LIBER SECUNDUS

Phaëthon bij zijn vader, de Zon

Toen Clymene's zoon over het stijgende voetpad zijn vaders huis binnentrad, richtte hij zijn stappen meteen naar zijn vader maar bleef wel op een afstand staan: zijn ogen lieten hem niet toe dichterbij te komen. Phoebus zat op zijn troon in een purperen mantel die straalde van fonkelende smaragden. Aan zijn rechter- en linkerzijde stonden de Dagen, de Maanden, de Jaren, de Eeuwen en op gelijke afstand van elkaar ook de Uren. Daar stonden ook de nieuwe Lente, met bloemen omkranst, de naakte Zomer met graanguirlandes in haar arm, daarnaast de Herfst, besmeurd met platgetrapte druiven en de ijzige Winter met wilde en ruige haren.

De Zonnegod die in het midden zat, merkte met zijn allesziende ogen de jongeman op (die bang was in dat vreemd paleis) en vroeg: "Wat is de reden van je komst? Wat kom je doen in deze woning, jij, Phaëthon, die onloochenbaar mijn eigen kind bent?"

Phaëthon antwoordde: "O Licht dat overal schijnt! Vader, als je tenminste toestaat dat ik je zo aanspreek en als Clymene haar misstap niet verhult met een valse voorstelling van feiten, geef me een bewijs, vader, dat ik eindelijk kan geloven dat ik jouw zoon ben."

Zo klonken zijn woorden en zijn vader nam de stralenkroon die om zijn hoofd schitterde, af en wenkte hem naderbij te komen. Hij omhelsde hem en zei : "Je verdient niet dat men twijfelt aan je afstamming ... en daarbij, je moeder spreekt de waarheid. Opdat je hieraan niet meer zou twijfelen, mag je vragen wat je wilt. Ik zal ervoor zorgen dat je wens in vervulling gaat. De Styx, waarbij de goden zweren en die mij nooit ziet, is ook mijn getuige."

Nauwelijks had de Zonnegod deze woorden uitgesproken of Phaëthon vroeg om de zonnewagen met de gevleugelde paarden voor één dag te mogen mennen... De Zonnegod had er al spijt van dat hij gezworen had bij de Styx. Hij schudde het stralende hoofd en zei: "Was het maar mogelijk te weigeren wat je vraagt! Ik zeg je eerlijk: dat is het enige wat ik niet zou gegeven hebben. Ik kan je dit nog wel afraden, want wat je vraagt kan leiden tot je dood. Je vraagt iets dat noch met je krachten noch met je jeugdige leeftijd overeenstemt. Je bent een mens, Phaëthon, maar wat jij wenst gaat menselijke krachten te boven. Je reikt naar meer dan wat zelfs aan goden gegund is. Niemand - behalve ik - is in staat de zonnewagen te besturen. Zelfs de heerser op de Olympus die de verschrikkelijke bliksems slingert, kan deze wagen niet besturen. En wie is nu machtiger dan Jupiter?

Het begin van de tocht is steil; daar kunnen de frisse paarden maar moeizaam omhoog geraken. Het midden is het hoogste punt van de hemel; zelfs mij beangstigt het uitzicht daar op zee en aarde; dan bonkt mijn hart van angst. Het laatste gedeelte is steil bergaf en vereist een leiding met vaste hand. Tethys vreest gewoonlijk dat ik daar halsoverkop zal neerstorten. Voeg daarbij nog dat de hemel zich in een ononderbroken wenteling verplaatst, waarbij hij de hoge sterren meesleurt in een snelle draaiing. Ik zwoeg daartegenin en ik word niet overheerst door die snelheid.

Veronderstel dat ik je mijn wagen uitleen: wat zou je dan doen? Zul je dan de draaiende polen kunnen passeren zonder door hun snelheid te worden meegesleurd? Je denkt dat je tocht gemakkelijk zal zijn, maar het is een weg vol hinderlagen, tussen monsters door. Om op de juiste weg te blijven, moet je langs de horens van de Stier die je onderweg zult tegenkomen, langs de Schutter en de Leeuw met zijn felle muil, langs de Schorpioen die zijn scherpe scharen spant in een grote boog, en ook voorbij de Kreeft die hetzelfde doet, maar in een andere richting. Je zal het niet gemakkelijk hebben om de paarden te mennen door hun inwendig vuur dat ze uit hun muil en neusgaten blazen. Mij dulden ze nauwelijks, en als hun fel gemoed echt kookt, dan zijn ze koppig en verdragen ze de teugels niet.

Zoon, wees toch wijs, maak mij niet de schenker van een dodelijk geschenk, verander je wens nu het nog kan! Het bewijs dat ik je vader ben, is mijn angst voor je welzijn. Kies iets uit de onschatbare rijkdommen van hemel, aarde en zee en het zal je niet geweigerd worden! Slechts dit vraag ik je: zie af van wat geen gunst is maar een straf, Phaëthon! Waarom sla je nu je armen rond mijn hals als een smekeling? Hou op met twijfelen. Je zal krijgen wat je vraagt, dat heb ik gezworen bij het water van de Styx, maar doe alsjeblieft een verstandiger verzoek."

Zo beëindigde hij zijn vermaning. De jongeman bleef hem tegenspreken en zette zijn wensen door, brandend van verlangen naar dat paardenspan...
 

Liesbeth De Beul

3 LaWi

1996-1997
 

Phaëthon krijgt de zonnewagen

Samen gingen ze naar de prachtige zonnewagen, gemaakt van goud en zilver, waarin het zonlicht weerkaatste. Aurora had de purperen poorten van de rozenzaal in het oosten al geopend terwijl Phaëthon nog naar de wagen stond te kijken. De zonnegod gaf de Uren de opdracht om de paarden in te spannen toen hij Lucifer, de laatste ster, naar de aarde zag afdalen en merkte hoe rood de wereld kleurde. De vuurspuwende dieren deden zich te goed aan hun ruif vol ambrozijn en lieten zich gewillig het rinkelende tuig aangespen. De vader wreef Phaëthons gezicht in met goddelijke zalf tegen de hitte en zette tenslotte de stralenkrans op zijn hoofd.

