LIBER QUINTUS

Michaël Pector

3 LaWi

1997-1998
 

Het huwelijk van Perseus en Andromeda wordt verstoord

Tijdens het verhaal van Danaë's heldhaftige zoon aan zijn Ethiopisch gezelschap stormde een groep woestelingen de feestzaal binnen: in plaats van bruiloftsliederen klonken er kreten van geweld. Het nu in chaos ontaarde feest deed denken aan een kalme zee die plots door een storm verandert in een woest schuimende golvenmassa.

De brutale Phineus leidde het oproer. Hij zwaaide een vervaarlijke speer en zwoer dat hij het roven van zijn bruid zou wreken, dat Perseus zelfs met zijn vleugels niet zou ontkomen. Phineus stond al klaar om aan te vallen, maar zijn broer Cepheus trachtte hem de waanzin van het nakende gevecht duidelijk te maken.

"Waarom ga je tekeer tegen Perseus ? Het is toch Neptunus die Andromeda aan Perseus geschonken heeft? Ook de god Ammon is verantwoordelijk voor wat er gebeurd is. Andromeda werd jou ontnomen toen ze bijna dood was." Cepheus vroeg nog of Phineus Andromeda nu liever dood dan levend had gezien, want toen het meisje geketend was, had hij geen hand uitgestoken om zijn toekomstige echtgenote te redden...

"In plaats van kwaad te zijn op Perseus die haar bevrijd heeft, had je haar beter zelf gered. Andromeda behoort nu toe aan Perseus, omdat ik anders mijn enige dochter had verloren. Perseus heeft mijn dochter van de dood gered, hij heeft haar niet van jou afgenomen!"

Phineus gaf geen antwoord. Hij keek van zijn broer naar Perseus. Hij twijfelde wie van beiden hij eerst zou doden. Dan slingerde hij met al zijn krachten zijn speer naar Perseus. De punt van het wapen bleef echter steken in een kussen. Daarop gooide Perseus de speer terug naar zijn belager, maar Phineus kon nog net achter een altaar wegduiken, anders had het wapen ongetwijfeld zijn hart doorboord. De speerpunt had nu Rhoetus' hoofd getroffen. Toen men de speer uit zijn hoofd trok, schokte het lichaam nog na; het bloed spoot over de gedekte tafel...

Toen ontstaken beide clans in blinde woede. Allerlei projectielen vlogen in het rond, men riep dat behalve Perseus ook Cepheus moest sterven, maar die was al uit het huis gevlucht. Hij zwoer bij de goden van de gastvrijheid dat hij dit gevecht niet gewild had.
 

De feestzaal wordt een slagveld

De godin Minerva kwam haar broer Phineus te hulp, ze spoorde hem aan en beschermde hem met haar schild. Ook de Indiër Athis, kleinzoon van Ganges, was van de partij; de nimf Limnaea had hem gebaard in het heldere water van de Ganges. Op zestienjarige leeftijd was hij een krachtige en erg knappe man. Zijn nobele kledij deed zijn schoonheid nog beter uitkomen: hij droeg een purperen mantel met een gouden boord en gouden kettingen rond zijn hals. Om zijn geparfumeerde lokken droeg hij een haarband. Hij was erg bedreven in het speerwerpen en nog meer in het boogschieten.

Toen Athis zijn boog spande, sloeg Perseus met een rokende boomtak zijn schedel in en verpletterde daarbij zijn gelaat. Toen Athis' beste vriend, de Assyriër Lycabas, zijn makker badend in bloed op de grond zag liggen, schreeuwde hij: "Wee, Athis!". Hij greep de boog die op de grond lag en schreeuwde woedend: "Vecht maar verder tegen mij, aan het doden van Athis zal je niet lang plezier beleven. Voor deze daad verdien je meer minachting dan ontzag."

Bij deze woorden schoot Lycabas een pijl af die in een mantelplooi van Perseus bleef steken. Nu stak de zoon van Danaë met het zwaard waarmee hij Medusa had gedood, in de borst van Lycabas die met zijn laatste krachten het ontzielde lichaam van Athis zocht; toen hij hem gevonden had, legde hij zich neer naast zijn vriend.

Toen bonden Phorbas uit Syene, zoon van Metion, en de Lybiër Amphimedon de strijd aan; beiden gleden echter uit in het warme bloed dat over de vloer stroomde. Toen ze recht wilden staan, werd er bij Amphimedon een zwaard tussen de ribben gestoken, en bij Phorbas een doorheen zijn keel.

Daarna kwam Actor, de zoon van Erytus, in actie met zijn gevreesd wapen: de dubbele strijdbijl. Perseus trok geen wapen om zich tegen hem te verdedigen maar gooide en massieve wijnschaal naar het hoofd van zijn tegenstander. Actor braakte een rode bloedstraal uit alvorens hij met zijn achterhoofd tegen de stenen vloer dood neerviel.

Toen stierven door de hand van Perseus achtereenvolgens nog Polydegmon, de kleinzoon van Semiramis, Lycetus, de zoon van Spercheion, Abaris van de Kaukasus, Helix met zijn lange haren, Phlegyas en Cletys: hun lijken lagen kris kras door elkaar op de grond.

Phineus durfde geen rechtstreekse confrontatie met zijn vijand aangaan en wierp dus van op afstand zijn speer. Die miste zijn doel en raakte Idas die eigenlijk neutraal wou blijven en geen deel wou hebben aan het gevecht. Woest keek Idas de wrede Phineus aan en riep: "Phineus, je dwingt mij om je vijand te worden. Hier, oog om oog, tand om tand." Hij trok de speer uit zijn lichaam en net op het moment dat hij de speer wou terugwerpen, zeeg hij door het hevige bloedverlies neer.

