LIBER SEPTIMUS

Birgen Willemyns

3 LaWi

1998-1999
 

Jason en Medea

De Argonauten bij koning Phineus

De Argo, het Argonautenschip, sneed door de golven na een kort bezoek aan Phineus, die zijn trieste ouwe dag in eeuwige blindheid doorbracht. De zonen van Boreas hadden de vliegende Harpijen uit zijn bord weggejaagd, daarna hadden ze met de beroemde Jason heel wat avonturen beleefd en nu hadden ze eindelijk de snel stromende, zandige Phasis bereikt.
 

De Argonauten in Colchis; Medea wordt verliefd

Toen ze in Colchis waren aangekomen, werden de Argonauten bij de koning aangediend; ze vroegen hem het Gulden Vlies. Terwijl de koning uiterst gevaarlijke en huiveringwekkende voorwaarden opsomde, voelde Medea een warme gloed van binnen. Hoewel ze lang weerstand bood aan die onbekende gloed en hoopte dat haar gezond verstand zou zegevieren, kon ze haar verlangen naar Jason niet temmen.

"Het heeft geen zin, Medea, een godheid zit je dwars. Het zou me niet verbazen dat dit liefde is, of zeker iets dat daarop lijkt... Waarom vind ik vaders eisen eigenlijk zo onmenselijk? Ze zijn onmenselijk! Waarom ben ik zo bang dat iemand die ik nog niet goed ken, zal sterven? Waar komt die angst vandaan? Weersta aan de liefde die je prille hart doet ontvlammen, als je tenminste nog kunt... Helaas! Als ik dat zou kunnen, liep ik nu geen gevaar...

Een vreemde kracht dwingt me; mijn begeerte wil iets anders dan mijn verstand: ik zie, ik weet wat goed is, maar ik jaag het slechte na...Waarom, prinses, word je verliefd op een vreemdeling, waarom? Waarom droom je van een huwelijk ver van huis terwijl dit land genoeg te bieden heeft? En of Jason straks sterft of niet, dat zijn zorgen voor de goden... Nee! Sterven mag hij niet! Ook zonder liefde mag ik wensen dat hij leeft, want heeft Jason iets misdaan? Je moet wel van steen zijn als Jasons afkomst, moed en jeugd geen indruk maken. En wie wordt er anders niet aangetrokken door zijn gelaat? Ik wel, in elk geval...

Als ik geen hulp bied, zal hij straks de stierenadem voelen blazen; dan zal hij moeten vechten tegen vijanden die hij zelf heeft gezaaid, die uit de grond zijn ontstaan; hij zal een prooi zijn voor een gulzig monster! Als ik dat zou toestaan, zou ik een hart van steen of staal hebben, of zou mijn moeder een tijgerin zijn; dat geef ik eerlijk toe. Dan kan ik evengoed met mijn eigen ogen toekijken hoe hij sterft! Waarom hits ik niet zelf die stieren, dat uit de grond opgerezen leger of die waakzame draak tegen hem op? Goden, bewaar me! Nee, ik moet niet smeken, ik moet handelen.

Maar wat moet ik doen? Moet ik mijn vaders heerschappij verraden en een jonge kerel die ik niet ken, het leven redden? Zodat hij veilig kan vertrekken, maar zonder mij en daarna met een ander trouwt terwijl ik hier de straf voor mijn hulp niet kan ontlopen? O, als hij dat doet en iemand anders boven mij verkiest, dan mag hij voor mijn part sterven! Maar zijn verschijning, zijn edelmoedigheid en zijn charmes zijn niet zo dat hij mij zal bedriegen of dat ik ondank voor mijn hulp hoef te vrezen. Ik zal hem straks zijn erewoord vragen en hierbij de goden als getuigen aanroepen. Wat moet ik dan nog vrezen? Kom, Medea, doe het meteen, geen uitstel! Jason zal je nu voorgoed trouw blijven en een plechtig huwelijk met je sluiten; in Griekse steden zal ik als een redster en een heldin worden onthaald door heel wat moeders...

Maar keer ik echt mijn zus, mijn broer, mijn vader, mijn goden, mijn vaderland en mijn geboortestad de rug toe? Ja, echt, ik laat hen achter omdat mijn vader wreed en mijn land barbaars is; omdat mijn broer nog een kind is; mijn zuster zal mij steunen en in mij heerst die sterke god! Ik laat geen rijkdom achter, ik ga rijkdom tegemoet: ik zal leven in een beter land, ik zal als een redster door het Griekse volk worden geëerd. Ook hier wordt gesproken over de roem, de kennis van die mensen, over hun kunst en over Jason voor wie ik alle rijkdom van de wereld opgeef.

Met zo'n man zal ik gelukkig worden, en ik zal er de goden dankbaar om zijn. Het mag dan wel waar zijn dat er op zee gevaren dreigen; dat Charybdis, van wie elke zeeman schrik heeft, de golven opslokt en weer uitspuwt; dat het geblaf van Scylla met al haar honden over de wateren rond Sicilië wordt gehoord... De liefde zal mij helpen, ik vaar alle zeeën af in Jasons armen zonder dat ik iets zal vrezen, en als ik angst zou hebben, dan zou ik alleen kunnen vrezen mijn bruidegom te verliezen... Maar zou dat wel een huwelijk zijn? Zie ik de dingen niet rooskleuriger dan ze zijn? Schei uit, Medea, nu het nog kan, met wat verkeerd is."

En bij die woorden stonden kuisheid, eergevoel en plicht haar strak voor ogen, zodat Cupido zich moest gewonnen geven.
 

Medea ontmoet Jason buiten het paleis

Medea ging naar het oeroude heiligdom van Hecate, de dochter van Perse, dat verscholen lag in een eenzaam bos. Haar hartstocht leek bedaard en ze voelde zich weer sterk. Maar juist nu kwam ze Jason tegen, en het smeulende vuur laaide opnieuw op. Haar gelaat kleurde rood, haar hele hoofd begon te gloeien, zoals een vonkje dat, toegedekt onder de as, voedsel vindt in het waaien van de wind, daardoor terug opflakkert en zich met herwonnen krachten dansend omhoog richt. Zo was haar liefde, die verflauwd was en verdwenen leek, weer opgelaaid toen ze die man in volle schoonheid zag verschijnen.

Ja, Jason was die dag op de een of andere manier knapper dan anders; je kon haar verliefdheid wel begrijpen. Ze keek hem aan en bleef strak in zijn gezicht kijken alsof ze het toen pas voor het eerst zag; ze bleef verstomd staan, ze geloofde dat ze meer dan alleen maar een mens had gezien en ze kon haar blik niet afwenden. Toen Jason haar aansprak, haar rechterhand nam, haar eerst om hulp smeekte en haar dan met een onderdanige stem ten huwelijk vroeg, vloeiden er tranen over haar wangen en ze zei: "Ik weet al wat ik moet doen: niet het gebrek aan plichtsbesef toont mij het slechte pad, maar wel de liefde. Door mijn toedoen word je gered, Jason, schenk mij in ruil daarvoor je trouw."

