LIBER QUARTUS

Bruno Vallaeys

3 LaWi

1997-1998
 

De dochters van koning Minyas weigeren mee te doen aan de Bacchusrituelen

Toch vond Alcithoë, een dochter van Minyas, de koning van Orchomenus, ondanks het vreselijke lot van Pentheus, de hele heisa rond die Bacchus onduldbaar, ja, zij beweerde nog steeds dat Bacchus geen zoon van Jupiter was! De Bacchuspriester had nochtans alle huisvrouwen en slavinnen van hun taken ontslagen om te kunnen deelnemen aan de feestelijkheden: ze moesten komen in dierenhuiden gehuld, met loshangende haren, met kransen rond de hals en met een thyrsusstaf in de hand. Als de wens van de god niet zou ingewilligd worden, zou de wraak van Bacchus vreselijk zijn, had de priester gezegd.

Iedereen gehoorzaamde dus en liet alles in de steek om wierookoffers te gaan brengen. "Bacchus!" klonk het overal, "Donderaar! Bevrijder! In vuur ontsproten god, jij die de enige zoon bent met twee moeders, jij die als enige tweemaal geboren bent! God van Nysa! Jij, die ervoor zorgt dat feestelijke wijn rijpt! Nachtgod! Jouw jeugd is eeuwig, want jij blijft voor eeuwig jong, je bent de mooiste van het godenrijk! Als jij je zonder hoorns toont, is je gelaat meisjesachtig mooi! Godslasteraars als Pentheus en Lycurgus heb jij, vereerde god, te gronde gericht! Tyrrheense zeelui heb je in de golven gejaagd! Je wagen wordt getrokken door een span lynxen! Bacchanten en saters dansen achter je aan! De oude, dronken Silenus wankelt of hangt onzeker op een doorgezakte ezel! Waar je ook komt, Bacchus, juicht de jeugd, slaat men op de tamboerijn of op holle bekkens en blaast men op de houten fluit!" Overal hoorde je dezelfde kreten. "Wees ons genadig, kom!" riepen de vrouwen terwijl ze, zoals hen bevolen was, een offer brachten.

Alleen de dochters van koning Minyas waren thuis gebleven. Door hun overdreven ijver schonden zij het heilige feest: ze sponnen wol, werkten aan het weefgetouw en gaven hun slavinnen bevelen. Eén van de zusters zei, terwijl ze handig met haar duim de wollen draad omlegde: "Terwijl de anderen niets doen en een valse god eren, dienen wij een betere godin: Minerva... Laten we het harde werk wat verlichten door verhalen te vertellen, elk om beurt, zodat de tijd door het luisteren vlugger schijnt te gaan." Haar zusters vonden dat een goed voorstel.

Omdat zij op het idee gekomen was om de tijd te doden met verhalen, mocht ze beginnen. Ze dacht lang na, want ze kende veel mooie verhalen; ze twijfelde tussen een aantal onderwerpen. Misschien een uit Babylonië, hoe Dercetis (volgens de Palestijnen) van een vrouw in een vis veranderde en rondzwom in een meer? Of hoe Semiramis, de dochter van Dercetis, vogel was geworden en haar laatste jaren sleet te midden van witte duiven? Of hoe een waternimf met toverspreuken en wonderkruiden enkele jongens omtoverde in stomme vissen, totdat zij er zelf een werd? Of hoe een boom met eerst witte vruchten later zwarte vruchten kreeg door rondspattend bloed? Ja, dat stond haar aan, des te meer omdat het geen al te bekend verhaal was.
 

EXCERPTUM QUARTUM

Marc Knecht
 

De dochters van Minyas, het eerste verhaal: Pyramus en Thisbe

"Pyramus, een heel knappe jongen, en Thisbe, mooier dan alle meisjes uit het oosten, woonden in de stad Babylon in aanpalende huizen. Doordat ze naast elkaar woonden, leerden ze elkaar al vroeg kennen en ze werden mettertijd verliefd op elkaar. Maar hun ouders verboden die liefde en stonden niet toe dat ze met elkaar trouwden. Wat natuurlijk niet belette dat ze van elkaar bleven houden - en dat ze nog meer naar elkaar verlangden! Als ze elkaar op straat tegenkwamen, maakten ze elkaar hun gevoelens duidelijk door knikjes en tekens (geen van hun begeleidende slaven die het merkte!).

De gemeenschappelijke muur van beide huizen was, toen hij gebouwd werd, gebarsten en vertoonde een smalle spleet. Nog niemand had in al die jaren die fout opgemerkt, maar jullie, verliefden, hadden die spleet als eersten opgemerkt, en jullie gebruikten ze als een doorgang voor jullie stem! Daarlangs spraken ze elkaar, zacht fluisterend, lieve woordjes toe.

Ze hielden geduldig de wacht bij de spleet, aan zijn kant Pyramus, Thisbe aan haar kant, tot ze aan de andere kant het geluid van de hun zo vertrouwde ademhaling hoorden. Dikwijls verzuchtten ze: 'Jaloerse muur, waarom sta je toch in de weg van verliefde mensen? Kun je dan echt niet toestaan dat wij ons in liefde verenigen? Of - als dat te veel gevraagd is - kun je dan niet ver genoeg opengaan opdat we elkaar kussen zouden kunnen geven? Maar we zijn niet ondankbaar; we weten dat we het aan jou danken dat onze woorden onze geliefde kunnen bereiken!'

Zulke verzuchtingen kon je vaak bij de muur horen. Telkens als de nacht begon te vallen, gaven Pyramus en Thisbe, elk aan hun kant van de muur, een afscheidszoen die, helaas, nooit de andere kant kon bereiken...

Op een ochtend was de wagen van Aurora al voorbijgekomen en had de zon met zijn warme stralen de dauwdruppels van het gras al laten drogen toen Pyramus en Thisbe naar hun gewone plaats bij de muur kwamen. Eerst klaagden ze fluisterend over hun hard lot, maar toen besloten ze om het erop te wagen. Ze zouden in de stilte van de nacht proberen te ontsnappen aan de waakzaamheid van hun bewakers, hun huis en de stad verlaten en op een bepaalde plaats afspreken (hoe zouden ze elkaar anders moeten terugvinden?). Ze zouden elkaar treffen bij het graf van Ninus en zich daar verbergen in de schaduw van een boom. Daar stond namelijk een hoge moerbeiboom met sneeuwwitte vruchten, vlak bij een bron. Dat was een goed plan! Het leek wel alsof die dag nooit zou eindigen, maar tenslotte dook de zonnewagen in het westen weg in de richting van de oceaan, en uit diezelfde oceaan (maar in het oosten) rees de nacht uit het water op.