De Zon slaakte diepe zuchten en gaf Phaëthon nog wat raad: "Phaëthon, je mag niet te kwistig zijn met de zweep, je moet je krachten sparen voor de teugels en geen steile routes nemen." Dan beschreef de Zon Phaëthons route en legde uit welke hemellichamen hij zou passeren. Hij mocht niet te hoog en niet te laag rijden. Aarde en hemel moesten gelijke warmte krijgen, anders zou een van beiden in brand kunnen schieten. Hij moest dus de middenweg nemen. Zijn vader bad tot Fortuna dat zij Phaëthon zou helpen.

Toen brak het ogenblik aan dat Phaëthon de wagen besteeg en hij niet meer op zijn beslissing kon terugkomen. Phaëthon was blij de teugels in handen te hebben en bedankte zijn vader, die dat liever niet had zien gebeuren...
 

Phaëthons tocht

De vier paarden van de Zon bliezen vlammen en hinnikten luid. Toen Tethys het hek geopend had, schoten ze snel weg. Door het lichte gewicht van Phaëthon schokte de wagen door de lucht en leek wel onbemand. De onervaren Phaëthon schrok van het geweld van de paarden en wist niet wat doen. Hoe kon hij greep krijgen op het span? Hoe kon hij in het oog houden waar de wagen heen moest? En als hij dat al zou weten, hoe zou hij dan de wagen daarheen kunnen loodsen?

Wat zich toen afspeelde, was nog nooit gebeurd. De Grote Beer werd warm door de zonnestralen en wou wegduiken in de zee die voor hem verboden terrein is; de Slang dicht bij het poolijs raakte verhit en kreeg nieuwe driften. Zelfs de Ossendrijver, traag door zijn wagen, vluchtte in paniek weg.

Phaëthon werd lijkbleek toen hij vanaf de duizelingwekkend hoge hemelboog de landen diep onder zich zag liggen. Toen speet het hem dat hij naar zijn afkomst had gevraagd. Hij wou weer kunnen geloven dat hij de zoon van Menops was, maar hij werd meegesleurd als een schip dat ten prooi gevallen is aan de golven. Bidden tot de goden scheen hem zijn laatste hoop toe. Wat kon hij anders doen? Achter hem bevond zich al een groot stuk lucht, maar voor hem lag een nog veel groter stuk. Met wanhoop in de ogen blikte hij naar het westen, dat hij door het noodlot nooit zou bereiken.

Toen bemerkte hij langs het pad dieren, enorm grote dieren. Hij kwam langs de Schorpioen... De jongen vierde de teugels toen hij zag dat de Schorpioen klaar was om toe te slaan. Zonder mennershand schoten de paarden weg door een onbekende luchtstreek. Niet wetend waar ze heen gingen en botsend tegen de sterren sleurden ze de wagen van de weg af. De Maan begreep niet dat de paarden van de Zon lager waren dan de hare.
 

De gevolgen van Phaëthons tocht

De wolken begonnen te roken en de hoogste toppen van de aarde brandden al. De grond spleet open en werd dor omdat alle vocht verdampte. Grasvlakten werden as, de bomen vlamden. Nog erger was dat hele steden met hun bevolking vernietigd werden. Alle bergen en vulkanen gloeiden, van de Athos tot de Olympus en de Alpen. De Etna brandde voor eenmaal zowel langs de buitenkant als langs de binnenkant... Phaëthon zag de aarde aan alle kanten in vuur staan, zelfs z'n wagen was gloeiend heet. Zijn zicht werd belemmerd door zwarte rook om hem heen. Hij wist niet meer waar hij was of waar hij heen ging.

Die dag kregen de Ethiopiërs hun zwarte kleur; die dag werd Libië een woestijn omdat door de gloed al het water was verdampt. De nimfen treurden om hun wateren die overal verdwenen waren. Zelfs grote, brede rivieren waren niet veilig want de rook steeg op uit de Don, uit de Peneius en nog vele andere stromen. De Xanthus, de zanderige Lykormas en de Meander kookten. De Eufraat in Babylon stond in brand samen met de Orontes, de Thermodon, de Ganges, de Phasis en de Donau. Het goud dat door de Taag vervoerd werd, begon langzaam te smelten. De zwanen die Lydië sierden, werden gestoofd. De zeven zandrijke monden van de Nijl waren nog slechts zeven geulen zonder water. De Strymon en de Hebrus droogden uit. Het water van de Rijn, van de Po, van de Rhône en zelfs van de machtige Tiber in het Avondland verdampten. Het aardvlak spleet uiteen en de goden van de onderwereld werden opgeschrikt door de plotse lichtinval. Het water van de zee trok zich terug, de zee werd een vlakte van droog zand waardoor nieuwe bergtoppen omhoog rezen en het aantal Cycladeneilanden groeide. Zeedieren zoals vissen en dolfijnen durfden zich niet meer uitleven. Zeehonden dreven levenloos op de golven. Er wordt verteld dat Nereus met zijn vrouw en dochters in lauwe grotten vluchtte. Driemaal waagde Neptunus zijn armen uit de zee op te richten, maar driemaal was de lucht te heet.
 

Kaat D'hooghe

3 LaWi

1996-1997
 

Moeder Aarde vraagt Jupiter om hulp

De geschroeide Aarde, ingesloten door de wegkwijnende oceaan, met uitgedroogde en uitdrogende bronnen en waterlopen, keek smekend naar de hemel terwijl ze haar ogen beschermde tegen het sterke zonlicht, en sprak plechtig tot Jupiter:

"Ik was liever vernietigd geworden door jouw bliksem dan door dit vuur. Want is dit misschien mijn beloning voor al mijn arbeid en vruchtbaarheid, voor het feit dat ik ieder jaar doorploegd wordt en gras laat groeien voor het vee, graan voor de mensen en wierook voor de goden? Neem nu nog aan dat ik een straf verdiend heb, wat heeft dan de zee, jouw broer, jou misdaan opdat het niveau van het water zou zo moeten verminderen? Als je niks om mij geeft of om je eigen broer, denk dan toch tenminste aan je eigen hemel: die brandt al en zal weldra instorten: Atlas kan nauwelijks de gloeiend hete hemelkoepel torsen. Als aarde, zeeën en hemel zullen vernietigd zijn, zal er opnieuw chaos heersen. Red dus wat er te redden valt!"

