LIBER TERTIUS

Cadmus

Cadmus moet Europa zoeken

De god had, op Kreta aangekomen, zijn menselijke gedaante alweer aangenomen en gezegd wie hij was. Ondertussen wist Agenor, Europa's vader, niet wat er met zijn dochter gebeurd was en hij zond zijn zoon Cadmus uit om haar te zoeken. Agenor dreigde zelfs met verbanning als zijn zoon haar niet zou terugbrengen - een onrechtvaardige straf, maar hoe begrijpelijk waren de woorden van de ongeruste vader!

Hoewel hij door de hele wereld zwierf, vond Cadmus geen spoor van zijn zuster - wie zou Jupiter kunnen volgen op zijn kronkelend liefdespad? Hij bleef dus ver weg van zijn vaderland en vroeg Apollo om hem een plaats aan te wijzen waar hij mocht wonen.

"Je zult in een stil veld een koe ontmoeten, een dier dat nooit een juk gevoeld heeft, dat nooit een kromme ploeg getrokken heeft. Volg haar spoor en waar zij in het gras uitrust, zul je een stad stichten die Thebe in Beotië zal heten", luidde het antwoord van de god.

Amper had Cadmus de Delphische grot verlaten of hij zag een koe die zich zonder herder traag voortbewoog en geen enkel spoor van slavernij vertoonde. Biddend volgde Cadmus haar tot de plaats waar ze halt hield, haar fraaie kop ten hemel richtte, loeide en omkeek naar haar achtervolger. Ze knielde en vlijde zich op de zachte grasheuvel. Ook Cadmus knielde in dank en begroette de heuvels en velden van zijn nieuwe land.
 

Cadmus' mannen worden door de draak van Mars gedood

Eerst wou Cadmus offeren aan Jupiter. Daarom zond hij zijn makkers uit op zoek naar een reine bron voor offerwater. Die bron zochten ze in een nog nooit betreden, dichtbegroeid bos waar waterloopjes welig stroomden. Maar in een grot woonde daar ook de draak van Mars, gevreesd om zijn stekelige, gouden kam, bol van gif, en om zijn drie tongen die sisten tussen een driedubbele rij tanden. De Feniciërs volgden het gevaarlijke pad door het bos en vulden hun kruiken.

Maar de draak werd wakker van dat geluid, stak zijn kop omhoog vanuit de diepe grot en kronkelde zich omhoog in onmetelijke bochten tot zijn lichaam verschillende luchtlagen vulde. Door panische angst bevangen lieten de makkers van Cadmus hun kruiken vallen. De draak zag neer op het hele bos en evenaarde de omvang van het sterrenbeeld van de Draak dat met zijn volle lengte de Grote van de Kleine Beer scheidt. Onmiddellijk viel hij de mannen aan en of zij nu vochten of in hun angst als versteend bleven staan, het maakte geen verschil: de draak beet hen dood, wurgde hen of velde hen met zijn dodelijke etter.
 

Cadmus doodt de draak van Mars

Het was middag toen Cadmus zich ongerust begon te maken over het wegblijven van zijn makkers. Hij besloot hen te gaan zoeken met een leeuwenhuid als bescherming, met een lans en een spies als wapens maar vooral met een dapper hart - dat ieder wapen overtreft. Ziedend van woede zag hij hoe de moordlustige draak de wonden van zijn vrienden likte en nam zich voor tot het einde te strijden om hun dood te wreken.

Hij greep een groot rotsblok en smeet het met al zijn kracht naar de draak. Hoewel de impact zwaar genoeg was om een grote muur te slopen, voelde de draak niets, dankzij zijn machtig pantser van schubben.

De tweede poging van Cadmus met zijn werpspies had echter wel resultaat, want het pantser werd doorboord en de punt trof de kronkelende ruggengraat waar de spies bleef steken. De draak voelde de pijn, draaide zijn hoofd en rukte met veel moeite de speer uit de wonde, maar de punt bleef zitten.

Woester geworden door deze aanval zwollen zijn aderen, schuimde zijn op moord beluste bek en zijn zwarte adem bevuilde de lucht. Hij baande zich een weg omhoog tot hij zijn volle lengte had bereikt om zich vervolgens verpletterend op het bos te laten vallen. Cadmus ontsnapte aan een gewisse dood door opzij te springen.

Hij wendde een aanval van de drakenkop af door met zijn lans te steken. De draak wou de lans stuk bijten, maar beet steeds weer op de punt die wonden maakte in zijn bek zodat bloedspatten het groene gras rood kleurden. Toch waren deze verwondingen voor de draak ongevaarlijk zolang de lans zijn nek niet kwetste; de draak moest er alleen voor zorgen dat hij daar geen diepe of rake stoten moest incasseren. Tot plots Cadmus met inzet van al zijn krachten de lans door de drakenkeel stootte en het monster aan een boom spietste... De boom boog door onder het gewicht van het drakenlijk...
 

Joost Pauwels

3 LaWi

1996-1997
 

Cadmus zaait de drakentanden

Terwijl Cadmus de door hem gedode draak aanschouwde, vroeg er plots een stem waarom hij dat monster bekeek. Diezelfde stem zei dat Cadmus ooit zelf als slang zou gezien worden. Cadmus werd lijkbleek en keek rond zich, maar hij zag niemand. Plots kwam diegene die deze woorden gesproken had te voorschijn: Minerva. Ze raadde hem aan de drakentanden te zaaien.

