LIBER PRIMUS
 
Inleiding tot de Metamorphoses

Ik zal vertellen over gedaanten die in andere gedaanten werden veranderd. Goden, geef mij inspiratie voor dit werk, want jullie hebben veel van deze gedaanteveranderingen tot stand gebracht. Begeleid mij dus vanaf het ontstaan van de wereld tot aan mijn eigen tijd.
 

Kevin Dereyne

3 LaWi

1997-1998
 

Het ontstaan van de wereld

Bij het ontstaan van de wereld was er niets anders dan complete chaos

Voordat zee, land en lucht apart bestonden, zag de hele natuur er hetzelfde uit; men noemde die ongevormde en ongeordende massa Chaos. Geen zon of maan verlichtten deze wereld, er was nog geen aarde waar de lucht omheen lag, er waren geen stranden of kusten waar land en water elkaar raakten. Aarde, zee en lucht waren ergens en nergens, geen element bestond op zichzelf. Alles was terzelfder tijd koud en warm, vochtig en droog, hard en zacht, zwaar en licht.
 

Na de Chaos de Kosmos

Een godheid maakte uit de Chaos iets leefbaars: na die ingreep straalde de zon vanuit de hemel; daaronder lag de lucht en onderaan bevond zich de aarde, omspoeld door water.
 

De schepping en inrichting van de aarde

Toen alle elementen hun plaats hadden gekregen, stelde die godheid orde op zaken. Hij kneedde de aarde tot een ronde bol. De zeeën begonnen te bewegen en de eerste stormen die uitbraken, verspreidden het water over alle continenten. Ook kwamen de eerste moerassen, meren, bronnen en stromen te voorschijn. Ze werden door hun oevers tegengehouden en mondden uit in zee waar ze oevers voor stranden verwisselden. De wereld was opgesplitst in drie elementen: aarde, water en lucht...

Open velden ontstonden, bergen en dalen werden gevormd en de eerste planten en bomen ontkiemden. De aarde kende van dan af dezelfde indeling als de hemel: vijf banen, met in het midden de evenaar, de warmste plaats op aarde en daarom onbewoonbaar. Tussen de koude noordpool en het warme evenaarsgebied, en tussen diezelfde evenaar en de zuidpool lagen gematigde zones, waar winter en zomer elkaar afwisselden. In de lucht boven de aarde, vond die godheid, moest er nevel kunnen zijn, regen, donder, bliksem en geweld van winden.
 

De vier winden

De wereldarchitect liet de winden niet allemaal uit dezelfde richting waaien maar liet hen blazen naar verschillende kanten. Door hun ongetemde kracht en hun onderlinge ruzies konden ze overal grote schade veroorzaken. Eurus, de oostenwind, waaide vanuit Arabië en Perzië, landen waar de bergen schitterden in het ochtendlicht; Zephyrus, de zachte westenwind, blies vanuit het land waar het strand zich verwarmde aan het dalend zonlicht. Boreas, de ruwe noordenwind, waaide uit de kille noordelijke contreien; Auster, de zuidenwind, veroorzaakte niets dan donkere wolken en regen.
 

De hemel en de voltooiing van het heelal.

Boven de hemel met de winden plaatste hij de aether, die geen gewicht had. Nauwelijks was het uitspansel compleet of langs de hemel lichtten sterren op, waarvan vele samen een groep vormden die men sterrenbeelden noemde; ze waren vroeger al wel aanwezig maar bleven aan het zicht onttrokken door dichte wolken. Van dan af fonkelden alom sterren en werd de hemel bewoond door goden. In het water kwam leven door vissen en andere waterdieren, op het land kwamen de roofdieren te voorschijn en in de lucht spreidden vogels hun vleugels.
 

Het ontstaan van de mens

Er ontbrak nog een wezen dat intelligenter was dan de dieren: de mens, met besef voor het goddelijke, bestemd om over alles te heersen. En de mens ontstond om de wereld nog leefbaarder en beter te maken dan ze al was.

Prometheus, zoon van Japetus, schiep de mens naar het beeld van de goddelijke heersers. De mens onderscheidde zich van de dieren doordat hij rechtop liep: hij werd met het hoofd rechtop geboren opdat hij alles zou kunnen waarnemen. De aarde, die eertijds vormeloze klomp, kreeg een heel nieuw uitzicht door de komst van de mens.
 

De Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren eeuw

De Gouden Eeuw

In de Gouden Eeuw leefden de "gouden" mensen: iedereen was gelukkig, eerlijk en rechtschapen; niemand kende angst of vreesde straf. Iedereen was eerlijk tegenover alleman, er zat geen kwaad in de mensen. Bijgevolg moesten er geen wetten opgesteld worden en moesten geen rechters vonnissen vellen; toch leefde iedereen veilig. Geen bomen werden omgehakt om boten te maken, die later de zee zouden bevaren om andere landen te ontdekken; iedereen was volmaakt gelukkig waar hij nu was.

Doordat overal vrede heerste, moesten er geen grachten gegraven worden om steden te versterken, geen wapenuitrusting moest gebruikt worden voor een leger. Geen akkergronden moesten worden bewerkt of geploegd, alles groeide immers vanzelf. De mensen plukten vol vreugde alle mogelijke soorten vruchten... Er was eeuwige lente waarbij zachte westenwinden waaiden over de bloemen. Nu kiemde ook het graan en schoten de halmen op over de velden die nooit bewerkt waren... Er was overvloed aan alles!
 

