LIBER SEXTUS

Sven Cogge

3 LaMt

1997-1998
 

Minerva en Arachne

Een weefwedstrijd

Nadat Minerva naar het zingen had geluisterd, het lied van de muzen had geprezen en hun wraak had goedgekeurd, dacht zij: "Ik prijs nu wel een ander, maar ik wil zelf ook worden geëerd; ik laat niet straffeloos met mij spotten." Daarmee bedoelde zij wat er gebeurd was met Arachne in Lydië.

Minerva had gehoord dat die haar in de weefkunst naar de kroon stak. Het meisje blonk niet uit door stand of afkomst maar door haar vakmanschap. Haar vader, Idmon, was wolverver in Colophon waar hij natte wol met Lydisch purper bewerkte. Haar moeder behoorde net als haar man tot het volk, maar was al overleden.

Hoewel Arachne in alle eenvoud geboren was in het dorpje Hypaepa (waar ze nog altijd woonde), was ze in alle steden bekend geworden om haar vaardigheid. Bergnimfen daalden van de met wijnranken begroeide Tmolus af om met verbazing naar haar werk te kijken en waternimfen lieten er graag even de Pactolus-stroom voor in de steek.

Niet alleen het bekijken van de bewerkte stoffen was heerlijk, maar ook het gadeslaan van het vervaardigen van de stoffen was een feest, hoe ze de ruwe strengen tot een kluwen opwond of vingervlug begon te kaarden, hoe ze een lange zachte draad uit een wolk van wol trok, steeds opnieuw, hoe ze handig met de duim de gladde spoel deed gaan, hoe ze patronen weefde alsof ze les zou gehad hebben van Minerva, het was een wonder om naar te kijken! Maar zelf ontkende Arachne dat ze les zou hebben gekregen van Minerva; ze voelde zich beledigd met zo'n lerares en ze riep: "Ze mag zich met mij komen meten en als ze van mij wint, mag ze alles met me doen wat ze wil."

Minerva kleedde zich nu als oude vrouw en vermomde zich met vals grijs haar. Ze steunde met haar zwakke leden op een stok en sprak tot Arachne: "Niet alles van de ouderdom valt af te keuren, levenswijsheid komt met rijpe jaren. Volg dus mijn raad: hier op aarde mag je de hoogste roem genieten, maar voor Minerva moet je wijken. Vraag haar vergiffenis voor je brutale woorden en ze zal je die zeker geven."

Het meisje keek haar dreigend aan terwijl de draad uit haar hand schoot, en bijna wou de nietsvermoedende Arachne Minerva slaan. Terwijl de boosheid uit haar ogen vlamde, snauwde ze: "Je bent niet goed wijs! Wat kom je hier doen, zo zwak en grijs van de jaren? Als er bij jou thuis dochters of schoondochters zijn, hou daar dan maar van die praatjes! Ik maak mijn eigen plannen wel; denk maar niet dat jouw raad veel indruk op mij heeft gemaakt, je brengt me niet op andere gedachten! Trouwens, waar blijft Minerva? Durft zij misschien geen wedstrijd aan?"

"Ze is er al!" riep Minerva en zij werd van oude vrouw opnieuw een godin. Nimfen en jonge vrouwen uit de streek knielden voor haar verschijning, alleen Arachne was niet bang - hoewel ze bloosde en er even een rode kleur over haar stuurs gelaat trok. Onmiddellijk herwon ze haar zelfbeheersing, zoals de hemel purperkleurig wordt wanneer Aurora net ontwaakt, om dan in korte tijd bij zonsopgang hel licht te worden.

De dwaze Arachne bleef bij haar plan; ze wou de hoogste eer, zich niet bewust dat ze haar noodlot tegemoet snelde. Minerva hield haar niet tegen, waarschuwde niet meer en stelde de wedstrijd niet uit.

Dadelijk zetten zij hun weefstoel klaar en brachten ieder voor zich de fijne draden aan, de schering strak vanaf de weversboom; een rieten stok verdeelde de draden. De inslagdraad, die door hun vingers gleed, werd er doorheen gewerkt en dan, door het neerslaan van de weefkam, aangedrukt. Ze werkten snel, de rokken opgeschort tot op de knieën, de handen kundig bezig met de kunst die hen geen moeite scheen te kosten.

Ze weefden purperen wol die in Tyrus in bronzen kuipen was bereid, en brachten zachte, lichte kleurnuances aan, zoals een regenboog doet bij zonlicht dat door een bui gebroken werd en een groot stuk van de hemel kleurt. Er glinsterden wel duizend tinten, maar waar die tinten veranderden van kleur, was voor geen oog te zien. Zij werkten dicht naast elkaar, aan elkaar gewaagd. Ook werd er nog een sterke gouddraad in hun stof verwerkt waarmee een bekend verhaal in het weefsel werd getekend.
 

Een beschrijving van het weefsel van Minerva

Minerva beeldde de Areopaag naast de burcht van Athene uit, met de bekende ruzie over hoe de nieuwe stad moest heten. Twaalf goden zetelden plechtig; onder hen Jupiter die in het midden zat. Elke god was herkenbaar aan zijn gestalte: die van Jupiter was vorstelijk, Neptunus beeldde zij staande af. Hij sloeg zijn lange drietand tegen de ruwe rots en uit de stenen wonde spoot een zoetwaterbron, zijn inzet om de stad te winnen.

Ze borduurde ook zichzelf met schild en scherpe lans, met op het hoofd haar helm, haar borst beveiligd door de aegis met de slangen en toonde hoe uit de bodem, waar zij met haar lans sloeg, een grijze olijfboom groeide. De goden keken vol bewondering toe; Victoria bekroonde haar geschenk.