Zoals Minerva hem aangeraden had, trok hij met een ploeg een voor in de grond en zaaide er de drakentanden in. En kijk: daar begon de grond te bewegen en als bij wonder kwam er een rij zwaargewapende soldaten te voorschijn. Cadmus, die geschrokken was van zijn nieuwe tegenstanders, wou onmiddellijk naar de wapens grijpen. Een van de soldaten hield hem tegen en zei dat hij zich niet mocht mengen in hun onderling gevecht. Die soldaat was nog niet uitgesproken, of hij trof een van zijn broers met zijn zwaard, maar ging dan zelf ten onder door een speerworp uit de verte.

Zo moordden ze bijna allemaal elkaar uit, behalve vijf. Echion, een van hen, had op raad van Minerva de strijdbijl begraven en vrede gesloten met zijn vier overblijvende broers. Die vijf werden de helpers van Cadmus toen hij op last van het Delphisch orakel Thebe stichtte.
 

Cadmus heerst over Thebe

Thebe was een welvarende stad geworden. Voor Cadmus schenen de zaken, ondanks zijn ballingschap, een gunstige wending te hebben genomen. Hij was gehuwd met Harmonia, de dochter van Venus en Mars, en uit dat huwelijk had hij verscheidene kinderen. Toch moet men met beide voeten op de grond blijven; een tegenslag volstaat om plots alles te laten veranderen...

En dat was wat Cadmus overkwam: zijn kleinzoon zou in een hert veranderen en door zijn eigen honden verscheurd worden. Het feit dat hij verdwaalde, lag aan de basis van zijn dood, geen dwaling van zijnentwege. Is het een dwaling wanneer een mens verdwaalt?
 

Actaeon

Actaeon verrast Diana bij het baden

Actaeon en zijn gezellen hadden op jacht reeds veel gevangen, toen ze besloten te stoppen en 's anderendaags vroeg terug te komen. Dichtbij was er een dal waar Diana vaak kwam jagen. In een uithoek van dat dal was er een spelonk, waar de natuur met de rotsen een natuurlijke boog had gevormd. Daar in de buurt waren er nog een bron en een wijde vijver. De vijver was rondom met planten afgeschermd en vormde als het ware een muur rond het water.

Als Diana vermoeid was van het jagen, ging ze vaak in die vijver baden. Ze werd dan door nimfen vergezeld die haar wapens en kledij bijhielden. Een nimf, Crocale, mocht altijd Diana's haar opbinden dat normaal verspreid lag in haar nek. Vijf andere nimfen schepten constant met kruiken water en goten het over Diana uit.

Terwijl Actaeon in het bos ronddoolde, kwam hij zonder het zelf te beseffen bij die gewijde plaats, in de grot waar Diana haar bad nam. Nauwelijks hadden de nimfen hem gezien of ze begonnen luidkeels te gillen en gingen allen rond Diana staan opdat Actaeon haar niet zou kunnen zien. Dat had echter niet veel zin, want Diana was een stuk groter dan haar nimfen en stak boven hen uit.

Diana werd rood van schaamte toen ze besefte dat ze naakt door Actaeon gezien was. Haar eerste reactie was naar haar boog grijpen, maar toen ze zich herinnerde dat die een eindje verder lag, smeet ze een handvol water in zijn gezicht. Terwijl ze dat deed, zei ze nog dat hij nu aan iedereen mocht vertellen dat hij haar naakt had gezien, als hij dat tenminste nog zou kunnen. Verder zei ze niets meer.

Uit Actaeons met water besprenkeld hoofd ontsproot een levensgroot gewei. Hij kreeg ook de nek van een hert, puntige oren en zijn armen en benen veranderden in poten - hij werd een hert. Uitzinnig van angst rende hij weg, zelf verbaasd over het feit dat hij zo snel kon lopen. Op het moment dat hij in het water zijn kop met het gewei zag, wou hij roepen dat zijn gezellen hem moesten komen helpen, maar het enige dat hij kon uitbrengen was dof geblaat. Hij begon te wenen: van de mens Actaeon restten alleen hart en ziel in zijn nieuw lichaam.

Hij wist niet wat hij moest doen, tot zijn honden hem op het spoor kwamen en hem achternagingen. Ze volgden hem over elke rots, langs ieder pad. Hij wou roepen dat hij hun meester was, maar het waren slechts kille kreten die je nauwelijks hoorde door het luide geblaf van zijn achtervolgers. Daar beet de eerste hond hem al in de rug, een tweede in de schouder. Tenslotte zat hij helemaal onder het bloed. Door ondraaglijke pijn geveld liet hij zich kreunend op zijn knieën vallen en richtte zijn kop naar de hemel, zonder nog een geluid te kunnen voortbrengen.

De meute honden werd nog opgehitst door zijn makkers, die tevergeefs Actaeon riepen om naar dit prachtige schouwspel te komen kijken. Telkens wanneer ze zijn naam riepen, schudde het hert zijn kop heen en weer, maar dat ontging zijn gezellen. Hij wou liever toekijken in plaats van te moeten voelen hoe zijn honden hem, hun prooi, verscheurden... Men vertelt dat Diana's woede pas bekoelde toen hij zijn laatste adem had uitgeblazen.
 