De Zilveren Eeuw

Toen het mooi leven verdween door de verbanning van Saturnus, brak een mindere tijd aan waarin Jupiter de macht had: de tijd van de "zilveren" mensen. Die tijd was wel slechter dan de Gouden Eeuw, maar men leefde nog altijd in vrede. De eeuwige lente werd afgewisseld door andere seizoenen; zomer, herfst en winter keerden jaarlijks terug. De heldere wolken van voordien kleurden nu grijs en donker en het werd veel kouder, de mensen moesten huizen bouwen om zich tegen de seizoenen te beschermen. Dieren moesten de mensen helpen om voedsel te bekomen omdat vruchten en graan niet meer vanzelf groeiden. Zo moesten ossen ploegen voorttrekken om de akkers te bewerken.
 

Yoeri Torsy

3 LaWi

1997-1998
 

De Bronzen en de IJzeren Eeuw

Daarna kwam de derde "eeuw", de generatie van brons. Ze was ruiger dan de vorige en veel vechtlustiger, maar nog niet slecht. De laatste generatie echter was van staalhard ijzer en beoefende elke vorm van ondeugd die men zich kan indenken: in plaats van eergevoel, trouw en waarheid ontstonden listigheid en bedrog, intriges en geweld en vervloekte hebzucht.

Vroeger was de grond, net als de lucht en het zonlicht, voor iedereen die er gebruik van wou maken, nu werd de grond door landmeters lijnrecht afgepast. De aarde werd niet alleen gebruikt als bron voor voedsel, maar men waagde zich ook in de ondergrond om alles wat zich daar bevond te ontginnen, tot dicht bij de onderwereld. Men haalde ijzer boven en goud - een metaal dat aanzet tot grenzeloos kwaad. Er werden oorlogen gevoerd om het bezit van dat goud; en die oorlogen werden uitgevochten met ijzeren wapens.

Men leefde van roven: wie gastvrij was, werd bestolen door zijn gast, schoonvaders werden bestolen door hun schoonzoons. Broederliefde werd uiterst zeldzaam: een man vermoordde zijn vrouw - of andersom, stiefmoeders mengden vaalgroen gif, zonen vroegen naar de stervenskansen van hun vaders... Alle eerbied was verdwenen. Als laatste god verliet Vrouwe Justitia de aarde, die nu met misdaad besmeurd was.
 

De Gigantomachie

Aanval van de giganten op de goden

Niet alleen de aarde, maar ook de hemel was niet meer veilig. Giganten, kinderen van de aarde, stapelden de Pelion op de Ossa en vielen de goden aan. Toen kwam Jupiter in actie. Hij slingerde een bliksemschicht dwars door de Olympus en stootte de Pelion van de Ossa. De woeste reuzen werden verpletterd door hun eigen gewicht en moeder Aarde werd doordrenkt door het bloed van haar eigen zonen. Om nog enig aandenken van haar kinderen te bewaren, schonk zij weer nieuw leven aan het warme vocht en deed er mensen uit ontstaan. Maar die gedroegen zich even vijandig tegenover de goden als hun voorgangers. Ze waren twistziek en belust op moord en doodslag. Ze lieten er geen twijfel over bestaan dat ze een uit bloed ontstaan ras waren...
 

Lycaon

Jupiter roept een godenvergadering bijeen om maatregelen te nemen tegen de zonden op aarde

Toen Jupiter dat gezien had vanuit de hemel, slaakte hij een diepe zucht. Hij moest denken aan het gruwelijke maal in het huis van Lycaon en voelde zijn woede opkomen. Hij riep een godenvergadering bijeen.

Er liep een weg omhoog, de Melkweg, herkenbaar aan zijn lichtglans. Die weg leidde naar het paleis van Jupiter, de oppergod. Aan weerszijden woonden de doorluchtigste goden. Deze plaats zou terecht de Palatijn van het hemelrijk genoemd kunnen worden.

Daar zetelden de goden in de Marmerzaal van Jupiters paleis. Jupiter zelf zat op zijn troon, steunend op zijn scepter. Hij schudde enkele malen vervaarlijk het hoofd en sprak verontwaardigd: "Toen onlangs de Giganten trachtten de hemel te overmeesteren, was ik niet erg bezorgd om de macht over de wereld. Het waren natuurlijk gevaarlijke vijanden, maar het kwaad kwam van één bepaalde groep en uit één bepaalde richting. Nu echter moet heel het mensdom vernietigd worden: het slechte moet kapotgemaakt worden voor het goede wordt aangetast. Want bij de mensen wonen heel wat aardse goden en natuurdemonen, nimfen en faunen, saters en het volk van Pan dat in de bergen leeft. Wij willen ze geen plaats in de hemel geven, maar we moeten er wel voor zorgen dat hun land bewoonbaar is. Hoe kunnen ze daar nu veilig leven als daar voor mij een val werd uitgezet door die schurk Lycaon?" De goden riepen verhit om wraak. Jupiter bedaarde het rumoer, waarna hij verder sprak.
 