Dan sneuvelde ook Hodites, die in Ethiopië de belangrijkste man was na Cepheus, door het zwaard van Clymenus. Prothoënor stierf in een gevecht met Hypseus en Hypseus zelf viel in zijn strijd tegen Perseus, vlak bij de oude, zeer vrome en rechtschapen Emathion, die zich probeerde te verdedigen met woorden en zei dat vechten niet deugde. Toen hij met bevende hand steun zocht op het altaar, werd zijn hoofd door Chromis afgehakt. En terwijl dat hoofd op het altaar viel, vloekte het nog om pas daarna zijn laatste adem uit te blazen. Ook de onvolprezen boksende broers Ammon en Broteas stierven door het machtige zwaard van Phineus.

En nog was de gruwel niet voorbij. De Cerespriester Ampycus sneuvelde met het wit lint van zijn priesterlijke waardigheid om zijn hoofd. De onschuldige Lampetides, die uitgenodigd was om het feest op te vrolijken met zijn gezang, moest eveneens sterven, met zijn plectrum en zijn lier nog in de hand, door de hand van zijn grijnzende moordenaar Pedasus die zei: "Zing de rest maar voor de doden bij de Styx!" en een dolk in Lampetides' linkerslaap plantte.

Lycormas was woedend en zwoer dat hij Lampetides' dood zou wreken. Hij trok zijn zwaard en sloeg daarmee de zware grendel van de rechter deurpost weg en liet die neerkomen in de nek van Pedasus die als een offerstier op de grond viel. Pelates uit Libië wou de grendel van de linker deurpost grijpen, maar daarbij werd zijn hand door de speer van Clytus uit Marmara aan het hout vastgespijkerd; toen Abas hem in zijn zij stak om hem af te maken, viel Pelates niet neer, maar bleef stervend hangen met zijn vingers aan de deurpost...
 

Jonathan Verstraete

3 LaWi

1997-1998
 

Meer en meer mannen sneuvelen...

Ook Melaneus, een van Perseus' mannen, en Dorylas, de rijkste herenboer van Afrika, werden neergeslagen. Dorylas was zo rijk aan land dat niemands grondbezit ooit uitgestrekter is geweest; geen man kon zijn stapels wierook evenaren. Een speer, van opzij geworpen, doorboorde zijn onderbuik. Toen zijn aanvaller, Halcyoneus van Bactra, zag hoe hij de doodssnik gaf en met de ogen rolde, riep hij: "Val maar neer! Dit plekje is wat je rest van zoveel land!" en liet hem stervend achter. Toen nam Perseus wraak: snel trok hij de speer uit de nog warme wonde en slingerde hem terug naar de dader. De speer schoot dwars door de neus van Halcyoneus, doorboorde zijn nek en stak met voor- en achterkant naar buiten.

Ook Clytius en Clanis velde hij, twee broers met dezelfde moeder maar beiden met een verschillende doodsstrijd. Perseus dreef met zijn sterke arm bij Clytius een zware lans door zijn beide dijen, Clanis kreeg een speer tussen zijn kiezen dwars door zijn hoofd. De volgende die aan de beurt was, heette Celadon van Mendes. Ook Astreus, de zoon van een Palestijnse vrouw en een onbekende vader, viel dood neer; Aethion, voordien een knap profeet maar nu misleid door een valse voorspelling, werd eveneens afgemaakt. Ook Thoactes, de wapendrager van de koning, en de beruchte Agyrtes, een vadermoordenaar, ondergingen hetzelfde lot.
 

Perseus tegenover een overmacht

De strijd werd nog heviger: allen richtten hun woede op een tegenstander. Eensgezind viel men hem van alle kanten aan op Perseus voor een zaak waarin geen eer behaald kon worden (daarvoor was de oorzaak van de strijd te gemeen). Cepheus kwam tevergeefs voor zijn schoonzoon op. Ook Andromeda en Cassiope kozen zijn kant. Hun geween klonk door de zaal, gesmoord in wapengekletter en doodsrochel, terwijl de krijgsgodin Bellona de paleispenaten bezoedelde met stromen bloed en steeds aanvuurde tot nieuwe strijd. Phineus en zijn talloze wapenbroeders dromden samen rondom Perseus.

Vlak naast diens ogen en oren hagelde het projectielen van links en rechts. Perseus zocht met zijn schouders en zijn rug steun tegen een grote zuil en met die dekking keerde hij zich tegen de horde voor hem en pareerde hun aanvallen. Molpeus, een Chaoniër, viel aan van links terwijl Echemnon van rechts op hem afkwam. Zoals een tijgerin soms van twee kanten het geloei van twee kudden hoort - wat haar honger nog verdubbelt - en dan niet weet op welke prooi ze het eerst moet afgaan omdat ze beiden samen wil verscheuren, zo twijfelde Perseus om links of rechts toe te slaan. Gelukkig wist hij eerst Molpeus weg te jagen met een steek dwars door zijn been, want Echemnon gunde hem geen respijt. Die stormde op Perseus af met de bedoeling hem het hoofd af te hakken, maar sloeg zijn zwaard met een wat ondoordachte uithaal tegen de zuil in stukken. De kling brak af, sprong terug en doorboorde keel van de man die toegeslagen had. Maar de niet zo diepe wond kon de doodsoorzaak niet zijn en toen de man sidderend zijn krachteloos wordende armen wou opheffen, doorstak Perseus hem met zijn zwaard.
 

Perseus gebruikt het ultieme wapen

Toen Perseus merkte dat zijn krachten gingen tekortschieten tegen zoveel tegenstanders, riep hij uit: "Jullie dwingen mij hulp te zoeken bij mijn eigen vijand! Diegenen die mij hier goedgezind zijn, moeten hun ogen nu richten op mij", en hij stak Medusa's hoofd naar voren.