Scott Gray

3 LaWi

1996-1997
 

Jupiter en Semele

Cadmus' dochter Semele is zwanger van Jupiter; Juno zint op wraak...

Sommigen vonden dat Diana te hard was geweest tegenover Actaeon, anderen waren van mening dat deze strengheid bij haar paste. Alleman had zo zijn eigen mening en liet die ook aan iedereen horen, alleen Jupiters vrouw liet zich niet uit over schuld of onschuld: ze was nog uitsluitend bezig met haar jaloezie tegenover Cadmus' dochter Semele. En die jaloezie was onlangs nog gegroeid omdat Semele een kind verwachtte van Jupiter...

Juno stond op het punt om Jupiter de mantel uit te vegen maar bedacht zich: "Wat voor zin heeft al dat ruziën? Ik moet niet mijn man, maar juist die vrouwen proberen te straffen. Ben ik niet Juno? Ben ik niet oppermachtig? Draag ik in mijn hand geen kostbare scepter? Ben ik niet de koningin der goden? De zuster en de vrouw van Jupiter? Enfin, zijn zuster ben ik alleszins, zijn vrouw... hm. Ach, laat die Semele toch lopen, lang kan hun relatie niet meer duren! Maar ze is zwanger van hem... En dat is het ergst van al; haar ronde buik draagt het bewijs dat... Wat mij dus nauwelijks lukte, is haar vlot gelukt: een kind van Jupiter dragen! Maar ik zal ervoor zorgen dat ze gestraft wordt: haar eigen Jupiter zal haar vernietigen!"

Dan stapte ze van haar troon en gehuld in een gouden wolk betrad ze het huis van Semele. Daar aangekomen deed ze de wolk verdwijnen en veranderde zichzelf in een oude vrouw met grijs haar dat spichtig langs haar slapen hing. Haar huid was helemaal gerimpeld, bevend schuifelde ze met kromme rug voort, haar stem klonk ouder: Juno had de gedaante aangenomen van Beroë, Semele's min.

Toen min en pleegkind zaten te babbelen en de naam Jupiter in een van hun verhalen voorkwam, zei Beroë: "Ik hoop dat de man die jou bezoekt, Jupiter is, want er zijn zoveel mannen die in meisjeskamers binnen kunnen dringen door te beweren dat ze goden zijn! Jupiters naam alleen is niet genoeg; hij moet kunnen bewijzen dat hij het is. Is hij werkelijk zo groot, zo goddelijk als de god die in Juno's hemelbed omhelsd wordt? Vraag hem of hij met jou wil vrijen zoals hij met Juno vrijt!"

Door zo te praten had Juno de dochter van Cadmus in de val gelokt en de volgende keer dat Jupiter bij haar op bezoek kwam, vroeg ze hem of ze een wens mocht doen. "Ja, ja, doe maar!" riep de ongeduldige god. "Vraag maar op, je krijgt wat je wil!" Semele, zo gelukkig met die belofte maar reeds tot sterven gedoemd, vroeg haar minnaar: "Vertoon je met al je goddelijkheid aan mij, bemin mij zoals je Juno in je armen houdt!"
 

Semele wordt verteerd

Jupiter had haar zo graag de mond gesnoerd terwijl ze deze woorden sprak, maar haar wens was al uitgesproken... Hij kreunde luid want hij kon niet anders dan haar wens inwilligen. Diep bedroefd steeg hij ten hemel en sleepte een lange sliert wolken met zich mee waaraan hij regenbuien toevoegde met onweer, donderslagen en bliksemschichten. Wel probeerde hij zoveel mogelijk zijn kracht te minderen en greep dus niet naar het vuur waarmee hij ooit het monster Typhoeus (dat honderd armen bezat!) had gedood - dat was te geweldig. Hij koos een lichtere soort bliksem, door de Cyclopen gesmeed; minder fel, met minder felle vlammen (de goden noemden het "het lichte wapen"). Daarmee ging hij naar Cadmus' dochter. En wat gebeuren moest, gebeurde: zijn hemels vuur verslond haar lichaam..
 

Jupiter redt Semele's kind

Het ongeboren kind redde Jupiter uit de moederschoot; hij liet het in zijn dij naaien en maakte zo de zwangerschap die Semele begonnen was, vol. De eerste maanden na de geboorte van het kind werd Bacchus - dat was de naam van het kind - in het geheim gezoogd door zijn tante Ino. Later werd hij opgenomen door de nimfen van de Nysa die hem in hun grotten verborgen en hem te eten gaven.
 

Sandra Navas Navarro

3 LaMt

1997-1998
 

Tiresias

Jupiter en Juno debatteren over liefdesgenot

Jupiter had, na de dubbele geboorte van Bacchus, wat te veel gedronken en zijn werk opzij gelegd om eens lekker te dollen met Juno. Plagend zei hij tegen haar: "Bij jullie is het plezier bij seks groter dan bij mannen!" Zij riep dat die bewering niet waar was en omdat ze er niet uit raakten, besloten ze om Tiresias te vragen wat hij ervan vond: die kende tenslotte beide soorten liefdesgenot.

