broers. Haar geween en rouwmisbaar klonken de hele stad door. Maar toen ze hoorde wie haar broers vermoord had, ruilde ze tranen en rouw voor een niet te stillen honger naar wraak.

Toen zij nog in het kraambed lag, hadden de drie Schikgodinnen een tak in de haard geworpen en voorspeld dat Meleager dezelfde levensduur zou hebben als die tak. Toen de godinnen waren weggegaan, had Althaea het gloeiend stuk hout snel uit het vuur gehaald en in water gedompeld; sinds die tijd lag het zorgvuldig in huis verborgen.

Nu haalde de moeder het te voorschijn en ontstak een dreigend vuur. Viermaal trachtte ze de tak in de vlammen te gooien, maar viermaal schrok ze terug: haar hart was in tweestrijd tussen moeder zijn en zuster zijn. Maar toch won de zuster het uiteindelijk van de moeder omdat haar broers die dood niet verdiend hadden en omdat haar zoon voor zijn misdaad moest gestraft worden. En daarom zei ze: "In die vlammen zal mijn vlees en bloed vergaan!"

Ze pakte het stuk hout vast en riep de Eumeniden aan om toe te zien op dit dodenoffer. Na lang twijfelen wierp ze met bevende hand en afgewend gezicht de dood brengende tak recht in de vlammen. Het was alsof het hout kreunde toen het door het vuur werd aangevreten en verbrandde.
 

Steve Vermeulen

3 LaWi

1998-1999
 

Meleager sterft

Zonder te weten wat er thuis gebeurd was, werd Meleager, ver weg van de brandende boomstronk, gepijnigd door een raadselachtig vuur. Dapper verdroeg hij het schroeien van de vlammen maar toch ergerde het hem dat hij zulk een dood, zonder bloed, zonder roem moest sterven. Hij noemde Ancaeus, zo gruwelijk door het zwijn verminkt, zelfs gelukkig om zijn wonden. Hij riep klagend met zijn laatste krachten zijn vader, broers en zusters bij hun naam - en misschien riep hij ook zijn moeder... Nu eens namen de brandende pijnen toe, dan weer werden ze minder; tenslotte doofde bij Meleager het levensvuur en op datzelfde ogenblik viel het stuk hout ineen in een laag witte as.

Calydon lag er verslagen bij. Iedereen rouwde, van jong tot oud, van hoog tot laag. Vrouwen krijsten door heel de stad en rukten zich de haren uit. Meleagers vader Oeneus rolde zich in het stof en besmeurde zijn haren en lichaam; hij vervloekte zichzelf omdat hij nog leefde terwijl zijn zoon al was gestorven. Zijn moeder had haar eigen gruwelijk vonnis al voltrokken door zich op een zwaard te storten.
 

Rouw van Meleagers zusters

Het rouwen van de zusters valt niet te beschrijven, al had ik honderd monden en honderd tongen, en het talent van alle Muzen samen... Ze stompten hun lichaam bont en blauw, trokken zich de haren uit en kusten zijn kil lichaam. Toen hij verbrand en begraven was, gingen ze languit op zijn graf liggen, omhelsden de steen waarin zijn naam was gebeiteld en barstten in tranen uit. Ook Diana zag dit leed in Oeneus' huis en vond dat het zo wel volstond. Daarom gaf ze de meisjes veren aan hun lichaam zodat ze konden vliegen, behalve Gorge en haar zus Deianira. Diana rekte bij de andere meisjes hun armen tot lange vleugels en gaf hun een bek: zo stuurde ze hen het wijde luchtruim in.
 

Theseus en Acheloüs

Theseus keert terug naar Athene

Na de jacht op het everzwijn was Theseus op terugweg naar Athene. Maar Acheloüs versperde hem de weg met zijn stroom die door de regen gezwollen was. De riviergod raadde Theseus zijn verdere tocht door het woelige water af en nodigde hem uit bij zich thuis. Acheloüs probeerde Theseus te overtuigen om op zijn aanbod in te gaan door hem te vertellen welke schade hij met zijn gezwollen wateren aanrichtte. Theseus volgde zijn raad op en vergezelde Acheloüs naar zijn paleis.