"Zoek een ander die jouw praatjes wil geloven!" riep Thescelus, zijn arm geheven om Perseus met een speer te doden - en in die houding verstarde hij tot een marmeren standbeeld. Vlak na hem viel Ampyx aan, het zwaard gericht op Perseus' onverschrokken hart, maar midden in die aanval verstijfde zijn arm; hij kon hem noch vooruit noch achteruit bewegen.

Nileus, die beweerde dat de Nijl, de god met zeven stromen, zijn vader was en op zijn schild dan ook het beeld droeg van zeven stromen (die deels in goud en deels in zilver waren gesmeed), riep luid: "Hier, Perseus, bekijk eens goed van wie ik afstam! Een grote troost kun je meenemen naar de stille onderwereld: je bent gedood door een grote held...", maar reeds dat laatste woord werd in zijn eigen klank gesmoord; zijn open lippen leken nog te willen spreken maar konden geen woorden meer vormen.

Scheldend schreeuwde Eryx hen toe: "Het is niet door het toedoen van Gorgo's macht dat jullie zo verstijven maar uit lafheid. Kom maar mee, dan slaan wij hem wel neer, die vijand met zijn toverwapens!" Hij wou de aanval inzetten, maar kon zich niet meer verroeren; hij bleef een steenklomp, een gewapend, onbeweeglijk beeld.

Zij kregen allen hun verdiende loon. Aan Perseus' kant was er een man, een zekere Aconteus, die al vechtend het ongeluk had de Gorgo aan te kijken en zo ook in steen veranderde. Daarop trof Astyages, niet merkend dat Aconteus niet meer leefde, hem met zijn slagzwaard; het gaf een luide, metalen klap. Verbaasd daarover kreeg Astyages eenzelfde starheid en die verbazing bleef gegrift in zijn stenen gezicht.

Het duurt te lang om iedereen van minder hoge afkomst die daar meestreed, op te noemen. Tweehonderd man waren nog steeds in de strijd en nog eens tweehonderd man waren door die Gorgo-blik bevroren. Dan pas kreeg Phineus spijt over zijn ondoordachte aanval, maar wat moest hij doen? Vlak naast hem zag hij allerlei gestalten die zijn eigen mannen waren geweest. Hij riep ze bij hun naam en smeekte hen om hem te helpen; hij raakte, zonder zelfvertrouwen, even zijn makkers aan - ze waren van steen!

Hij wendde zich af, hief zijn handen berouwvol, smekend omhoog, afgekeerd van die Gorgo, en riep tot Perseus: "Goed, jij wint, maar stop dat monsterhoofd weg! Weg, die verstenende ogen van Medusa, wie zij ook mag zijn! Weg, ik smeek je! Niet uit haat of machtsbegeerte ging ik de strijd aan, nee, het was mijn bruid voor wie ik vocht. Ik had de oudste rechten, jíj, haar redder, hebt de sterkste rechten. Het deert mij niet te moeten wijken voor de sterkste, maar laat me mijn leven, iets anders vraag ik niet. Jij krijgt de rest..."

Terwijl hij die woorden sprak, durfde hij de man tot wie hij smeekte niet aan te kijken. Perseus zei hem: "Phineus! Lammeling! Ik geef je wat ik je kan geven. Wees niet bang, geen wapen zal je verwonden. Meer nog: ik maak een eeuwigblijvend standbeeld van je, dat voorgoed te kijk zal staan in paleis van mijn schoonvader! Dan kan mijn vrouw zich troosten met het beeld van haar vroegere verloofde..." en met die woorden hield hij het Medusahoofd vlak voor het angstige en van hem afgekeerde gelaat van Phineus. Die probeerde nog het hoofd te wenden, maar zijn nek was al verstijfd, het vocht van zijn ogen was al steen geworden. En in die steen kon je zijn bange blik en smekend gebaar blijven zien, zoals ook in zijn handen en houding zijn onderdanigheid zichtbaar bleef.

Na die zege kwam Perseus met zijn vrouw in Argus aan, zijn vaderstad. Hoewel Acrisius deze weldaad niet verdiend had, nam Perseus, als kleinzoon van Acrisius, wraak op Proetus, die zijn broer Acrisius met wapens had weggejaagd en diens burcht bezet hield - tot eigen ongeluk, want burcht noch wapens hielpen Proetus tegen de wrede blik van het slangenrijke Gorgo-monster.
 

Perseus straft Polydectes

Polydectes, die over Seriphus regeerde, was niet geïmponeerd door Perseus' heldhaftigheid of tegenslagen. Onvermurwbaar streng koesterde hij zijn haat, zijn redeloze woede kende geen grenzen. Hij smaalde op Perseus' roem en beweerde zelfs dat de dood van Medusa gelogen was... "Dan zal ik jou de waarheid laten voelen!" riep Perseus. "Wend je ogen af!" schreeuwde hij naar de anderen, en met Medusa's hoofd liet hij die koning tot een bloedloze steen verharden.
 

Lenn Depoorter

3 LaWi

1997-1998
 

Minerva bij de Muzen

Minerva gaat naar de Helicon

Nadat Minerva haar broer Perseus, zoon van een gouden regen, voldoende gesteund had, verliet ze Seriphus. Zij liet de eilanden Gyarus en Cythnus rechts liggen en nam de kortste weg over zee naar Thebe. Minerva kreeg de Helicon, de berg van de muzen, in zicht en eventjes later streek zij er neer. Zij begroette er de muzen, haar zusters, die ook kunstliefhebbers waren, en vroeg hen of ze eens een kijkje mocht gaan nemen bij de nieuwe bron, die door Pegasus' harde paardenhoeven ontstaan was. Minerva had immers het paard uit Medusa's bloed zien geboren worden, vandaar haar belangstelling voor zijn wonderbaarlijk werk.