De slimme Thisbe was al ontsnapt aan de aandacht van de slavinnen in de kamer naast de hare, ze had voorzichtig de zware huisdeur geopend en was met een sluier voor haar gelaat aangekomen bij de grafheuvel; daar was ze onder de afgesproken boom gaan zitten. Wat maakte de liefde het meisje dapper!

Maar een leeuwin, haar muil met bloed van een prooi besmeurd, kwam haar dorst lessen in het water van de naburige bron. Thisbe bemerkte haar in de verte in het licht van de maan en vluchtte bang naar een duistere grot; onderweg gleed haar sluier van haar rug en viel op de grond. Toen de leeuwin haar dorst had gelest, vond ze op de terugweg naar het bos toevallig Thisbe's sluier en speels verscheurde ze het fijne weefsel met haar nog steeds met bloed besmeurde muil...

Pyramus, die wat later was aangekomen, zag in het mulle zand de sporen van leeuwenpoten en werd lijkbleek. Toen hij echter ook de met bloed besmeurde sluier had gevonden, riep hij wanhopig uit: 'Een nacht zal twee geliefden doden! Van ons beiden verdiende zij het meest om lang te leven; wat nu is gebeurd, is allemaal mijn schuld! Ik was het die jou heb gevraagd om vannacht naar een oord vol gevaar te komen, maar ik ben niet eens als eerste aangekomen en daardoor heb ik jou, mijn arme Thisbe, gedood! Vervloekte leeuwen! Verscheur dan toch ook mijn lichaam! Maar wat sta ik hier te roepen? Zou het niet getuigen van meer dapperheid mijn dood niet alleen maar te wensen?'

Hij raapte Thisbe's sluier op en liep ermee naar de boom waaronder ze hadden afgesproken. Terwijl zijn tranen op het hem zo bekende kledingstuk druppelden, terwijl hij kussen drukte op het bebloede weefsel, zei hij: 'Ontvang nu ook mijn bloed!'. Hij dreef het zwaard dat hij had meegebracht, in zijn onderbuik en rukte het dadelijk uit de schrijnende wonde, stervend. Toen hij daar op zijn rug lag, spoot het bloed hoog op; de vruchten van de boom veranderden van kleur: van wit naar donker...

Ondertussen was Thisbe uit de grot te voorschijn gekomen (ook al was haar angst nog niet verdwenen); ze wou haar geliefde niet teleurstellen. Wat verlangde ze om hem te vertellen wat ze had meegemaakt! Toen ze de plaats van afspraak naderde, herkende ze alles: de grafheuvel, het geluid van de bron, zelfs het silhouet van de boom - en toch twijfelde ze, door de kleur van de vruchten...

Terwijl ze onzeker rond zich keek, bemerkte ze opeens een lichaam dat stuiptrekkend op de grond lag onder hun boom. Ze verbleekte en deinsde achteruit; ze huiverde als een waterspiegel die door een kille wind beroerd wordt. Maar opeens herkende ze in dat lichaam haar Pyramus. Ze barstte uit in jammerklachten, sloeg zich op de bovenarmen (als Pyramus die armen op dat moment maar had kunnen strelen!), trok aan haar haren, viel op haar knieën en omhelsde het lichaam van haar geliefde.

Haar tranen vielen in zijn wonde en mengden zich met zijn bloed. Zacht drukte ze kussen op zijn reeds kil aanvoelend gelaat en riep: 'Pyramus, wat is hier gebeurd? Antwoord, Pyramus! Ik ben het, jouw liefste Thisbe! Luister toch! Kijk me aan!' Bij het horen van de naam Thisbe sloeg Pyramus zijn oogleden op - al zwaar door de naderende dood - en keek Thisbe een laatste maal aan. Toen sloot hij zijn ogen voorgoed.

Toen bemerkte Thisbe haar sluier die naast Pyramus op de grond lag, en daarnaast zijn zwaard, naast de schede. In een flits begreep ze alles en zei: 'Jouw hand en jouw zwaard hebben jou, arme Pyramus, vroegtijdig laten sterven, maar mijn liefde en mijn hand zullen ook sterk genoeg zijn om hetzelfde te doen. Mijn liefde zal mij de kracht geven om mij een dodelijke wonde toe te brengen! Ik wil je in de dood volgen, mijn liefste! Over mij zal men zeggen dat ik de oorzaak van jouw dood ben geweest, maar ook dat ik de gezellin in jouw dood ben geweest! Jij die alleen door de dood van mij kon weggerukt worden, zult ook door de dood van mij niet weggerukt worden! Ik vraag jullie, in naam van Pyramus en mezelf, maar een ding, ouders van mij en ouders van hem (wat zullen jullie ongelukkig worden!): laat ons, die door onze oprechte liefde in ons laatste uur verenigd werden, in hetzelfde graf rusten... En jij, moerbeiboom, die met je takken nu het lijk van een van ons bedekt, maar weldra de lijken van ons beiden zult bedekken, bewaar donkergekleurde vruchten als herinnering aan ons...'

Na die woorden plaatste ze de punt van het zwaard onder aan haar borst en liet zich vallen op het wapen dat nog lauw was van Pyramus' bloed. Maar haar wensen werden door de goden en door haar ouders verhoord, want de vruchten van de moerbeiboom zijn nog altijd donker, en wat na verbranding van de lichamen van Pyramus en Thisbe overbleef, rust in een urn."
 

David Devroedt

3 LaMt

1996-1997
 

De dochters van Minyas, het tweede verhaal: Vulcanus betrapt Mars en Venus

Na dit eerste verhaal over de ongelukkig afgelopen liefde van Pyramus en Thisbe was het de beurt aan Leuconoë om haar verhaal te vertellen, en haar twee zusters luisterden aandachtig terwijl ze ijverig verder werkten.

"Net zoals alle andere goden kon ook de Zonnegod, die licht en warmte aan de aarde schenkt, verliefd worden. Hij was de god die steeds alles wat verkeerd ging, als eerste bemerkte. Zo was hij heel verontwaardigd toen hij het overspel van Venus en Mars ontdekte. Verbolgen stapte hij naar Vulcanus, de echtgenoot van de godin van de liefde, en bracht hem van het overspelig gedrag van zijn vrouw op de hoogte.