Theseus werd begeleid naar een zaal die gebouwd was met ruwe tufsteen en poreuze puimsteen; vochtig mos vormde er een zachte bodem. Het plafond was versierd met parelschelpen en purperslakken. Het was al avond toen Theseus met zijn gastheer aan tafel zat. Links van hem zat Pirithoüs, Ixions zoon, rechts zat Lelex, de held uit Troizen, en verder zaten er nog andere mannen die door Acheloüs waren uitgenodigd. Nimfen brachten blootsvoets schalen die rijkelijk gevuld waren met verrukkelijk eten en toen de maaltijd gedaan was, schonken ze wijn in paarlen bekers.

Theseus keek over de watermassa's uit en vroeg hij wat die plek in de verte was - was dat geen eiland? Waarop de stroomgod antwoordde dat het niet een eiland was maar vijf verschillende eilanden; omdat ze zo ver lagen, kon je dit moeilijk zien. Om de oorsprong van de eilanden te verklaren, vertelde Acheloüs hun verhaal.

"Heb je een idee van de wraak van Diana als ze kwaad is? Wel, dit verhaal zal je zeker en vast verbazen: die eilanden waren vroeger vijf nimfen die ooit een dansfeest vierden en tien stieren slachtten. Elke god was uitgenodigd, maar mij vergaten ze. Daarom zwol ik op tot ik een nooit geëvenaarde kracht bezat. Mijn stroom was even razend als mijn hart, ik rukte hele bossen uit, overspoelde talloze velden en voerde die nimfen, die toen pas beseften dat ik ook bestond, op een stuk land mee naar de zee. Toen brak ik met de hulp van de golven van de zee hun stuk grond uiteen. Zo ontstond de eilandengroep van de Echinaden. Maar zoals je zelf ziet, ligt er een van die eilanden ver van de andere. Dat eiland is mij dierbaar; de zeelui noemen het Perimele.

Toen Perimele nog een jong meisje was, had ik haar lief en heb ik haar verkracht. Iets wat haar vader, Hippodamas, niet verdroeg een daarom schopte hij zijn eigen dochter van een rots in zee met de bedoeling haar ze te doden. Ik ving haar op met mijn stroom en vroeg aan Neptunus om dat meisje, verstoten door haar vader, een stukje grond te geven of om haar zelf tot grond te maken. Nauwelijks had ik deze woorden uitgesproken of Perimele werd al zwemmend door een stuk aarde omvat en groeide uit tot een eiland, vastgeklonken aan de zeebodem."
 

Pirithoüs gelooft niet in zulke godenverhalen

Toen de riviergod zijn verhaal beëindigd had, zweeg iedereen. Allen waren ze aangegrepen door deze merkwaardige gebeurtenis. Maar Ixions zoon, een brutale godenverachter, lachte hen uit: "Verzinsels, Acheloüs! Als je denkt dat de goden de macht hebben om te vormen en te vervormen, dan heb je het mis!" Iedereen was geschokt door die brutale opmerking en keurde zijn woorden verbolgen af. Vooral Lelex, een oude wijze man, had het moeilijk met wat gezegd was:
 

Philemon en Baucis

"De macht van de goden is onmetelijk en wat de goden willen dat geschiedt, geschiedt ook. Als je nog twijfelt, luister dan naar mijn verhaal. In het Phrygisch heuvelland bevindt er zich een laag ommuurde plek, waar een eik en een linde bijeen staan. Ik zag ze ooit zelf staan. Mijn vader Pittheus had me naar de streek gestuurd waar eens zijn eigen vader, Pelops, had geheerst. Niet ver daarvandaan ligt een moeras.