En dan, om haar rivale te verwittigen voor de straf die zij voor haar brutale mond kon verwachten, weefde ze ook nog een viertal wedstrijdscènes in de vier hoeken van het weefsel; ze vielen op door hun heldere kleur en fijne tekening. De eerst hoek toonde Rhodope en Haemus, thans besneeuwde Thrakische bergen, vroeger sterfelijke wezens die zichzelf de hoogste godennamen hadden toegeëigend. Het droeve lot van de Pygmeeënkoningin vulde de tweede hoek. Ook zij verloor haar strijd en Juno liet haar veranderen in een kraanvogel, een vijand van haar eigen volk.

De derde hoek toonde hoe Antigone zich durfde meten met Juno, koningin en tevens vrouw van Jupiter, en in een vogel werd veranderd. Troje noch haar vader Laomedon konden verhoeden dat zij zich met blanke veren steeds als ooievaar op de borst sloeg, klepperend met haar snavel. Tenslotte borduurde ze in de laatste hoek de kinderloze Cinyras die de tempeltrap kuste, de steen waarin zijn eigen dochters veranderd waren: je zag hem daar liggen en tranen storten. Dan maakte zij nog een rand van vrede brengende olijven, haar eigen boom, waarmee ze het werkstuk afrondde en omlijstte.
 

Een beschrijving van het weefsel van Arachne.

Arachne beeldde Europa uit die bedrogen werd door de stierengedaante van Jupiter, maar de stier leek echt, net zoals het zee-oppervlak. Je zag het meisje kijken naar het langzaam verdwijnend strand. Ze riep naar haar vriendinnen en uit angst voor het naderend geweld van de golven had ze bang haar voeten opgetrokken. Je zag ook een adelaar die de tegenstribbelende Asteria ontvoerde en wat verder lag Leda tussen de zwanenvleugels. Ze liet ook zien hoe Jupiter, die vermomd was als een sater, de charmante dochter van Nycteus van een tweeling zwanger maakte en hoe hij als Amphitryon Alcmene verleidde, als gouden regen Danaë, Aegina met een vuurgloed, Mnemosyne als herder en als een gevlekte slang Proserpina.

Ze liet ook zien hoe Neptunus de dochter van Aeolus overweldigde als een woeste stier en als riviergod twee zonen verwekte; Theophane misleidde hij als ram, de blondgelokte milde moeder van het graan benaderde hij als paard, de moeder van Pegasus, de Medusa met slangenhaar, als vogel en Melantho als dolfijn. Al die figuren gaf zij eigen trekken en een eigen omgeving.

Dan was Apollo daar, eerst vermomd als boer; dan droeg hij haviksvleugels, dan een leeuwenhuid of deed zich als herder voor bij Issa, de dochter van Makar. Verder was er Bacchus die Erigone verleidde met valse druiven, en Saturnus die in de gedaante van een paard Chiron de Kentaur verwekte. Tenslotte weefde ze langs de buitenranden smalle banen van bloemen tussen speelse klimopslingers.
 

Minerva is jaloers op de weefkunst van Arachne

Minerva kon zoiets niet verdragen. Groen van afgunst had ze het kleurrijk kleed met al die godenstreken stukgescheurd! En nu ze toch haar naald van buxushout in haar handen had, priemde zij daarmee meermaals in Arachne's voorhoofd!

Dat was het arme kind te veel. Ze wilde zelfmoord plegen met een touw maar toen zij daar hing, kreeg Minerva medelijden; ze bevrijdde haar en zei: "Leef verder, maar leef wel aan een draad, stom kind! En spin geen hoop op later, want jouw straf geldt ook als vonnis voor je kinderen en heel je nageslacht", waarna zij afscheid nam en Arachne met sap van toverkruiden besprenkelde.

Bij het voelen van dat pijnlijk vocht vielen Arachne's lokken af en verdwenen ook haar neus en oren. Ze kreeg een piepklein hoofdje en heel haar lijf verkleinde. Haar smalle ledematen staken nu als sprieten uit, de rest was buik. Toch weet zij daaruit nog steeds een draad te spinnen: net als vroeger blijft zij als spin haar weefsels maken.
 

Xavier Schiettecatte

3 LaMt

1997-1998
 

Niobe

Trots keldert ook Niobe

Gans Lydië stond in rep en roer, en ook door Phrygië verspreidde zich langs de steden als een lopend vuurtje het nieuws van wat er met Arachne gebeurd was; roddels doken uit het niets op. Toen Niobe nog als ongehuwde maagd in het Maeonisch bergland huisde, was zij Arachne's boezemvriendin geweest, maar toch had het onheil van haar streekgenote haar niet duidelijk gemaakt dat ze naar de goden moest opkijken, dat ze eerbied moest hebben voor hen en dat ze hun geduld niet mocht op de proef stellen...

De macht van haar echtgenoot, de prachtige manier waarop die op de lier kon spelen en natuurlijk hun beider afkomst waren maar enkele van de vele motieven van Niobe's hoogmoed. Bovenal was ze meer dan trots op haar eigen kinderen: de Niobiden, zeven zonen en zeven dochters. Niobe zou de rijkste moeder ter wereld zijn genoemd, als ze die naam al niet aan zichzelf had gegeven!

Want de waarzegster Manto, de dochter van Tiresias, had luidkeels in opdracht van de goden in gans Thebe verkondigd: "Kom, Thebaanse vrouwen! Laten we Latona en haar tweeling, Apollo en Artemis, eren en vroom wierook branden. Tooi jullie haren met een lauwerkrans. Latona maakt gebruik van mijn mond om jullie allen toe te spreken!"

Gedwee tooiden alle vrouwen van Thebe het hoofd met loof van de laurierboom, baden tot Latona en brandden wierook voor de godin. Plots daagde Niobe op, vergezeld door vriendinnen, gehuld in een met goud doorweven Phrygisch kleed. Haar glanzende lokken dwarrelden wel bevallig op haar schouders telkens ze het hoofd bewoog, maar haar schoonheid werd getemperd door de wrok die haar beheerste. Plots stond ze stil, keek trots om zich heen en nam het woord.