Toen Vulcanus dat nieuws vernomen had, stootte hij razend het kunstwerk opzij waaraan hij zat te werken. Hij begon onmiddellijk flinterdunne bronzen kettinkjes te verweven tot netten waaraan hij klemmen bevestigde. Het geheel was zo fijn dat het bijna onzichtbaar was! Daarmee gewapend strompelde hij naar het echtelijk bed waar zijn vrouw Mars zou ontvangen en bevestigde daar omzichtig zijn pas gefabriceerd kunstwerk.
 

Vulcanus immobiliseert Venus en Mars

Toen de twee verliefden even later elkaar in datzelfde bed vurig omhelsden, waren ze plots gevangen door het bijna onzichtbare web van Vulcanus... Zonder aarzelen gooide de bedrogen echtgenoot de wit-ivoren deuren van zijn woonst open en riep de andere goden binnen om getuige te zijn van het schandelijk overspel van zijn vrouw.

Hoewel het verliefde paar smadelijk gevangen lag, proestten de overige goden het uit in plaats van schande te spreken over het gedrag van Mars en Venus, en nog lang daarna was dit gebeuren gespreksonderwerp nummer een bij de hemelbewoners. Maar Venus kon er niet mee lachen en ze zwoer dat ze zich zou wreken op de Zonnegod die haar verraden had...
 

Venus neemt wraak op de Zonnegod

Omdat zij nu eenmaal de macht over de liefde bezat, maakte Venus de Zonnegod stapelverliefd op Leucothoë. De Zonnegod richtte alleen nog zijn blikken op dat meisje, waardoor hij soms te vroeg in het oosten opkwam of te laat in het westen verdween. Hij maakte de winteruren langer door naar haar te blijven staren en dacht alleen nog maar aan zijn Leucothoë - voor niets of niemand anders had hij nog belangstelling: niet voor Rhodus, niet voor Clymene en evenmin voor Circe's moeder die zo mooi was; zelfs niet voor Clytië die zo graag het bed had willen delen met de Zonnegod en die nu hartstikke jaloers was!

Leucothoë's vader was Orchamus, de koning van Perzië. Terwijl de paarden van de Zonnegod zich te goed deden aan het ambrozijn dat hen opnieuw energie gaf na het zwoegen van de vorige dag, betrad de Zonnegod de kamer van Leucothoë. Hij had echter eerst de gedaante aangenomen van Eurynome, de moeder van het meisje. Daar zat Leucothoë gladde wollen draad op spoelen te winden, geholpen door twaalf slavinnen. Haar 'moeder' gaf Leucothoë een tedere kus. Ze stuurde de slavinnen weg want ze wou 'haar dochter een klein geheim verklappen'.

Zodra de meisjes uit de kamer waren, vertelde haar 'moeder' dat hij eigenlijk een god was die een baan omheen de aarde beschreef en alles als eerste zag, maar er ook voor zorgde dat de mensen op aarde alles konden zien. De Zonnegod vertelde dat hij stapelverliefd was op Leucothoë. Geschrokken door zijn ongelooflijke woorden liet ze de spoel met de opgedraaide wol uit haar handen vallen. Maar hoe bang ze ook was, ze voelde zich terzelfder tijd gevleid!

Daarop nam de Zonnegod opnieuw zijn ware gedaante en zijn natuurlijke schoonheid aan. Zonder nog bezwaar te maken gaf Leucothoë zich over aan zijn goddelijke lust en schoonheid...

Daardoor was Clytië nog jaloerser geworden dan voorheen want haar liefde voor de Zonnegod kende nu eenmaal geen grenzen; ze wou koste wat het kost wraak nemen op Leucothoë. Daarom vertelde ze aan iedereen dat Leucothoë 'onfatsoenlijk overspel' pleegde en vertelde deze grove leugen ook aan Leucothoë's vader, Orchamus.

Orchamus ontstak in een nooit geziene woede: hij duwde zijn dochter in een diepe kuil die hij meedogenloos dichtgooide met zand. Onmiddellijk probeerde Leucothoë's geliefde met zijn krachtige stralen het zand weg te vegen om haar nog te kunnen redden, maar zijn hulp kwam - helaas - te laat. Ondanks de enorme inspanning van de Zonnegod lag Leucothoë dood in de diepe kuil. Toch probeerde de wanhopige god het kille lichaam met zijn warme stralen nog tot leven te wekken, maar ook dat mocht niet baten: Leucothoë was en bleef dood...

De Zonnegod sprenkelde nectar op haar graf waardoor haar lichaam oploste en vervloog. De nectar sijpelde in de grond en toen die doordrenkt was, groeide op die plaats langzaam maar zeker een wierookstruik.
 

Clytië, wanhopig verliefd op de Zonnegod, verandert in een zonnebloem

Na deze dramatische gebeurtenis werd Clytië, nog steeds verliefd op de Zonnegod, nooit meer door hem bezocht. Hij wou van haar liefde niet meer weten en wees haar eens en voorgoed af. Nadien was Clytië nooit meer in het gezelschap van andere nimfen; ze kwijnde weg van liefdesverdriet.

Dagenlang zat ze in de open velden, onverzorgd, haar haren slordig in haar nek. Negen dagen lang bleef ze roerloos op de grond zitten; ze at niet meer en dronk niet meer. Ze voedde zich met de dauw op de planten en met haar eigen tranen. Steeds bleef ze naar de Zonnegod staren... Langzaam vergroeide ze met de grond en veranderde in een bloem: een zonnebloem. Haar hoofd werd een krans van bloemblaadjes, de rest van haar lichaam vervormde tot een bloedloze stengel. Sindsdien bleef ze zwijgzaam naar haar geliefde god staren en bleef hem eeuwig trouw."

Toch waren de zusters het onderling niet eens; was zulk een gedaanteverandering wel mogelijk? Waren de onsterfelijke goden dan inderdaad tot alles in staat? En toen ze het over de goden hadden, beschouwden ze Bacchus natuurlijk niet als een van hen die alles konden...
 