Hij zwoer het bij Hecate, de godin met drie gedaanten, bij haar heilig bos en alle goddelijke wezens die daar leefden; hij zwoer ook bij de Zon, de grootvader van Medea, en bij de goede afloop van zijn eigen avonturen. Toen hij haar had overtuigd, gaf zij zonder aarzelen haar toverkruid en legde de werking ervan uit. Opgetogen stapte Jason naar het paleis.
 

Jason wint het Gulden Vlies

Aurora had de volgende ochtend de fonkelende sterren verjaagd. Het volk begaf zich naar het heilig Marsveld, waar het plaatsnam op de hellingen. De koning, gekleed in een purperen gewaad en met zijn ivoren scepter in de hand, was ook al naar deze plek gekomen. Daar waren de stieren: ze hadden bronzen hoeven en stalen neuzen waardoor ze vuur bliezen (deze stieren waren immers door de god Vulcanus gemaakt); hun hete adem verschroeide het gras. Zoals een hoog gestookte oven loeit en giert, of zoals een stookplaats waarin losse stukken kalksteen vurig gaan sissen als er water over wordt gesproeid, zo klonk het geluid uit de gloeiende keel en borst van de stieren.

Toch naderde Jason de dieren; hun walgelijke koppen wachtten dreigend zijn aanval af. Hun scherpe horens waren bedekt met ijzer en met hun scherpe hoeven stampten ze op de losse grond. De Argonauten waren bang want Jason was al vlak bij de stieren maar voelde hun adem niet, zo krachtig werkte dat kruid; hij streelde hen met vastberaden hand, legde hen het juk van een zware ploeg op en dwong ze zo voren te trekken in het stukje land dat nog nooit was omgeploegd. Hij greep de bronzen helm met drakentanden, doordrongen met gif, en strooide ze in de voren. Zoals een vrucht zich in de moederbuik ontwikkelt en zich tot in het kleinste onderdeel daarbinnen vormt om pas in rijpe toestand op de wereld te verschijnen, zo rees ook daar, uit de bevruchte grond, een volk dat zich gevormd had in de zwangere ingewanden van de aarde, maar vreemder nog: die mannen waren bij hun geboorte al gewapend!

Toen de Grieken zagen hoe de krijgers hun scherpe lansen opnamen en zich klaar hielden om ze naar Jasons hoofd te slingeren, durfden ze niet meer kijken: ze verloren hun laatste sprankeltje hoop. Ook Medea werd bang, hoe goed ze hem ook beveiligd had. Toen ze op die ene man zo veel vijanden zag losstormen, verstarde ze en werd ze bleek. Uit angst dat haar kruiden niet zouden helpen, prevelde ze een toverspreuk. Maar Jason gooide een zware rots te midden van de vijanden waardoor de aanval omsloeg, omdat die krijgers nu met elkaar begonnen te vechten en in onderlinge strijd sneuvelden.

De Grieken juichten de overwinnaar toe en omarmden hem hartstochtelijk, iets wat jij, Medea, ook wou doen, maar voor je fatsoen en je goede naam moest je je beheersen en kon je slechts in stilte blij zijn. Je moest ook je toverkunst en de goden die je kunst mogelijk hadden gemaakt, bedanken.

Nu moest Jason nog een monster (dat nooit sliep en dat de boom van het Gulden Vlies bewaakte) met toverkruid bedwelmen. Toen hij dit monster, bevreesd om zijn drie tongen, zijn stekelige kam en zijn kromme tanden, met kruid vol slaapverwekkend sap bestrooid had en tot driemaal toe een spreuk had uitgesproken, die niet alleen mensen doet slapen maar zelfs gedonder van rivieren en geraas van de zee doet bedaren, sloot het monster zijn ogen en veroverde Jason, de held, de gouden vacht. Trots nam hij zijn buit, samen met de schenkster van die gouden trofee als bruid, aan boord en keerde in triomf naar de haven van Iolkos terug.
 

Kenny Merlevede

3 LaWi

1998-1999
 

Medea verjongt Jasons vader

Als dank voor de thuiskomst van hun zonen, brachten de moeders van de Argonauten en de oude vaders offers aan de goden. Ze gooiden wierook in het vuur en het offer van een rund waarvan de horens met goud versierd waren, bekroonde de plechtigheid. Slechts Aeson ontbrak bij het dankfeest, want hij was door de ouderdom ondermijnd en bijna stervend.

Daarom zei Jason tot zijn vrouw: "Ik weet dat ik mijn leven aan jou te danken heb, je hebt mij alles al geschonken; al je goede daden overtreffen de trouw die ik van jou mocht verwachten. Maar ik heb nog een verzoek: kun je met je toverspreuken, die toch alles kunnen, van mij wat jaren afnemen en die aan mijn vader geven?" Hij huilde toen hij zijn vraag stelde.

Medea bedacht, ontroerd door zoveel trouwe liefde, hoe zij haar eigen vader Aeëtes was ontvlucht. Zonder die gevoelens uit te spreken zei ze: "Jason, hoe durf je zoiets vreselijks zeggen! Denk je echt dat ik een deel van jouw bestaan kan overbrengen naar een ander? Nee, je vraagt mij te veel; zelfs Hecate zou mij dit niet toestaan. Maar toch wil ik je helpen, en zelfs meer dan je vraagt: ik zal je vader trachten te verjongen door mijn toverkunst. Dit zal gebeuren zonder jou te schaden, als Hecate mij tenminste genadig is bij de uitvoering van mijn plan."

Het duurde nog drie nachten voor de maan haar sikkelpunten tot een hele cirkel sloot, maar toen zij in haar volheid blonk en naar de aarde omlaag keek, verliet Medea het paleis. Blootsvoets, met haar rokken los geplooid en het haar niet opgebonden maar golvend langs de schouders, zocht ze alleen haar weg in het holst van die volkomen stille nacht.