"Is het niet krankzinnig om goden waarvan je enkel de naam kent, hoger te schatten dan mensen die je kunt zien? Is het niet dwaas dat je die onzichtbare goden bemint en vereert? Waarom wordt Latona boven mij verkozen en aanbeden? Ben ik niet de dochter van Tantalus die het voorrecht had aan de godendis te mogen aanzitten? Is mijn moeder niet een van de Plejaden, een dochter van Atlas die het hemelgewelf op zijn schouders torst? Mijn vader is dus een zoon van de oppergod Jupiter en mijn gemaal Amphion is niet minder!

In Phrygië word ik geëerd en nu heers ik over het huis van Cadmus. Thebe met zijn gigantische muren, die door het lierspel van Amphion in elkaar gevoegd zijn, wordt nu bestuurd door ons. Waar je ook zou kijken, grote rijkdom is het enige wat jullie ogen zouden bespeuren in ons glorieus paleis.

Vergeet daarbij mijn elegantie niet, godinnen waardig; denk aan mijn zeven zonen en zeven dochters, en mijn toekomstige schoondochters en schoonzoons. Wie durft dan nog vragen of mijn trots gerechtvaardigd is? Wie durft dat Titanenkind van Coeus boven mij eren? Toen haar weeën begonnen, gunde heel de aardbol haar geen hoekje om te bevallen, nee, jullie godin werd door land en zee verstoten. Overal werd ze verbannen totdat het eiland Delus medelijden kreeg met de hopeloze zwerfster en zei: 'Jij dwaalt als een vreemde rond op het land; ik hier op zee...', en haar een hoekje land afstond. Daar beviel zij van een tweeling.

Maar mijn buik droeg zevenmaal dat aantal! Wie ontkent nog dat ik boven alle andere vrouwen gezegend ben? Wie twijfelt daar nog aan? Ik ben machtiger dan Fortuna; zelfs als zij mij zou schaden en mij een kind zou ontnemen, dan nog heb ik er veel over. Angsten worden door mijn overvloed aan kinderen verjaagd. Stel dat ik een groter deel van mijn kroost zou verliezen, dan nog zou ik nooit vervallen tot een deugdenloos tweetal, zoals Latona's kinderen! Is zij eigenlijk niet nagenoeg kinderloos? Hou dus op met dit kinderachtig gedoe en neem die lauwerkransen van jullie hoofden!" De vrouwen gehoorzaamden, lieten het offer onvoltooid maar baden stiekem tot Latona.
 

Latona's wraak

Latona was toornig. Op de top van de Cynthus-berg besprak ze de verwijten van Niobe met haar kinderen: "Ik ben trots dat ik jullie heb gedragen en gebaard, ik die voor geen enkele godin behalve Juno hoef onder te doen! Maar ben ik nog wel een godin? Want ik word, als jullie mij niet helpen, uit mijn eeuwenoude cultus verbannen! Erger nog: die schande gaat gepaard met grove scheldwoorden en kwaadsprekerij: die dochter van die Tantalus durft haar kinderen boven jullie stellen. Mij noemt ze kinderloos! Wel, dan wordt het hoog tijd dat ze dat zelf wordt! Net haar idiote vader!"

Latona wou nog verder jammeren, maar Apollo suste haar: "Stil! Je gepraat stelt de wraak alleen maar uit." Dezelfde commentaar kwam van Diana. Na een snelle glijvlucht door het luchtruim stonden zij al, gehuld in mist, bij Cadmus' stad.

Voor Thebe's muren lag een vlak veld, meermaals door paardenpoten vertrappeld; karrensporen waren overal aanwezig en het geweld van de hoeven had de grond hobbelig gemaakt. Dit was het ogenblik waarop de meeste van Amphions zeven zonen op de open vlakte aan het rijden waren. De sterke paardenruggen, bedekt met een prachtig rood kleed, torsten hun gewicht; trots menden ze de volbloeden met hun met goud versierde teugels.

In hun midden reed ook de eerstgeborene, Ismenus. Terwijl hij het ruige paard de opgelegde rondjes liet galopperen, schreeuwde hij opeens: "Au!" Een feilloze pijl had hem recht in de borst getroffen, de teugels werden uit zijn handen gerukt en stervend zakte hij van de rechterflank van het dier af...

Nadat de tweede, Sipylus, in de lucht een pijlkoker had horen rammelen, vierde hij snel de teugels, als een ervaren zeeman die het onweer voelt naderen en snel de zeilen uitzet om van het kleinste briesje gebruik te kunnen maken. Het afgevuurde schot haalde hem snel in, hoewel hij ijlings doordraafde. Sipylus werd geraakt in zijn nek en trillend stak de blote, ijzeren punt uit zijn keel. Hij stortte voorover zoals hij voorovergebogen op het paard zat, en zijn warm bloed kleurde de grond...

De arme Phaedimus en Tantalus, genoemd naar zijn grootvader, waren na een dagelijks ritje te paard gaan worstelen, wat jongemannen een toffe vechtsport vinden. Toen ze daar borst tegen borst stonden, verstrengeld in een hechte greep, doorboorde een door een strak gespannen boogpees afgeschoten pijl de beide jongens in worstelhouding. Beiden kreunden en stortten ter aarde, gekromd van de pijn; samen wierpen ze een laatste blik naar de hemel en stierven op hetzelfde moment...

Alphenor was getuige van het gruwelijke schouwspel. Huilend sloeg hij zich op de borst en vloog erheen om hun lijkbleke armen te ontwarren, maar viel zelf tijdens die broederdienst. Apollo had hem een dodelijke pijl tussen zijn ribben in de hartstreek geschoten. Bij het uittrekken van de pijl kwam er met de weerhaak ook een stukje long mee; bloed en ziel verdwenen in de lucht...

Na hen werd Damasichthon geveld, door een dubbele wonde nog wel. Eerst werd hij in zijn dij getroffen, in het zachte vlees van de spieren, maar toen hij zelf de pijl wilde losrukken, drong een tweede pijl tot aan de veertjes in zijn keel. Het gulpende bloed stuwde die pijl weer naar buiten...