Jupiter licht de goden in over Lycaon

"Wees gerust: Lycaon heeft zijn verdiende loon gekregen. Zijn slechte faam was mij al meermaals ter ore gekomen. Om ze te onderzoeken daalde ik van de Olympus af en trok als mens door de aardse landen. De werkelijkheid was erger dan wat ik gehoord had! Achter het Arcadisch gebergte lag de woning van die heerser. Door tekens maakte ik duidelijk dat er een god in huis was. De mensen knielden in gebed, maar Lycaon lachte hen uit en zei dat hij eerst wou bewezen zien dat ik wel een god was.

's Nachts wou hij mij in mijn slaap vermoorden, maar eerst keelde hij met zijn dolk nog een krijgsgevangene, kookte diens ledematen en roosterde de rest boven het vuur. Toen hij mij dit voorzette, liet ik het dak instorten. Hij vluchtte weg in doodsangst.

Ver weg jankte hij hoewel hij trachtte te roepen: zijn mond verklankte zijn bloeddorst. Van dan af richtte hij zijn moordlust op dieren in het veld: hij werd een wolf. Kleren werden vacht, armen en benen werden poten. Toch toonde hij nog tekens van zijn oude staat: dezelfde bruingrijze kleur, dezelfde wreedheid, zijn ogen lichtten even fel en hij zag er nog even woest uit. Daarmee werd nog maar één huis van kwaad te gronde gebracht. Daarom is mijn voorstel dat heel het mensdom gestraft wordt."
 

De godenvergadering geeft Jupiter toestemming om de mensheid te vernietigen

Jupiters woorden werden op applaus onthaald. Toch hadden de goden enige spijt dat het mensdom zou worden uitgeroeid. Zou Jupiter de dieren de aarde laten beheersen? Jupiter beloofde echter dat hij een nieuwe mensensoort op een miraculeuze wijze zou laten geboren worden. Aanvankelijk was hij van plan het mensdom te vernietigen door het met zijn bliksem te treffen, maar hij bedacht zich: de godenhemel zou wel eens vuur kunnen vatten! Daarom koos hij ervoor om alle mensen in een zee van golven te laten omkomen.
 

Sven Cogge

3 LaMt

1996-1997
 

De zondvloed

Jupiter liet terstond de noordenwind in de grot van koning Aeolus opsluiten samen met alle andere winden die regenwolken verdrijven; dan stuurde hij de zuiderstorm uit. Die verhief zich op zijn natte vleugels, zijn bars gelaat betrokken door zwarte mist, de baard doornat van de regen, zijn grijze haren één en al water, en nevelslierten langs zijn voorhoofd. Zodra hij met één armbeweging brede wolkenlagen had samengeperst, dreunde de donder, dichte regenbuien plensden neer. Dan zoog ook Iris, Juno's boodschapster, getooid in zeven kleuren, een massa water op dat ze als voedsel naar de wolken bracht. Op aarde werd het koren neergestriemd; die hoop en toeverlaat van de boeren lag gebroken op de aarde - een triest schouwspel, want een jaar hard werken was tevergeefs geweest.

Maar Jupiters toorn beperkte zich niet tot het hemelruim; hij kreeg hulp van zijn broer Neptunus die de stromen optrommelde. Toen die in zijn paleis waren aangekomen, zei hij: "Ik moet niet veel uitleg geven. Al wat ik van jullie verlang, is: laat jullie krachten de vrije loop, daaraan is er nu behoefte. Open jullie beddingen, breek al wat in de weg staat en geef jullie wateren de vrije teugel!"

Thuisgekomen lieten de stromen hun water de vrije loop en wild wentelde het zeewaarts. Neptunus zelf beukte met zijn drietand op de aarde die trillend en schokkend plaats ruimde voor de watermassa's. Rivieren kolkten breed en wijd over weerloze velden; bossen, graan, mensen, dieren, huizen en tempels werden meegesleept. En als er al eens een huis de stortvloed overleefde, dan keerde het water terug en omsloot het dak; zo verdwenen zelfs torens onder de golven...

Er was geen onderscheid meer tussen aarde en zee, tussen beiden was er nergens nog kust te bespeuren. De mensen vluchtten heuvels op, sprongen in roeiboten, trokken aan de riemen waar tot voor kort nog boeren ploegden. Ze voeren boven het koren, boven verzonken daken van villa's; iemand ving een vis in de top van een olm. Een anker vond onverwachts steun in groene weigrond, wijngaarden werden stukgevaren door gebogen kielen en waar zo-even nog slanke geitjes op mals gras kauwden, lag nu een zeehond uit te rusten.

Verwonderd zagen de dochters van Nereus onder water nu een stad vol huizen liggen, een bos waarin dolfijnen zwommen, hoog tussen de takken door - hun staart sloeg soms tegen de stammen. Tussen een kudde schapen zwom nu een wolf; de zee kende nu ook tijgers en leeuwen; everzwijnen hadden niets meer aan hun gebalde kracht, herten hadden niets meer aan hun snelheid; zelfs vogels speurden nu naar een plek waar ze nog konden landen, maar stortten dan met vermoeide vleugels ergens in de golven neer. Het water bedekte de heuvels en bergtoppen voelden voor het eerst de regelmaat van de golfslag. En als er al schepsels waren die aan het water ontsnapten, dan kwamen ze om van honger en ontbering...
 