Mensen, vogels en wilde dieren sliepen vredig; overal heerste diepe rust; alleen de sterren fonkelden. Met de armen in de lucht draaide Medea zich driemaal om en besprenkelde driemaal het haar met water dat ze uit een beek had geschept. Ze slaakte drie kreten, knielde op de harde grond en bad:

"O nacht, vriendin van mijn geheimen! Gouden sterrenlicht dat samen met de maan het zonnelicht van de dag vervangt! O Hecate, driehoofdige godin, die getuige is van mijn plan, beschermster van mijn toverkunst en spreuken! O aarde, jij die tovenaars voorziet van krachtig kruid! O lucht en winden, bergen, meren en rivieren! Goden van bos en duisternis, ik vraag jullie allen: sta mij bij! Want als ik dat wou, deed ik met jullie hulp rivieren tussen verbaasde oevers stilstaan en naar hun bron terugvloeien. Ik maak met toverzangen een wilde zee weer kalm, en omgekeerd, ik roep nevels op of jaag ze weg, ik zorg wel of niet voor wind, ik doe kelen van slangen barsten met bezwerende formules. Ik verplaats rotsen, ruk bomen en zelfs hele bossen uit de grond; ik doe bergen sidderen, de bodem kraken en kreunen en ik wek de doden uit hun graf. Ja, zelfs de maan trek ik omlaag, al bezweren koperen bekkens een maansverduistering; zelfs de zonnewagen raakt door mijn spreuken zijn glans kwijt, door mijn sappen kwijnt Aurora. Jullie, goden, hebben dat stierenvuur voor mij bedwongen en die nooit getemde nekken voor het juk van de ploeg doen buigen. Jullie brachten die drakenzonen tot felle strijd en deden de bewaker van het Gulden Vlies, die bewaker die nooit sliep, in slaap vallen; toen die was uitgeschakeld lieten jullie het Gulden Vlies weer naar de Griekse steden gaan. Nu vraag ik jullie om sappen die de grijsheid verjongen tot nieuwe bloei, sappen waardoor de eerste levenshelft opnieuw bereikt wordt. Ik weet dat jullie ze zullen geven, want ik laat de sterren niet voor niets fonkelen, en ik zie niet voor niets de wagen met de gevleugelde draken staan!"

Die wagen was vanuit de hemel naar de aarde afgedaald. Ze aaide het drakenspan over de nek, besteeg de wagen en bewoog licht de teugels; toen werd ze hoog in de lucht meegevoerd. Thessalië en het Tempe-dal lagen diep onder haar. Ze dreef de draken naar welbepaalde bergstreken waar ze kruiden uitzocht: op de hoge Pelion, de Ossa, de Orthris, de Pindus en - zelfs hoger dan de Pindus - de Olympus. Een deel van die kruiden trok ze los met wortel en al, een ander deel sneed ze af met een bronzen mes. Daarna koos ze oevergras uit van de Eridanus, de Amphrysus, de Enipeus, de Peneius en de Spercheius; ook het Boibe-meer droeg met zijn riet-begroeide oevers bij aan haar verzameling kruiden. Tenslotte plukte ze er ook nog wat in Anthedon, bij Euboea, een krachtig kruid - dat werd nadien bekend toen Glaucus in een zeegod veranderde. Zo zwierf ze negen volle dagen met haar wagen, getrokken door dat gevleugeld drakenspan, langs al die oorden. Bij haar terugkomst verloren de draken (die het kruid niet hadden aangeraakt maar alleen geroken hadden) hun oude huid en kregen een nieuwe.

Medea keerde naar huis terug maar ging niet naar binnen: omdat ze nu nog niet met mensen in contact wou komen, bleef ze voorlopig onder de blote hemel. Ze bouwde met graszoden twee offertafels: de rechtse bestemd voor Hecate, de linkse voor Juventa. Nadat ze die met groene twijgen en slingers had bekranst, bracht ze, naast de offertafels en boven de aarde, de vereiste offers. Ze stak twee zwarte schapen een mes in de keel; een stroom van bloed spoot in de open aarde. Dan goot ze - onder een stortvloed van tovertaal - uit een drinkschaal heldere wijn over de dode schapen, daarna halfwarme melk. Toen riep ze de onderaardse machten aan. Ze smeekte Dis en Proserpina dat zij de oude man niet te snel van zijn levensgeesten zouden beroven.

Toen Medea hen met lange gebeden genadig had gestemd, liet ze Aeson (die sterk verzwakt was) naar buiten brengen om te rusten op een bed van gras; ze had hem in een diepe slaap getoverd. Ze gebood Jason en zijn slaven weg te gaan opdat ze haar zwarte kunst niet met hun profane blikken zouden hinderen; ze gehoorzaamden.

Medea liep met wapperende haren om de altaarvuren heen. Ze doopte dunne fakkelstokjes in het zwarte bloed dat zich met aarde had vermengd. Toen de stokjes doordrenkt waren, stak ze die op de altaren aan en trok driemaal een kring van vuur rond de grijsaard. Dit ritueel herhaalde ze met water en zwavel.

Ondertussen kookte ze in een koperen pan een krachtig tovermiddel; het borrelde met een witte schuimlaag. Ze roerde al het groen dat ze in Thessalië had geplukt er doorheen en voegde nog zaden, bloemen en donkere sappen toe. Vervolgens strooide ze er steentjes in uit verre oorden, en oceaanzand dat door eb en vloed was schoongewassen. Dan voegde ze druppels rijp toe die ze 's nachts bij maneschijn had verzameld, en schadelijke nachtuilvlerken waar nog vlees aan zat. Tenslotte deed ze er de ingewanden van een weerwolf bij die zijn dierenlijf maar al te vaak voor dat van een mens verwisseld had; en bij dit alles kwamen verhoornde schubben van een Afrikaanse slang, de lever van een krachtig hert en kop en snavel van een negen generaties oude kraai. Met nog duizend niet te noemen andere dingen werkte Medea aan de uitvoering van haar bovenmenselijk plan.

Ze roerde van de bodem tot de rand met een half rotte tak die ooit vol olijven had gehangen. En kijk: dat oud stuk hout dat in de ketel rondging, werd eerst frisgroen, daarna kreeg het blaadjes en opeens was het weer zwaar van een vracht olijven! Op de plaats waar spetters schuim uit de ketel waren sprongen, was de aarde veranderd in potgrond; bloemen en zacht gewas ontloken er. Zodra Medea dit bemerkte, greep ze haar zwaard en doorboorde ze de keel van de oude man zodat zijn bloed rijkelijk kon wegstromen; in zijn aders goot ze haar toverdrank. Zodra het drankje Aesons lijf was binnengestroomd, werden zijn baard en zijn haar zwart in plaats van grijs, zijn magerte en zijn bleekheid verdwenen en zijn zwakheid was vergeten. Zijn ingevallen wangen werden weer vlezig, zijn ledematen kregen opnieuw kracht. Aeson, blij verwonderd, voelde zich weer dezelfde man als veertig jaar geleden.
 

Bacchus bewondert Medea's kunsten

Dit wonderbaarlijk werk zag Bacchus vanuit de hoge lucht en hij kreeg van Medea gedaan dat ook de leeftijd van zijn nimfen werden verjongd.
 