Sandrine Vandevoorde

3 LaMt

1996-1997
 

De dochters van Minyas, het derde verhaal: Hermaphroditus en Salmacis

Als laatste nam Alcithoë het woord. Ze wou het niet hebben over de herder Daphnis, hoe hij bij de Ida-berg in steen veranderde omdat een nimf jaloers was op zijn vriendin (dat verhaal kende iedereen). Ze wou ook niet over Sithon vertellen die om beurt man en vrouw was, noch over Celmis, de trouwe oppas van Jupiter die in steen veranderde, noch over de priesters die ontstaan waren uit een onweerswolk, noch over Crocus en Smilax die bloemen werden. Haar verhaal moest gaan over iets onbekends dat terzelfder tijd boeiend was... Toen begon ze te vertellen.

"Jullie weten dat de bron Salmacis erg berucht is; haar water verwijft diegene die het aanraakt. Niemand schijnt eigenlijk de oorzaak daarvan te kennen; luister dus aandachtig! Mercurius (Hermes) en Venus (Aphrodite) hadden een zoon, Hermaphroditus, die was grootgebracht door nimfen in de grotten van de Ida-berg. Zijn naam had hij natuurlijk ontleend aan zijn beide ouders. Ook wat uiterlijk betrof, geleek hij op beide goden.

Op zijn zestiende verliet hij de nimfen die tot dan toe voor hem gezorgd hadden. Hij wou de wereld zien, en zijn reislust maakte zijn zware tochten licht. Zo kwam hij in Lycië bij de Cariërs waar hij een diepe vijver met helder water ontdekte. De oever was als het ware bekranst met fris groen en gras. Daar woonde een nimf die geen aandacht schonk aan jagen; ze was de enige nimf die de jagende Diana nooit gezien had.

Haar zusters hadden al vaak geroepen: 'Toe, Salmacis, neem een speer en breek met je luiheid door eens flink mee te gaan jagen.' Maar ze greep geen speer, ze wilde niet met haar luiheid breken. Ze poedelde graag in haar eentje in haar eigen bron, kamde haar haren en keek welke haartooi haar het best stond. Ze kleedde zich in fijne, doorschijnende gewaden, lag graag in het gras te niksen en plukte graag bloemen.

Op een dag, tijdens het bloemen plukken, zag ze Hermaphroditus; op slag was ze verliefd tot over haar oren. Ze maakte zich zorgvuldig op en ging naar hem toe. Salmacis zei lieve dingen zoals: 'Jij bent mijn god - in mijn ogen ben jij alleszins een god; jij moet Cupido zijn! Wat een bron van voldoening moet je wel zijn voor je ouders! Wat moeten jouw broer en jouw zus trots op je zijn! Maar hoeveel gelukkiger is het meisje dat zich jouw verloofde noemen mag... Als ze bestaat, dan mag mijn liefde voor jou goed verborgen blijven; als je nog geen verloofde hebt, neem mij dan: deel je huwelijksnacht met mij!' Waarop de knaap fel begon te blozen... Dat beschouwde Salmacis niet als een afwijzing, maar toen ze hem een kus wou geven, desnoods een kuise kus, zoals een zus geeft aan haar broer, riep hij dat ze moest ophouden, dat hij van haar zou weggaan. Salmacis antwoordde geschrokken: 'Ik laat je al alleen!' en ze ging weg - of deed alsof. Ze verborg zich in de struiken waarna Hermaphroditus, als iemand die zich helemaal alleen waant, rond de vijver begon te wandelen.

Het water was zo uitnodigend dat hij eerst zijn tenen, dan zijn voeten tot aan de enkel in de vijver stak. Het voelde lekker aan; daarom trok hij vlug zijn kleren uit. Salmacis bekeek het prachtige, naakte jongenslichaam met glinsterende ogen, haar verlangen werd steeds groter... Ze kon niet meer blijven zitten, ze wou nu over hem beschikken! De jongen dook in het water en zwom glinsterend rond. 'Nu heb ik hem!' dacht ze, 'Nu heb ik gewonnen!' Ze liep snel naar de vijver, gooide haar kleren af en dook in het water.

Ze omarmde hem en kuste hem tegen zijn zin, ze streelde zijn onwillig lichaam en ze klemde zich tegen de jongen aan. Hij stribbelde tegen, rukte zich los en bleef zich koppig verzetten. Maar voor Salmacis was dat geen reden om te stoppen. Ze bleef aan hem vastgeklampt en vroeg de goden dat Hermaphroditus voor altijd bij haar zou blijven. Wat de goden ook toestonden: Hermaphroditus en Salmacis groeiden samen tot een persoon, een tweeslachtig wezen, half man en half vrouw.

Toen Hermaphroditus merkte dat hij, die als een man in de vijver was gedoken, er in een halve vrouw en een halve man veranderd was, vroeg hij met een stem die geen echte mannenstem meer was, zijn ouders dat voortaan elke man die in dit water zou zwemmen, er als een halve man weer zou uitkomen. Mercurius en Venus vervulden die wens en gaven het water die verdorven wonderkracht."
 

Bruno Vallaeys

3 LaWi

1997-1998
 

De dochters van Minyas worden gestraft

Dat was het derde verhaal. Minyas' dochters bleven maar doorwerken, zonder zich te bekommeren om Bacchus en zijn feest, toen plots luidruchtig tamboerijngeroffel uit de verte hun gebabbel overstemde en toeters en cimbalen hoorbaar werden, begeleid door geuren van saffraan en mirre. Plots veranderde hun weefsel van kleur: het werd groen! De schering groeide uit tot klimopranken, de inslag werd wijnstokken; wat zo-even nog een purperen draad was, waren nu druiventrossen geworden...

De avondschemering begon te vallen en plots leek het hele paleis te schudden; een vette walm steeg op uit de olielampen die met hun rosse gloed plots heviger begonnen te branden. Een rode vuurzee scheen door alle kamers van het paleis te trekken. Akelig dierengehuil steeg op langs alle kanten...

De zusters vluchtten in alle richtingen om aan de vlammenzee te ontsnappen en zochten een veilig onderkomen, maar daar vormde zich langs hun armen een vlies; een dunne vleugel bedekte wat eens hun armen waren en nu hun pootjes werden. Door de duisternis was het onmogelijk de verandering van hun meisjeslichamen in hun nieuwe gedaante te zien. De zusters vlogen rond maar niet op vleugels van veren, wel op doorschijnende, dunne vliesvleugels. Toen ze wilden spreken, klonk hun stem heel zwak, zelfs in verhouding tot hun lichaam, alles wat je kon horen was een licht, piepend gejammer.