Tevergeefs had de laatste zoon Ilioneus gesmeekt tot alle goden en geroepen: "Spaar mij!", niet beseffend dat alle goden in het complot zaten. De booggod Apollo leek vermurwd maar helaas, zijn pijl was al afgeschoten... Ilioneus bezweek aan een kleine wonde, waarbij het hart niet erg diep was geraakt.

Door onheilspellende geluiden, door gehuil op straat en door de overvloedige tranen in huis drong dit onverwachte noodlot tot Niobe door. Ze vroeg zich af hoe dit ooit had kunnen gebeuren en waarom de goden dit hadden durven doen, met welk recht ze dat hadden gedaan...

Amphion had zijn vaderhart doorstoken en met zijn dood een einde gemaakt aan zijn leven en zijn verdriet. Ach, hoe anders was Niobe nu dan de Niobe die daarstraks nog de vrouwen wegzond van Latona's offertafel en zelfverzekerd met opgeheven hoofd Thebe doorkruiste, scheef bekeken door eigen volk, maar nu zelfs door haar aartsrivaal beweend!

Ze wierp zich op haar zonen, drukte haar laatste kussen op de kille lichamen om daarna met luid rouwmisbaar te roepen: "Put kracht uit mijn verdriet, jij harteloze! Geniet maar met volle teugen, geniet van mijn rouw en stel je wreed hart ermee tevreden! Deze zeven doden hier zijn ook mijn dood. Jij zegeviert, vier je triomf over je rivale! Maar... wat is je overwinning waard? Ik heb in mijn leed nog altijd meer dan jij in je triomf; na zoveel slachtoffers blijf ik winnen!"

Bij dat laatste woord klonk alweer het geluid van een strakgespannen boogpees die werd losgelaten en iedereen, behalve Niobe, werd bang. Zij putte nog overmoed uit haar verdriet! In zwart gewaad stonden haar dochters met loshangende haren bij het doodsbed van hun broers.

Plots voelde een van de meisjes een pijlpunt in haar hart, probeerde de pijl uit de wonde te trekken maar zakte stervend neer, waarbij ze nog haar broers lippen raakte. Een tweede dochter stokte bij het troosten van haar moeder, als uit het niets getroffen; ze kneep haar lippen nog opeen maar haar laatste zucht was al ontsnapt. Een derde vluchtte zonder te weten waarheen en stierf. De vierde stortte bij Niobe neer; er was er een die zich nog verborg en een andere zag je bevend wachten op haar dood...

Toen er reeds zes bezweken waren, bleef er nog eentje over. Niobe beschermde haar met heel haar lichaam, ze was al wat haar nog restte. "Spaar toch tenminste mijn kleinste!" riep ze "Ze is het enige wat van mijn grote familie overblijft!" Terwijl ze die smekende woorden uitsprak, stierf de dochter voor wie ze bedelde.

Daar zat ze dan, versteend door verdriet tussen man en kinderen, eenzaam door haar te grote trots. De wind beroerde haar haren niet meer, haar gelaat kleurde bleek, haar ogen keken star voor zich uit, niets scheen in haar nog te leven. Zelfs inwendig niet, want haar tong verstijfde tegen het hard gehemelte, haar bloed kon niet meer vloeien, haar hoofd kon niet meer draaien. De armen bleven hangen, ze vond de moed niet meer om te lopen en van binnen was zij helemaal van steen. Een stevige windvlaag tilde haar op en bracht haar naar haar vaderland, waar ze, genageld aan een bergtop, wegkwijnde van eenzaamheid en verdriet. Haar marmersteen traant tot op heden voort...
 

Alexander Colaert

3 LaMt

1997-1998
 

De Lycische boeren

Een tweede verhaal over Latona's macht

Nu was men echt bang geworden; iedereen vreesde Latona's wraak en iedereen aanbad de moeder van de goddelijke tweeling. Een ramp van nu roept verhalen van vroeger op. Zo vertelde iemand een gebeurtenis van lang geleden.

"Eens waren er - in Lycië - ook boeren die Latona niet ongestraft beledigd hadden. Dit is geen bekend verhaal omdat het over simpele lieden gaat, maar het is een eigenaardig verhaal. Met mijn eigen ogen heb ik de plaats gezien - het water waar het gebeurde. Mijn oude vader had me erheen gestuurd om hele mooie runderen te gaan halen en gaf me een gids van ter plaatse mee.

Op onze tocht kwamen we voorbij een vijver met een oud, verweerd altaar waar echter duidelijk nog offers gebracht werden. Mijn gids bleef staan en riep 'Genade', wat ik, niet begrijpend, ook maar deed. Ik vroeg aan welke godheid het altaar was gewijd en mijn gids antwoordde dat het van Latona was. Toen begon hij volgend verhaal te vertellen.

'Latona baarde, tegen Juno's zin, op het toen nog drijvend Delus haar tweeling, waarbij ze steun zocht bij twee bomen, een palmboom en een olijfboom. Ze vluchtte met haar kinderen, veilig in de plooien van haar kleed gewikkeld, en kwam na een lange lijdensweg in Lycië aan, het land van de Chimaera.

Het was schroeiend warm en haar kleintjes hadden haar moedermelk tot de laatste druppel opgedronken. Toen bemerkte ze dit heldere meertje, diep in het dal. Er waren boeren aan het werk die rijshout en riet in dikke bundels bonden. Latona wandelde naar het water en wou van het koele water drinken, maar de boeren verboden het haar. Kan een godin een verbod van mensen verdragen? Ze schoot uit tegen die lomperiken.

'Durven jullie mij werkelijk water weigeren? Moet ik soms ook jullie toestemming vragen om van de lucht te ademen? Of om in de zon te lopen? Is dat alles misschien jullie persoonlijk bezit? Ik vraag jullie nog eenmaal vriendelijk: laat me rustig drinken. Ik ben moe en wil me hier verfrissen. Dit water zal me goed doen! Trouwens, jullie kunnen toch geen water ontzeggen aan mijn kinderen die ik hier bij me draag?'