Toen zei Urania vleiend: "Minerva, wat de reden ook is van je bezoek, het is ons altijd een eer en een plezier je te ontvangen." Daarna begeleidde ze Minerva naar het heilig water. Minerva bewonderde lange tijd de bron en bekeek al die bloeiende planten die rondom de eeuwenoude bomen en grotten hun pracht tentoonspreidden. Minerva prees de muzen zeer gelukkig om hun woonplaats en hun werk.
 

Minerva verneemt hoe de muzen ooit bedreigd werden door Pyreneus

Maar een van de muzenzusters zei: "Minerva, als het lot je niet had voorbestemd om godin te worden, zou je uitstekend passen in ons muzenkoor. Ja, je hebt gelijk, het is terecht dat je ons huis en onze kunsten looft. Inderdaad, wij zijn bevoorrecht, althans zolang we veilig zijn. Helaas kan misdaad overal toeslaan en is er altijd wel iets om angst in te boezemen.

Neem nu die bruut Pyreneus. Telkens als ik aan hem denk, komt zijn gezicht me duidelijk voor de geest en krijg ik huiveringen over mijn ganse lichaam. Die woesteling had met zijn Thrakiërs het gebied van Phocis en Daulis buitgemaakt en voerde daar een schrikbewind.

Toen wij naar de tempel van Delphi reisden, merkte hij ons op en groette eerbiedig, alsof we godinnen waren. Maar de hypocrisie die erachter schuilde, was overduidelijk te zien. Hij had ons zeker herkend want hij riep: 'O dochters van Mnemosyne! Ik bid jullie, kom binnen! Kom nou, aarzel toch niet! Jullie kunnen hier schuilen voor het barre weer; jullie moeten toch geen regen en wind trotseren!'

Door deze vleiende woorden gerustgesteld en aangepord door de barre weersomstandigheden gaven wij toe en betraden z'n huis. Al snel was de bui door de wind verdreven en de donkere wolken waren aan de horizon verdwenen. Wij wilden dus verder reizen, maar Pyreneus had de poorten al gesloten en wilde ons een voor een verkrachten! We deden haastig onze vleugels aan en maakten dat we weg waren. Hij scheen ons te willen volgen, want hij stond op het dak van het paleis en schreeuwde: 'Als jullie kunnen vliegen, dan kan ik dat ook!' In zijn waanzin stortte hij zich van het dak naar beneden met het hoofd omlaag. Daar lag hij dan op de grond: een sterveling met een gekraakte schedel in een plas misdadig bloed."
 

De Piëriden dagen de muzen uit

Plots verstoorden klapperende vleugels hun gesprek. Minerva keek nieuwsgierig in het rond en hoorde een of andere welkomstkreet die uit een van de hoge bomen scheen te komen. Zij dacht aan mensenstemmen, want de geluiden klonken duidelijk verstaanbaar. Maar tot haar verbazing bemerkte ze negen eksters die klaagden over hun lot - een eksterstem kan immers alles nabootsen... De muze beantwoordde de vragende blik van Minerva.

"Zij werden onlangs in vogels veranderd, na een voor hen slecht verlopen wedstrijd. Hun vader Piërus bezat veel grond in de omgeving van Pella en hun moeder Euippe was geboren in Paeonië. Zij had wel negenmaal om Lucina's hulp geroepen en had zo negen dochters gebaard. Eenmaal 'volwassen' trokken die domme zusters, die overigens fier waren op hun aantal, door veel Noord-Griekse steden. Zo kwamen zij helaas ook bij ons langs en die hautaine zusters durfden het aan ons, muzen, uit te dagen, onwetend als ze waren.

'Muzen!', zegden ze, 'Jullie kunnen enkel alle dwaze mensen overtuigen van jullie zogenaamde "hoogstaande muziek", omdat die dommeriken verdorie niet beter weten! Godinnen, verspil jullie tijd voor een keer niet en ga met ons een wedstrijd aan! Want wij moeten voor jullie zeker niet onderdoen, niet in stem, noch in kunst, noch in aantal. Als jullie de wedstrijd verliezen, moeten jullie de bronnen van de Helicon voor altijd verlaten en als jullie ons overtreffen, zullen wij door de vlakte van Emathia trekken in de richting van het sneeuwrijke Paeonië. Eerlijkheidshalve zal de jury uit nimfen bestaan.'

Zo'n wedstrijd voldeed natuurlijk in geen enkel opzicht aan onze waardigheid, maar niet deelnemen zou nog een grotere schande zijn geweest. De nimfen die de jury zouden vormen, zwoeren elk hun eed bij hun rivier en namen vervolgens plaats aan de natuurstenen jurytafel.
 

Een van de Piëriden zingt over Typhoeus

Zonder het lot te laten beslissen over wie de wedstrijd zou inzetten, begon een Piëride te zingen over de godenstrijd. Daarmee bewees ze de giganten een onverdiende eer en schilderde ze de goden af als lafaards. De Piëride vertelde hoe de goden schrokken toen Typhoeus onheilspellend vanuit de aarde opdook, hoe ze op de vlucht sloegen en uitgeput de Nijl in Egypte bereikten.

Maar de gigant Typhoeus kwam ook daarheen zodat de goden verplicht waren zich te vermommen en Jupiter een gedaanteverwisseling onderging tot koningsram (het is daarom dat de god Ammon van de Libiërs gekromde horens draagt). Apollo nam de vorm aan van een raaf, Bacchus werd een bok, Artemis een kat, Juno een witte koe, Venus een vis en Mercurius veranderde zijn vleugels in die van een ibis... Althans, dat was haar versie van het verhaal. De voordracht van de Piëride klonk goed en werd begeleid door citerspel. Toen was het onze beurt. Minerva, heb jij nog de tijd om onze voordracht te beluisteren?"