Deucalion en Pyrrha

Dicht bij Attica lag Phocis, eens een vruchtbaar land maar nu een deel van de zee. Daar rees een trots gebergte met twee spitsen naar de hemel: de Parnasus, met zijn toppen die tot in de wolken reikten.

Toen Deucalion daar met zijn echtgenote in een bootje bleef steken, riepen ze de goden van die bergstreek aan en knielden neer voor Themis, de voorspellende godin van het recht. Geen man die rechtschapener of edeler was dan Deucalion, geen vrouw die meer respect had voor de goden dan Pyrrha.

Toen Jupiter de aarde door het water verzwolgen zag en merkte dat er slechts één man en één vrouw van zoveel duizenden in leven waren gebleven, beiden onschuldig, beiden vol ontzag voor de goden, liet hij de noordenwind de regenwolken uiteendrijven en gaf de lucht weer uitzicht op het land, en het land op de hemel. Ook de toorn van het water week; Neptunus liet zijn drietand zakken, hij streek het water glad en riep om Triton. Hij vroeg hem luid te blazen op zijn holle schelp en al wat stroomde en vloeide te gebieden zich terug te trekken.

Triton greep dus naar zijn schelp waarvan de holle draaiingen tot een wijde toeter opengingen en die, toen hij de adem van zijn meester voelde, aan alle landen en kusten zijn klank deed horen. Het bevel tot de terugtocht weerklonk en op alle landen en zeeën werd het water bedwongen. De zee kreeg weer land te zien en diepe rivieren vonden hun bedding terug, want hun water zakte; men zag weer heuvels oprijzen waar het water week en na verloop van tijd lieten de bossen hun kaal gespoelde boomtoppen zien met slibberige slierten zeewier op de plaats van het loof.

De wereld was dus teruggekeerd naar wat hij vroeger was, maar toen Deucalion de woestenij aanschouwde, sprak hij tot Pyrrha met een van tranen verstikte stem: "Mijn vrouw, mijn zuster, laatste vrouw die leeft op aarde, aan wie ik eerst verwant was door familie en geslacht, daarna door huwelijksband, en met wie ik nu verbonden ben door gevaren - wij twee zijn de enigen die nog resten van de hele wereld. En zelfs nu zijn onze kansen op overleven nog niet groot, want er zijn nog overal wolken. En jij - stel je voor dat je helemaal alleen, zonder mij, aan het noodlot was ontsnapt, hoe zou je je dan voelen? Hoe zou je, zo eenzaam, je angst overwinnen? Wie zou je troosten in je verdriet? En als de zee jou van het leven had beroofd, dan zweer ik dat ik je gevolgd was tot de zee ook mij verzwolgen had... Ach, kon ik maar met Prometheus' kunsten nieuwe mensen scheppen, nieuw leven blazen in een uit klei gemaakte vorm! Nu is het hele mensenras alleen in ons beiden bewaard, wij alleen blijven over door de wil van de goden..."

Beiden huilden en besloten hulp te vragen aan het orakel. Ze knielden bij het water van de Cephisus dat - nog steeds niet helder - nu wel weer de oude bedding volgde. Toen ze een handvol druppels over hoofd en kleren hadden gesprenkeld, sloegen ze het pad in naar de tempel van Themis.

Het dak van de tempel was nog grijs van het zeewier en er brandde geen vuur bij de altaartafels. Aangekomen bij de treden knielde het echtpaar eerbiedig neer; ze kusten huiverend de koele steen en spraken hun gebed uit: "O Themis, als de goden gevoelig zijn voor onze oprechte smeekbeden, als hun toorn daarvoor wil wijken, zeg ons dan hoe wij dit verlies aan mensen op aarde kunnen goedmaken; help ons, godin, na deze watersnood!"

Hun woorden ontroerden het hart van de godin; het orakel antwoordde: "Ga heen, sluier jullie hoofd, maak jullie dichtgeknoopte mantels los en werp de botten van jullie grote moeder in jullie voetspoor."

Ze waren stomverbaasd; lange tijd zwegen ze tot Pyrrha riep dat ze weigerde de bevelen van het orakel op te volgen; ze smeekte huiverend om vergiffenis omdat ze niet naar Themis wou luisteren maar huiverde even hard bij de gedachte dat ze de schim van haar moeder zou krenken door met haar gebeente te gaan gooien! Ze bespraken en overdachten het duistere antwoord van het orakel steeds weer, ze bleven een verklaring zoeken tot Deucalion met een opbeurend woord zijn vrouw geruststelde: "Ach we kunnen ons vergissen, maar orakels willen toch nooit kwaad stichten? De grote moeder is, denk ik, de aarde, en de stenen in het lijf van de aarde zullen dan wel de botten zijn. 'Werp die in jullie voetspoor', werd ons gezegd..."