Toen zweeg de aarde; ze kon van de dorst niet verder praten, maar boog het hoofd en borg het diep in zichzelf, in haar grotten, dichter bij de doden.
 

Jupiter redt het heelal

Jupiter verzekerde de goden - en vooral de god die zijn wagen had uitgeleend - dat alles zou vernietigd worden als hij niet zou ingrijpen. Jupiter klom naar de hemel vanwaar hij gewoonlijk wolken uitzond, de donder liet dreunen en bliksemschichten naar beneden slingerde. Maar nu waren er geen wolken en kon Jupiter het niet laten regenen. Daarom liet hij een donderslag weerklinken en schoot met een wel gemikte bliksemschicht Phaëthon, de wagenmenner, van de zonnewagen. De paarden schrokken, steigerden en rukten zich los van de nu slaphangende teugels; de zonnewagen was herleid tot een hoop verspreid liggende wrakstukken...

Getroffen stortte Phaëthon neer van zijn verbrijzelde wagen terwijl zijn rosse haardos in brand stond. Hij viel in een grote boog door de lucht omlaag, zoals een ster uit een onbewolkte hemel omlaag valt. De Eridanus, een hoofdstroom van het westen, ving hem op in zijn water en waste het roet van zijn gezicht. De waternimfen van het Avondland begroeven zijn nog smeulend lichaam. Het grafschrift luidde: 'Dit is het graf van Phaëthon, de menner van de zonnewagen; hij overleed aan overmoed'.
 

Rouw van de ouders van Phaëthon

De verdrietige vader had zijn hoofd met een sluier bedekt en als wat verteld wordt, waar is, dan is er toen een dag geweest zonder zon. De hevige branden die overal woedden, zouden toen voor licht gezorgd hebben - dit was dan ook het enige nut dat de branden hadden.

Toen Clymene, Phaëthons moeder, alles had gezegd wat bij zo'n ramp gezegd kon worden, ging ze, verdwaasd door verdriet, met een gescheurd kleed in de rouw. Ze zocht de hele wereld af, eerst naar het lichaam van haar zoon, dan naar zijn gebeente. Toen ze dat gevonden had, begraven op een verre kust, knielde ze op het graf neer, liet haar tranen de vrije loop en omhelsde de grafsteen telkens ze de naam van haar overleden zoon las.
 

Rouw van Phaëthons zusters

De rouwende dochters van de zonnegod weenden hartverscheurend om de nutteloze dood van Phaëthon, hun broer, en sloegen zich klagend op de borst. Zij riepen elke dag opnieuw de naam Phaëthon zonder dat hun geroep ooit werd beantwoord, en ze knielden wenend bij zijn grafsteen neer.

Maanden later, toen ze zoals gewoonlijk hun rouwklacht uiten, wou Phaëthusa knielen op de grond, maar klaagde dat haar voet vast zat. Toen Lampetia wou helpen, zat ook zij al met wortels aan de grond vast en toen de derde zuster in wanhoop haar haren wou vastgrijpen, rukte ze bij zichzelf blaadjes af. Ze kermden dat hun benen ingesloten werden door een fijne stam, dat hun armen takken werden...

Terwijl ze hulpeloos toekeken hoe ze langzaam in bomen veranderden, riepen ze hun moeder om hen te komen helpen. De geschrokken moeder probeerde haar dochters een voor een te helpen en hen voor de laatste keer te omhelzen. Ze poogde hen zelfs los te rukken van de stam die hen begon te omsluiten, maar toen ze dat deed, brak ze dunne takjes af. Uit die wonden vloeiden druppels rood bloed... De in bomen veranderde dochters gilden en riepen: "Spaar mij toch, moeder, ik ben het die in de vorm van deze boom door jou gefolterd word!" Ze wilden nog afscheid nemen maar de schors deed hun laatste woorden verstommen. Sindsdien druppelen hun tranen omlaag en dat vocht stolt in het zonlicht tot barnsteen.
 

Cycnus verandert in een zwaan

Cycnus, de zoon van Sthenelus, was getuige van dit wonder. Hij was familie van Phaëthon aan moeders kant en een echte vriend. Hij had zijn volk, de Liguriërs, verlaten en leefde nu in rouw aan de oevers van de Eridanus, in het bos waar de dochters van de zon als barnsteenbomen stonden. Daar verloor hij zijn stem en witte veren vervingen zijn haren. Hij kreeg een lange nek en tussen zijn tenen groeiden zwemvliezen. Veren bedekten zijn lichaam en in de plaats van zijn mond kreeg hij een stompe snavel. Cycnus was een zwaan geworden die niet te hoog durfde vliegen uit angst voor Jupiters bliksem. Hij bleef dus veilig in het ondiepe water en bouwde zijn nest op de oever van de rivier.
 

De Zon wil niet meer schijnen

De zon, vader van Phaëthon, had in die periode van rouw zijn glans verloren en het was even donker als bij een zonsverduistering. Hij verafschuwde zichzelf en wou door zijn verdriet, dat hij mengde met al zijn haatgevoelens, nooit meer schijnen.

"Al die jaren heb ik dit eindeloos werk verricht! Nu mag een ander het eens overnemen, dat rijden met de zonnewagen, en als geen enkele god het aandurft, dan moet Jupiter zelf het maar doen. Als Jupiter de zonnepaarden ment, zal hij geen tijd hebben om met bliksems te gooien en zo een vader van zijn zoon te beroven. Als hij de inspanning ervaart die nodig is om die paarden te kunnen mennen, zal hij wel aanvaarden dat slecht mennen nog geen reden is om gedood te worden!"

Na deze woorden vormden de goden een kring rond de Zonnegod en smeekten hem om de zon opnieuw te laten schijnen. Jupiter bood zelfs zijn verontschuldigingen aan voor het slingeren van de bliksem die Phaëthon gedood had, maar sprak ook dreigende taal, zoals een oppergod betaamt. Toen spande de Zonnegod toch maar zijn paarden in en zweepte er, verdrietig en verblind door de razernij, fel op los, want hij verweet hen nog altijd de dood van zijn zoon.
 