Hij had namelijk ooit twee grote slangen, die in het gras lagen te paren, een harde por gegeven met zijn stok en was toen in een vrouw veranderd; zeven jaar had hij geleefd met een vrouwenlichaam. Toen hij in het achtste jaar na zijn verandering dezelfde slangen in dezelfde activiteit terugzag, riep hij: "Als ik, door jullie een por te geven, veranderd ben in een vrouw, dan doe ik nu hetzelfde. Zo word ik misschien opnieuw een man." En hij gaf beide slangen een harde stokslag. En warempel, zo kreeg hij zijn mannenlichaam terug.

Tiresias moest dus zijn mening geven over wie nu het meest plezier beleefde aan seks, de man of de vrouw, en hij gaf Jupiter gelijk. Dat was meer dan Juno kon verdragen. Voor dat simpele antwoord werd Tiresias zwaar gestraft: Juno maakte hem blind. Jupiter vond dat zijn vrouw wel erg ver was gegaan, maar hij kon een door een andere god uitgevoerde straf niet ongedaan maken. Als compensatie gaf Jupiter Tiresias de gave om de toekomst te kunnen voorspellen; deze eer verzachtte de zware straf van Juno.
 

Tiresias voorspelt het lot van Narcissus

Tiresias, die om zijn helderziendheid in heel Beotië beroemd was, trok van de ene stad naar de andere om voorspellingen te doen aan de mensen. De eerste vrouw die bij hem om raad kwam, was de nimf Liriope, die ooit door de stroomgod Cephisus in het water was overweldigd en verkracht. Het mooie meisje was zwanger geworden en had een kind gebaard waar iedereen verliefd op zou worden: Narcissus. Zij kwam Tiresias vragen of haar zoontje lang zou leven. Daarop antwoordde de ziener: "Zolang hij zichzelf niet kent." Vrij lang bleef dit antwoord een raadsel, tot Narcissus, door zijn vreemde passie en zijn dood, deze duistere voorspelling bevestigde.
 

EXCERPTUM TERTIUM

Marc Knecht
 

Narcissus en Echo

Narcissus vierde zijn zestiende verjaardag. Hij zag er al volwassen uit, maar in zijn hart was hij nog een echte jongen. Veel mannen en veel meisjes waren op hem verliefd geworden, maar hij wou van de liefde niets weten: jagen was zijn enige passie. Daarom liet hij zich ook door niemand benaderen of aanraken.

Toen hij op een dag op hertenjacht was, kreeg Echo hem in gaten. Echo was een praatgrage nimf die nooit haar mond kon houden als iemand anders sprak, maar ze kon niet uit zichzelf spreken: ze kon alleen maar de laatste woorden herhalen die iemand tot haar gericht had. Echo was op dat ogenblik nog een nimf, niet alleen maar een stem.

Dat praatgebrek had ze opgelopen door de woede van Juno. Telkens als de oppergodin vermoedde dat Jupiter haar bedroog (wat meer dan eens gebeurde), hield Echo haar met opzet aan de praat, zodat de nimfen van onder Jupiter konden wegvluchten. Toen Juno Echo's list doorhad, dacht zij: "Als zij denkt dat ze mij voor de zot kan blijven houden, dan moet ze maar eens wat minder praatjes krijgen, en van veel kortere duur!" En ze liet het niet bij dreigen maar voegde de daad bij het woord: van dan af kon Echo alleen maar de laatst gesproken woorden herhalen.

Toen dus Echo de jagende Narcissus had opgemerkt, was ze op slag op hem verliefd geworden. Stilletjes begon ze hem te achtervolgen. Bij iedere stap die ze zette, voelde ze haar liefde en haar verlangen groeien... Hoe graag was ze naar hem gelopen, hoe graag had ze lieve woordjes gesproken - maar haar gebrek belette haar als eerste te spreken. Wel kon ze zijn woorden afwachten om zo te antwoorden, maar hoeveel kans had ze dan om haar gevoelens kenbaar te maken?

Narcissus was al ver van zijn gezellen afgedwaald, toen hij achter zich plots iets hoorde. Hij riep "Is daar iemand?", en Echo antwoordde "Iemand". Hij keek spiedend rond en zei luid "Kom!", en met dat woord riep ook Echo de roepende jongen. Verrast riep hij "Waarom loop je weg?", maar het enige wat hij hoorde waren zijn eigen woorden. Toch gaf hij niet op; misleid door die andere stem zei hij: "Kom hier, we zullen samen..."

Daarop had Echo gewacht: ze herhaalde die woorden en kwam uit het struikgewas te voorschijn om haar armen rond de lang begeerde hals te slaan. Narcissus deinsde terug en schreeuwde: "Hou je handen thuis; ik val nog liever dood dan dat jij beschikt over mij!" Echo antwoordde nog wel "Jij beschikt over mij", maar besefte dat ze brutaal afgewezen was.

Vernederd hield ze zich schuil in de bossen of verborg zich in grotten. Haar liefde nam niet af, integendeel, die groeide nog door de pijn van die afwijzing. Eten kon ze niet meer, slapen kon ze niet meer... Haar huid verschrompelde, haar levenssappen verlieten haar lichaam; wat restte waren beenderen... en haar stem. Haar beenderen veranderden tenslotte in steen. Sindsdien hield ze zich schuil in de bergen, waar niemand haar ooit zag maar waar iedereen haar kon horen: alleen haar stem leeft verder.
 