"Natuurlijk wel, het zou mij een genoegen zijn," zei Minerva opgewekt. Ze luisterde aandachtig en genoot intussen van de koelte van de schaduw, van de verblindend mooie natuur en vooral van het wonderbaarlijk gezang. De muze vervolgde dus haar verhaal.

"Binnen onze groep van negen muzen kreeg Calliope de hoofdrol. Met haar lange haren, bijeengehouden door klimoptwijgjes, was zij een lust voor het oog en ze begon een droef akkoord op de citer te spelen; dan viel haar hemelse stem in.
 

Evelyne Devos

3 LaWi

1996-1997
 

Pluto en Proserpina

Pluto wordt door Cupido verliefd gemaakt

«Ceres was een zeer verdienstelijke godin: zij was namelijk de eerste die met een kromme ploegschaar de harde grond loswerkte, graan op de akkers zaaide (graan is nog steeds een van de zegenrijkste gewassen) en wetten gaf. Als dank voor dit alles wil ik een ode aan haar opdragen, en ik hoop dat dit loflied haar zal bevallen.

Sicilië ligt volledig boven op Typhoeus' lichaam. Het drukt hem zo zwaar neer omdat hij in zijn dwaasheid hoopte op een plaats in het hemelrijk. Vaak spartelde hij nog tegen en vocht hij om rechtop te komen, maar dat lukte hem niet want op zijn handen rustten bergen: op zijn linkerhand de Pachynus-rotsen en op zijn rechter de Pelorus. Zijn voeten werden tegengehouden door de stad Lilybaeum terwijl de Etna zijn hoofd naar beneden drukte. Daaronder hoestte de woeste Typhoeus zand en as op, terwijl er vlammen uit zijn keel kwamen. Door het hoesten schudde de aarde; ze beefde zelfs zo hevig dat de heerser over de schimmen bang was dat er een scheur zou ontstaan in de grond, waardoor het daglicht zou kunnen binnendringen in de onderwereld. Dat zou paniek zaaien in het schimmenrijk, en dat wou de heerser over de Tartarus vermijden. Hij verliet zijn paleis om langs enkele plaatsen van Sicilië te rijden met zijn span zwarte paarden. Nu hij met eigen ogen gezien had dat alles in orde was, voelde hij zich gerustgesteld. Tijdens die tocht werd hij opgemerkt door Venus die van op haar Eryx-berg toekeek...

Ze nam haar kind op haar schoot en vleide hem: 'Cupido, jij bent mijn rechterhand, mijn sterkste wapen. Pak je boog waarmee je alle harten beheerst. Richt snel een pijl met een gouden punt op die dodengod: hij kreeg de macht over het derde deel van het godenrijk. Als jij zelfs Jupiter en Neptunus kan treffen, waarom dan de dodenheerser niet? Als je hem kunt raken, zou dat mijn macht en de jouwe aanzienlijk vergroten. Hij regeert immers over een derde van het heelal! In de hemel schatten ze ons en onze macht niet hoog, en als mijn macht afneemt, dan neemt ook de jouwe af. Je weet toch hoe Minerva en Diana de jageres mij verstoten hebben? Als wij er niets aan doen, zal Ceres' dochter eeuwig maagd blijven. Proserpina heeft namelijk geen trouwplannen. Als jij dus wilt bijdragen tot onze macht, maak dan dat ze trouwt met haar oom.'

Zo sprak Venus. Cupido trok zijn pijlkoker open en koos van de vele pijlen de scherpste, dus de meest betrouwbare, de pijl die het best zou gehoorzamen aan de boog van zijn meester. Dan deed hij wat zijn moeder hem had opgedragen en schoot de gouden pijl met een scherpe haak rechtstreeks in Pluto's hart.
 

Pluto schaakt Proserpina, Ceres' dochter

Nabij de muren van Enna bevindt zich een diep meer, het Pergus-meer. Daar klinken de liederen van de zwanen even mooi als op het water van de Caystros in Lydië. Het Pergusmeer wordt omringd door een dicht bos. De bladeren vormen als het ware een dak en houden de zonnestralen tegen. Takken verschaffen dus koelte en de malse grond dient als voedsel voor talrijke bloemen: op die plek heerst de eeuwige lente.

Proserpina vermaakte zich daar zoals meisjes dat kunnen, en ijverig verzamelde ze lelies en viooltjes in haar schoot. Ze werd haast in een tel gezien, begeerd en veroverd door Pluto - zo snel kan de liefde werken. Het goddelijke meisje was doodsbenauwd en riep huilend om haar moeder en haar vriendinnen - het meest natuurlijk om haar moeder. Toen de zoom van haar kleed scheurde, verloor ze de bloemen die ze daar verzameld had. Hoe naïef is de jeugd toch: door dit verlies werd het meisje zo mogelijk nog verdrietiger...

Pluto voerde het tempo op en spoorde zijn paarden aan door elk dier bij zijn naam te noemen en door ze de teugels te laten voelen, die door donkere roest waren aangetast. Ze kwamen langs het diepe water bij de stad Palica (waar uit de gespleten aarde kokende zwaveldampen oprijzen) en langs het door Corinthe gestichte Syracuse, een stad met twee ongelijke havens.
 

De bronnimf Cyane tracht Pluto tegen te houden

Tussen Arethusa's bron en die van Cyane ligt een smalle baai. Hier woonde Cyane, genoemd naar haar bron en de bekendste nimf op Sicilië. Zij rees op uit het water, herkende de godin en riep: 'Halt, niet verder! Je kunt niet zomaar de schoonzoon van Ceres worden. Je had beter een aanzoek gedaan in plaats van haar dochter te roven! Als ik zo vrij mag zijn om groot met klein te vergelijken: toen Anapis mij wilde, heeft hij me ten huwelijk gevraagd. Ik moest niet trouwen uit doodsangst, zoals Proserpina nu.' Terwijl ze zo sprak, bleef ze met wijdgeopende armen vlak voor Pluto staan.