Joris Vanderhulst

3 LaMt

1998-1999
 

Medea's wraak op Pelias

Ze was nog niet gestopt met haar intriges, want Medea maakte ruzie met Jason; een schijnvertoning natuurlijk om als bedelaar naar Pelias' paleis te kunnen gaan. Omdat Pelias te oud was, ontvingen zijn dochters Medea. Handig en snel zij palmde de Colchische hen in door zich vriendelijk te gedragen. Toen ze hen verteld had van haar successen en dus ook hoe Aeson jonger was geworden, hoopten de meisjes dat ook Pelias zou kunnen verjongen. Ze smeekten Medea en beloofden alles te geven wat ze vroeg. Eerst aarzelde Medea; ze wachtte om te antwoorden maar toen stemde ze toe en zei: "Ik zal bewijzen wat ik kan door de oudste ram van jullie kudden tot lammetje te maken."

Het zwakke dier werd onmiddellijk gehaald. Met een mes sneed Medea het de keel over en dompelde ieder deel in een gekookt sap: de ram werd weer klein en jong en begon lief te blaten; toen zocht het spelend naar moedermelk. De meisjes waren nu nog sterker overtuigd dat wat ze gevraagd hadden, mogelijk was.

Vier dagen later bereidde Medea een brouwsel met water en gras, maar zonder de toverkruiden; ze had de koning bewusteloos gemaakt met spreuken en tovertaal. Toen de dochters van Pelias binnenkwamen, beval Medea hen het bloed van hun vader te vergieten. Met afgewende hoofden sneden ze hun vader de keel over: ze betuigden hun dochterliefde door vadermoord! Pelias kon zijn dochters nog vragen waarom zij dit deden, maar daarna werd hij tot zwijgen gebracht en belandde hij in het hete water, dat natuurlijk geen werking had...
 

Medea's vlucht

Omdat Medea door haar drakenwagen weggevoerd was, ontliep ze haar straf. Ze vloog hoog over de schaduwrijke Pelion; hoog over de Othrys-berg, bekend doordat Cerambus hier als kever met de hulp van nimfen de zondvloed van Deucalion had kunnen ontvluchten.

Vele dingen gleden onder haar door: de versteende slang Lesbos en Ida's woud, waar Bacchus ooit een jonge stier verborg die hij veranderd had in een hert omdat zijn zoon de stier gestolen had; Paris' graf bedekt met een dun laagje zand en het land waar Maera angst gezaaid heeft met haar vreemd geblaf, de vesting van Eurypylus op Cos, waar vrouwen koehorens kregen in de tijd dat Hercules er met zijn leger langstrok; Rhodos, Ialysos, waar het Telchinen-volk door Jupiter's haat een prooi werd van de zee omdat zij alles verpestten. Ze kwam ook langs het oude eiland Cea, met de stad Carthaea, waar Alcidamas ooit verbaasd zag hoe zijn kind de vorm kreeg van een zoete druif.

Beneden zich zag ze verder het meer van Hyria en het Tempe-dal, druk bezocht door Cycnus sinds hij een zwaan was: want op Cycnus' verzoek had Phyllius eerst voor hem twee gieren en een woeste leeuw getemd, en moest toen ook nog een stier temmen. Maar Cycnus bleef hem steeds als minnaar afwijzen zodat Phyllius de stier voor zichzelf hield. Cycnus riep verontwaardigd: "Straks heb je spijt!"en sprong van een hoge rots. Hij werd tijdens zijn val in een zwaan veranderd, maar toch dacht iedereen dat hij was neergestort. Zijn moeder Hyria smolt van verdriet weg in tranen tot een vijver die nog altijd het meer van Hyria heet.

Dichtbij ligt Pleuron, stad van Ophius, wiens dochter Combe vluchtte voor het geweld van haar eigen zonen. Daarna zag de Colchische Calaurea, Latona's land; het koningspaar daar was ooit in vogels veranderd. Aan de rechterkant lag Cyllene, de plaats waar Menephron, als was hij een wild dier, zijn eigen moeder wou verkrachten. Wat verderop zat Cephisus te huilen om zijn kleinkind dat door Apollo in een zeehond was veranderd. Ook Eumelus' huis was in rouw om zijn verdwenen zoon. Tenslotte landde ze met haar draken bij Pirene, de bron van Corinthe. Al lang vertelde men dat daar, toen het voor het eerst regende, mensen zijn gegroeid uit paddestoelen.
 

Medea doodt haar kinderen

Toen Jasons nieuwe bruid verschroeid was door Medea's gif en beide zeeën van Corinthe haar zagen branden, doodde de wraakzuchtige moeder met het onheilbrengend zwaard haar eigen kinderen en vluchtte weg. Ze vluchtte met haar Titaanse drakenwagen naar de plaats waar men eens de oude Periphas en zijn rechtschapen Phene gezien had toen ze in het rond vlogen. Daarna ging ze naar Athene's burcht, waar ook Alcyone vleugels kreeg. Eerst werd Medea Aigeus' gast, later werd zij zijn vrouw.
 

Theseus

Medea tracht Theseus te doden

Aigeus had een onbekende zoon, Theseus. Kort daarvoor had Theseus de zee-omspoelde Isthmus tot rust gebracht. Om hem te doden mengde Medea gif: wolfswortel, dat zij uit haar Scythisch land had meegenomen... Ze zeggen dat die plant gegroeid is uit het kaakschuim van Echidna's hond. In een spelonk met donkere diepten verdwijnt een dalend pad; daar trok ooit Hercules Cerberus omhoog aan ketens.

De hond wendde zich af van het daglicht en de scherpe zonnestralen. Eenmaal op de bovenwereld blafte hij woedend met zijn drie koppen zodat hij witte vlokken schuim sproeide over de groene velden. Er wordt verteld dat het schuim stolde en kwade krachten kreeg in de voedzame bodem. Daar groeit die giftplant, wolfswortel, op rotsgrond en wordt ze door boeren akoniet genoemd. Welnu, dit sap reikte ze Theseus aan in de overtuiging dat hij een vijand was. Theseus hief nietsvermoedend de beker op, maar Aegeus zag het familiewapen in het wit-ivoren zwaard van zijn zoon en sloeg de dodelijke drank van zijn mond weg; Medea ontkwam aan haar dood door zich in nevels te hullen.
 

Theseus gevierd

Enerzijds was de vader blij dat hij zijn zoon gered had, maar hij was ook geschokt dat deze moordpoging bijna gelukt was... Hij offerde aan de goden vele geschenken, waaronder talloze runderen. Men vertelde dat men in Athene nooit meer zo had gefeest als op die dag. Het arme volk en de adel genoten samen van de maaltijden en eerden, onder invloed van de wijn, Theseus met een lied:

"Jij bent, verheven Theseus, de roem van Marathon sinds je er stierenbloed liet vloeien; en dat in Cromyon weer boeren ploegen zonder angst voor het everzwijn, dat is jouw werk! Heel Epidaurus zag hoe Vulcanus' zoon, die reus met zware knots, door jou geveld werd; bij de Cephisus-stroom zag men de schurk Procrustes omkomen en in Ceres' stad Eleusis Cercyon. Jij doodde Sinis, die door zijn enorme kracht veel schade aanrichtte: hij kon de dennenbomen met hun top tot op de bodem krom buigen om vervolgens mensen met wijde zwaai uiteen te scheuren. Ook de weg naar Megara is veilig nu Sciron is geveld, die struikrover. Zijn resten zijn verstrooid: hij mocht geen graf op zee, geen graf op aarde krijgen, maar is na lang dolen tenslotte versteend tot stukken rots; men spreekt nog steeds van Scirons rotsen. Als wij jouw heldendaden willen eren, jaar na jaar, zouden er veel meer daden zijn dan jaren! Dappere Theseus, onze gebeden gelden jou, jou eren wij met wijn!"