Van dan af zochten ze liever huizen op dan bossen en begonnen pas laat te vliegen uit haat voor het daglicht. Ook hun naam "vespertilio" wees op de avond (want "vesper" betekent "avond").
 

Ine Pertry

3 LaWi

1996-1997
 

Ino en Athamas

Bacchus wordt overal gevierd

Van dan af werd Bacchus overal, ook in Thebe, aanbeden. Ino, de tante van Bacchus, eerde de nieuwe god zoals iedereen. Zij was de enige dochter van Cadmus die nog geen verdriet gekend had, behalve om haar zusters...

Toen Juno zag hoe trots zij was op haar zonen Learchus en Melicertes, op haar huwelijk met Athamas en op haar goddelijk pleegkind Bacchus, kon ze het niet meer verdragen. "Die zoon van Jupiters vriendin" zei ze bij zichzelf, "kon de Lydische matrozen als dolfijnen de zee injagen, Pentheus' lijf laten verscheuren door zijn eigen moeder en tantes, vleermuisvleugels kweken bij dat drietal van Minyas, en ik, Juno, moet hier machteloos in tranen toezien? Is dat alles wat ik kan? Kan ik echt niets meer bereiken met mijn macht? Wacht even! Bacchus toont zelf wat ik moet doen... Van je vijand kun je nog heel wat leren, want uit Pentheus' dood blijkt duidelijk wat je met waanzin kunt doen. Waarom kan ik dan Ino niet straffen door haar waanzinnig te maken, zoals haar zusters?"
 

Juno gaat de Furiën tegen Ino opzetten

Een pad, afgeschermd door een haag van giftig taxusgroen, leidt in doodse stilte naar beneden, naar de onderwereld. De trage Styx ademt mist uit. Schimmen van pas gestorvenen dalen er af. Kilte en vaalheid heersen er in een wijde wildernis. De nieuwe doden zoeken de weg die naar de stad voorbij de Styx loopt, daar waar het paleis van Dis verrijst.

De ruime stad heeft duizend toegangswegen, duizend toegangspoorten waardoor de zielen naar binnen stromen. Er is altijd plaats voor volk, het immer groeiend aantal deert niet. Bloedloos, zonder lichaam of gebeente wandelen de schimmen rond, over het Forum, in het paleis van koning Dis. Sommigen zijn zelfs nog aan 't werk, alsof ze hun vorig leven hier verder willen zetten, anderen zijn gebonden aan hun straf.

Juno, de dochter van Saturnus, verlaagde zich om vanuit de hemel naar dat oord te gaan, zozeer gaf zij toe aan haat en boosheid. Zodra ze bij het binnentreden de drempel deed kraken met haar goddelijke verschijning, stak Cerberus zijn drie koppen uit, die alle drie tegelijk blaften. Maar Juno wenkte de zusters wraakgodinnen, de Furiën, de dochters van de Nacht. Ze zaten voor een kerkeringang die met een stalen hefboom afgesloten was, en kamden de klitten uit hun zwart slangenhaar. Toen ze Juno in het schemerlicht zagen naderen, stonden ze op.

Men spreekt er van het "plein van de zondaars": vogels pikken in Tityus' lever, terwijl zijn lichaam twee hectaren uitgerekt wordt. Tantalus kan nooit van het water drinken en de tak met vruchten boven hem blijft hem steeds ontwijken. Sisyphus duwt zijn steen omhoog, maar moet hem steeds weer terughalen als hij naar beneden is gerold. Ixion draait in het rond, steeds zichzelf volgend en ontvluchtend. De Danaïden scheppen water dat altijd weer verdwijnt, omdat zij een drieste moord op hun eigen neven en echtgenoten beraamd hebben.

Toen Juno al die zondaars met een streng afkeurende blik bekeken had, liet ze haar ogen van Ixion naar Sisyphus gaan en zei: "Waarom is hij de enige die moet boeten, terwijl zijn broer Athamas in hoogmoed in een duur paleis woont waar hij en zijn vrouw mij nog nooit hebben aanbeden?" Ze vertelde de Furiën de reden van haar haat en haar komst. Ze zei hen wat ze van hen verlangde: Cadmus' huis moest verwoest worden en de Furiën moesten Athamas tot waanzin drijven. Zo luidde het bevel van Juno, die de drie zusters veel beloofde voor hun medewerking.

Verleid door Juno's beloften keek Tisiphone op; ze zag er verwilderd uit en had grijs-wit haar. Ze veegde de slangen die voor haar ogen hingen, weg en antwoordde: "Het is niet nodig om ons een heel verhaal te doen, wat je ook vraagt, het wordt gedaan, geloof me. Verlaat dit somber rijk en keer terug naar je hemel, waar het zoveel beter is." Opgelucht vertrok Juno en voor zij haar woning in de hemel betrad, had Iris haar gereinigd met dauwdruppels.
 

De schrikgodin Tisiphone in actie

Tisiphone, die onheilsgodin, nam haar met bloed besmeurde fakkel meteen ter hand en hulde zich in haar mantel, die kletsnat was van vergoten bloed. Ze hing kronkelende slangen rond haar lichaam en verliet de onderwereld. Ze was vergezeld door vier gestalten: Smart, Paniek, Vrees en Waanzin. Hun gelaat was verwrongen van angst.

In hun gezelschap verscheen zij in de hal van Athamas' paleis. Men zegt dat de paleisdeur trilde en dat het esdoornhout verbleekte. Het was reeds nacht; Ino en Athamas waren doodsbang voor haar verschijning. Samen wilden ze het huis ontvluchten, maar Tisiphone hield hen tegen. Ze zat voor de deur met uitgestoken armen, omringd door kronkelende slangen.

Ze schudde haar hoofd zodat je slangen hoorde ritselen; die lieten zich van haar schouders glijden om dan langs haar borsten naar beneden te kronkelen. Ze spuwden gif, sisten en flikkerden met hun tong. Tisiphone rukte twee serpenten uit haar haardos en wierp die in de richting van Ino en Athamas. Ze kronkelden omhoog, de ene langs Ino's borst, de andere langs de borst van Athamas en ademden een giflucht uit die niet schadelijk was voor het lichaam, maar dodelijk voor de gezondheid van de geest.