Na de ramp van Phaëthon inspecteert Jupiter de wereld

Jupiter inspecteerde de hemel en keek of er iets door het vuur vernield was. Toen hij zag dat alles nog in goede staat was, inspecteerde hij ook de aarde en de huizen van de mensen. Maar het meest van al was hij beducht voor wat er in zijn eigen streek, Arcadië, gebeurd was. Daar deed hij bronnen en rivieren opnieuw stromen; hij deed het gras opnieuw groeien en de bomen opnieuw bloeien. En de aangetaste natuur bloeide weer open.
 

Hannah Pector

3 LaWi

1996-1997
 

Callisto

Jupiter en Callisto

Toen Jupiter druk doende was met zijn inspectietocht na de desastreuze rit van Phaëthon in de zonnewagen, ontmoette hij in Nonacris een wondermooi meisje, en onmiddellijk stond hij in vuur en vlam...

Callisto was de dochter van Lycaon, die door Jupiter in een wolf was veranderd. Callisto hield er niet van zich urenlang op te maken en te bestuderen in de spiegel. Ze hield evenmin van spinnen, maar wel van jagen, en ze trok graag aan de zijde van Diana door het Maenalus-gebergte. Haar sierlijkheid, zuiverheid en atletische bouw bekoorden Diana in hoge mate, maar voorkeur kan verkeren...

De dag die haar leven voorgoed zou veranderen, begon heel gewoon. Na een jachtpartij had Callisto zich uitgeput op de met gras bedekte grond laten vallen. Ze genoot van de koelte en staarde dromerig naar de blauwe hemel. Verscholen achter een boom sloeg Jupiter het tafereel gade. Omdat de verleiding zo groot was, besloot hij dat hij deze kans toch niet mocht laten liggen. "Hier zal mijn vrouw niets van weten, en als ze er iets van te weten komt, dan is het pleziertje dat ik ga beleven zeker een ruzie waard!", dacht Jupiter.

In de gedaante van Diana ging hij naar het meisje toe. Hij kuste Callisto, die zich natuurlijk van geen kwaad bewust was; maar toen ze de gloed in zijn ogen zag, besefte ze dat er meer in het spel was. Ze verzette zich met heel haar lichaam tegen Jupiter (als Juno dat maar had gezien!), maar ze moest zich uiteindelijk toch overgeven aan de lusten van de oppergod. Wat kan een eenvoudige nimf immers beginnen tegen Jupiter?

Nadat Jupiter vertrokken was, bleef Callisto achter, ontmaagd en gekwetst tot in het diepst van haar ziel. Ze vluchtte weg en liet haar boog en pijlen liggen.
 

Callisto wordt door Diana verstoten

Na een tijdje kwam Diana, omringd door de andere nimfen, opdagen en ze riep Callisto. Die hield zich aanvankelijk schuil in het struikgewas omdat ze vreesde dat het ook deze keer een list was van Jupiter. Toen ze evenwel zag dat Diana omringd was door een schare nimfen, liep ze hen, toch wat onzekerder dan voorheen, tegemoet. Hoe graag wou ze praten over wat haar overkomen was... Maar wie zou haar begrijpen? Diana begreep dat soort dingen niet. Bij haar kon ze haar verdriet, woede, machteloosheid, schaamte en afkeer niet kwijt.

Er waren al vele maanden voorbijgegaan. Op een dag stelde Diana voor om te baden in een meertje, en Callisto probeerde zich blozend op de achtergrond te houden. Dat lukte haar een beetje tot enkele nimfen speels haar kleed afrukten. Ze bedekte haar onderbuik waar de vorm van het kind van de oppergod (die ze zo haatte) zichtbaar werd, maar Diana had alles gezien. Ze verbood Callisto nog ooit terug te keren en joeg haar weg. Eenzamer dan ooit liep Callisto het bos in. Nu was ze alles kwijt, haar maagdelijkheid, haar waardigheid en haar vrienden.
 

Wraak van Juno op Callisto

Juno, de echtgenote van Jupiter, had gezien dat haar echtgenoot het weer niet had kunnen laten zijn genot te zoeken bij jonge meisjes (ze had echter niet gezien hoe Callisto zich verzet had). Haar haat groeide met de dag en had z'n hoogtepunt bereikt op de dag dat Callisto's zoon, Arcas, geboren werd.

Een nieuwe bastaard! Het ogenblik dat ze haar woede zou koelen, brak aan. Vervuld van wraak daalde ze af naar de bossen waar Callisto rondzwierf. Nadat Juno zich kenbaar had gemaakt, stootte ze Callisto ziedend omver. Ze projecteerde al haar woede op het meisje dat wanhopig en huilend haar armen ten hemel hief om hulp af te smeken. Maar Jupiter was blijkbaar met andere zaken bezig en kwam Callisto niet te hulp...

Callisto's nagels kromden zich; langzaam werden haar armen en haar lichaam (dat Jupiter zo bekoord had) bedekt met een bruine, harige vacht, haar lippen en mond (die Jupiter zo hartstochtelijk had gekust) werden een muil met stevige kaken, haar treurige, klagende stem veranderde in een jammerlijk gehuil. In haar nieuwe, vreemde berenlijf bleef alleen het hart van een meisje over dat te vroeg vrouw had moeten worden.

De bossen leken Callisto nog donkerder en dreigender dan voordien. Ze was doodsbang voor beren hoewel ze er nu zelf een was. 's Nachts kon ze de slaap niet vatten omdat ze steeds angstig luisterde naar de angstaanjagende geluiden van de nacht. Overdag werd ze over bergen en door bossen gejaagd door jageressen - van wie ze ooit zelf een was. Rusteloos en ongedurig zwierf ze rond, want overal loerde het gevaar en nergens voelde ze veilig. Het feit dat haar lot Jupiter koud liet, kwetste haar nog meer.