Saturnus' zoon kon zijn woede niet meer bedwingen en gaf zijn paarden van de zweep. Hij gooide zijn scepter in het diepste deel van de bron en toen die daar in de bodem vastzat, ontstond er een doorgang naar de Tartarus. De wagen verdween in de opening.

Cyane was bedroefd om de roof van Proserpina en omdat Pluto haar bron misbruikt had om naar de onderwereld te ontsnappen. In haar droefheid begon ze te wenen en loste langzaam op in het water waarvan ze tot voor kort, als nimf, meesteres was geweest.

Je had het moeten zien gebeuren: haar lichaam smolt, haar beenderen verloren hun vastheid, haar nagels werden helemaal zacht. Wat zeer dun was aan haar lichaam, veranderde het eerst in water: haar vingers, haar benen, haar voeten en haar donkerblauw haar. Al deze lichte substanties versmolten binnen de kortste keren tot water. Vervolgens losten haar schouders, haar rug en haar borst op. Haar bloed werd water, en zo bleef er niets meer over dat nog kon aangeraakt worden.

Ceres was ondertussen op zoek gegaan naar haar dochter, maar tevergeefs. Ze zocht overal en vroeg aan iedereen of ze haar dochter nergens hadden gezien. Maar noch Aurora, die met het haar vol dauw de ochtend brengt, noch de Avondster konden haar helpen. Ceres had twee fakkels bij zich die ze aanstak aan het vuur van de Etna om haar dochter ook 's nachts te blijven zoeken. Ook de volgende dag zette ze van 's morgens tot 's avonds haar speurtocht verder en gaf de moed niet op.

Ceres was die avond doodmoe van het zoeken. Ze had dorst maar was bij geen enkele bron gestopt om haar dorst te lessen. Plots zag ze een klein hutje. Ze klopte aan en een oude vrouw deed open. De godin vroeg om een beetje water en het vrouwtje bood haar een zoete drank aan. Toen Ceres ervan dronk, stond er opeens een brutale kwajongen naast haar. Hij lachte haar uit en schold haar uit voor zuipschuit...

Diep beledigd plensde Ceres de halfvolle beker pal in zijn gezicht. De jongen was doordrenkt en zat vol vlekken. En kijk, zijn armen veranderden in poten en hij kreeg een staart! Zijn lichaam werd ongelooflijk klein opdat hij niet veel kwaad meer zou kunnen uitrichten: nog kleiner dan een kleine hagedis. Het vrouwtje barste in tranen uit, ze wou de hagedis nog grijpen maar die schoot weg in een donker hoekje. Zijn naam "sterhagedis" past uitstekend bij zijn huid vanwege al die spetters.
 

Marieke Vervisch

3 LaWi

1996-1997
 

Ceres ontdekt een spoor van haar dochter

Het zou te lang duren om iedere landstreek waar Ceres rondzwierf en alle stromen waar ze langskwam op te sommen... Vergeefs zocht de ontroostbare godin de hele wereld af. Opnieuw aangekomen op Sicilië zocht ze verder en toevallig belandde ze ook bij Cyane. Als die maar niet veranderd was, dan had ze Ceres wel alles verteld! Nu had Cyane mond noch tong; ze had wel iets willen zeggen, maar kon natuurlijk geen woord meer uitbrengen.

Toch gaf ze een duidelijk teken, want Proserpina's ceintuur - die haar moeder maar al te goed kende! - lag daar in de gewijde bron (Proserpina had die tijdens de roof verloren); nu liet Cyane de gordel op haar water drijven. Toen Ceres die ceintuur herkende, scheen ze de schaking van haar dochter pas echt te begrijpen...

Ze rukte aan haar onverzorgd haar en sloeg zichzelf op de borst. Ook al wist ze nog niet waar haar dochter zich bevond, toch verweet ze alle landen dat ze ondankbaar waren. En Ceres maakte de gave van het graan ongedaan, vooral op Sicilië waar ze de sporen van de misdaad ontdekt had... Onbarmhartig deed ze elke ploegschaar breken en stuurde de pest af op de boeren en het ploegend vee: de akkers mochten geen vruchten meer dragen! Sicilië, wijd en zijd vermaard om zijn vruchtbaarheid, lag er dor bij: het graan verging reeds in de kiem of had te lijden onder zon en regen, stormen brachten het onherstelbare schade toe en vogels pikten de pas gezaaide korrels weg; dolik en distels matten de korenvelden af, onkruid overwoekerde de halmen die toch gegroeid waren...

Maar toen dook Arethusa, een nimf uit Elis en bemind door Alpheius, op uit haar bron en riep Ceres toe: 'Jij, moeder van het koren, moeder die overal haar kind zoekt, staak die lange tocht, temper je razernij tegen dit land waar je zo geëerd wordt. Het is niet eens mijn eigen land waarvoor ik pleit: ik kwam hier als vreemde, mijn stad is Pisa, mijn familie stamt uit Elis. Maar ook al woon ik hier dan niet als inheemse, geen grond is mij zo lief! Ik, Arethusa, heb mijn bron en mijn thuis nu hier, en jij moet die beschermen! Wees toch genadig! Waarom ik ooit mijn stad Pisa in Elis verlaten heb en ver over zee naar Ortygia ben gevlucht, zal ik later wel vertellen, op een beter tijdstip, als je zorgen voorbij zijn en als je gezicht niet meer zo somber is.

Ik ben dwars doorheen de aarde naar hier gekomen; de aarde heeft me doorgang geboden; via diepe ruimten voortgestuwd stak ik hier mijn hoofd op, hier zag ik na lange tijd de sterren weer. Wel, terwijl ik onder de aarde stroomde, zag ik je dochter Proserpina bij de Styx. Ze zag er bedroefd uit en ze had nog steeds een verschrikte blik in de ogen. Maar ze zat wel als koningin in het rijk der schimmen aan de zijde van Pluto, de god van de dood.'
 