Zou er iemand onbewogen kunnen blijven bij zo'n terecht verzoek? Nee toch? En toch weigerden die lompe boeren botweg haar te laten drinken, ze dreigden er zelfs mee haar weg te jagen... En ze voegden de daad bij het woord want ze gingen in het heldere water staan en woelden de modder van de bodem naar boven zodat het water ondrinkbaar werd.

Latona besloot geen woord meer vuil te maken aan de Lycische lomperds; alleen het volgende wou ze nog kwijt: 'Blijven jullie dan maar voorgoed in de modder roeren!' En de wens van de godin ging in vervulling.

De boeren plonsden onder water, doken helemaal in de modderige vijver, kwamen met hun kop of met hun neus weer boven, klommen op de oever en sprongen weer het water in. Maar ze zijn altijd even brutaal gebleven, ze maken kwakend nog altijd evenveel ruzie. Met hun opgeblazen, dikke nek onder hun kale knikker pompen ze de lelijke klanken uit hun altijd maar wijder wordende bek. Met groene rug en witte buik zie je nog steeds rondspringen in modderplassen."
 

Marsyas

Een tweede verhaal over een sterveling die de goden tartte

Toen de vorige spreker zijn relaas beëindigd had, herinnerde een ander zich een sater die van Apollo verloren had in een wedstrijd op Minerva's fluit en gestraft werd voor zijn overmoed. "Au! Waarom doe je dat?" had de sater geroepen, "Waarom wil je me levend villen? Genade, het spijt me, ik zal het nooit meer doen! Zo'n lot moeten ondergaan voor die armzalige fluit, dat is toch onverdiend?"

Maar hoe Marsyas (dat was de naam van die sater) ook schreeuwde of smeekte, hij werd van boven tot onder van zijn vel ontdaan. Wat overbleef was een klomp bloederig vlees, een lillende wonde, met blootliggende spieren en kloppende aders; je kon zijn hart zien kloppen, je kon zijn longen zien bewegen bij elk gekreun. Marsyas werd beweend door zijn broers, de saters, en door de faunen, de heersers over veld en bos, en door zijn trouwe vriend Olympus. Ook de nimfen en de herders hadden met hem te doen...

Door hun overvloedige tranen raakte de grond zo doorweekt dat de zoute druppels zich diep in de grond tot een rivier verzamelden die langs een kronkelende bedding naar de zee stroomt: de helderste rivier van Phrygië, de Marsyas.
 

Ondertussen rouwt Thebe

Na deze verhalen over verdiende straffen richtte ieder zijn aandacht weer op de eigen stad. In Thebe had de dood van Amphion en zijn kinderen een schokgolf veroorzaakt, maar iedereen vond dat Niobe haar lot verdiend had. De enige die om haar tranen stortte, was haar broer Pelops.

Toen die, in diepe rouw gedompeld, zijn borst ontblootte, kon iedereen zijn linkerschouder zien die nu witachtig was, maar bij zijn geboorte een normale kleur had gehad. Zijn vader Tantalus had Pelops namelijk geslacht, in stukken gesneden en voorgezet aan de goden om hun alwetendheid te testen. Vol afschuw hadden de goden, die zijn misdaad natuurlijk doorzien hadden, de stukjes van Pelops weer in elkaar gepast.

Een stuk bleek te ontbreken: zijn linkerschouder. Die had Ceres, in die periode nog op zoek naar haar dochter, zonder te beseffen wat ze vastnam, in twee gebroken om te beginnen eten. De linkerschouder werd vervangen door een stuk ivoor, zodat Pelops als een normaal mens kon verder leven.
 

EXCERPTUM QUINTUM

Marc Knecht
 

Tereus, Procne en Philomela

Veel steden (behalve Athene) sturen rouwgezantschappen naar Thebe

Alles wat naam had in de wijde omgeving van Thebe kwam naar de stad van Cadmus om zijn deelneming te betuigen in het smartelijk verlies; onder hen de koningen van Argos, Sparta en Mycene, de stad van Pelops' zonen. Er kwamen ook mensen van Calydon, dat ooit gehaat zou worden door Diana, van het rijke Orchomenus, van het bronsrijke Corinthe, van het heldhaftige Messene, van Troizen waar later Pittheus zou heersen, van het Pylos van Neleus, en van zoveel andere steden uit de buurt van de Isthmus.

Alleen uit Athene kwam niemand - wat eigenaardig scheen; maar oorlog belette de stad haar medeleven in de rouw van Thebe te tonen. Een leger van ver over zee was Athene komen belegeren en deed de Atheners beven tot Tereus, de koning van Thrakië, Athene te hulp kwam. Hij slaagde erin de vijand van Athene te overwinnen en werd daarvoor in lovende bewoordingen geprezen.
 

Tereus mag trouwen met Procne, een Atheense prinses

Omdat Tereus ook een nakomeling was van de grote Mars, kreeg hij Pandions oudste dochter Procne ten huwelijk. Dat huwelijk werd echter noch door Juno, noch door Hymenaeus, noch door de Gratiën gezegend. De bruiloftsfakkels waren toortsen die een dreigende dood voorspelden, en het waren de Furiën zelf die ermee zwaaiden. Diezelfde schrikgodinnen spreidden ook het huwelijksbed waarboven de ongeluk brengende uil zat te broeden.

Onder die voortekens werd het huwelijk tussen Tereus en Procne gesloten, onder diezelfde voortekens werd hun zoon Itys geboren. Maar nu juichte heel Thrakië nog, nu dankten Tereus en Procne nog de goden, nu riepen ze hun huwelijksverjaardag en de geboortedag van Itys uit tot feestdag - zo blind kunnen mensen zijn...

Procne wil haar zuster Philomela bij zich hebben

Vijf jaar waren al voorbijgegaan en in het koude noorden voelde Procne zich vaak eenzaam. Ze vroeg dus op een dag aan haar echtgenoot: "Als je van me houdt, laat me dan eens naar huis gaan om mijn zus Philomela te bezoeken, of beter nog: waarom ga jij niet naar Athene om haar te gaan halen? Beloof maar aan mijn vader dat ze snel zal terugkeren! Mijn zuster terugzien is het mooiste geschenk dat je me geven kunt!"