Zo ging het zestien jaren, tot op een dag haar zoon Arcas voor haar stond, geheel in jachtuitrusting, met pijl en boog op haar gericht. Als versteend staarde ze hem aan, ze kon haar ogen niet van hem afhouden. Arcas werd bang van het dier dat dwars door hem heen scheen te kijken en maakte aanstalten om zijn eigen moeder te doden.

Juist op dat moment greep Jupiter in. Hij tilde Callisto en Arcas op en gaf ze beiden een plaats aan de sterrenhemel, hoog boven de mensenhoofden. Nu staan ze nog altijd aan de hemel als de Grote Beer.
 

Juno is nog niet tevreden

Juno zag dat alles met lede ogen aan. Ze kon niet begrijpen dat Jupiter een slet als Callisto boven alle stervelingen verhief terwijl zij stond toe te kijken. Vernederd en barstend van nijd ging ze naar de diepten van de Oceaan waar Oceanus en Tethys, een oud godenpaar, woonden.

Toen ze haar vroegen wat haar zo diep in de Oceaan bracht, antwoordde Juno: "Een tweede vrouw heerst aan de hemel", en woedend voegde ze eraan toe: "Wat heb ik nog te betekenen? Men doet mijn vloek teniet! Als ik die del verbied nog langer door het leven te gaan als mens, maakt men er een godin van. Wat betekent mijn wraak dan nog? Ik smeek jullie, ban deze sterrenbeelden uit de zee, zorg ervoor dat ze nooit kunnen ondergaan in de Oceaan. Dit water is veel te puur om zo'n sloerie in te laten baden."

Het godenpaar willigde Juno's wens in. Daarna schoot Juno met haar kleurrijk pauwenspan (sinds kort zo kleurrijk door de ogen van Argus!) tevreden op uit het water dat hoog opspoot.
 

Willem Schamp

3 LaMt

1996-1997
 

Apollo en Coronis

Corvus de raaf

In dezelfde tijd kreeg ook de roddelzieke raaf plots zwarte veren. Voordien was hij verblindend mooi met zijn sneeuwwitte pluimen. Hij was als raaf even mooi als de meest volmaakte witte duiven, mooier dan sierlijk zwemmende zwanen, mooier dan de gakkende ganzen die het trotse Capitool bewaken. Maar zijn praatzucht bedierf zijn schoonheid, door zijn lange tong werd hij pikzwart.
 

De raaf betrapt Coronis op ontrouw

In heel Thessalië was er geen meisje zo mooi als Coronis van Larissa. Dat vond ook Apollo, zolang zij kuis was - of tenminste niet openlijk onkuis... Jammer voor Coronis betrapte de raaf, Apollo's vogel, haar met een ander! Omdat hij Apollo van dit slippertje op de hoogte wou brengen, vloog hij naar de godheid toe.

De kraai Cornix vloog nieuwsgierig met hem mee. Toen hij hoorde waarom de raaf naar Apollo wou, zei hij: "Ach, ondankbaarheid zal dus ook jouw deel zijn. Kijk wat er zo van mij geworden is. Als je wil weten hoe dat kwam, luister dan goed naar wat ik ooit zei, met de beste bedoelingen bezield.
 

Het verhaal van Erichthonius

Erichthonius, een baby die nooit in een moederschoot is gegroeid, was ooit door Minerva in een mand van Attisch vlechtwerk gestopt. De godin vertrouwde de mand toe aan de drie dochters van de draakmens Cecrops zonder dat de meisjes mochten zien wat de inhoud van het pak was. Ik verborg mij in de dichte takken van een olm en keek van daaruit wat er zou gebeuren. Twee van de dochters, Herse en Pandrosos bleven trouw aan wat Minerva hen had opgelegd maar de derde, Aglauros, schold haar zusters uit voor bangerds en peuterde de knopen los. Toen het mandje geopend was, zagen ze daarin een baby die deels mens, deels slang was.

Ik ging dit voorval vertellen aan de godin Minerva en als beloning stelde ze mij achter bij de nachtuil, die haar lievelingsvogel werd! Mijn straf is wel goede waarschuwing voor vogels dat ze op hun woorden moeten letten! En Minerva stond nochtans altijd klaar om mij te helpen als ik haar nodig had, vraag het haar zelf maar. Ze zal wel boos zijn, maar kwaad of niet, ze zal me zeker niet tegenspreken, want mijn verhaal is welbekend: Coroneus, een vermaarde koning van Phocis, was mijn vader.
 

Cornix verandert in een kraai

Ik was dus ooit een prinses en werd door heel wat rijke vrijers begeerd, maar ik zal nu vertellen hoe mijn schoonheid ooit bijna mijn ondergang werd. Op een dag wandelde ik met trage stapjes langs het strand - zoals ik tegenwoordig nog vaak doe - toen een zeegod mij opmerkte. Hij was op slag verliefd en trachtte mij voor zich te winnen met lieve woordjes en zachte smeekbeden. Omdat ik niet toegaf, wou hij mij dwingen en zette de achtervolging in. Weg van het vochtige zand liep ik naar het droge, mulle zand.

Daar raakte ik snel uitgeput en bad tot hemel en aarde, maar niemand hoorde mij, behalve Minerva. De maagd onder de goden kwam mij, de maagdelijke Cornix, te hulp. Ik strekte mijn armen hemelwaarts en plots werden ze bedekt met zwarte, donzen veertjes! Ik trachtte die vreemde mantel van mijn lijf te trekken maar merkte dat het verenkleed aan mijn huid vast zat. Huilend wou ik mijn vuisten ballen en op mijn blote borst slaan, maar ik kon mijn borst niet ontbloten en ik had geen vuisten meer. Tenslotte liep ik weg, maar niet zoals tevoren, met mijn voeten door het mulle zand. Nee, ik liet het strand los en vloog over het water. Van dan af was ik in alle eer en deugd Minerva's vogel. Het mooie liedje duurde echter niet lang want die eer moest ik aan Nyctimene afstaan toen ze na een vreselijke daad in een uil veranderde.
 