Het volk applaudisseerde bij het horen van dit lied, bewonderaars slaakten wenskreten en overal in de stad heerste vreugde.
 

Ann Bouckaert

3 LaMt

1998-1999
 

Athene wordt door Minos van Kreta met oorlog bedreigd

Vreugde is zelden volmaakt, maar geluk wordt nog vaker verstoord door onrust. Aigeus kon zelfs niet zorgeloos genieten van de behouden terugkeer van zijn zoon omdat Minos dreigde met oorlog. Minos had al een leger en een grote vloot, maar uit woede om zijn gestorven zoon Androgeos verzamelde hij nog legers van bevriende staten.

Hij voer zo ver over zee als zijn macht zich uitstrekte, naar Anaphe en Astypalaea; Anaphe won hij door beloften, Astypalaea won hij door strijd; dan schaarden het kleine Myconos en Cimolos met zijn krijtrotsen zich aan zijn zijde, gevolgd door de vlakten van Seriphos, door Syros (een plaats waar de tijm sterk geurt), door het marmereiland Paros en in Thrakië door de stad die Arne (een slechte, inhalige vrouw die veel goud vroeg) aan hem verraden had, maar nadat ze dat goud gekregen had, veranderde ze plots in een ekster, met zwarte poten en zwarte vleugels, een vogel die nog altijd naar goud pikt. Didyme, Oliarus, Tenos en Andros haakten af; ook Peparethus, rijk aan olijven, en Gyarus hielpen de vloot van Kreta niet. Daarom veranderde Minos zijn koers en voer naar links naar het rijk van Aiacus, Oenopia. Vroeger heette het zo, maar Aeacus heeft het land naar zijn moeder Aegina laten noemen.
 

Minos vraagt het eiland Aegina zijn bondgenoot te zijn in de oorlog tegen Athene

De mensen stroomden toe, want ze wilden die wereldberoemde koning wel eens zien. Prins Telamon ging Minos tegemoet, gevolgd door zijn broertje Peleus en de derde zoon Phocus; tenslotte kwam Aeacus naar buiten, traag door zijn ouderdom, en hij vroeg Minos waarom hij was gekomen. Minos, de heerser over honderd steden, zuchtte van smart omdat z'n vaderhart opnieuw de pijn voelde en antwoordde: "Ik smeek je, steun mijn strijd omwille van mijn zoon en doe mee aan de vergeldingstocht waarmee ik troost zoek voor een dode!"

Maar Aeacus zei: "Je vraagt iets wat niet kan, iets wat mijn stad niet mag doen, want geen land is nauwer verbonden met Athene dan het mijne, en ons verdrag is hecht." Teleurgesteld ging Minos weg maar riep nog: "Dat verdrag komt jullie duur te staan!" - want hij vond het nuttiger om te dreigen dan nu al oorlog te voeren en zo op voorhand krachten te verspillen.
 

Cephalus op Aegina

Een Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus bezoekt Aegina

De vloot van Kreta was nog net vanaf Aegina's burcht zichtbaar toen er een Attisch schip, gejaagd door de wind in haar volle zeilen, naderde en aanmeerde aan de kade van de bondgenoten. Cephalus was aan boord en had orders van de stad Athene. Hoewel ze elkaar lange tijd niet hadden gezien, herkenden de zonen van Aeacus Cephalus; ze verwelkomden hem warm en brachten hem naar het paleis. De edele Athener - een opvallende verschijning met nog altijd de sporen van zijn vroegere schoonheid - trad binnen. Hij hield een olijftak, symbool van zijn stad, in de hand; als oudere was hij vergezeld door een tweetal jongemannen, Clytus en Butes (zonen uit Pallas' huis).

Zodra ze elkaar begroet hadden, bracht Cephalus zijn boodschap over: Aegeus vroeg om hulp op grond van hun verdrag en van hun voorvaderlijke rechten omdat Minos heel Achaea in z'n macht wou krijgen. Op deze boodschap die in mooie zinnen was gebracht, antwoordde Aeacus, die zwaar leunde op de scepter in zijn hand: "Je moet ons geen hulp vragen, Athene, want die kun je altijd krijgen! Nee, aarzel niet, beschouw het leger van mijn eiland en alles wat mijn rijk biedt, als het jouwe. Ik heb genoeg soldaten, altijd meer dan mijn aanvaller, en er heerst hier gelukkig al een tijd ongeremde voorspoed." "Dat blijft zo!" zei Cephalus. "Ik hoop zelfs dat je volk nog zal groeien. Ikzelf was daarnet bij m'n aankomst blij dat er zoveel jongeren mij kwamen begroeten, allemaal even knap en fris door hun leeftijd. Maar ik mis toch ook een aantal mensen die ik hier in jouw stad ontmoet heb"

Aeacus zuchtte diep; zijn stem klonk droevig toen hij antwoordde: "Die voorspoed heeft een trieste voorgeschiedenis. Ik wou dat ik dat niet moest vertellen, maar ik doe het toch. Kort gezegd is het antwoord op jouw vraag dat wie je mist in jouw herinneringen, tot as en beenderen zijn vergaan, gestorven zoals de velen in mijn rijk"
 

Koning Aeacus vertelt over de pest op het eiland Aegina

"Een gruwelijke pest kwam over ons volk; het was de wraak van Juno omdat dit land de naam van haar rivale had gekregen. Zolang het een aardse kwaal leek en de boze oorzaak van al dat lijden duister was, werd ze bestreden met geneeskust. Maar de pest was sterker en geen hulp kon baten. Eerst kwam er uit de lucht een zware nevel over de aarde en zorgde door z'n wolkendek voor een verschroeiende hitte. De maan had al viermaal die volle bol weer laten verminderen en de hete zuidenwind blies nog steeds met zijn doodzieke adem. Het staat vast dat elke bron en elk meer bezoedeld was en dat er veel duizenden adders over onbebouwd terrein rondkropen en de rivieren besmetten met hun gif.