Ooit woonden er daar mensen, maar nu leven er alleen duikertjes en waterhoentjes. Ooit kwamen Jupiter en zijn zoon Mercurius, onherkenbaar in een mensengedaante, aankloppen aan wel duizend huizen en vroegen om een plaats om te slapen. Bij alle duizend huizen werd hun dit geweigerd, behalve bij een. Baucis en Philemon, die al op leeftijd waren, lieten de vermomde goden binnen in hun hutje met een dak van riet een stro. Toen Baucis en Philemon nog jong waren, waren ze daar getrouwd en daar waren ze ook samen oud geworden. Maar door hun armoede te aanvaarden, konden ze er tevreden leven.

Toen de goden zich diep bukten voor de lage deur en het huisje betraden, haalde de oude man een bank en nodigde de twee uit om te rusten. Baucis legde eerst gedienstig een lap van jute op de bank en wierp daarna nog enkele bladeren en droge schors in de open haard zodat het vuur niet uitdoofde. Toen dit aanvankelijk niet lukte, blies ze met haar oude-vrouwen-adem in het vuur; toen gooide ze droge takken die ze van een vliering had gehaald in het vuur onder de kookpot. Vervolgens sneed ze de groenten die haar man uit de tuin had gehaald. Ze nam van een balk (die grotendeels het huisje stutte) een zwartgerookte ham en sneed er een kleine plak af die ze vervolgens in het kokend water legde.

Tijdens het werken werd er gepraat om het lange wachten aangenamer te maken. In een houten teil werd er halfwarm water gegoten opdat de gasten zich zouden kunnen verfrissen. De bank die als tafel dienst deed, werd bedekt met een kleed dat gewoonlijk alleen gebruikt werd bij feestdagen, wat niet wegnam dat het kleed tot op de draad versleten was. De goden namen plaats. De oude vrouw schoof bevend een tafel met drie poten bij hun bank. Een poot was korter dan de andere maar dit werd verholpen door een potscherf onder de korte poot te leggen.

Daarna werd de maaltijd opgediend: groene en zwarte olijven; herfstkornoeljes in heldere bouillon; andijvie, radijzen, een groot stuk kaas en eieren die in halfwarme sintels gekookt waren. Dit alles werd opgediend op borden van gebakken aarde; de wijn kwam uit een kan van hetzelfde materiaal en de beukenhouten bekers hadden barsten die met was gestopt waren. Al snel volgde de tweede gang en als toetje kwam er een schaal met noten, vijgen, dadels, pruimen en druiven uit de wijngaard, met in het midden een honingraat. De maaltijd was een feest omdat de oudjes genoten van hun gastvrijheid. Al etend zagen Baucis en Philemon dat de wijnkan, waaruit ze al talloze keren hadden geschonken, zich vanzelf weer vulde.

Onmiddellijk begreep het koppel dat hun gasten goden waren en ze smeekten hen om vergiffenis voor de simpele maaltijd en voor hun armoede. Dadelijk wilden ze hun enige huisdier slachten: een gans. Maar het kwieke dier ontsnapte aan de stramme oudjes en uitgerekend bij de goden zocht het zijn toevlucht. De goden verboden hen de gans te doden en zeiden: "Ja, wij zijn goden en deze streek vol zondaars zal zo meteen de straf krijgen die ze verdient. Jullie gaan vrijuit, maar jullie moeten wel jullie huis verlaten en met ons meekomen, de helling op."

De oudjes deden wat gevraagd werd en begonnen, leunend op hun stok, moeizaam aan de lange beklimming. Toen ze de top bijna hadden bereikt, keken de oudjes om en zagen dat het gehele landschap in een waterplas verzonken was: alleen hun hutje bleef nog over. Terwijl ze diep ontdaan jammerden over het noodlot van hun volk, veranderde hun klein strooien hutje in een immense tempel. Een balk werd een zuil, de aarden vloer veranderde in marmer, het stro werd goudkleurig, het dak werd afgezoomd met een gouden kroonlijst en de deur werd een fraai gebeeldhouwde poort. Jupiter stelde de oude man en zijn vrouw gerust en omdat ze zo rechtschapen waren, wilde hij hun innigste wens vervullen. Na kort beraad kwam het antwoord van Baucis en Philemon: ze wilden beiden priester worden in de tempel van Jupiter en samen sterven opdat geen van beiden zou moeten treuren op het graf van zijn levensgezel.