Tisiphone had ook een gifdrank meegebracht. Hij was gemaakt uit speeksel van Cerberus en slijm van Echidna, en was vermengd met blinde waanzin, misleidend onverstand, slechtheid, tranen, razernij en moordzucht. Dat alles was goed dooreen geroerd en aan de kook gebracht met vers bloed en groene dollekervel in een koperen pan.

Het echtpaar kromp in elkaar van angst, maar de Furie goot onverstoorbaar het gif over hun borst uit. Het drong door tot de zetel van hun innigste gevoelens. Daarna zwaaide Tisiphone met haar fakkel rond, steeds dezelfde baan, en door de snelle beweging tekende ze vlammencirkels in de lucht. Toen haar opdracht eindelijk was volbracht, keerde ze terug naar de onderwereld en ontdeed zich daar van haar slangengordel.

Het duurde niet lang of Athamas werd woest. Hij krijste door de zaal: "Kom, mannen! Span het jachtnet tussen de bomen! Hier! Ik zag zojuist twee welpen en hun moeder..." In zijn waanzin jaagde hij op zijn vrouw alsof ze een wild beest was.

Hij griste hun zoontje Learchus van onder haar armen vandaan, draaide hem driemaal als een slinger in de lucht en sloeg zijn hoofdje keihard tegen de muur. Ino begon hysterisch te gillen, misschien onder invloed van het gif, misschien uit verdriet, en rende snel weg met verwarde haren. De baby, Melicertes, droeg ze in haar blote armen. Krijsend riep ze: "Bacchus! Bacchus!" Toen Juno die naam hoorde, moest ze lachen: "Je pleegzoon Bacchus komt je hier echt goed van pas!"
 

De dood van Ino

Er bevond zich een rotspunt hoog boven de zee, onderaan door de golven uitgehold, bovenaan steil; hij torende boven de woeste branding uit. Ino beklom die rots - de waanzin had haar sterk gemaakt - en stortte zich met haar kind in zee: ze kende geen angst meer... Nadat ze in het water was terechtgekomen, sloot de zee zich schuimend boven haar hoofd.

Maar Venus, die dit onverdiende lijden voor haar kleinkind te erg vond, vleide haar oom en zei: "Neptunus, jij heerst over de zeeën en jouw macht reikt tot ver in de hemel, ik vraag wel veel, maar ik vraag het voor mijn familie: help hen die je daar in de Ionische Zee ziet verdrinken door goden van hen te maken! Omdat ik in jouw wateren geboren ben (dat bewijst mijn Griekse naam), heb ik ook iets over de zee te zeggen."

Neptunus willigde haar smeekbede in: al het aardse in Ino en haar zoon vernietigde hij en gaf hen goddelijke macht in ruil. Ze kregen ook een nieuwe naam: hij noemde de nieuwe god Palaimon en diens moeder Leucothea.

Ino's Thebaanse vrouwen waren haar gevolgd zo snel ze konden. Ze zagen haar voetspoor bij de rotswand eindigen... Ze waren zeker dat Ino dood was. Ze sloegen zich hardhandig, rouwden om de familie van Cadmus, scheurden hun kleren, trokken zich de haren uit het hoofd en spraken bitter over de godin die onrechtvaardig en te streng voor de geliefde van Jupiter was geweest.

Juno verdroeg die verwijten niet. "Vanaf nu worden jullie het beste voorbeeld van mijn strengheid!" zei ze, en haar woorden werden bewaarheid: een van Ino's trouwste vrouwen wou in het water springen en riep: "Kijk, ik volg mijn koningin tot in de dood!", maar ze kon zich niet meer verroeren en bleef als aan de grond genageld staan. Een andere die zichzelf hard op de armen sloeg, voelde zich bij elke slag meer en meer verstijven. Een derde die haar armen naar het water gericht had, versteende en bleef zo voor eeuwig staan. Bij eentje zag je zelfs hoe ze zich de haren uit het hoofd wou rukken en opeens aan die stenen haren vastzat met haar stenen vingers.

Iedereen versteende, op enkelen na die in vogels veranderden en nog steeds laag over het water vliegen.
 

Bruno Vallaeys

3 LaWi

1997-1998
 

Dood van Cadmus

Ino's vader, Cadmus, wist nog niet dat Ino en zijn kleinzoon zeegoden waren geworden. Door verdriet verscheurd en zwaar getekend door al de rampen en verschrikkingen die hij had moeten meemaken, trok hij uit Thebe weg alsof het de stad en niet het lot was geweest waardoor zijn leven verwoest was.

De stichter van de stad trok weg en na langdurig zwerven in ballingschap bereikte hij, samen met zijn vrouw, Illyrië. En toen zij daar, gekromd door ouderdom en ellende, spraken over het verleden en zich al hun leed herinnerden, zei Cadmus: "Was die draak soms heilig, die door mijn jachtspies aan zijn einde kwam toen ik lang geleden uit Sidon kwam? Had ik dat wonderzaad, zijn drakentanden, niet mogen zaaien? Als de tol die ik moet betalen om zijn dood in de ogen van de goden zo hoog is, laat mij dan ook een slang worden, met mijn hele lichaam".

En na die woorden kreeg hij prompt het lichaam van een slang: hij bemerkte hoe schubben zijn sterk verharde huid inpalmden en hoe zijn lichaam donker werd met blauwe spikkels. Hij viel voorover, op zijn borst, zijn benen smolten samen tot een dunne spitse staart. Alleen zijn armen bleven over; die strekte hij wenend uit en riep - want hij had nog een menselijk gezicht: "Kom bij me, lieve vrouw! Jij, mijn arme vrouw, kom hier bij mij! Hier, raak mij aan zolang er nog iets van mij rest, neem mijn hand."

Hij wou nog meer zeggen, maar zijn tong splitste zich in twee helften en de klank die hij uitbracht, was louter gesis; een andere stem had de natuur hem niet gelaten... In diepe rouw sloeg Harmonia zich op de blote borst en riep: "Cadmus, blijf toch, maak je los uit dat slangenlijf! Waar zijn je handen, je voeten, je gezicht? Ach, alles verdwijnt terwijl ik spreek... O goden, waarom ik ook niet? Laat mij ook veranderen in zo'n slang!"

Al bij deze laatste woorden begon hij haar te likken en zocht haar liefdevolle schoot, alsof hij die nog wist liggen! Hij omhelsde haar en vlijde zich kronkelend om die vertrouwde schouders.