Narcissus wordt op zichzelf verliefd en sterft

Narcissus was weggevlucht van haar, zoals hij ook al weggevlucht was voor verliefde mannen. Een van die afgewezen mannen had al gesmeekt: "Laat hem ook verliefd worden op iemand die hij niet kan krijgen. Zo weet hij wat ik nu voel." Nemesis, de godin van de vergelding, had dit gehoord en liet die wens in vervulling gaan.

Narcissus kwam bij een meer waar nog nooit een mens of een dier gekomen was. Rondom was er veel groen en het bleef er fris door een nabije bron en door bomen die het water beschutten tegen de zon. Narcissus was doodmoe van het jagen en vond het de perfecte plaats om uit te rusten. Toen hij zich voorover boog om te drinken, merkte hij plots aan de andere kant van de waterspiegel een ongelooflijk knappe jongeman op die zich naar hem toe boog.

Vol bewondering bekeek Narcissus diens bekoorlijke gestalte, zijn schitterende ogen, zijn wondermooi gelaat, de blos op zijn wangen, zijn ivoorkleurige hals... Hij werd razend verliefd op die onbekende jongen die hij nog nooit eerder gezien had. Maar telkens als Narcissus de jongen aan de andere kant van de waterspiegel probeerde aan te raken, verdween die in de rimpels op het water... Als hij die jongen wou kussen, zag hij dat ook de onbekende jongen hem wou kussen - maar nooit kwam het tot een kus... Als Narcissus weende of lachte, van hoop of wanhoop, zag hij die jongen hetzelfde doen... De jongen verscheen dus als hijzelf verscheen, en verdween als hijzelf verdween... Niets kon hem van die plaats weghouden. Hij deed niets anders dan triestig naar zichzelf kijken in het water. Hij vroeg aan de bomen rond hem:

"Wie is er ooit zo verliefd geweest als ik? Dat moeten jullie toch weten! Velen moeten hier voor mij hun toevlucht hebben gezocht. Wie kennen jullie, die in al die tijd van jullie eeuwenlang bestaan zo heeft moeten lijden? Want ik ben verliefd, ik zie mijn geliefde, alleen kunnen we niet samen zijn.

Weet je wat het ergste is? Het zijn geen zeeën, geen bergen, geen muren die ons scheiden, alleen dat beetje water. Ik weet dat hij bij mij wil zijn, want als ik mijn lippen naar het water breng, buigt hij zich vol vreugde naar mij toe. Ik denk: 'Nu kust hij mij, er is zo weinig dat ons tegenhoudt'. Ik zeg: 'Wie je ook bent, kom hier ! Waarom kom je niet naar mij toe? Waarom wil je me niet kussen? Waar blijf je wanneer ik je wil aanraken? Maken mijn jeugd en mijn schoonheid jou bang? Je lief gezicht doet mij steeds weer de mooiste dingen hopen. Als ik mijn armen naar jou uitstrek, strek jij ze ook naar mij uit. Als ik je toelach, lach je terug. Altijd zie ik jouw tranen als ik moet huilen, maar jouw woorden bereiken me niet'.

Ach... Ik ben het zelf! Ik voel het nu! Ik ben verliefd op mezelf! O, wat moet ik nu doen? Wat ik verlang, heb ik al. Dat is het wat me zo triestig maakt. O, kon ik maar uit mijn lichaam kruipen! Een vreemde wens: wensen dat datgene, waarnaar je verlangt, er niet meer is. Door dit verdriet verlies ik mijn krachten en komt de dood nader - want ik voel dat ik ga sterven door mijn eerste liefde. Ik ben niet bang om dood te gaan, want de dood zal al mijn pijn wegnemen. Maar ik wenste mijn minnaar een langer leven toe. Nu sterven er straks twee, wij samen."

Ziek door zijn verdriet richtte hij zijn blik weer op zichzelf, waarbij zijn tranen in het water vielen. Hij riep: "Waar vlucht je heen? Blijf hier! Laat mij niet alleen! Dit is te wreed! Al mag ik je niet voelen, laat mij je toch bekijken. Alleen zo kan ik mijn zieke passie stillen."

In zijn verdriet scheurde hij zijn kleren stuk en sloeg zich met zijn vuisten op de borst. Waar hij sloeg, ontstonden rode vlekken met de kleur van appels of druiven. Toen hij zijn wonden zag, kon hij het niet langer verdragen. Hij kwijnde weg en werd langzaam opgevreten door iets dat niet bestond. Zijn lichaam was niet gezond of mooi meer. Er was geen kracht meer in wat vroeger zo begeerd werd. Hij was de jongen niet meer waar eens Echo naar verlangde.

Maar Echo zag hem wel en had, ondanks haar woede, medelijden met hem. Telkens als de jongen "Wee mij" riep, riep zij ook "Wee mij", en als hij weende uit liefdesverdriet, deelde ze met hem de pijn. Zijn laatste woorden waren: "Jij bent onbereikbaar!", toen nog "Vaarwel". En Echo herhaalde als altijd "Vaarwel". Hij bleef naar zijn spiegelbeeld kijken tot hij zijn ogen sloot om te sterven.