Nyctimene verandert in een nachtuil

Wat? Ken je het bekendste verhaal van heel het eiland Lesbos niet? Nyctimene werd, nadat ze met haar vader had geslapen, een uil die altijd het daglicht en de blik van de mensen ontvlucht; ze wordt gemeden door alle andere vogels en leeft, doodbeschaamd, enkel in het duister van de nacht..."
 

De raaf verwittigt tenslotte Apollo

Zo taterde Cornix maar verder en verder tot de raaf plotseling riep: "Alsjeblieft, maak dat je wegkomt met al je geklets! Dit brengt enkel onheil!" En zonder dat hij door al deze waarschuwende verhalen was beginnen twijfelen of hij Apollo wel of niet op de hoogte moest brengen van Coronis' ontrouw, zette de raaf zijn tocht naar de godheid voort. Hij vertelde Apollo tenslotte dat hij Coronis met een Thessaliër in bed had zien liggen...
 

Apollo doodt Coronis

Bij het horen van het slechte nieuws viel Apollo's lauwerkrans van zijn hoofd, zijn blik verstarde en zijn citerpen haperde; zijn hart kookte en zwol van boosheid. Hij greep naar zijn oude, vertrouwde pijlen, spande zijn prachtig afgewerkte boog en met een onontkoombaar schot trof hij Coronis' borst - die hij vroeger zo vaak tegen zich had aangedrukt. Coronis schreeuwde van pijn en rukte de ijzeren pijlpunt uit haar borst, waarna het bloed uit haar lichaam gutste en een rood spoor achterliet op haar blank lichaam. Ze riep Apollo haar laatste woorden toe: "Je had mij beter gestraft nadat ik ons kind had gebaard - nu sterft het samen met mij..."

Samen met haar bloed vloeide het leven uit haar weg en doodse kou nam al vlug bezit van haar zieltogend lichaam. Onmiddellijk - maar toch te laat - had Apollo spijt van zijn genadeloze wraak. Hij haatte zichzelf omdat hij zo boos geworden was door te luisteren naar de babbelzieke raaf, die rotvogel die hem zo'n boze daad was komen melden. Hij haatte zijn boog, zijn hand en die ondoordacht afgeschoten pijl; hij koesterde haar snel verzwakkend lichaam en wou haar lot bestrijden met vergeefse heelmiddelen: alle hulp kwam te laat.

Toen hij zag dat het niet baatte en de dood waarin zij weggleed al heel dichtbij was, slaakte hij diepe zuchten - want goden kunnen geen tranen laten vloeien; zo diep klonken zijn zuchten alsof ergens een koe loeide omdat ze zag hoe de moker in een mannenhand hoog op zwaaide voordat hij met een luide dreun de slapen van haar nog zogend kalfje zou verbrijzelen. Maar toen hij haar die laatste, nog niet verdiende dodeneer bewees, haar kuste en met reukwerk besprenkelde, kon hij de gedachte niet verdragen dat ook zijn zaad, samen met het lichaam van Coronis, op de brandstapel zou vergaan: hij ontnam het kind aan de dood en aan Coronis' moederschoot en vertrouwde het toe aan Chiron, de Kentaur. De raaf, die voor zijn dienst een beloning had verwacht, kreeg als straf van dan af pikzwarte veren.
 

Het kind van Apollo wordt door Chiron opgevoed; Aesculapius' toekomst

Chiron, de paardmens, was intussen zeer tevreden met de eervolle taak om een jongen van goddelijke afkomst te mogen opvoeden. Ocyrrhoë, die ooit door de nimf Chariclo aan de oever van de naar haar genoemde stroom was gebaard, kwam naar hem toe; haar rode haren hingen los op haar schouders. Ze was haar vader door diens wijze lessen reeds intellectueel voorbijgestreefd: ze had de gave om de toekomst te voorspellen. Toen ze als profetes in trance was geraakt, bezeten door de godheid die ze in zich liet wonen, sprak ze tot het kind:

"Groei maar op jij, tot de redder van de hele wereld. Steeds zullen mensen hun leven danken aan jouw kracht, want jij krijgt de macht om hun zielen te doen herleven. Maar zodra je die gave gebruikt, stoor je de goden en zal het vuur van Jupiter je tegenhouden. Je zult van een god in een schim veranderen, en van een schim weer god worden. Zo zal je lot tweemaal keren. En jij, mijn onsterfelijke vader, zult nog wensen om toch te kunnen sterven wanneer je lichaam, door giftig slangenbloed gewond, door pijn gefolterd wordt. Dan word je vanuit de hemel uit je onsterfelijkheid verlost wanneer de drie Schikgodinnen je levensdraad zullen breken..."

Ze was nog niet klaar met haar voorspellingen toen ze diep zuchtte; tranen biggelden langs haar wangen en ze zei: "Mijn noodlot haalt me in... Ik mag niet langer spreken... Mijn stem wordt van haar klank beroofd. Had ik door mijn waarzegkunst de woede van de goden maar nooit opgewekt, had ik maar nooit de toekomst gekend! Kijk, het lijkt alsof ik mijn mensenlichaam verlies, ik heb al zin om gras te eten en om in het wijde veld te galopperen... Ik word een paard, net als mijn vader! Maar waarom helemaal paard? Mijn vader was slechts half paard en hield nog de helft van zijn mensenlichaam over..."

Zo ging ze door met klagen, maar haar laatste zinnen waren nog slechts verwarde klanken, niet van een paard, eerder van een mens die een paard tracht na te bootsen. Na korte tijd kon zij enkel nog gehinnik uitbrengen; haar handen, die reeds bestonden uit vijf aaneengegroeide vingers en vijf tot een stuk hoorn aaneengegroeide nagels, zochten grasgrond; haar mond en hals verbreedden en haar mantel vormde nu een staart. Haar losse haarlokken, eerst tot op haar schouders hangend, vielen nu als manen opzij; haar gelaat en stem, en zelfs haar naam - "Hippe" - waren door dit wonder totaal veranderd.

De verandering van zijn dochter maakte Chiron droevig en hij smeekte Apollo om hulp. Tevergeefs echter, want zelfs Apollo heeft niet de macht om de bevelen van de oppergod te veranderen... En zelfs als Apollo dat had gekund, dan kon hij de woorden van Chiron niet horen: hij was nog in Elis.
 