Pyrrha was ingenomen met de verklaring van haar man, al was de uitkomst nog onzeker; hun vertrouwen in het orakel kwam er niet onmiddellijk! Maar waarom niet proberen? Ze gingen dus weg van de tempel, knoopten hun kleren los en wierpen stenen in hun voetspoor. En die stenen - wie had het kunnen geloven als deze geschiedenis niet allang bekend was? - raakten kou en stijfheid kwijt en werden langzaam zacht; zacht geworden kregen ze wat vorm, groeiden snel en hadden een zachtaardig karakter; en toen het zover was, kon men een menselijke vorm ontwaren, als een vroeg begin bij het kappen van een marmeren beeld - het is nog lang niet afgewerkt, maar de eerste ruwe vorm is er al. Ieder bestanddeel dat voorheen van aarde was en vochtig, door wat voor sappen ook, fungeerde nu als mensenvlees; wat hard was, groeide uit tot botten en wat zopas nog ader was, behield dezelfde naam. Daar namen de door mannenhand geworpen stenen volgens de wil der goden het uiterlijk aan van mannen, en uit het werpen van de vrouw ontstonden nieuwe vrouwen. Wij mensen zijn dan ook gehard en tegen veel bestand, een duidelijk bewijs van datgene waaruit wij geschapen zijn...
 

EXCERPTUM PRIMUM

Marc Knecht
 

Apollo en Daphne

Uit de vochtige aarde ontstaat de Python

Toen langzaam aan het vocht uit de aarde verdampte, begonnen ook veel kiemen die nieuw leven in zich droegen, als in een moederbuik te groeien; ze kregen stilaan eigen vormen. Het water had dus vruchtbaarheid gebracht over de aarde, zoals de Nijl dat jaarlijks in Egypte doet. Vocht en warmte - ogenschijnlijk tegenstrijdige elementen (is vuur geen vijand van water?) - waren in evenwicht gebracht en zo kwam nieuw leven tot stand.

De aarde baarde ontelbare soorten dieren, die ze deels hun vroegere gedaanten gaf, maar deels ook nieuwe vormen. Zonder het zelf te willen bracht de aarde ook een reuzenslang voort, de Python, een monster zoals nog nooit door mensenogen was aanschouwd, een huiveringwekkend schrikbeeld.
 

Apollo doodt de Python

Apollo, die tot dan toe gewend was zijn boog te gebruiken voor de jacht op gems of reebok, schoot op de Python bijna zijn hele pijlkoker leeg. De Python stortte dood ter aarde, bloedend uit ontelbare wonden.

Apollo wou dat de herinnering aan deze roemrijke daad bewaard zou blijven en stelde een naar het monster genoemde wedstrijd in, de Pythische spelen. Wie daar in worstelwedstrijd, in hardlopen of in wagenwedrennen de beste was, ontving er een erekrans van eikenbladeren, want de laurier bestond nog niet. Apollo moest toen de lange lokken van zijn sierlijk hoofd nog tooien met loof van andere bomen.
 

Apollo beledigt Cupido

Daphne, de dochter van Peneus, was de eerste liefde van Apollo. Dat was geen toeval maar een gevolg van de wraak van Cupido. Apollo, apetrots op zijn overwinning op de Python, bemerkte Cupido die bezig was zijn boog te spannen. Geringschattend zei hij: "Zeg eens, snotneus, wat doe jij daar met een wapen dat alleen maar aan mijn schouders past? Ik heb met dat wapen tenminste al een gevaarlijke vijand gedood; het enige wat jij met die boog uitvreet, is mensen in liefde doen ontvlammen! Wil je daarvoor in het vervolg een fakkel gebruiken in plaats van het wapen van mijn triomf?"
 

Cupido wreekt zich

De zoon van Venus was spinnijdig geworden en had teruggeroepen: "Het kan best zijn, Apollo, dat jouw boog alles kan treffen; maar ik zal jou met mijn boog treffen!" En na die woorden had hij postgevat op een van de toppen van de Parnasus. Twee pijlen haalde hij uit zijn koker: een pijl met een loden punt, die alle liefde verdrijft, had hij afgeschoten op een nimf, Daphne, de dochter van Peneus; een pijl met een gouden punt, die in liefde doet ontvlammen, had hij afgevuurd op Apollo.

Onmiddellijk stond Apollo in lichterlaaie voor Daphne, die van zijn liefde natuurlijk niet wou weten. Ze wou alleen maar jagen, gekleed in dierenhuiden, als een nieuwe Diana. Haar vader mocht aandringen op een huwelijk, vragen dat ze hem kleinkinderen zou geven, niets baatte. Ze smeekte Peneus dat hij haar zou toelaten haar hele leven maagd te zijn, en tenslotte stond haar vader dat, zeer tegen zijn zin, toe.

Maar juist haar schoonheid belette dat haar wens in vervulling kon gaan. Apollo was immers smoorverliefd op haar geworden! Hij droomde van haar, verlangde naar haar en werd misleid door zijn eigen zienerskunst. Hij zag hoe haar onverzorgde lokken op haar schouders vielen en probeerde zich voor te stellen hoe mooi ze zou zijn als die haren opgebonden waren; hij zag haar ogen fonkelen, bewonderde haar veelbelovende lippen, liet zijn blik gaan van haar vingers naar haar handen, haar armen, haar...

Maar Daphne sloeg op de vlucht en wat Apollo ook riep om haar op hem te laten wachten, ze bleef niet staan. Hoe hij haar ook smeekte en probeerde te overtuigen, ze bleef maar lopen. Het leek wel of de snelheid van haar vlucht haar schoonheid nog deed toenemen... Apollo verdubbelde zijn snelheid en gedragen door de vleugels van de liefde begon hij de nimf in te halen: ze voelde al zijn adem in haar nek.