Zelfs na zijn dood keek hij naar zijn beeld in het water van de Styx. Zijn zusters weenden en sneden een haarlok af als offer. Iedereen rouwde om de dood van Narcissus. Nimfen gingen hout sprokkelen voor zijn brandstapel. Toen ze terugkeerden met de armen vol takken, was het lichaam van Narcissus verdwenen. Op de plaats waar het gelegen had, stond een heerlijk geurende bloem met een gele, ietwat naar beneden gerichte kelk. Ze leek op Narcissus, hoe hij met gebogen hoofd in het water had zitten staren...
 

Stefanie Vanwelsenaers

3 LaMt

1997-1998
 

Tiresias voorspelt de komst van Bacchus

Toen het verhaal over de voorspelling van Tiresias en wat er nadien inderdaad met Narcissus was gebeurd, de ronde had gedaan, werd Tiresias steeds bekender en werd de waarzegger nog meer gewaardeerd door het volk, zeker in de Griekse steden. Maar Pentheus, de koning van Thebe, vereerde geen goden en was de enige die Tiresias weigerde te geloven. Hij lachte om diens voorspelling en zei dat het ging om gebazel van een blinde.

Tiresias schudde zijn hoofd en zei: "Wat zou jij gelukkig zijn, Pentheus, als je ook blind was geweest en daardoor de Bacchusfeesten niet had kunnen zien... De dag zal immers komen - en ik zeg je, die dag nadert snel - waarop de nieuwe god, Bacchus, de zoon van Semele, naar hier zal komen. Als je weigert Bacchus te vereren met plechtige feesten en offers in tempels, zul je uiteengescheurd worden in duizend stukken, en heel dit bos zul je met je bloed besmeuren. Dat zal jouw lot zijn, en je moeder en je tantes zullen dat lot voltrekken! Als je blijft weigeren Bacchus te vereren, zul je nog klagen dat ik goed gezien had in mijn blindheid!" Tiresias had zijn laatste woorden nog niet uitgesproken of hij werd als een hond door Pentheus weggejaagd.
 

Pentheus en Bacchus

Pentheus verzet zich tegen de Bacchuscultus

De voorspelling van de blinde ziener kwam vlug uit: Bacchus was al in het land. Het was overal feest. Allen, jong en oud, vrouwen en mannen van hoog tot laag, waren benieuwd naar de nieuwe godsdienst.

"Thebanen! Drakenzonen!" brulde Pentheus. "Wat voor waanzin is dit? Is dit zo mooi, al dat gedreun, al die kromme toeters, al die valse hysterie? Jullie, die nooit bang waren voor een zwaard, een krijgstrompet of vijanden met scherpe speren, jullie laten zich nu verslaan door krijsende vrouwen, bedwelmende wijn, obscene horden en holklinkende tamboerijnen! Ik snap niet dat de oudsten onder jullie, die zich na een lange zeereis op de vlucht uit Tyrus hier gevestigd hebben, zich zomaar, zonder strijd gewonnen geven! En dat de jongeren, ja, jullie, kerels van mijn leeftijd, met een thyrsusstaf rondlopen en een klimopkrans op jullie hoofd dragen in plaats van wapens in de hand te hebben en een helm op het hoofd te zetten, dat begrijp ik evenmin!

Denk alstublieft aan het drakenzaad waaruit ons volk is ontstaan en wees even moedig als die draak, die in zijn eentje zoveel mannen doodde terwijl hij de bronnen van Thebe verdedigde. Het is jullie plicht jullie reputatie in ere te houden! Die draak heeft stoere mannen gedood. Het minste wat jullie kunnen doen, is die slappelingen wegjagen en de goede naam van onze stad redden. En als het lot zou beslist hebben dat Thebe niet lang meer zal bestaan, laat dan een zwaargewapend leger onze stad vernietigen, laat dan metaal en vuur tekeergaan. Dat zou ellendig zijn, maar ons zou tenminste geen schuld treffen; onze tranen zouden geen tranen van schaamte zijn.

Nu wordt Thebe echter ingenomen door een jong ventje dat niet eens kan vechten, een ventje dat niet geeft om oorlog, wapens en soldaten maar wel om zijn kapsel dat druipt van de mirre, om verwijfde kransen, om purperen gewaden, geborduurd met gouddraad. Ik zorg er wel voor dat hij, als jullie maar op afstand blijven, snel zal toegeven dat al die goddelijkheid en aanbidding leugens zijn! Als Acrisius het lef had om hem een namaak-god te noemen en de poort van Argus dichthield bij zijn aankomst, waarom zouden ik en mijn koninkrijk Bacchus dan moeten vrezen? Ga! Ga snel!" zei Pentheus tegen zijn lijfwachten. "Zoek die leider, bind hem en breng hem naar hier! Doe wat ik zeg en treuzel niet!"

Cadmus, Athamas en alle anderen in het paleis probeerden Pentheus te kalmeren maar hun goed bedoelde raad maakte hem nog woedender. Zo gaat het vaak met bergstromen: als zij nergens worden gehinderd, komen ze rustig kabbelend naar omlaag met lieflijk geklater, maar op plaatsen waar een rotsblok of een boomstam in hun weg ligt, ontstaat een fel gebruis; door zo'n obstakel wordt het water alleen maar wilder...
 

