Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"

Pompeius Magnus

Gnaeus Pompeius Magnus, 106-48 voor Christus, zoon van Pompeius Strabo, Romeins veldheer en staatsman van ridderlijke afkomst. Hij volgde geen politieke, maar een militaire loopbaan, die hij begon onder de leiding van zijn vader. Na de landing van Sulla bij Brundisium in 83 sloot Pompeius zich met drie legioenen bij hem aan en vocht met hem tegen de aanhangers van Marius. Na diens dood won hij Sicilië voor Sulla terug en stak toen over naar Afrika, dat hij in 40 dagen in bezit nam en waar hij Hiempsal op de Numidische troon herstelde. Sulla verleende hem daarop de eretitel Magnus en onder druk van Pompeius een triomf (79).

Sulla's dood bracht daarop de Marianen in beweging. Resten van hun in Italië door Pompeius verslagen legers vluchtten naar Sertorius in Spanje. P ., die nog nooit een ambt had bekleed, dwong de senaat hem, met het imperium proconsulare bekleed, naar Spanje te zenden, waar hij evenwel tot de komst van Metellus geen succes boekte. Definitieve resultaten kwamen trouwens pas tot stand toen Sertorius' opvolger Perperna was verslagen en gedood. Pompeius pacificeerde en romaniseerde het land op milde wijze. Bij zijn terugkeer naar Italië (71) vielen hem 5000 man van het door Crassus verslagen leger van Spartacus in handen; een tweede triomf volgde hierop.

Tijdens het consulaat dat hij in 70 samen met Crassus bekleedde, werd o.m. het door Sulla beknotte volkstribunaat hersteld. Een verwijdering van de optimates en Crassus was het gevolg. In 67 werd P ., die in Rome groot aanzien genoot, op voorstel van Gabinius belast met de oorlog tegen de zeerovers, waarvoor hij met grote volmachten werd bekleed. Na in drie maanden zijn taak met succes te hebben volbracht, ontving hij begin 66 op voorstel van de volkstribuun Manilius samen met de provincies Bithynia en Cilicia het opperbevel tegen - Mithridates, die hij niet ver van de Eufraat versloeg. Mithridates' bondgenoot -Tigranes van Armenië gaf zich over en behield zijn rijk, maar moest Syrië en andere gebieden afstaan en tribuut betalen.

Mithridates' stamland werd voorlopig tot provincie gemaakt en de Eufraat werd de grens met de Parthen. In de winter van 64 op 63 herstelde Pompeius de rust in Syrië, dat ook provincie werd en na de val van Jeruzalem met Judaea werd uitgebreid. Door gebiedsvergroting verplichtte Pompeius ook naburige vorsten aan zich.

In de volgende winter - Mithridates had intussen zelfmoord gepleegd en zijn zoon Pharnaces vrede met Rome gesloten - trof Pompeius nadere regelingen voor Azië. Na een bezoek aan de wijsgeer Posidonius op Rhodus keerde hij vervolgens naar Rome terug waar intussen een heftige partijstrijd was ontbrand. Caesar en Crassus hadden getracht de afwezige Pompeius schaakmat te zetten, o.a. door bepaalde wetsvoorstellen te torpederen. Tot ieders verbazing ontbond P, na zijn landing te Brundisium het leger; in september 61 vierde hij daarop een schitterende triomf.

Zijn hoofddoel, verdeling van land onder zijn veteranen en bekrachtiging van zijn in Azië getroffen regelingen, stuitte echter op verzet bij de optimates, die hem niet vertrouwden. Zo vond Pompeius de weg naar Caesar, die voor 59 tot consul werd gekozen en Pompeius ook met Crassus verzoende. Het hierop volgend verbond, dat het eerste triumviraat wordt genoemd, werd door Cato het begin van het einde van de vrije republiek genoemd. De eigenlijke machthebber hierin was P ., wiens wensen nu vervuld werden en die Caesars dochter lulia huwde. Intussen bleef Rome onrustig. Een nieuwe toenadering van Pompeius tot de optimates leidde tot de terugroeping van de eerder door Pompeius in de steek gelaten Cicero, in wiens verbanning de volksman - Clodius de hand had gehad. Bovendien ontving Pompeius in 57, tegelijk met het oppertoezicht op de graanvoorziening voor het hele rijk voor de tijd van vijf jaar, uitgebreide volmachten.

In 55 sloot het driemanschap te Luca een nieuw verbond, nu in alle openbaarheid. Hierbij werd aan Crassus en Pompeius het consulaat voor 55 toebedeeld. Daarna zou, ieder voor vijf jaar, Pompeius de Spaanse provincies en Crassus Syrië krijgen, terwijl Caesar Gallië behield. Als consul voltooide Pompeius zijn theater, dat met prachtige spelen werd ingewijd. Na zijn ambtstermijn vertrok Crassus naar het Oosten, Pompeius echter liet, onder voorwendsel van de cura annonae, Spanje door een legaat besturen en bleef in Italië, waar de anarchie hem niet onwelgevallig was. Bestuurloosheid - in 54 vonden er geen consulsverkiezingen plaats, moordpartijen (Titus Annius Milo}, plunderingen en branden deden tenslotte de senaat besluiten aan Pompeius het herstel van de orde op te dragen. Zo werd hij in 52 consul sine collega. Na herstel van de orde liet hij de senaat zijn Spaans commando met vijf jaar verlengen. In 54 stierf Julia. Nadat in 53 ook nog Crassus bij Carrhae gesneuveld was, spitste de machtsstrijd tussen Pompeius en Caesar zich toe. De laatste dong naar het consulaat voor 48. Na afloop van zijn Gallisch mandaat op 1 maart 50 voelde hij zich als ambteloos burger bedreigd. Aangezien een compromis uitgesloten was, rukte Caesar, nadat de staat van beleg afgekondigd was, de Rubico over, die de grens was van zijn provincie (49}. Zijn snelle opmars deed Pompeius, de magistraten en de senaat hals over kop Rome verlaten. De door Caesar achtervolgde Pompeius stak naar Illyrië over, waar hij tot opperbevelhebber werd benoemd. De westelijke provincies met uitzondering van Africa capituleerden voor Caesar. Deze werd, na zijn terugkeer naar Rome, tot dictator benoemd en voor 48 tot consul gekozen. Alle onderhandelingen met Pompeius mislukten. Nog in 49 stak Caesar daarom naar Griekenland over, waar hij op 7 juni 48 bij Pharsalus Pompeius een beslissende nederlaag toebracht. Diens plan om bij Ptolemaeus XIII, de zoon van de door hem steeds geprotegeerde Ptolemaeus Auletes, zijn toevlucht te zoeken mislukte, daar hij bij zijn landing te Pelusium op bevel van de jonge vorst werd vermoord.

Pompeius was een groot organisator op militair en politiek terrein en voelde zich verantwoordelijk voor het hele rijk. Hij miskende echter zijn eigen mogelijkheden en die van zijn tegenspelers en dit werd zijn ondergang. Zijn uiterlijk is uit portretten en van munten bekend.

Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"