En Tereus vertrok per schip naar Athene waar hij vriendelijk door koning Pandion werd ontvangen. Tereus had het net gehad over het doel van zijn reis en over Procne's belofte dat Philomela, als ze mee mocht, snel naar Athene zou terugkeren toen Philomela zelf de zaal binnenkwam - een razend knappe verschijning, even mooi als een dryade of een najade. En op dat eigenste moment werd Tereus verliefd tot over zijn oren; hij laaide als een hoop dorre bladeren of als een kurkdroge hooimijt die plots vuur vat...
 

Tereus probeert Philomela mee te krijgen

Philomela was zo mooi dat het elke man zou beïnvloeden, dat is waar, maar Tereus' liefde was niet de liefde die hij voor een schoonzus mocht voelen; die mensen uit Thrakië waren Venus nu eenmaal wat te veel genegen! Zijn seksuele honger voor het meisje was zo groot dat zijn fantasie op hol sloeg... Hij zou haar trouwe min omkopen om toegang tot haar kamer te krijgen! Nee, hij moest haar vriendinnen omkopen! Nee, hij zou haar overladen met geschenken! Of haar zijn koninkrijk aanbieden! Of haar schaken en haar als een held verdedigen tegen wie haar van hem zou willen afnemen! Alles zou hij doen om zijn liefde voor haar te bewijzen - zo verliefd als nu was hij nog nooit geweest...

Vol ongeduld richtte hij gloedvolle woorden tot Philomela. Hij bracht haar de wens van haar zus Procne over (maar dat was nu ook zijn eigen wens geworden!) en deed dat in dringende bewoordingen en met tranen in de ogen (alsof Procne hem haar tranen had meegegeven!). En juist omdat hij zo aandrong in naam van zijn vrouw, vond iedereen Tereus een lieve echtgenoot - hij werd dus geprezen voor zijn eigenlijk laakbare bedoelingen...

Daar kwam nog bij dat Philomela niets liever wou dan haar zus bezoeken; in een vleiend gebaar legde ze haar armen om de hals van haar vader en vroeg of ze mee naar Procne mocht, zonder te beseffen dat ze smeekte voor haar geluk dat haar ongeluk zou worden... Tereus zag die betoverend mooie Philomela haar vader omhelzen en een kus geven - en voelde hoe die kus hem pijn deed, wat zijn passie nog hoger deed oplaaien. Telkens ze haar vader aanraakte, wou hij dat hij even haar vader mocht zijn (maar zelfs als hij haar vader was geweest, zou hij dezelfde gevoelens voor haar gekoesterd hebben!).
 

Pandion laat Philomela vertrekken

Tenslotte gaf Pandion toe; hij gaf zich gewonnen voor de smeekbeden. Hoe bedankte Philomela haar vader! Hoe oprecht geloofde het ongelukkig meisje dat ze iets bereikt had dat haar en haar zus gelukkig zou maken - maar wat in werkelijkheid (hoe had ze dat kunnen weten?) een verschrikking zou worden! De dag werd besloten met een groot feest ter ere van de gast, waarna iedereen ging slapen.

Tereus kon niet slapen; het beeld van de wondermooie Philomela spookte door zijn hoofd. Hij zag haar gelaat, hij zag haar gebaren, hij haalde zich alles voor de geest waarvan hij hoopte dat het nog komen zou en voedde door die niet bevredigde hartstocht zijn liefde. Eindelijk werd het ochtend.

Toen Pandion en Tereus afscheid namen van elkaar, zei de oude Atheense koning het volgende tot zijn gast: "Liefste schoonzoon, uit respect voor jou en mijn kinderen heb ik erin toegestemd dat Philomela met je meegaat. In naam van de familieband tussen ons vraag ik je dat je voor haar zou zorgen alsof je haar vader was en dat je haar snel zou terugbrengen - ik ben al oud, en zij is mijn troost in mijn levensavond."

Hij richtte zich ook nog tot zijn dochter: "Ja, Philomela, kom maar gauw weer terug als je nog om je oude vader geeft; mij valt het al zwaar genoeg dat Procne zo ver woont!" Terzelfder tijd omhelsde hij zijn kind, waarbij tranen over zijn wangen rolden. Hij nam de handen van Philomela en Tereus, legde die op elkaar en vroeg hen zijn oudste dochter in zijn naam te groeten. Met een van tranen verstikte stem nam hij afscheid, waarna zijn schoonzoon en zijn jongste dochter aan boord van het schip gingen.

Eens aan boord kon Tereus zijn vreugde niet meer bedwingen: "Ik heb gewonnen! Ik heb mijn hartenwens meegekregen!" riep hij uit, en gedurende de hele reis liet zijn blik het meisje geen ogenblik los.
 

Tereus wil Philomela bezitten

Toen ze na een voorspoedige reis in Thrakië waren aangekomen, sleepte Tereus de Atheense prinses mee naar een schaapsstal in de bergen, verborgen in een eeuwenoud bos. De doodsbange en wanhopig huilende Philomela vroeg hem waar Procne nu toch was, maar als antwoord vertelde Tereus haar wat hij voor haar voelde, wat hij dus van haar verlangde en toen hij niet goedschiks kreeg wat hij wou, verkrachtte hij het meisje ondanks haar wanhopige kreten om hulp, ook al riep ze de goden aan...