De dood van honden, vogels, schapen, ossen en groot wild wees voor het eerst op het heersen van die plotse ziekte: bij het ploegen zag een boer, verschrikt en droef, dat zijn krachtig span het begaf en daar midden in de gleuf bleef liggen. Daarbij kwamen nog de schapen die ziek geblaat lieten horen: er vielen zomaar plukken wol uit hun vacht en hun vlees veretterde. Een eens zo vurig paard, met grote faam op de renbaan, maakte nu zijn zegepalm te schande: de oude roem vergetend wachtte het lusteloos de dood af, kreunend bij zijn voederbak. Geen varken dat nog aan vechten dacht, geen hert dat zich nog waagde aan snelle draf, geen beer viel nog een sterke kudde aan. Overal heerste zwakte. Op het land, langs de wegen en in de bossen lagen kadavers, halfvergaan, en hun stank verpestte de lucht. Ze werden - wonderbaarlijk om melden - niet door honden, roofvogels of grijze wolven aangeraakt, maar rotten uiteen en schaadden de omgeving met stinkende gassen.

Het werd nog erger toen de pest bij het arme boerenvolk toesloeg en daarna ook in de dichtbevolkte stad ging heersen: ze schroeide eerst de ingewanden, een hoogrode kleur en een zware ademhaling wezen op inwendige koorts; de tong, rauw door de koorts, zwol op, men hapte met droge mond naar lauwe wind en kreeg slechts zwaarbesmette lucht naar binnen. Geen dek of sprei, geen enkel kledingstuk verdroegen ze nog; naakt lagen ze op de vloer; toch werd hun lichaam niet koeler door de grond, de grond werd door hun lichaam warm!

En niemand kon helpen want die vreselijke ziekte velde ook dokters, de geneeskunst keerde zich tegen wie genas. Hoe dichter men een zieke vriend benaderde en hoe trouwer men hem verzorgde, des te sneller dreigde de dood. Toen de hoop op redding verdween en eindigde in sterven, volgden ze hun impulsen zonder zich te bekommeren om wat nog baatte, want er baatte toch niets meer: overal, bij bronnen, bij rivieren, bij waterputten drongen zij schaamteloos naar voren en dronken gretig, maar hun dorst verdween pas toen ze stierven. Want velen waren niet in staat om op te staan door het vele vocht dat ze gedronken hadden; ze stierven in het water waarvan anderen weer dronken! En wat een afkeer bij die sukkels voor hun bed: gekweld holden ze ervan weg, of als ze geen kracht meer hadden om nog rechtop te staan, rolden ze over de vloer en vluchtten zo hun huis uit. Iedereen dacht dat in zijn eigen huis de dood aanwezig was; de nauwe ruimte kreeg de schuld omdat men de ware oorzaak niet kende. Je kon ze half ontzield op straat zien zwerven - althans wie nog kon staan. Wie niet meer kon staan, lag huilend op de grond en wierp een uitgeputte blik in het rond met zijn laatste krachten, of hief de armen naar de sterren aan de hemel om op die plek, waar de dood hem had ingehaald, te sterven

Hoe was het mij toen te moede? Wat kon ik anders dan het leven haten en in hun ellende willen delen? In welke richting ik ook keek, overal zag ik ze liggen, als rotte appels die van de takken gewaaid zijn, als eikels rond een door de wind gebeukte stam. Zie je ginder die hoge tempel bovenaan die trappen? Dat is Jupiters eigendom. Wie heeft daar allemaal niet tevergeefs op het altaar wierook gebrand? Hoe vaak is het niet gebeurd dat daar een man of een vader tevergeefs smekende woorden prevelde voor z'n vrouw of kind, om zelf ter plaatse dood te vallen bij het altaar zonder dat Jupiter hun gebeden verhoorde? We vonden ze daar met onverbrande wierook in de hand!

Hoe vaak zijn er offerstieren bij de tempel, op het ogenblik dat de priester gebeden sprak en pure wijn tussen de horens goot, zomaar bezweken, zonder zelfs het slachtmes af te wachten! Toen ik er zelf een offer bracht aan Jupiter om voor mijn land, mijn zonen en mezelf te bidden, stootte het dier een gruwelijk geloei uit en viel plots, zonder nekslag, opzij, recht op mijn mes waarlangs een dunne bloedstraal sijpelde. Ook hun organen waren ziek, die waren niet langer een medium van godsspraak; de boze pest zat diep in hen. Ik zag mensen de doden neerwerpen voor de ingang van de tempel, zelfs vlak voor het altaar, waar de dood een nog grotere beschuldiging aan het adres van de goden vormde.

Sommige mensen knoopten zich op; zo verjoeg men met zelfmoord de angst om te sterven en liet het noodlot eigenhandig komen. Velen kregen zelfs geen fatsoenlijke begrafenis, geen uitvaart, want de stadspoort kon de stoeten niet verwerken. De doden bleven onbegraven liggen of werden op hoge brandstapels gelegd, zonder grafgeschenken, zonder eerbied; de overlevenden vochten om brandhout of gebruikten het vuur van anderen. Er waren geen tranen op het graf van de doden, nee; onbeweend dwalen nu ergens de schimmen van die mensen in het rond, van jong en oud, want nergens was er nog plaats voor een graf, nergens was er nog een boom die hout kon leveren.
 

Lenny Knecht

3 LaMt

1998-1999
 

Na de pest

Verpletterd door zoveel onheil riep ik uit: 'O Jupiter, machtige vader! Als het waar is dat jij, zoals men vertelt, het bed hebt gedeeld met Aegina, Asopus' dochter, en dus mijn echte vader bent, red dan mijn volk of laat ook mij sterven en verdwijnen onder de aarde!' Jupiter antwoordde met een bliksemflits die door een knetterende donderslag versterkt werd. 'Ik voel je macht,' zei ik, 'en bid dat je besluit mij gunstig is. Het teken dat je mij zendt, geeft me vertrouwen.'

Toevallig stond ik bij een prachtige, breedgetakte eik die gewijd was aan Jupiter. Daar op de stam zag ik een stoet mieren met graankorrels; ze duwden hun enorme vrachten met hun kopjes voort langs een paadje in de rimpelige schors. Verbaasd over hun aantal riep ik: 'Jupiter, geef mij evenveel burgers als ik hier mieren zie en bevolk mijn stad!' De hoge eik trilde, kraakte en schudde met al zijn takken zonder dat er wind was. Ik was doodsbang, mijn haar stond recht overeind. Toch kuste ik de boomstam en de grond; hoewel ik niet echt durfde te hopen, bleef diep in mijn hart mijn stille wens voortleven...

De nacht brak aan, het ogenblik waarop mensen eindelijk rust vinden na een dag vol drukte. Ik droomde; ik zag dezelfde eik voor me, met al die takken, met al die mieren die de boom tak na tak hun gang liet gaan. Ik zag hem, net als 's middags, hard schudden, waardoor dat mierenvolk met al zijn graan verstrooid werd over het omliggende veld; daar werden de mieren opeens groter en groter, stonden op, verloren hun zwarte kleur, hun schrielheid en hun mierenpootjes en namen de vorm aan van mensen. De droom eindigde en toen ik ontwaakte, vervloekte ik die mooie beelden en treurde omdat de goden me niet hielpen.