Pentheus stuurt zijn mannen uit

De mannen van Pentheus kwamen terug, druipend van het bloed. Pentheus vroeg waar Bacchus was. Zij zeiden dat ze Bacchus niet gezien hadden, "Maar" riepen ze, "we namen deze offerdienaar mee die bij Bacchus hoort...." Ze duwden een man, met zijn handen op zijn rug gebonden, naar voren. Het was een gelovige, een volgeling van Bacchus, afkomstig uit Lydië. Pentheus bekeek hem met een vervaarlijke blik. Hij zei kortaf, omdat hij moeite had om hem niet dadelijk te straffen:

"Jou wacht een dood die voor anderen een les zal zijn. Noem eerst je naam, dan de naam van je vader en vervolgens de stad waar je vandaan komt; dan mag je vertellen waarom je aan zo'n nieuwerwetse cultus meedoet."

De gevangene antwoordde zonder enig spoor van angst: "Ik heet Acoetes, ik kom uit Lydië en mijn ouders waren arme mensen. Mijn vader was een visser; dat was zijn enige bron van inkomsten en dus leerde hij me het vak, waarbij hij zei: 'Hier, visserszoon en erfgenaam van me, dit is mijn hele rijkdom.' Toen hij stierf, liet hij me alleen het water van de zee na; dat was mijn enige erfenis. Toen heb ik, omdat ik toch nergens lang kan blijven, vlug de stuurmanskunst geleerd. Ik kon het roer hanteren en de sterren lezen; ik kende alle windstreken en de havens die geschikt waren voor de vaart.

Op een mooie dag legde ik, op weg naar Delus, aan op het eiland Chius; we bleven er die nacht slapen. Toen de zon opkwam, stond ik op en stuurde mijn bemanning uit om vers water te halen, nadat ik uitgelegd had waar ze de bronnen konden vinden. Ik ging op een heuveltop staan en keek wat de wind ons die dag te bieden had. Toen riep ik mijn mannen terug en ging alvast naar het schip.

Plots hoorde ik Opheltes antwoorden: "Hier zijn we!" Hij liep voor zijn makkers uit en had iets buitgemaakt op dat rustig eiland. Het was een jongen die het uiterlijk had van een knap meisje. Opheltes sleurde hem mee langs het strand. Het leek of de jongen wankelde in een roes van slaap of wijn, want hij strompelde mee. Maar aan zijn kleding, uiterlijk en houding, kortom aan alles zag ik dat hij meer dan menselijk moest zijn - een godheid!

Daarom zei ik aan mijn bemanning: "Ik weet niet welke god dat is, maar dat is ongetwijfeld een god!" Ik richtte me tot de jongen en zei: "Wie je ook bent, wees ons genadig, help ons, vergeef mijn mannen hun slecht gedrag..." "Laat maar!" riep een matroos. "Voor ons hoef je niet te bidden, hoor, wij hebben dat niet nodig." En in geen tijd schaarden alle mannen zich aan de kant van Opheltes.

Ik zei: "Het spijt me, maar ik heb hier het hoogste gezag en ik weiger dit schip in gevaar te brengen door een god te ontvoeren." En ik stelde me op voor de loopplank. De mannen waren woedend, vooral Lycabas, een Lydische sukkel die uit zijn stad verbannen was wegens moord. Terwijl ik daar voor de loopplank stond, gaf hij mij plots met de blote vuist een stomp op mijn keel en als ik niet half bewusteloos in het schepswant was verstrikt geraakt, had hij me waarschijnlijk in zee gegooid.
 

Dorothea Verheye

3 LaMt

1997-1998
 

De matrozen juichten. Maar dan bleek de jongen, die Bacchus heette, weer nuchter geworden te zijn door het gejuich en geroep. Geschrokken vroeg hij: 'Wat is er aan de hand, matrozen? Waarom roepen jullie zo?' Toen hij al die stoere mannen zag, werd hij bang en vroeg: 'Waar willen jullie mij heenbrengen?'

Proreus probeerde Bacchus gerust te stellen door te zeggen: 'Wees maar niet bang, jongeman, zeg maar waar je heen wil en wij zullen jou daar brengen.' Bacchus keek de matrozen even wantrouwig aan maar zei toen: 'Goed, breng me maar naar Naxus. Ik woon daar, en de bewoners zullen jullie zeker met open armen ontvangen.' De bemanning beloofde Bacchus dat ze hem naar Naxus zouden brengen, die grote leugenaars!

De matrozen dwongen mij om de boot te laten vertrekken, wat ik dus ook deed. Omdat Naxus aan de rechterkant ligt, liet ik het schip naar rechts koersen. Maar de matrozen begonnen te schelden en te roepen dat ik naar links moest varen. Ik keek verbaasd en vroeg: 'Hoezo, Naxus ligt toch aan stuurboord?' Pas dan vertelden de mannen mij hun snood plannetje. Ik was geschokt en riep: 'Vergeet het, bedriegers! Ik doe niet mee aan jullie stom spelletje!' en ik liep weg. De matrozen begonnen te vloeken en een van hen, Aethalion, riep mij woedend na: 'Wie denk je wel dat je bent, ventje? Denk je dat jij ons hele leven kunt regelen?' Hij greep het roer en stuurde de boot naar links, weg van Naxus.