Uitgeput bad ze tot haar vader: "Vader, jij die stroomgod bent, jij hebt de macht om mijn schoonheid te veranderen. Help me toch!" En terwijl ze die woorden uitsprak, werd ze bevangen door stijfheid. Haar borst werd ingesloten door een dunne bast, haar armen groeiden uit tot takken, haar vingers tot twijgen en haar haren tot loof. Haar voeten die zonet nog zo snel waren, werden nu tegengehouden door wortels; haar hoofd was een kruin geworden. Alleen haar schoonheid was in haar blijven bestaan.

Apollo hield nog steeds van haar, ook al was ze dan een boom geworden. Hij legde zijn hand op de stam en voelde haar hart nog kloppen onder de nieuwe schors, hij omhelsde haar stam als was het nog een lichaam, hij kuste het hout - maar het hout boog van zijn kussen weg. Toen zei Apollo: "Je kunt mijn vrouw niet worden, maar je zult voor altijd mijn boom blijven. Kransen van jouw twijgen zullen mijn lier, mijn boog en mijn lier sieren. Jij zult Romeinse triomfators begeleiden op hun tocht naar het Capitool. Zoals ik altijd mijn haar lang draag, zo zul jij altijd je bladeren behouden." En het scheen Apollo toe dat de laurierboom instemmend knikte met de kruin, alsof het nog een hoofd was...
 

Evelyne Coussée

3 LaWi

1996-1997
 

Io

De riviergoden haar vader Peneus

In Thessalië stuwde de Peneus die ontsprong in het Pindus-gebergte, zijn wateren doorheen het bosrijke Tempe-dal. Door een grote waterval vormde hij nevelgordijnen en mistslierten, waarbij zijn druppels tot in de hoogste bomen vlogen en zijn gedonder door de omgeving raasde. Daar huisde die machtige stroom, tronend in de grotten die hij in de rotsen had gemaakt, daar sprak hij recht over nimfen en rivieren.

Daarheen kwamen ook de andere stromen van het land, niet goed wetend of ze Daphne's vader moeten gelukwensen of troosten. Allemaal waren ze aanwezig: de Spercheius, de Enipeus, de Eridanus, de Amphrysus, de Aias en alle anderen die hun water moeizaam in kronkels zeewaarts voeren, elk langs een eigen bedding.
 

Een rivier ontbreekt: de Inachus

De enige afwezige was Inachus; die zat stilletjes te treuren omdat zijn lieftallige dochter Io onvindbaar bleef. Hij wist niet of zij nog in leven was of al onder de schimmen vertoefde, maar hij vreesde het ergste. Jupiter had haar ontmoet en ze had hem zo behaagd dat hij op alle manieren haar gunst trachtte te winnen. Hij had haar zelfs gevraagd de schaduw van het bos op te zoeken en had eraan toegevoegd :"Je hoeft niet bang te zijn om alleen het bos in te gaan want de heerser over de goden zal je met de grootste zachtheid beschermen."

Maar zijn moeite om haar te winnen was tevergeefs: angstig zette ze het op een lopen. Ze had reeds de landerijen van Lerna en het Lycaeisch bosland achter zich gelaten, toen de god de aarde in ondoordringbare duisternis hulde. Dat was de enige manier waarop hij haar kon te pakken krijgen om zich aan haar te vergrijpen.

Juno was stomverbaasd toen ze merkte dat het op klaarlichte dag plots zo donker werd als de nacht. Toen ze met zekerheid kon zeggen dat de dampen niet uit een rivierbedding opstegen, begon ze argwaan te krijgen. Die achterdocht groeide nog toen haar echtgenoot nergens in de hemel te ontdekken was; in hevige toorn riep ze uit :"Als ik me niet bedrieg, word ik bedrogen." Ze gleed omlaag naar de aarde en gebood de duistere nevels te wijken.

Jupiter echter had een voorgevoel van Juno's komst en had Io voor alle zekerheid in een koe veranderd. Maar ook in haar veranderde gedaante behield Io haar lieftalligheid. Juno deed alsof ze van niets wist (alhoewel ze de list van haar echtgenoot natuurlijk doorzien had) en vroeg waar het toch wel prachtige dier vandaan kwam. Jupiter moest zijn toevlucht nemen tot leugens en verklaarde dat zij uit de aarde voortkwam. Maar Juno bracht met een sluwe vraag haar man aardig in de problemen: kreeg ze het bekoorlijke dier als geschenk?

De oppergod wist niet wat te doen want weigeren zou zeker Juno's achterdocht opwekken. Liefde dwong hem tot het ene maar weerhield hem van het ander. Hij wikte en woog zorgvuldig de mogelijkheden af maar moest ten einde raad toch zwichten voor de innemendheid van Juno. Met bezwaard hart droeg hij het gevraagde geschenk over aan zijn echtgenote. Toch kon Juno de angstgevoelens niet geheel van zich afzetten en gebood de zoon van Arestor, Argus met zijn honderd ogen, de arme Io te bewaken.
 