EXCERPTUM SECUNDUM

Marc Knecht
 

Mercurius en Battus

Mercurius steelt Apollo's runderen

Op dat ogenblik liep Apollo nog in Elis rond in herdersplunje, een staf in zijn linkerhand, zijn herdersfluit in zijn rechterhand. Hij zocht troost voor zijn verloren liefde, Coronis, en liet zijn runderen afdwalen. Dat had Maia's zoon Mercurius gezien! Hij dreef de kudde listig weg, de bossen in. Niemand had de roof bemerkt behalve een oud mannetje uit de streek, een zekere Battus, die toezicht hield op de paardenstal van Neleus.

Mercurius nam hem terzijde en zei: "Beste vriend, ik ken je wel niet, maar als iemand naar deze kudde vraagt, zeg dan maar dat je ze niet gezien hebt. Als beloning geef ik je een pracht van een koe." Battus was in de wolken met de koe en antwoordde: "Maak je geen zorgen, beste vriend! Die steen daar zal eerder je diefstal verklappen dan ik!" en hij wees naar een steen.

Mercurius vertrok maar keerde korte tijd later terug, met een andere stem en in een andere gedaante. Toen hij Battus had bemerkt, riep hij: "Zeg, boertje, heb jij runderen zien voorbijkomen? Ik ben mijn runderen namelijk kwijt! Spreek op, je krijgt twee runderen - een koe en een stier - als je inlichtingen kunt geven."

Omdat de beloning verdubbeld was, riep de oude dadelijk "Ze zullen nu zowat aan de voet van die bergen zijn!", en ze waren inderdaad aan de voet van die bergen.

Mercurius barstte in lachen uit en zei: "Zo, oude, verraad je mij nu aan mezelf?". En omdat de oude hem eerst niet doorhad, herhaalde hij zijn woorden en veranderde de leugenaar in een steen die nog altijd "verklikker" wordt genoemd, hoewel de steen zelf die naam niet verdient.
 

Alexander Besant

3 LaMt

1997-1998
 

Mercurius en Herse

Mercurius vliegt naar Athene en raakt verliefd op de koningsdochter Herse

Daarna sloeg de boodschapper van de goden zijn vleugels uit en overvloog Munychia, een streek die Athene dierbaar is, en het bos nabij het hooggeleerd Lyceum. Traditiegetrouw werd op die dag door ongehuwde meisjes, met bloemenmandjes op het hoofd, een heilig offer naar Minerva's feestelijke burcht gebracht.

De gevleugelde god zag hun stoet terugkeren en hij wijzigde zijn traject; in plaats van rechtdoor te vliegen, begon hij in een kring te vliegen, net als een snelgewiekte gier die offervlees ruikt; afgeschrikt door de vele offerdienaars cirkelt hij rond en houdt zich op behoedzaam op een afstand, maar oogt gretig naar de lekkere prooi. Net als zo'n gier bewoog de begerige Mercurius zich in sierlijke bochten boven de burcht van Athene. Te midden van haar vriendinnen wandelde Herse in de stoet; zij was het mooiste sieraad, fonkelend als een gouden maan, helderder dan Lucifer en alle andere sterren.

Begeesterd door haar schoonheid zweefde Mercurius door de lucht en begon te gloeien als een loden kogel die weggeslingerd is door een slingeraar van de Balearen. Hij vloog in de richting van de wolken en tijdens zijn vlucht kreeg hij het benauwd: hij stond in vuur en vlam voor de mooie Herse! Toen daalde de god naar de aarde af, zonder enige vermomming, zozeer was hij (en terecht!) overtuigd van zijn grote charmes.

Toch liet hij niet na zijn uiterlijk nog even bij te werken: hij streek zijn lokken glad, schikte zijn kleed zodat het netjes in plooien viel en de gouden zoom goed zichtbaar was. Daarna nam hij zijn staf ter hand die slaap verwekt of slaap verjaagt, en poetste nog eventjes zijn elegante vleugelschoenen op.
 

Mercurius' liefde voor Herse wordt gedwarsboomd door haar zuster Aglauros

Verderop in het paleis bevonden zich drie met ivoor en schildpad versierde slaapvertrekken, aan de rechterkant dat van Pandrosos, links dat van Aglauros en in het midden dat van Herse. Aglauros had het eerst Mercurius' komst opgemerkt en vroeg, hem strak aankijkend, naar de naam van de godheid en naar de reden van zijn komst.

Mercurius stelde zich voor als kleinzoon van Atlas en Pleione, zoon van Maia en Jupiter, die in opdracht van zijn vader berichten bracht. "Ik vertrouw je dit toe in de hoop dat je je zus niet zult verraden en dat je mijn schoonzuster wilt worden. Ik kom voor Herse. Wees alsjeblieft vriendelijk voor haar minnaar."

Aglauros bekeek Mercurius met dezelfde intense blik als daarnet, vroeg hem voor haar bemiddeling een groot gewicht aan goud en verbood hem nog naar het paleis te komen.
 

Minerva helpt Mercurius

Toen richtte de krijgsgodin Minerva haar verstoorde blik op Aglauros en slaakte een zo diepe zucht dat niet alleen haar borst, maar ook haar borstschild trilde. Ze herinnerde zich maar al te goed dat het meisje op een achterbakse manier, tegen de afspraak in, het moederloze schepsel Erichthonius had begluurd. En zou zij zich nu verrijken met het goud van Mercurius, zo hebzuchtig afgedwongen om haar zus behulpzaam te zijn?

Minerva begaf zich vlug naar het met donker gif besmeurde huis van Vrouw Jaloezie. Dat bevond zich diep in een dal, onbereikbaar voor zon en voor wind, somber en vervuld van een ijzige kilte; het was een huis waar nooit de vlammen van de haard gedanst hadden, een huis omgeven door mist. Daar trok de gevreesde oorlogsgodin heen.