Plots viel het me op dat in het paleis geroezemoes weerklonk; het leken wel mensenstemmen en dat was ik niet meer gewend. 'Ik droom nog altijd,' dacht ik toen Telamon binnenstormde en me van bij de deur toeriep: 'Vader! Kom snel buiten kijken! Je raadt nooit wat je daar ziet!' Ik haastte me dus naar buiten en zag dezelfde mannen als ik in mijn droom had gezien; een hele rij kwam op me af en groette me als koning!

Eerst dankte ik Jupiter, dan verdeelde ik het onbewoonde land onder deze nieuwelingen en noemde hen, naar hun afkomst, Myrmidonen - Mierenzonen. Je hebt hen zelf gezien; ze bezitten nog altijd hun vroegere eigenschappen: ze zijn spaarzaam, werken hard, streven naar winst en willen wat ze winnen ook bewaren. Die mannen, in moed en leeftijd een, zullen met jou ten strijde trekken als de oostenwind, die jou voorspoed bracht, weer naar het zuiden is gedraaid."
 

De Atheense gezant Cephalus begint een lang verhaal over zijn huwelijk met Procris

Die dag vertelden zij elkaar nog veel zulke verhalen. 's Avonds aten ze een heerlijke maaltijd waarna ze genoten van een verkwikkende nachtrust. De gouden zon kwam op en nog steeds blies de oostenwind toen de zonen van Pallas bij Cephalus hun opwachting maakten; gedrieën begaven ze zich naar het paleis. Maar de koning sliep nog en dus heette Phocus, zijn jongste zoon, hen welkom, want zijn broers Peleus en Telamon waren bezig soldaten voor het leger te keuren. Hij begeleidde de Atheense gasten naar een schitterende zaal waar hij samen met hen plaats nam.

Daar viel het hem op dat Cephalus een werpspies van een onbekende houtsoort bij zich had met een gouden punt. Om het gesprek na gebruikelijke uitwisseling van beleefdheden te laten vlotten zei Phocus: "Vaak zwerf ik door het bos omdat ik hou van jagen, maar toch weet ik niet precies van welk hout je speer is gemaakt. Het is geen essenhout, dan zou de kleur veel lichter zijn; als het kornoeljehout was, dan zou je knoesten moeten zien. Wat het dan wel is, weet ik niet, maar ik heb nog nooit een mooier wapen dan die speer van jou gezien." Een van de zonen van Pallas zei: "Het is inderdaad een prachtstuk en de trefkracht zal je bewondering voor het wapen nog doen stijgen, want het mist zijn doel nooit, zijn vlucht is nooit lukraak en het komt uit zichzelf bebloed en wel terug ook!" Phocus wilde er nu alles van weten: bestond er dan zo'n wapen? Was het soms een geschenk? Wie gaf zoiets moois? En Cephalus vertelde dat wat hij dacht te mogen vertellen, maar zei niet hoeveel leed de speer hem berokkend had... In zijn droefheid om de dood van zijn vrouw begon hij het verhaal in tranen: "Ach, Phocus, godenzoon, wie zou geloven dat dit wapen mij treurig stemt, en dat dit zo zal blijven zolang het lot mij in leven laat? Het heeft mij en mijn lieve vrouw alleen maar ongeluk gebracht. Had ik het ding maar nooit gekregen!

Mijn vrouw was Procris, Orithyia's zuster, wiens naam je wellicht bekender in de oren klinkt omdat Orithyia ooit geschaakt werd. Als je de schoonheid en het karakter van de zusters echter vergelijkt, was Procris meer het schaken waard! Haar vader was Erechtheus; hij gaf haar aan mij en ik gaf haar mijn liefde. Mijn geluk leek groot en was dat ook. Maar de goden lieten mij niet toe gelukkig te zijn, anders was ik nu nog gelukkig geweest, denk ik...

Een maand na ons huwelijk, toen ik op een ochtend mijn netten uitzette voor de hertenjacht, merkte de in saffraan geklede Aurora mij op - heel vroeg - van op de altijd bloeiende Hymettus. Ze had net de duisternis verjaagd en trok me ongevraagd mee. Laat de godin niet boos zijn als ik eerlijk spreek: al was haar roze aanschijn opvallend mooi, al heerst zij in het schemergebied tussen dag en nacht, al voedt zij zich met nectardruppels, ik hield enkel van Procris, zij alleen was in mijn hart en ik sprak voortdurend over haar. Ik bleef Aurora maar herhalen dat ik trouw bleef aan mijn liefde voor Procris. Aurora was beledigd en riep: 'Zwijg, stuk ondank! Hou je Procris, maar je zult er spijt van krijgen, dat kan ik je wel voorspellen!' Woedend liet ze me gaan...

Toen ik op weg was naar huis, drong de betekenis van haar woorden tot me door en ik kreeg een bang vermoeden dat mijn vrouw haar huwelijkstrouw geschonden had. Haar jeugd en schoonheid konden me wel doen denken aan mogelijke ontrouw, maar haar karakter niet. En toch... ik was een poos niet thuis geweest en de vrouw die ik zonet had ontmoet, was ook niet trouw...

Ach, wij minnaars zijn toch bang voor alles, is het niet? Ik nam me voor de trouw van mijn vrouw met geschenken op de proef te stellen. Aurora steunde mij in mijn jaloersheid en veranderde mijn uiterlijk. Zo keerde ik terug naar Athene en onherkenbaar betrad ik mijn huis. Er was geen spoor van kwaad in dat huis, enkel ongerustheid omdat ik nog niet van de jacht was teruggekeerd. Pas na talloze leugens werd ik bij Procris toegelaten.

Toen ik haar zag, bevroor ik. Bijna gaf ik mijn plan om haar te verleiden op; het kostte mij al moeite om de waarheid niet te vertellen en om haar niet te kussen, wat ik in normale omstandigheden wel had gemogen! Procris was bedroefd, maar in haar droefheid was ze mooier dan om het even welke andere vrouw: verdrietig zat ze naar mij te verlangen. Phocus, stel je eens voor hoe mooi ze was, hoe haar droefheid haar juist aantrekkelijk maakte! Ze wees mijn verleidingspogingen af, herhaalde steeds dat er maar een voor haar was op wie zij bleef wachten en dat ze, waar hij ook was, haar hart aan hem en aan hem alleen gunde. Voor ieder mens zou dat al voldoende bewijs zijn van haar trouw, maar niet voor mij; ik bood haar een fortuin voor een liefdesnacht, ik bood altijd meer en meer, tot ze ging aarzelen... Toen riep ik: 'Spijtig voor jou! Hier staat niet een minnaar maar jouw man! Ja, je bent betrapt!' Ze zweeg en vluchtte vernederd, vol schaamte het huis uit, weg van zo'n ziekelijk jaloerse man. Uit afkeer voor wat ik had gedaan, uit afschuw van alles wat man was, ging Procris zwerven door bergen en wouden, en wijdde zich aan de Diana's dienst.