Jupiter verwezenlijkte hun wens; zolang ze leefden, bewaakten ze de tempel. Ze spraken nog altijd over die wonderlijke gebeurtenis tot ze op een keer, hij bij haar en zij bij hem, plots groene blaadjes zagen groeien; het duurde niet lang of boven hun hoofden torende een kruin. Ze hadden nog net de tijd elkaar vaarwel te zeggen en elkaars naam uit te spreken; dan verdween hun mond in het groen van het loof. De Phrygische bewoners vertellen nog steeds over deze twee bomen die uit mensen zijn ontstaan. De takken hangen vol met kransen, dat heb ik zelf gezien. Ik heb er ook een in gehangen met de volgende woorden: Goddelijk zijn zij die door de goden verzorgd worden; laat hen die geëerd hebben, geëerd worden."
 

Roel Pauwels

3 LaWi

1998-1999
 

Erysichthon

Lelex zweeg. Zijn verhaal had hen allemaal geboeid. Theseus had met meer dan gewone aandacht geluisterd en wilde nog meer wondere daden van de goden horen. Acheloüs lag op een elleboog en begon te vertellen.

"Mijn beste held, vaak blijft het bij een gedaanteverwisseling en in die nieuwe gedaante slijt men dan verder zijn leven; maar soms neemt iemand verschillende gedaantes aan, zoals bijvoorbeeld Proteus. Hij woont in de zee aan de rand van de aarde. Hij werd soms gezien als een jongeman, dan weer als een leeuw of een woedend zwijn. Een andere keer verscheen hij als een slang - wat doodeng is om aan te raken - of nog een andere keer had hij een gehoornde stierenkop. Hij kon ook in een boom of een steen veranderen, soms veranderde hij zich in helder stromend water, werd een rivier en veranderde dan plots in vuur, de tegenhanger van water.

Wie ook meerdere gedaantes kan aannemen, is Erysichthons dochter, de vrouw van Autolycus. Die vader, die Erysichthon, wat voor iemand was dat! Hij verachtte de goden en bracht dus ook nooit een wierookoffer. Hij heeft zelfs, zo zegt men toch, een heilig bos van Ceres geschonden en die oude, heilige plek met staal ontwijd. Er stond daar een enorme eik, oersterk, op zijn eentje bijna een bos op zich. Er hingen talloze kransen, offerlinten en danktabletten in als dank voor vervulde wensen. Bosnimfen hielden daar vaak feesten en dansten hand in hand rond de boom. Die had een doorsnede van meer dan tien meter en de andere bomen stonden ernaast als gras naast een gewone boom.

Maar voor Erysichthon was dit geen reden om hem niet te vellen. Hij had zijn helpers bevolen die boom om te hakken, maar bespeurde hun aarzeling. Daarom nam de schurk een bijl en riep: 'Al was deze eik Ceres zelf en niet alleen haar boom, dan nog zal zijn kruin de grond raken!' Hij was klaar om toe te slaan en haalde fors uit met de bijl toen opeens de eik sidderend begon te kreunen. Zijn loof en eikels werden bleek van angst, zelfs de lange takken verbleekten.

Toen zijn bijl de boom diep verwond had, stroomde er bloed uit de bast. Net zoals bij het offer van een grote stier het dier voor het altaar neerstort en er bloed spuit uit zijn diep doorkliefde nek, zo stroomde nu het bloed uit de boom.