Io wordt, als koe, bewaakt door Argus

Argus was een zonderling wezen met honderd ogen waarvan er om beurt twee rustten terwijl de anderen de waakten. Waar Io zich ook bevond, nooit was het haar gegund om buiten het bereik van Argus' blik te blijven. Het lot van de arme Io was wreed want bij daglicht mocht ze grazen, maar zodra de zonnewagen achter de horizon verdween en Somnus zich over de mensen ontfermde, werd haar eens zo lieflijke hals aan zware kettingen vastgelegd. Haar voedsel bestond uit bladeren en met modderig water moest zij haar dorst lessen. Als bed moest ze de grond gebruiken, zelfs wanneer die niet bedekt was met een dun laagje gras. Toen ze haar klachten probeerde te uiten, weerklonk alleen een akelig geloei dat zelfs haar schrik aanjoeg.

Toen ze op zekere dag een blik wierp in het heldere water van de Inachus, deinsde ze verschrikt terug. Het deed haar immens veel pijn dat zelfs haar eigen vader haar niet lieflijk streelde maar haar slechts afgeplukt gras aanreikte. Ze likte haar vaders handen en liet haar hete tranen stromen. Als ze nu had kunnen spreken, had ze tenminste hulp kunnen vragen...

Met haar poot maakte ze een teken in de zandgrond en bracht zo haar vader op de hoogte van haar vreselijke lot. Hangend aan de hals en horens van de sneeuwwitte koe riep Inachus ontzet: "Ben jij het kind naar wie ik overal heb gezocht? Je kunt niet antwoorden en niet praten, alleen mijn vragen met loeien beantwoorden? Ik droomde van een huwelijksfeest en hoopte op een schoonzoon en ja, zelfs op kleinzoons, maar nu behoor je tot het vee en doet elke aanblik mijn mooie dromen vervagen. O, mocht een spoedige dood mij van deze kwelling bevrijden! Maar ik ben een god en voor mij zullen de poorten van de onderwereld nooit opengaan; ik zal wegkwijnen van verdriet." Maar Argus duwde hem weg en sleurde Io mee naar afgelegen weiden. Hij nam plaats op een hoge bergtop vanwaar hij een goed zicht had.
 

Mercurius moet Io bevrijden

Jupiter had het tafereel uit de hemel gevolgd. De hevige liefde die Jupiter nog voor Io voelde, zette hem ertoe aan de veroorzaker van Io's pijn te doden. Hij liet deze taak over aan zijn zoon Mercurius die, nadat hij zijn vleugelschoenen had aangebonden en zijn staf had genomen, zich haastig naar de aarde begaf. Daar ontdeed hij zich van alle goddelijke instrumenten en hield alleen de godenstaf nog in zijn handen. Daarmee nam hij de gedaante aan van een herder die met een herdersfluit zijn geiten door de rustige weiden dreef.

Argus had Mercurius al vlug opgemerkt en hem uitgenodigd om naast hem op de rotsblok plaats te nemen. Mercurius ging op dit verzoek in en probeerde op alle mogelijke manieren de loerende ogen van Argus in slaap te sussen. Toen de sluimer zich van hem dreigde meester te maken, probeerde hij verwoed wakker te blijven en vroeg aan Mercurius naar de afkomst van de merkwaardige rietfluit. Mercurius gaf daar met genoegen gehoor aan en vertelde daaromtrent het volgende verhaal:

"Eens leefde in Arcadië, in de koude bergen bij Nonacris, een beeldschone nimf. Door haar vriendinnen werd ze Syrinx genoemd. Maar al te vaak hadden opdringerige saters en ja, zelfs goden die zich graag in de schaduwrijke bossen ophielden, haar liefde trachten te winnen. Dat alles was tevergeefs geweest want zowel haar kuisheid als haar levensstijl had ze aan Diana toegewijd. In jachtkledij leek ze wel Diana zelf te zijn met dat verschil dat Diana's boog van goud was en de hare van hoorn. Toen ze op een keer terugkwam van de Lycaeus-berg, merkte Pan haar op en ook hij kon niet weerstaan aan de knappe verschijning. Maar wat hij ook verzon, de nimf bleef doof voor zijn woorden.

Ze vluchtte voor zijn aandrang doorheen de uitgestrekte velden tot ze de zandbank in de Ladonstroom bereikte. Ze zou zelfs aan haar achtervolger zijn ontsnapt als niet water haar snelle loop stuitte. Toen smeekte ze in haar angst tot haar waterzusters om hun bescherming om niet in handen van haar achtervolger te vallen. Reeds was Pan nabij en net toen hij dacht de begeerde buit te grijpen, hield hij in plaats van de nimf een moerasriet in zijn handen...

Teleurgesteld zuchtte hij en dat gezucht verwekte een zachte, klagende weerklank in het riet. Compleet verrast door deze nieuwe vondst riep hij: 'Zo zullen we voortaan samen blijven!' Daarop nam hij enkele rietstengels die zich van elkaar onderscheidden in grootte, voegde ze aaneen met was en noemde ze Syrinx. Haar naam zou voor eeuwig blijven voortleven in de rietfluit."