Toen, in mijn eenzaamheid, voelde ik pas hoeveel ik van haar hield. Ik vroeg haar om vergiffenis, ik zei haar dat ik ook zou kunnen zwichten als ik zoveel geschenken aangeboden kreeg. Omdat ik haar dat had bekend en omdat ze voldoende wraak had genomen voor haar gekwetste gevoelens, kwam ze terug. De volgende maanden leefden we in zoete eendracht en ze schonk me zelfs een hond en deze werpspies, alsof ze zelf geen groot genoeg geschenk was voor mij. Over die hond had Diana gezegd: 'Niemand zal sneller kunnen lopen dat dit dier.' Je vraagt je misschien af wat er met de jachthond is gebeurd? Wel, ik zal je ook dat wonderbaarlijk en nooit gehoord verhaal vertellen.
 

Cephalus' tweede verhaal

Nadat Oedipus de raadsels had opgelost die niemand anders had begrepen en de duistere profetes, de sfinx, gestorven was, werd Thebe opnieuw door een plaag geteisterd. Veel boeren uit de streek waren bang voor een vos die vee verslond en zelfs mensen aanviel. We kwamen te hulp en omsingelden met een wijde jagerskring de akkers. Het dier sprong snel en licht over de valstrikken of brak dwars door de netten die we gespannen hadden. De honden werden losgelaten voor de achtervolging maar de vos schoot weg als een pijl uit een boog en liet de honden ver achter zich. Toen liet ik Laelaps, mijn hond, los. Nauwelijks had ik zijn riem gelost of niemand wist nog waar hij was. Op de grond zagen we wel sporen, maar Laelaps zelf was niet meer te zien. Hij liep snel als een speer, als een kogel die met de riem van een slinger wordt weggeschoten, als een dunne rieten pijl uit een Kretenzische boog.

Ik wandelde naar de top van een kleine heuvel en zag Laelaps en de wilde vos. De hond scheen de vos te kunnen bijten, maar deze kon steeds ontsnappen aan die beet. De vos vluchtte opzettelijk niet het wijde veld in, maar misleidde Laelaps door in bochten te rennen, wat Laelaps snelheid deed verliezen. Toch bleef hij volgen maar haalde de vos niet in, hij beet maar hapte in lucht. Ik besloot om met mijn speer de vos te doden. Terwijl ik de speer richtte en ik met mijn vingers steun wou geven aan de leren band, wendde ik mijn ogen even van de dieren af. Toen ik opnieuw keek, zag ik tot mijn grote verbazing twee stenen dieren: een dat vluchtte en een dat jaagde. Kennelijk wilden de goden dat geen van deze dieren de wedstrijd verloor."
 

Steve Burggraeve

3 LaWi

1998-1999
 

Cephalus' derde verhaal

Phocus drong aan: "Maar wat is er dan gebeurd met die speer?", en Cephalus vervolgde dus zijn verhaal.

"De eerste jaren die ik met Procris mocht doorbrengen, waren gelukkige jaren. We waren beiden stapelverliefd en zorgden goed voor elkaar. Niets of niemand kon ons scheiden: zij had zelfs Jupiter niet in haar bed gewild, ik kon voor geen andere vrouw bezwijken.

Reeds in de vroege ochtend ging ik vaak op jacht met de werpspies als enig wapen, zonder drijvers, zonder helpers, zonder paarden. Toen mijn rechterarm vermoeid was van het doden van ontelbare dieren, zocht ik koele schaduw en lichte briesjes op die uit de kille dalen kwamen aanwaaien. Op hete middaguren riep ik om de Zephyrus die me rust gaf na mijn hard gezwoeg. Telkens zong ik daarbij een lied: 'Kom, mijn lieve Zephyrus, verkwik me, kom hier in mijn armen, jij, mijn liefste wens, kom, verlicht de hitte die mij schroeit, want dat kun je! Jij, mijn grote vreugde, jij koestert mij, jij geeft mij nieuwe kracht! Jij maakt dat ik naar bos en eenzaam veld verlang, jouw adem wordt gretig door mijn lippen opgevangen, steeds opnieuw!'

Maar die woorden wekten misverstand. Iemand had me horen zingen en dacht waarschijnlijk dat ik met de naam Zephyrus een nimf riep. Die persoon liep meteen naar Procris en vertelde haar wat haar geliefde had gezongen; en je weet hoe lichtgelovig liefde is... Toen Procris dat gehoord had, viel ze in zwijm en toen ze weer was bijgekomen, noemde zij haar lot onbillijk: bedroefd klaagde ze over mijn ontrouw. Door die valse beschuldiging vreesde zij iets dat niet bestond, was ze bang voor een naam en huilde ze diepbedroefd, als bestond er echt een mededingster. Toch dacht ze nog dat ze zich kon vergissen en ze wou geen vonnis vellen voor ze zelf had gezien wat ik deed.

De volgende dag trok ging ik opnieuw de bergen in om te gaan jagen. Na een mooie vangst strekte ik me uit en zong: 'Kom, Zephyrus! Troost mij na mijn arbeid!' Opeens hoorde ik een gerucht maar ik zong verder: 'Kom hier, mijn liefde!' maar weer onderbrak een geluid mijn gezang. Snel wierp ik mijn speer in de richting van het geluid… Het was Procris, en ze was dodelijk getroffen, midden in de borst.

Toen ik haar stem herkend had, rende ik op het geluid af. Bijna gek van angst vond ik haar nog in leven, maar haar kleed was al doordrenkt van het bloed. Ze trachtte de spies nog los te trekken uit de wonde. Ik tilde haar lichaam, dat me meer dan het mijne lief was, zachtjes in mijn armen op. Zwak en stervend bracht ze nog enkele zinnen uit: 'Ik smeek je bij ons huwelijkswoord, bij de hemelgoden en bij de goden van de onderwereld, bij alles wat ik van jou verlangen mag, bij mijn liefde die de oorzaak van mijn dood is en die zelfs nu ik sterf, blijft leven, ik smeek je dat je ons huwelijksbed niet met Zephyrus deelt.'

Toen begreep ik dat er een naamsverwarring had plaatsgevonden en ik probeerde haar dat uit te leggen, maar ze zakte ineen; zolang ze kijken kon, keek ze me aan, haar trieste ziel richtte zich naar mij, ik ving haar laatste adem op met mijn lippen. Toen stierf ze vredig; de droefheid was bijna van haar gelaat verdwenen."

Cephalus kon zijn tranen niet bedwingen toen hij het verhaal deed van het verlies van Procris. Maar toen kwamen Aeacus en zijn twee zonen en Cephalus ontving van hen het nieuwe en goed uitgeruste leger dat hij zou nodig hebben in de strijd tegen koning Minos.