Alle aanwezigen, hun vrienden, werden bang, maar zij liefkoosde de slang en streelde langs zijn gladde nek. En plots waren er twee slangen, die in verenigde kronkelingen weggleden, zoekend naar een schuilplaats in het nabije bos. Ze waren niet mensenschuw, ze beten niet met gif; het waren vreedzame slangen die maar al te goed wisten hoe ze vroeger geweest waren. Toch hadden die twee nog een grote troost: hun kleinzoon, Bacchus, voor wie India geknield had en voor wie Hellas menige tempel bouwde.
 

Ine Cafmeyer

3 LaMt

1996-1997
 

Perseus

Koning Acrisius wil niets van Bacchus weten

Alleen Acrisius, koning van Argus, hield zijn stadspoorten dicht voor Bacchus. Hij stuurde zelfs een leger op de god af; hij geloofde helemaal niet dat Bacchus een god was, net zomin als hij geloofde dat Jupiter Perseus verwekt had bij zijn dochter Danaë door gouden regen. Maar de waarheid zou snel pijn doen, eens Acrisius zou begrijpen dat hij Bacchus beledigd had en dat Perseus echt zijn kleinzoon was! Bacchus had immers zijn plaats onder de goden al ingenomen, en Perseus suisde intussen met klapperende vleugels door de ijle lucht met zijn onovertroffen buit: het Medusahoofd...
 

Perseus bij Atlas

Toen Perseus wat later zegevierend met dat Gorgohoofd boven Libië zweefde, drupte er wat bloed op de grond... Onmiddellijk ontstond er nieuw leven in de onherbergzame woestijn: van dan af was het een akelig oord voor slangen.

Veel tijd om daarop te letten had hij niet, want hij vloog maar door, nu eens voortgedreven door de ene wind, dan weer door de andere, alsof hij een regenwolkje was. Heel diep onder zich zag hij onmetelijke onbekende gebieden. Perseus reisde de hele wereld door, zag driemaal de ijzig koude Grote Beer en driemaal in het zuiden de Kreeft. Hij werd naar overal meegesleept, van west naar oost en omgekeerd. Toen de avond viel, durfde hij niet meer verder en gunde zich een korte nachtrust in het rijk van Atlas in het Avondland, tot Lucifer de komst van Aurora zou aankondigen, en Aurora de komst van de Zonnegod.

Atlas, een zoon van Japetus, had een reusachtig lichaam en was groter dan wie ook. Zijn koninkrijk lag bij de oceaan aan de rand van de aarde, waar de moe gedraafde zonnepaarden met hun wagen hijgend in zee verdwenen. Onmetelijk rijk was hij: op zijn velden graasden wel duizend kudden vee en de goudkleurige bladeren van zijn bomen gaven schaduw aan vruchten en takken van zuiver goud.

Perseus sprak tot zijn gastheer: "Als je belang hecht aan hoge afkomst - ik ben namelijk de zoon van Jupiter - en als je heldendaden bewondert, schenk me dan gastvrijheid." Onmiddellijk dacht Atlas aan een oud orakel in Delphi waar Themis had gezegd: "Atlas, eens zal je bos beroofd worden van zijn goud en Jupiters zoon zal trots zijn op die buit." Bang dat deze uitspraak nu bewaarheid zou worden, had Atlas dikke muren rond zijn boomgaard gebouwd en liet die bewaken door een enorme draak. Alle onbekenden weerde hij uit zijn land.

Zo verging het nu ook Perseus, want Atlas riep: "Weg jij, want als ik je dood, heb je niet veel meer aan die zogenaamde heldendaden van jou, of aan je zogenaamde vader Jupiter!" Hij schudde dreigend zijn vuist, maar Perseus bleef staan en zei doodkalm: "Goed, je hebt mij liever niet te gast. Toch wil ik je iets schenken..." En hij toonde Atlas met de ogen afgewend het Medusahoofd, omringd door zwarte slangen.

Onmiddellijk veranderde Atlas in een enorme berg. Zijn haar en baard werden bossen; zijn schouders en armen groeiden uit tot hellingen; zijn hoofd veranderde in de top van het gebergte en zijn botten werden rots. Daarna strekte hij zich in alle richtingen verder uit en zo werd hij een reusachtige bergketen die heel het hemelgewelf met al zijn sterrenbeelden moest dragen, zoals de goden het beschikt hadden.
 

Perseus en Andromeda

De winden die door Aeolus voor de nacht waren opgesloten in kerkers, werden door Lucifer tot werken aangemaand. Perseus nam zijn vleugels, bond ze weer aan zijn voeten, gordde zijn zwaard om en vloog snel door het luchtruim. Hij had alweer heel wat landen doorkruist toen Ethiopië, het koninkrijk van Cepheus, in zicht kwam. Op bevel van Ammon werd zijn dochter Andromeda gestraft voor wat haar moeder had misdaan. Perseus zag haar vastgeketend aan een harde rotswand. Hij had haar waarschijnlijk voor een marmeren beeld gehouden als haar haren niet zachtjes hadden mee gewiegd met de wind en als ze niet bitter had geweend om haar lot.

Perseus was diep onder de indruk van haar schoonheid en voor hij het besefte brandde hij van liefde - hij vergat zelfs bijna dat hij zijn vleugels moest blijven bewegen! Hij daalde en zei tot het meisje: "Ketens die verliefde harten binden, zouden beter bij jou passen dan de ketens waarmee je aan deze rots gekluisterd bent. Vertel me hoe je heet, waar ik ben en waarom je vastgeketend bent."

Eerst zei het meisje niets, want een meisje mag nu eenmaal niet met vreemde mannen spreken; jammer genoeg kon ze haar gezicht niet achter haar handen verbergen. Dan begon ze te wenen en toen Perseus bleef aandringen, antwoordde ze tenslotte op zijn vragen; ze wou hem laten weten dat zijzelf onschuldig was en vertelde over haar moeders ijdelheid: die had de schoonheid van haar dochter te veel geroemd (ze had beweerd dat Andromeda mooier was dan de Nereïden) en daardoor had ze Neptunus beledigd. Die had een zeemonster op Ethiopië afgestuurd om het land te verwoesten. Een orakel had aan Cepheus gezegd dat alleen het offer van zijn dochter de vloek van Neptunus kon afwenden...