Iedereen was ontsteld. Slechts een gezel waagde het te proberen nog groter onheil te voorkomen; hij wou Erysichthon tegenhouden. Die keek zijn gezel in de ogen en schreeuwde: 'Hier is jouw beloning voor zoveel godsliefde!' Hij richtte de bijl op de man, sloeg hem het hoofd af en begon weer in te hakken op de boom. Maar toen klonk uit de diepte van de boom een meisjesstem die zei: 'Ik ben de nimf die in deze boom woont. Ik ben zeer geliefd bij Ceres en ik voorspel je met mijn laatste krachten dat de wraak voor dit onheil nabij is; dat is een troost nu ik sterf!' Maar Erysichthon ging ongenadig verder. Tenslotte werd de boom, na ontelbare slagen, door kabels neergehaald, waarbij hij een groot stuk bos door zijn enorm gewicht verpletterde.

De nimfen hadden groot verdriet om het lot van hun gezellin en om dat van de gevelde boom; ze besloten naar Ceres te gaan en haar te smeken wraak te nemen op Erysichthon. De godin stemde toe: met een hoofdknik deed ze het koren op de velden schudden. De straf die zij bedacht zou misschien medelijden kunnen opwekken als Erysichthon niet elke kans op medelijden verspeeld had door zijn wangedrag: hij moest van honger sterven. Omdat Ceres zelf de Honger niet mocht opzoeken (het lot staat niet toe dat graan en honger elkaar ontmoeten), gaf ze de opdracht aan een oreade en zei: 'Er is een verre uithoek in het ijzig land van de Scythen, een triest gebied; het is er onvruchtbaar en er zijn geen bomen, er groeit geen graan. Daar wonen de starre Kou, de Rilling, de Huiver en de Honger. Zeg aan deze laatste dat ze in de maag van die gewetenloze schurk moet heersen. Ze mag zich niet laten verjagen door om het even welk voedsel! Maak je maar geen zorgen voor de lange reis: je mag mijn drakenwagen gebruiken om door de lucht te reizen.' Ze stond haar wagen af waarop de nimf door de lucht naar Scythië reisde.

Op de top van de ijskoude Kaukasus spande ze de draken uit en zocht de Honger op. Ze zag haar op een met stenen bezaaid land terwijl ze met nagels en tanden armzalig onkruid probeerde uit de grond te trekken. Ze had ongekamde haren, holle ogen, een vaalbleke kleur en grauwe, rimpelige lippen. Haar hals was schilferig en gevlekt; haar huid was zo uitgedroogd dat je haar ingewanden zag zitten. Waar de heup begon, stak dor gebeente bijna door de huid; ze had geen buik, haar borst leek los te zitten en werd alleen op haar plaats gehouden door ruggengraat en ribben. Haar knieën waren gezwollen en haar enkels leken vormeloze klompen.

Vanuit de verte bracht de nimf het bevel van Ceres over - dichter durfde ze niet komen. Onmiddellijk daarna voelde ze bij zichzelf de honger al knagen, ook al was ze daar nog maar net en bewaarde ze een grote afstand. Ze keerde dus maar vlug terug naar Thessalië.

De Honger mocht dan wel tegen Ceres' werken gekant zijn, toch voerde ze haar bevelen uit. Ze landde bij Erysichthons huis (waar ze door de wind was heengebracht) en ging de slaapkamer van de heiligschenner binnen. Hij sliep nog (het was nacht)... Ze sloeg haar armen om hem heen, drong zich aan hem op en blies haar adem via zijn mond en keel tot in zijn longen. Daar stroomde de honger al door zijn aderen... Toen ze klaar was, verliet ze het welvarend gebied en keerde naar haar armoedig huis terug.