Dit alles vertelde Mercurius toen hij plots merkte dat ook de laatste oogleden van Argus zich hadden gesloten. Onmiddellijk zweeg de bode der goden en streek met zijn staf behoedzaam over alle honderd ogen om de verdoving nog te versterken. Bliksemsnel greep Mercurius zijn zwaard en trof Argus daarmee op de plaats waar zijn hoofd aan de nek vastzat. Daarna duwde hij hem van de rots zodat zijn bloed een blijvend spoor op de helling achterliet. Argus was stervende. Zijn eens zo waakzame ogen hadden zich nu voorgoed gesloten. Maar toch zou hij nooit vergeten worden want Juno zou de lichtjes van zijn eens zo fonkelende ogen opnemen in haar pauwenstaart.

Juno wreekt zich op Io

Ze had zitten toekijken vanuit de hemel. Hevig vertoornd besloot ze haar wraak niet langer uit te stellen. Ze vervulde het hart van de gehate minnares met een onnoemelijke angst. Het was net alsof ze door een schrikgodin werd achtervolgd. De waanzin nabij joeg ze voort door alle landen van de wereld. Maar aan de oever van de Nijl was ze aan het einde van haar krachten. Door eindeloos leed overweldigd viel ze voorover op haar knieën en terwijl ze haar hoofd en hals naar de hemel richtte, smeekte ze tot Jupiter om haar van alle ellende te verlossen.

Haar smekende woorden troffen Jupiter en medelijdend richtte hij zich tot zijn bedrogen echtgenote. Terwijl hij haar teder omarmde, vroeg hij Io uit haar vreselijke lot te bevrijden. De godin liet zich overreden nadat Jupiter bij de Styx had gezworen dat Io geen hinder meer zou zijn voor hun huwelijk. Nauwelijks had ze toegegeven of Io werd weer de oude...

Haar gezicht werd weer als zoals dat van een mens, haar vacht verdween van haar lichaam, haar horens verschrompelden en groeiden weg, haar ogen werden weer zoals vroeger en de brede bek nam weer de vorm aan van een mond. Haar schouders en armen keerden terug en de hoef kreeg de vorm van een sierlijke mensenhand. Niets bleef over van de koe, alleen de glanzende witte kleur. Zij kon nauwelijks geloven dat ze weer een menselijk gedaante bezat. Opgetogen richtte ze zich op maar durfde niet te spreken. De herinnering aan het koe-achtig geluid had haar bang gemaakt. Pas na enige tijd waagde ze het enkele woorden uit te brengen.
 

Nargez De Taeye

3 LaMt

1996-1997
 

Phaëthon

Io's zoon Epaphus beledigt Phaëthon

Io was een godin geworden, vereerd door het priesters in lange witte gewaden. Jaren waren voorbijgegaan. Haar zoon Epaphus, uit zaad van Jupiter ontstaan, was even oud als Phaëthon, de zoon van de Zonnegod. Telkens die vertelde over zijn afkomst, deed hij dat altijd met veel opschepperij. Op een dag, toen hij daar voor de zoveelste keer mee bezig was, werd Epaphus kwaad en riep:"Geloof jij nu alles wat je moeder je zegt? Dat verhaal over je vader is gewoon een leugen!"

Phaëthon kreeg een blos; hij was sprakeloos en ontzet, maar vertelde toch aan zijn moeder wat Epaphus gezegd had. "En moeder", zei hij, "ik, die toch een grote mond kan opzetten, heb me niet eens verdedigd tegen deze belediging. Alstublieft, als ik echt een goddelijke vader heb, geef me daar dan een bewijs van."

Clymene was vertederd door de smeekbeden van haar zoon Phaëthon. Ze was nijdig over deze krenkingen, strekte haar armen uit naar de hemel, wees de zon aan en zei : "Ik verzeker je, mijn zoon, dat die Zon, aan wie de aarde licht en warmte ontleent, jouw vader is." Ze stelde hem voor, om haar woorden te bevestigen, dat hij zijn 'vader' zou opzoeken. En Phaëthon ging onmiddellijk in op het voorstel van zijn moeder. Hij droomde al van het hoge luchtruim en verliet Ethiopië, zijn geboorteland, om naar India te trekken. Daar aangekomen ging hij naar de woning van zijn vader.
 

Het paleis van de Zonnegod

Het indrukwekkende paleis van de Zon rustte op hoge zuilen. Het schitterde fel van goud, het koperwerk straalde vuur uit; de gevelvelden waren bedekt met glanzend ivoor en de dubbele poorten straalden van zilverig licht, want Vulcanus had er de zeeën die het land helemaal omgeven, afgebeeld, alsook de aarde en de hemel die zich over de aardbol welft. De zee bevatte azuurblauwe goden: de blazende Triton; Proteus die makkelijk van gedaante kon veranderen, Aegaeon die met zijn honderd armen op walvisruggen leunde; Doris en haar kinderen waarvan een deel aan het zwemmen was, terwijl een ander deel zijn zeegroene haren zat te drogen en nog een ander deel op een vissenrug reed. Ze hadden wel niet allemaal dezelfde gelaatsrekken, maar toch waren ze ook niet volledig verschillend, zoals dat meer voorkomt bij zusters. Op de aarde stonden mensen, steden, bossen, dieren, nimfen en andere goden van het veld afgebeeld. Boven dit alles was de stralende hemel afgebeeld; zes tekens van de dierenriem stonden op de rechterdeur, zes op de linkerdeur.