Ze hield stil bij de deur want ze mocht nooit binnen; ze tikte op de deurpost met haar speerpunt. Op haar geklop zwaaide de deur open. Binnen ontwaarde Minerva Vrouw Jaloezie, gretig genietend van stukken slangenvlees, de inspiratiebron voor haar listen. Dit tafereel deed Minerva terugdeinzen. Vrouw Jaloezie stond moeizaam recht, liet het half opgevreten slangenvlees op de grond achter en kwam langzaam naderbij.

Terwijl ze Minerva (mooi van lichaam en wapens) bekeek, kreunde ze en grijnsde vals. Ze was heel bleek, haar lichaam uitgemergeld, haar blik opzij gericht, haar gebit met de kleur van roest, haar hart vervuld van woede en haar tong zwanger van gif. Lachen kon ze alleen om iemands verdriet, slapen was onmogelijk omdat ze achtervolgd werd door angstbeelden. Ze was heel afgunstig op het succes van anderen en kwijnde weg door jaloezie. Daarvan genoot ze met volle teugen, maar terzelfder tijd was het een bron van kwelling zodat haar genot haar kwelling was.

De godin Minerva, vervuld van haat, beet haar een kort bevel toe: "Ga met je drankjes een dochter van Cecrops vergiftigen; doe wat ik je zeg! Aglauros is haar naam." Zonder nog een woord te spreken verwijderde Minerva zich en met behulp van haar lans duwde ze zich weg van de grond. Vrouw Jaloezie volgde met scheve ogen hoe Minerva wegvloog en mompelde iets omdat ze niet graag die godin haar zin gaf. Toch greep ze haar met doornen omwonden staf en begaf zich, omsluierd door donkere wolken, naar de burcht van Athene. Op haar pad vertrappelde ze bloeiende gewassen, verschroeide het gras, trapte papaverbollen stuk en met haar adem blies ze gif uit over mensen, steden en huizen.

Aglauros kwijnt weg van jaloezie

De burcht van Athene, symbool van rijkdom, macht en feestelijke vrede, deed haar in tranen uitbarsten omdat zij niemand anders tot huilen kon dwingen. Toen ze de slaapkamer van Cecrops' dochter had betreden, voerde ze haar opdracht uit. Ze raakte het meisje aan en om haar nog meer te kwellen, bracht ze haar eerst op de hoogte van de liefdesband van haar zuster met de razend mooie god.

Daarna begon ze haar opdracht uit te voeren. Ze plantte puntige stekels in het hart van Aglauros, blies kwaadaardig gif in haar lichaam, spoot een pikzwart venijn door al haar beenderen en deed dit doorsijpelen tot in haar longen. Door deze aanslag verkommerde Aglauros in stille smart en kreunde van de pijn. Diep ongelukkig en aangevreten door het gif smolt ze weg als een plakje ijs bij zonneschijn, ze werd verteerd zoals een stapel onkruid door het vuur verteerd wordt: de distels ontvlammen niet, maar smeulen langzaam weg. Even langzaam kwijnde Aglauros weg, denkend aan Herse's groot geluk.

Liever stierf ze dan dat groot geluk te moeten aanschouwen... Hoe graag zou ze dat 'zondig spel' aan haar strenge vader verklikken! Tenslotte nam ze plaats bij de voordeur om Mercurius de toegang te ontzeggen. Vleien en lieve woordjes vanwege de god baatten niet om binnen te raken en zij snauwde hem toe: "Geef het maar op. Ik zal hier niet wijken voordat ik jou verjaagd heb." Waarop Mercurius antwoordde: "Dat is dan zo afgesproken."

De voordeur was al geweken voor zijn goddelijke staf en in haar poging om uit gehurkte houding recht te komen, werd ze overvallen door een zware onmacht om te bewegen.

Aanvankelijk probeerde ze om met gestrekte rug recht te staan, maar haar beide knieën werden stram, de stijfheid kroop tot ver in haar teennagels. Haar aders werden bleek door gebrek aan bloed, zoals dit soms gebeurt bij een uitzaaiende kanker die alles overwoekert. Een doodse kilte nestelde zich in haar hart, zodat haar adem stokte en haar doodsstrijd begon.

Ze deed dus geen poging meer om te spreken. En als ze had geprobeerd, dan was het haar niet gelukt want haar keel was immers tot steen verhard, haar mond verstard. Daar zat ze, gevoelloos als een stenen beeld. Geen wit beeld, maar een zwart, zo zwart als haar ziel was geweest!
 

Kristof Cailliau

3 LaWi

1996-1997
 

Jupiter en Europa

Mercurius krijgt een nieuwe opdracht van Jupiter

Mercurius werd na zijn lange vliegreis bij Jupiter ontboden die hem opdroeg: "Beste zoon, jij die me altijd trouw bijstaat in alles, ga naar de aarde langs de vertrouwde weg en zoek het land dat tegenover je moeders sterrenbeeld ligt, Sidon genoemd. Je zult er al van ver de koninklijke stieren in een wei niet ver van de zee zien grazen; jij moet die stieren naar het strand drijven."

Jupiters woorden waren nauwelijks uitgesproken of de kudde liep al gedwee richting strand waar Europa, de prinses, vaak het gezelschap van haar Tyrische vriendinnen opzocht. Om haar niet af te schrikken veranderde Jupiter zich in een stier: een prachtig dier, dat met de andere stieren statig door de grasvlakte liep. Hij had een huid als ongeschonden sneeuw, een gespierde nek, kleine maar mooie horens en als sterkste wapen: een vredige kop die vertrouwen inboezemde.

Agenors dochter keek op van zijn schoonheid en vreedzaamheid. Eerst durfde ze hem, ondanks zijn charme, niet strelen, maar na verloop van tijd hield ze hem toch bloemen voor. Zo zag hij wat hij verlangde dichterbij komen en speels likte hij haar handen, dartelde om haar heen en rolde zich in het gouden zand. Langzaam verdween alle angst bij Europa en in een speelse bui klom ze op de rug van de stier.

Nu zag de god zijn kans schoon en haastig stapte hij op de branding af, de zee in. De prinses zag angstig haar land achter zich verdwijnen terwijl Jupiter dwars door zee zijn buit meevoerde. Ze omklemde met een hand een hoorn terwijl haar andere hand zich afzette tegen zijn rug. De wind speelde met haar losse kleren...