Daarop werd de zee plots wild en uit de kolkende diepte dook een dreigend en immens monster op. Het meisje gilde. Daar kwamen haar ongelukkige ouders al aangelopen. Ze klemden hun dochter in hun armen en weenden en klaagden zonder ook maar iets te kunnen doen. Perseus riep: "Er is nog tijd genoeg om te wenen, maar minder tijd om haar te redden. Ik, Perseus, ben de zoon van Jupiter; ik ben ontstaan uit gouden regen toen mijn moeder opgesloten zat; ik heb al Medusa, een van de drie Gorgonen, overwonnen..."
 

Ellen Bertier

3 LaMt

1996-1997
 

"...Staan jullie mij toe dat ik er een heldendaad aan toevoeg in mijn eigen belang? Als ik jullie dochter red, eis ik dat ze de mijne wordt!" Andromeda's ouders stemden dadelijk in en schonken hem hun dochter; daarbovenop kreeg hij als huwelijksgift hun land.

En kijk, het monster bewoog zich snel vooruit zoals een schip dat voortgestuwd wordt door zwetende en hardwerkende roeiers. Het beest naderde razendsnel de rots waaraan Andromeda was vastgeketend. Perseus nam een aanloop en steeg op tot hij tussen de wolken zweefde. Op het zee-oppervlak viel de schaduw van Perseus en op die schaduw stortte zich het afschuwelijke monster...

Perseus dook razendsnel naar beneden, landde op de rug van het monster en plantte zijn zwaard in de rechterflank tot aan het heft. Het monster sidderde van de pijn maar ondanks de diepe wonde kwam het recht tot hoog in de lucht en liet zich in het water vallen. Het spartelde van links naar rechts, zoals een everzwijn dat aangevallen wordt door een meute wild blaffende honden. Perseus kon echter ontsnappen aan de op prooi beluste bek dankzij zijn snelle vleugels.

Hij trok zijn zwaard uit de wonde en stak het tussen de ribben, in de rug, opnieuw in de flank, dan in de staart. Het beest braakte gulpen donker bloed; het smerige goedje doorweekte alles. Perseus' vleugelschoenen waren loodzwaar geworden en daarom durfde hij er niet meer mee vliegen. Hij kreeg hoop toen hij een rif zag; daar vloog hij heen. Met het rif als steunpunt diende hij het monster de genadeslag toe. Applaus klonk op het strand, zo luid dat de goden het konden horen. Perseus werd als een redder begroet door zijn schoonouders Cepheus en Cassiope; hun dochter - nu ook Perseus' echtgenote - werd van haar ketens ontdaan.
 

Zeewier wordt koraal

Ondertussen waste Perseus, na zijn overwinning, zijn handen in zee en opdat het Medusahoofd niet vol zand zou zitten, legde hij het hoofd op een bedje van zeewiertakjes. Het zeewier zoog kracht uit het hoofd en door dit contact versteenden de steeltjes en de blaadjes; ze werden merkwaardig hard. Zeenimfen wilden dit verschijnsel uittesten op ander zeewier en ja, het lukte; ze bleven maar van dat nieuwe zaad over de golven uitstrooien! Koraal heeft die eigenschap behouden, want wat in contact komt met de lucht, verhardt, en wat onder water zit, blijft plant.

Perseus bouwde drie offertafels: een voor de krijgsgodin Minerva, aan wie hij een koe offerde, een voor Jupiter die een stier kreeg, en een voor Mercurius aan wie hij een kalf schonk. Dan ging het in stoet naar het paleis van Cepheus. Voorop werden de fakkels van Amor en Hymenaeus gedragen, daarachter volgde Perseus met Andromeda. Het paleis hing vol met slingers, een altaarvuur geurde van de wierook, vrolijk gezang en luide fluitmuziek weerklonken, blijdschap heerste alom. Kortom, een nieuw leven ging voor hen beginnen. Cepheus ontving zijn talrijke gasten voor een prachtig huwelijksmaal.
 

Perseus vertelt hoe hij aan het Medusahoofd is gekomen

Toen de heerlijke gerechten gezellig verorberd waren en Bacchus' geschenk hen verkwikt had, vroeg Perseus aan de uitgenodigde Ethiopiërs om hun leven en denken aan hem uit te leggen, een verzoek waaraan de Ethiopiërs met plezier voldeden. Toen stelde Cepheus de lang verwachte vraag aan Perseus: "Mijn zoon en mijn held, zeg ons hoe jij het Medusahoofd hebt bemachtigd!"

Perseus vertelde dat onder de Atlasberg een ingang was waar twee zussen woonden, de dochters van Phorcys, die samen slechts een oog hadden dat ze om beurt gebruikten. Perseus had dit oog weggegrist toen de ene zus het doorgaf aan de andere. Zo had hij het huis van de Gorgonen kunnen bereiken en hij had opgemerkt dat de mensen en de dieren die een blik hadden opgevangen van de Medusa, in steen veranderd waren. Ook Perseus had haar aanschouwd, maar niet rechtstreeks: alleen haar spiegelbeeld in zijn schild. Hij had het schild vervolgens op Medusa zelf gericht zodat ze door haar schrikwekkend spiegelbeeld zelf bedwelmd was geraakt, samen met haar slangen, en toen had hij haar hoofd afgeslagen. Uit het bloed dat uit de wonde vloeide, groeiden twee zonen: Chrysaor en de gevleugelde Pegasus...

Hij vertelde nog de rest van zijn tocht, langs de sterrenbeelden, over de zeeën en de landen en de gevaren die hem daar beloerd hadden. Tenslotte zweeg hij, maar het was nog vroeg op de avond en zijn gezellen hielden zo van zijn verhalen dat er al een andere vraag werd gesteld: waarom alleen Medusa slangen op haar hoofd had en haar zusters niet.

Perseus zei: "Op die vraag zal ik een antwoord geven. Wel, Medusa was een meisje dat erg geliefd was om haar schoonheid en talloze aanbidders had. Het mooiste aan haar was wel haar weelderige haardos, zo heeft iemand die haar zelf gezien heeft, me verteld. Men zegt dat Neptunus haar verkracht heeft voor het beeld van Minerva, die uit schaamte haar kuise ogen afwendde. Minerva liet deze heiligschennis niet ongestraft: ze veranderde Medusa's haar in afschuwelijke slangen; zelf draagt de godin ook slangen op haar borst om daarmee haar vijanden af te schrikken."