Erysichthon sliep nog altijd en droomde van volle schalen voedsel, tastte toe en kauwde. Hij kauwde hap na hap en slikte ingebeelde spijzen door als nooit tevoren. Maar hij slikte geen voedsel maar ijle lucht... Toen hij wakker werd, had hij een hongerig gevoel dat zijn maag en mond beheerste. Ongeduldig riep hij om al het voedsel wat land, zee en lucht te bieden hadden. Hij klaagde met volle tafels eten voor zich over honger, hij riep om eten terwijl zijn mond ermee volgepropt zat. Wat genoeg zou zijn om steden of een volk te voeden, was voor die man nog te weinig. Hoe meer hij at, hoe meer honger hij had. Zoals de zee rivieren van de hele aarde opneemt en, nooit verzadigd, van de meest uitheemse stromen drinkt, of zoals snel verterend vuur nooit voedsel weigert, onmetelijke hoeveelheden hout verbrandt en verder om zich heen grijpt als er nog meer te grijpen valt; zo propte Erysichthon bord na bord naar binnen en vroeg bij elke hap naar meer.

Elke hap versterkte zijn honger en al slikkend merkte hij nog steeds dat brandend gevoel van honger. Zijn tomeloze vraatzucht had zijn bezittingen al fel verminderd en toch hield die honger aan. Toen hij al zijn rijkdommen had verslonden, restte enkel nog zijn dochter Metra. Zij had zo'n vader niet verdiend, want uit geldnood verkocht hij haar!

Maar ze was te trots voor slavernij en vluchtte naar het strand. Ze richtte zich tot de zee en riep smekend: 'Verlos mij van mijn meester, jij die mij mijn kuisheid hebt ontnomen', wat Neptunus inderdaad gedaan had; daarom verhoorde hij haar smeekbede. Toen haar vader, die haar net nog had gezien, haar bleef achtervolgen, veranderde Neptunus haar gedaante: hij gaf haar het lichaam van een man en de kleding van een visser.

Haar vader zag die man en zei: 'Mijn beste visser, jij die dat ijzeren haakje aan je lijn volstopt met aas, ik wens jou een kalme zee toe; ik hoop dat de vissen in dit water goed bijten en die haak pas voelen na hun beet! Maar zeg eens, liep hier zojuist geen vrouw in slavenkleren met verwaaide haren over het strand? Ik zag haar hier toch staan? Zeg me waar ze is, want haar voetstappen gaan niet verder dan...'

Zijn dochter merkte dat Neptunus haar had geholpen, was vrolijk dat naar haar gevraagd werd en antwoordde: 'Wie je ook bent, vergeef me, maar ik heb alleen maar op dit watervlak gelet, ik was druk bezig met mijn arbeid. Maar wees gerust: ik zweer je bij de zeegod die mijn hengel zijn zegen geeft, dat er al geruime tijd niemand op dit deel van het strand is geweest behalve ik - zeker geen vrouw.' Haar vader geloofde dat en keerde bedrogen terug. Toen kreeg zijn dochter opnieuw haar meisjesgedaante.

Toen de onwaardige vader gemerkt had dat zijn dochter van gedaante kon veranderen, verkocht hij haar steeds aan een nieuwe eigenaar. Steeds vluchtte ze van die nieuwe eigenaar weg, als paard, als duif, als koe of als hinde. Zo hield ze door haar bedrog haar vader in leven, hoe gulzig hij ook was, hoe veel hij ook at. Maar toen hij tenslotte al het voedsel had opgegeten en er geen voorraad meer was, begon hij met roofdiertanden van zijn eigen vlees te eten: hij vrat zichzelf op om zijn honger te stillen!"
 

Acheloüs, de riviergod, kan ook van gedaante veranderen

"Maar, beste vriend, wat spreek ik over vreemden als ik zelf ook in zekere mate van gedaante kan veranderen? Soms ben ik zoals nu, een andere keer ben ik een kronkelende slang, dan weer ben ik een stier die al zijn kracht in zijn horens legt - althans, zolang ik horens had. Mijn hoofd mist tegenwoordig, zoals je zien kunt, een van zijn wapens..." en hij zuchtte diep.