Maar toen Bacchus zag dat de kusten die opdoemden niet de kusten van Naxus waren, doorzag hij het plan van de bemanning. Even bleef hij geschrokken staan maar dan riep hij: 'Dit is Naxus niet! Jullie vuile bedriegers!' Het huilen stond hem nader dan het lachen. Met tranen in zijn ogen zei hij: 'Waarom doen jullie mij dat aan? Wat heb ik, een arme zwakke knaap, misdaan? Wat heb ik jullie in vredesnaam misdaan?' Ik begon medelijden te krijgen met de jongen, maar mijn matrozen gierden van het lachen en roeiden nog harder dan voorheen.

Toen - ik zweer bij Bacchus dat alles wat ik nu zeggen zal tot in de details de waarheid is - bleef het schip plots roerloos liggen, wat de bemanning ook probeerde. De matrozen waren met stomheid geslagen, ze gooiden zich met verdubbelde ijver op hun roeiriemen en zetten alle zeilen bij, maar het schip bleef onbeweeglijk liggen. Opeens begonnen er overal klimopplanten te groeien, ze kronkelden langs de roeiriemen en zeilen omhoog en bleven maar voort groeien. Bacchus stond op het dek, met een krans op zijn hoofd en in zijn hand een staf waarrond druivenranken hingen. Naast hem lagen lynxen, tijgers en gevlekte panters - we dachten tenminste dat die daar lagen. Mijn mannen sprongen verbijsterd op.

Toen gebeurde er iets wonderlijks: het lichaam van Medon, een van mijn matrozen, werd helemaal zwart, en heel erg lenig boog hij om en om. En Lycabas' mond werd, terwijl hij riep: 'Zeg, in wat voor monster verander jij?', een wijde bek, zijn neus werd platter en platter en hij begon schubben te krijgen.

Ook Libys, die zijn roeispaan wou intrekken, zag hoe zijn armen korter werden en veranderden in vinnen. Een andere matroos strekte zijn armen uit naar de klimopplanten met de bedoeling erop te klimmen, maar opeens waren zijn armen verdwenen en dook hij, zonder armen, in de gedaante van een vis in zee. Al gauw volgden alle andere leden van mijn bemanning; ze waren allemaal in dolfijnen veranderd... Daar zwommen ze nu, mijn matrozen. Ieder van hen was een dolfijn geworden, behalve ik.

Nu was ik pas echt bang omdat ik dacht aan het vreselijke lot dat mijn deel zou worden, en ik stond te trillen op mijn benen. Maar Bacchus stelde mij gerust en zei: 'Wees maar niet bang, jou zal ik niets doen; vaar nu maar écht naar Naxus.' Zo kwam ik dus op Naxus aan en werd ik een volgeling van Bacchus."
 

Pentheus' straf

"Ik heb naar jou geluisterd" zei Pentheus "maar nu zal ik doen wat ik moet doen". En tot de soldaten zei hij: "Vlug, soldaten, neem deze man mee, folter hem, dood hem, stuur hem naar Styx!" De soldaten sleurden Acoetes mee naar de kerker, zetten ijzers klaar en maakten een vuurtje om hem te kunnen folteren. Maar opeens, zo gaat het verhaal, gingen de zware deuren van de kerker vanzelf open en gleden de ketens van Acoetes' polsen.

Nu was de maat vol voor Pentheus! Hij zou het nu wel zelf opknappen! Snel ging hij naar de Cithaeron-berg - daar kwamen de Bacchanten samen. In de verte hoorde hij de Bacchusfanaten al zingen. Pentheus was ondertussen zo razend geworden dat hij bereid was om alles en iedereen die hem voor de voeten zou lopen, uit te schakelen; hij kon de hele wereld verslaan!

In een krans van bomen lag een open veld. Toen Pentheus dat veld betrad, rende er een hysterische vrouw naar Pentheus en raakte hem aan met haar thyrsusstaf. Pentheus keek in het gezicht van de vrouw en zag... zijn bloedeigen moeder! Agauë riep haar beide zusters en zei: "Kijk, een everzwijn, we moeten het doden, zusters!" En dan vielen alle Bacchanten Pentheus aan. Die werd doodsbang, begon te roepen en bekende dat hij schuldig was en dat hij gezondigd had, maar het was vergeefse moeite.

De Bacchanten kwetsten Pentheus die het uitschreeuwde van de pijn. Smekend keek hij zijn tante Autonoë aan en zei: "Alstublieft, tantetje, help me dan toch, denk toch aan Actaeons schim!" Maar Autonoë wist nu niet eens meer wie haar zoon Actaeon was: ze rukte Pentheus een arm uit. Ino snokte Pentheus' andere arm van zijn lichaam. Hun slachtoffer kermde van de pijn; hij toonde zijn moeder de plaats waar zijn armen gezeten hadden en zei: "Kijk toch eens, mama..."

Dat waren zijn laatste woorden... Agauë, de vrouw die Pentheus gebaard had, juichte; het was haar gelukt! Ze had het hoofd van haar zoon uitgerukt, tilde het bloedende lichaamsdeel triomfantelijk omhoog en gilde: "Kijk, vriendinnen, onze jachttrofee!" Pentheus' lichaam, door de Bacchanten uiteengerukt, lag nu zielloos op de grond.

Dat was een ernstige waarschuwing, en sindsdien hebben Thebe's vrouwen zich altijd gewijd aan de eredienst van Bacchus, met wierookoffers bij zijn heilig altaar.