Ceres pleit bij Jupiter

Ceres zat er als versteend bij en leek verslagen. Toen ze de diepe schok verwerkt had, steeg ze met haar wagen naar de hemel waar ze met een boze gelaatsuitdrukking en met wijd loshangend haar voor Jupiter ging staan. Met een hart vol haat zei ze:

'Ik kom je smeken voor ons eigen kind. Als ik als moeder geen gehoor vind bij jou, laat dan tenminste jouw vaderhart spreken. Beschouw haar toch niet als minderwaardig omdat ik haar het leven heb geschonken! Pas na lang zoeken ben ik eindelijk te weten gekomen waar mijn dochter zich bevindt, en dat "lang zoeken" wil zeggen dat ik mijn kind vreselijk mis. Ik ben bereid de rover te vergeven, als hij haar maar terugbrengt... Nee, onze dochter moet toch niet met een ontvoerder trouwen?'

Jupiter antwoordde: 'Mijn dochter is mij even lief en dierbaar als jou, maar laat me toe alles in het juiste perspectief te zetten. Wat hier gebeurd is, is bepaald geen onrecht; er is alleen maar liefde in het spel! Die schoonzoon zal ons zeker niet teleurstellen, Ceres; laat hem maar doen. Alleen al Jupiters broer zijn is niet niks, maar komt daar niet nog heel wat bij? Slechts door het lot doet Pluto voor mij onder! Maar goed, als jij zo graag een scheiding wenst, mag Proserpina weer naar de hemel komen op voorwaarde dat ze in de onderwereld geen voedsel heeft geproefd - dat is nu eenmaal een vaste wet van de Schikgodinnen!'
 

Ascalaphus verraadt Proserpina

Maar hoewel Ceres vastbesloten was haar dochter te redden, kreeg ze van het lot geen kans: het meisje had in de onderwereld immers al gegeten! Toen ze, van niets wetend, door de tuin liep, had ze een granaatappel van een lage tak geplukt, had zeven pitten uit de roze schil gepeuterd en had ze in haar mond gestopt. Geen mens had dat gezien behalve Ascalaphus, ooit door de stroomgod Acheron verwekt bij Orphne, een van de bekendste nimfen van het Avernus-meer, en in een donker bos gebaard.

Ascalaphus had dus gezien dat Proserpina iets gegeten had en hij verraadde haar. Zo ontnam hij haar de kans om terug te keren naar de hemel... Zuchtend veranderde Proserpina de klikspaan in een onheilsvogel. Ze druppelde water van de Phlegethon op zijn hoofd waardoor snavel, kuif en grote ogen ontstonden. Hij kreeg ook bruine vleugels, zijn kop werd breed, hij klauwde zich vast met kromme nagels en tilde zijn vlerken moeizaam op. Hij was een lelijke vogel geworden, bode van naderend onheil: de nachtuil.

De straf die Ascalaphus kreeg was natuurlijk verdiend, maar hoe kwamen Acheloüs' dochters (die hun vrouwenhoofd behielden) aan hun vederkleed en klauwen? Misschien omdat zij Proserpina vergezelden bij het plukken van lentebloemen? Ze hadden hun gezellin overal tevergeefs gezocht en spraken al snel de wens uit om boven water te kunnen zweven zodat ze ook de zee konden afspeuren. En de hemel was hen goedgunstig, want ze zagen hun lichaam plots overdekt met blonde veren. Om hun ongeëvenaard zangtalent niet te missen, behielden ze hun meisjeshoofd en hun menselijke stem.

Jupiter, die de rol van bemiddelaar speelde tussen broer en zus, deelde het zonnejaar in twee helften in. Sindsdien heeft Proserpina als godin een dubbel rijk: zes maanden woont ze bij haar moeder, daarna zes maanden bij Pluto, waarbij ze ook van stemming en uiterlijk verandert. Haar goddelijke blik, die Pluto zo treurig vond, wordt stralend als een zonnetje dat van achter een dicht gordijn van regenwolken opnieuw opduikt.
 

Colin Gray

3 LaWi

1997-1998
 

Het verhaal van Arethusa

Ceres, die wat gekalmeerd was na de terugkeer van haar dochter, vroeg Arethusa waarom ze gevlucht was uit Elis en waarom ze een bron geworden was. De nimf rees op uit het water, wrong haar groene haren uit en begon te vertellen van Alpheius' liefde voor haar, een oud verhaal uit Elis.

'Ik was een van de nimfen van Achaia. Ik zwierf van ons allen het liefst door de bossen en ging met veel plezier jagen. Hoewel ik er niet naar streefde om beeldschoon te worden - ik was eerder sportief - vond iedereen mij een heel mooi meisje. Ik werd te veel geprezen voor mijn uiterlijk en dat beviel me niet. Mijn lichaam - dat anderen wensten - deed mij blozen. Ik vond het ongepast om me charmant te gedragen.

Ik herinner me dat ik op een dag door een Arcadisch bos naar huis ging; ik was doodmoe. Door het jagen was de hitte nog ondraaglijker dan anders. Ik kwam bij een stille, geluidloze rivier: ik kon alle kiezelsteen op de bodem tellen. Zilveren wilgen en talloze populieren die gretig van het water dronken, zorgden voor schaduw op de oever. Daar ging ik dus heen.

Eerst stak ik alleen mijn voeten in het koele water, daarna waadde ik erin tot mijn knieën - maar ik wilde verder. Daarom knoopte ik mijn ceintuur los, hing mijn kleren aan een lage wilgentak en zo ging ik naakt het water in. Ik poedelde wat, maakte me helemaal nat, sloeg mijn armen wijd uit, totdat ik plots een stem hoorde die uit het water kwam. Geschrokken klauterde ik de dichtste oever op.... "Waarom vlucht je, Arethusa?" Het was Alpheius, de riviergod. "Naar waar loop je?" riep hij opnieuw met zware stem.