Toen ze zo onteerd was, beefde Philomela als een lam dat bloedend ontsnapt is aan de bek van een wolf maar zich nog niet veilig voelt, of als een duif die trillend, met veren die met bloed bespat zijn, huivert bij de herinnering aan de gierenklauwen die haar zopas nog vasthielden. Maar toen de gruwel van wat er gebeurd was tot het meisje doordrong, begon ze zich de haren uit te rukken, sloeg zich de armen blauw en schreeuwde haar verkrachter toe:

"Jij barbaar! Is dat het respect dat je opbrengt voor de afscheidswoorden van mijn vader? Is dat een bewijs van je liefde voor mijn zuster? Is het zo dat jij een maagd behandelt? Jij bent verantwoordelijk voor wat hier gebeurd is, jij overspelige echtgenoot, en Procne zal zich hiervoor wreken. Dood me dan! Waarom aarzel je? Een schoft als jij deinst toch voor geen enkele misdaad terug? Ik wou dat je me vermoord had voor je me verkrachtte, dan was ik nog een reine schim in de onderwereld geweest! Maar de goden zullen wraak nemen... Ik zal wat je gedaan hebt, niet verzwijgen. Als ik uit deze krocht ontsnap, zal ik alles aan iedereen vertellen; als je me hier in de bossen opgesloten houdt, zal ik je misdaad door de bossen schreeuwen en de stenen zullen het voortvertellen! De hemel zal het horen en de goden zullen ingrijpen!"

Haar woorden waren voor Tereus een bron van woede maar vooral van angst. Hij raakte in paniek, greep het meisje vast en wrong haar armen op haar rug om ze daar vast te binden. Toen trok hij het zwaard dat hij bij zich droeg; Philomela bood hem reeds haar hals aan: het zwaard had haar doen denken dat ze mocht sterven...

Maar Tereus greep een tang waarmee hij de tong van het arme meisje naar buiten wurmde - de tong die nog de naam van haar vader riep en nog andere dingen wou zeggen. Met zijn zwaard sneed hij haar tong af - alleen het verste deel bleef in haar mond achter. Het afgesneden stuk lag lillend op de grond te bloeden, het probeerde nog te praten, het spartelde nog na zoals een staart van een hagedis, ja, het kroop zelfs in de richting van zijn meesteres. En na die onnoemelijke gruweldaad vergreep Tereus zich nog meermaals aan het verminkte lichaam...
 

Tereus vertelt Procne een leugen

Ondanks zijn vreselijke daden keerde Tereus terug naar zijn paleis en begaf zich dadelijk naar zijn vrouw. Procne's eerste vraag was natuurlijk waar haar zuster was. Tereus zuchtte, begon te wenen en snikkend vertelde hij dat Philomela overleden was. Procne kleedde zich onmiddellijk in het zwart en liet een graf - zonder urn - oprichten. Ze eerde de nagedachtenis van haar dode zus met offers en treurde om het droevig lot dat haar deel was geworden zonder dat ze het verdiend had.

Er was al een jaar voorbijgegaan en Philomela zat nog steeds opgesloten in de stal van haar ongeluk; Tereus had er een stevige muur rond laten bouwen. Er kwamen regelmatig slavinnen voedsel brengen en Philomela leidde een eenzaam leven; het enige wat ze kon doen was weven. Aan niemand kon ze vertellen wat er gebeurd was maar toch wou ze nog altijd haar zus op de hoogte brengen van wat haar overkomen was. En... vindingrijkheid komt ook in moeilijke omstandigheden!
 

Philomela laat Procne weten wat er gebeurd is

Philomela zette een nieuw weefsel op waarin ze, op een witte achtergrond, met een purperen draad tekens aanbracht die verwezen naar haar lot. Toen het doek af was, gaf ze het aan een van de vrouwen die haar eten brachten en gebaarde dat ze het stuk stof naar het paleis moest brengen. Een van de slavinnen nam het doek mee naar het paleis en overhandigde het aan de koningin. Die ontvouwde het doek, bekeek het, begreep het en (nauwelijks te geloven) deed er het zwijgen toe. Procne was verlamd door verdriet, ze vond geen woorden om uiting te geven aan haar afgrijzen. Wenen deed ze echter niet; ze besteedde al haar energie aan het uitdokteren van een plan om wraak te nemen op haar man.
 

Procne bevrijdt Philomela

Het driejaarlijks Bacchusfeest was in aantocht en de Thrakische vrouwen maakten zich klaar om het met grote luister te vieren. 's Nachts weerklonk het Rhodope-gebergte van de schelle muziek van cimbalen en dus verliet de koningin 's nachts haar paleis, getooid met de attributen van de orgieën: een wijnrank om het hoofd, een hertenvel dat tot op de heup hing en de thyrsusstaf op de schouder.

Zo liep Procne door de bossen, omstuwd door de andere vrouwen, opgezweept, uitzinnig van verdriet, en kwam tenslotte aan bij de schaapsstal. Ze beukte de deur in, trok haar zuster mee naar buiten, tooide haar onderweg in de attributen van de Bacchanten en keerde terug naar het paleis.

Aangekomen in het huis van haar smerige verkrachter sidderde de ongelukkige Philomela. Procne trok haar offerkleed uit, deed de wijnrankkrans van haar hoofd en omhelsde haar zo lang doodgewaande zuster. Philomela durfde haar zuster niet aankijken, alsof zij het was die een misdaad had gepleegd! Met neergeslagen ogen wou ze haar zuster als het ware bezweren dat haar geen enkele schuld trof, dat ze gedwongen was geweest te ondergaan wat er gebeurd was, maar ze kon alleen met gebaren spreken.
 

Procne zint op een passende wraak

Procne onderbrak de tranenvloed van haar zus en riep: "Met tranen zullen we er niet geraken; hier moet een zwaard aan te pas komen! Of is er nog iets beter dan een zwaard? Ik ben bereid alles te doen om wraak te nemen. Ik wil dit paleis in brand steken met offervuur zodat Tereus in de vlammen sterft; ik wil hem zijn tong uitsnijden, zijn ogen uitsteken en datgene waarmee hij jouw eer heeft geroofd, afhakken; ik wil hem duizend wonden toebrengen en langzaam laten doodgaan, de smeerlap. Als de straf maar zwaar genoeg is; ik weet nog niet wat ik ga doen..."