Ik vluchtte zoals ik was. Ik had dus geen kleren aan, ze waren aan de overkant van de rivier. Hij achtervolgde me met inzet van al zijn krachten. Omdat ik naakt was, dacht hij dat ik het wel niet erg zou vinden om met hem te vrijen... Zoals een duif soms angstig voor een havik vlucht, zoals een havik bange duiven achternazit, zo zat hij me achterna, zo haastte ik me weg.

Voorbij de steden Orchomenus en Psophis, voorbij het Cyllene-gebergte, door de dalen van het Maenalus-gebergte, langs het kille water van de Erymanthus, door Elis bleef ik lopen zonder stoppen. Hij was niet echt vlugger dan ik, maar ik kwam kracht te kort: ik was doodop, ik hield het niet meer vol. En daarbij: hij was gewend aan lange afstanden. Toch liep ik verder, langs vlakten, bergen, dichtbegroeid met bossen, langs iedere steen en rots, zelfs waar er geen pad was.

De zon gloeide op mijn rug, ik zag zijn lange schaduw al voor mijn voeten dansen - of kwam dat door mijn angst? Hoe dan ook, zijn voetstappen klonken angstaanjagend dichtbij. Hij hijgde in mijn vastgebonden lokken. Vermoeid door het vluchten riep ik: "Help me toch, ik word verkracht! Diana! Red mij, je gezellin die vaak je boog en je volle pijlkoker draagt!"

Diana toonde medelijden: ze hulde mij in een wolk, ik werd onzichtbaar in de mist. Alpheius neusde rond, blind tastend in de dichte nevel. Tweemaal kwam hij rakelings langs me - niets merkend - en riep twee keer: "Arethusa! Arethusa!"

Och, arme ik! Waar dacht ik aan? Ik was als een lam dat wolven hoort tekeergaan rond de schaapskooi, of als een haas die, weggedoken in de struiken, dreigende tanden van honden ziet en zich niet durft bewegen.

Toch zocht hij verder. Hij zag alleen dat doodlopend spoor en daarom bleef hij op die plaats wachten. Ik zat ingesloten. Ik zweette en watergroene druppels sijpelden langs mijn lichaam naar beneden. Toen ik bewoog, zag ik dat de grond nat was. Stromen vocht viel neer uit mijn haar. Ik veranderde in water, sneller dan ik nu kan spreken. De riviergod, die vlug het nieuw gevormde water herkende als zijn beminde, veranderde zich opnieuw van mens tot rivier om zich met mij te kunnen verenigen.

Toen liet Diana de grond waarop ik me bevond, splijten en ik stroomde in het donker weg naar beneden. Het daglicht zag ik opnieuw op Sicilië, het eiland waarvan ik hou vanwege de naam Ortygia, de bijnaam van Diana.'
 

Triptolemus

Triptolemus brengt graan naar de Scythen

Hier eindigde Arethusa haar verhaal. Ceres, de godin van het graan, spande twee draken voor haar wagen en reed door de lucht, tussen aarde en hemel in. Ze stuurde het lichte voertuig naar de stad Athene. Daar gaf ze een opdracht aan Triptolemus: hij moest het zaad dat hij van haar kreeg, in grond die nog nooit bebouwd was of in braakland zaaien.

De jongen had al via Europa de kust van Azië bereikt en vloog nu verder naar het land waar de Scythen wonen. Daar regeerde koning Lyncus. Toen de jongen het paleis van Lyncus betrad en die hem vroeg waar hij heen ging, wat zijn doel was, wat zijn naam was en waar hij vandaan kwam, antwoordde hij: "Mijn vaderstad is het machtige Athene, mijn naam is Triptolemus. Ik ben noch over zee, noch over land gekomen, ik ben hierheen gevlogen. Ik breng een geschenk van Ceres. Zaai deze korrels op je wijde akkers: ze zullen je een rijke graanoogst opleveren."

De Scythische koning, die natuurlijk jaloers was omdat hij liever zelf de gever van zo'n geschenk had willen zijn, nodigde Triptolemus uit om in zijn huis te overnachten.

Toen zijn gast in slaap gevallen was, trok Lyncus zijn zwaard. Hij wou het in Triptolemus' borst stoten, maar Ceres veranderde hem in een lynx... Zij gebood Triptolemus de luchtreis in zijn goddelijke wagen voort te zetten.»
 

Einde van de zangwedstrijd tussen de muzen en Piëriden

Calliope, de oudste van ons, muzen, had haar lied gebracht. Alsof het uit een mond kwam, klonk het unanieme oordeel van de nimfen die de jury vormden: de muzen van de Helicon hadden gewonnen! De Piëriden aanvaardden echter hun nederlaag niet, dus riep ik: 'Is jullie straf in deze wedstrijd nog niet genoeg? Hoe meer jullie schelden, hoe meer schuld jullie dragen. Ons geduld raakt op! We zullen ons wreken en onze wraak zal even ver gaan als onze wrok!'

De Piëriden lachten spottend met mijn dreigementen. Ze wilden scheldwoorden roepen en met brutale gebaren beginnen vechten, maar toen merkten ze dat er veren uit hun nagels groeiden. Hun armen werden bedekt met dons, hun mond verhardde tot een snavel; dat zagen ze bij elkaar gebeuren. Ze trokken als nieuwe vogels naar het bos...

Als ze nu willen klagen, stijgen ze op door het slaan van hun vleugels. Daar hangen ze dan, die spotvogels van het woud, de eksters. Ze hebben dat talent van vroeger om te kletsen, die oneindige babbelzucht behouden."