Procne zag plots haar zoontje Itys binnenkomen en door hem te zien wist ze hoe ze haar man kon treffen. Met koude ogen bekeek ze haar kind en mompelde: "Wat lijk jij toch goed op je vader!" Dat was alles wat ze zei; ze concentreerde zich op haar wraak. Maar toen het kind op haar toeliep en zijn armpjes rond haar hals wierp, kusjes gaf en koosnaampjes zei, schoot haar gemoed vol - haar woede bedaarde en haar ogen liepen vol met warme tranen.

Haar moederhart zou zeker de bovenhand hebben gehaald als ze niet naar haar zuster had gekeken en haar mond zonder tong had gezien. Ze keek van haar zoontje naar haar zuster en zei: "Waarom kan hij lieve woordjes zeggen en kan zij niets meer zeggen? Waarom kan hij mij 'moesje' noemen en kan zij niet meer 'zusje' zeggen? Met wat voor man ben ik getrouwd? Mijn liefde voor mijn man is nu een misdaad geworden!"

En zoals een tijger in India zijn prooi meesleurt door een donker bos, zo sleepte Procne het kind achter zich aan. Aangekomen in een afgelegen deel van het paleis sloeg Procne toe - terwijl het kind zijn knuistjes naar haar uitstrekte, zijn dood zag naderen, "moesje, moesje" riep en zijn armpjes nogmaals rond haar hals wou leggen - ze hakte in met het zwaard op het onschuldige kind en ze wendde niet eens haar ogen af. Een slag net onder de borst was fataal voor het jongetje, maar Philomela sneed hem nog de keel over en beiden reten ze het kinderlichaam (dat nog niet volledig dood was) uiteen. Kort nadien sisten de grote brokken aan braadspitten, de kleinere stukken sudderden in een pot terwijl de kamer er smerig bij lag van bloed en ingewanden.
 

Tereus eet...

Procne ging naar haar man en vertelde dat hij, naar Atheens gebruik, het voorrecht had om te mogen aanzitten aan een feestmaal. Zich bewust van de plechtigheid van het ogenblik nam Tereus plaats op zijn troon. Het eten werd opgediend: mooie brokken geroosterd vlees, begeleid door een heerlijk stoofpotje! Tereus viel aan en begon te schransen; al het voorgeschotelde vlees - zijn eigen vlees en bloed! - stouwde hij in zijn buik...

Voldaan keek hij op en vroeg, zoals het een goede vader past, om Itys naar hem te brengen. Waarop Procne, die brandde van verlangen om te kunnen zeggen wat ze gedaan had, zei: "Wie je zoekt, is al binnen!" Waarop Tereus speels de kamer begon rond te lopen en meermaals de naam van Itys riep, alsof de jongen verstoppertje speelde. En terwijl hij zo naar zijn zoontje zocht, sprong plots Philomela te voorschijn en gooide het bebloede hoofdje van Itys pal in het gezicht van zijn vader. Hoe graag had ze nu nog willen kunnen spreken om hem te zeggen hoe blij ze was dat ze eindelijk wraak had kunnen nemen op hem!

De Thrakische koning stootte de tafel omver, riep de schrikgodinnen uit de onderwereld aan, probeerde tevergeefs zijn zoontje uit te braken, zat te wenen, noemde zichzelf "graf van zijn kind", trok zijn zwaard en zette de achtervolging in op de zusters die hem zijn kind op zo'n beestachtige manier hadden afgenomen.

De Atheense zusters vluchtten zo snel dat het leek of ze vleugels hadden, en toen vlogen ze plots ook echt weg; Philomela koos voor het bos, Procne verkoos te nestelen onder de dakgoot. Hun borst toonde nog steeds de bewijzen van hun moord omdat op die plaats hun veren rood waren. Tereus putte zijn snelheid uitsluitend uit zijn razernij en zijn wraaklust en veranderde ook in een vogel, een met een kuif op de kop; zijn getrokken zwaard werd zijn lange snavel. Hij was een hop geworden, een vogel met een strijdvaardig voorkomen. Philomela was nu een nachtegaal terwijl haar zuster rondvloog als zwaluw.
 

Pandion sterft van verdriet en wordt opgevolgd door zijn zoon Erechtheus

Die vreselijke gebeurtenissen bespoedigden de dood van de arme Pandion, die het verlies van zijn beide dochters nooit te boven kwam. Hij kwam dus in de onderwereld voor hij een hoge leeftijd had bereikt.

Hij werd opgevolgd door Erechtheus die Athene wijs bestuurde. Hij kreeg vier zonen en vier dochters van wie er twee als even mooi beschouwd werden: Procris en Orithyia.

Cephalus - die bofkont - mocht trouwen met Procris en Boreas, de god van de noordenwind, vroeg de hand van Orithyia; maar omdat hij uit Thrakië kwam en men in Athene Tereus nog niet vergeten was, kreeg hij Orithyia niet tot vrouw.

Dat maakte Boreas woedend: "Waartoe dient dat vragen, dat smeken? Ik ben een god met tomeloze krachten, ik kan stormen ontketenen, ik kan water bevriezen, ik kan de hemel doen daveren, en ik vráág aan Erechtheus de hand van zijn dochter? Ik had hem schoonvader moeten máken!"
 

Boreas en Orithyia

Dan sloeg de windgod zijn vleugels uit (als hij dat doet, voel je het waaien op aarde en trilt het zee-oppervlak); hij gleed over hoge bergtoppen naar het zuiden en greep, laag over de grond scherend, de bange Orithyia vast om met haar naar het noorden te vliegen. Daar trouwde hij met zijn felbegeerde buit.

Mettertijd kreeg Orithyia een tweeling, jongens die even knap waren als hun moeder en later vleugels kregen zoals hun vader. Want zolang ze baardeloos waren, hadden ze geen vleugels; die kregen ze pas toen ze volwassen begonnen te worden. Hun namen waren Celais en Zetes.

Toen ze echte mannen waren geworden, trokken Celais en Zetes mee met de Argonauten op zoek naar het glanzend gulden vlies, ver weg ergens in het oosten, over zeeën waar nog nooit schepen hadden gevaren.