Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"

Claudius

Tiberius Claudius Nero Germanicus, onder de naam Claudius Caesar Augustus Germanicus vierde keizer van Rome. Claudius werd op 1 augustus 10 voor Christus in Lugdunum (Lyon) geboren als de jongste zoon van Tiberius' broer Nero Claudius Drusus (maior) en Antonia minor, de dochter van Marcus Antonius en Octavia. Zijn vader stierf reeds het jaar daarop.

Vanaf zijn prille jeugd tot in zijn jongelingsjaren had Claudius allerlei kwalen, waarvan de gevolgen zich op volwassen leeftijd vooral in motorische storingen manifesteerden. Hij kon wegens zijn zwakke knieŽn moeilijk lopen en bovendien trok hij met zijn rechter voet; zijn hoofd en handen beefden voortdurend, hij stotterde en bij opwinding liep hem het speeksel uit de mond. Door zijn familie, zelfs door zijn eigen moeder, werd de jonge Claudius als een last beschouwd. De ziekelijke jongen werd verwaarloosd en overgelaten aan de ruwe zorgen van een stalknecht. Afgezien van Herodes Agrippa bestond zijn naaste omgeving uit mensen van geringe afkomst, voornamelijk vrijgelatenen. De enige die zich enigermate voor Claudius geÔnteresseerd heeft was keizer Augustus, maar ook deze liet hem niet in het openbaar optreden om een blamage van de keizerlijke familie te voorkomen. De toga virilis ontving Claudius in 6 na Christus te middernacht zonder enig ceremonieel.

Deze vreugdeloze jeugd heeft natuurlijk haar stempel gedrukt op Claudius' karakter en verklaart voor een groot deel zijn latere schuchterheid, zijn angstcomplexen, zijn gebrek aan zelfstandigheid en zijn machteloosheid tegenover resolute vrijgelatenen en vrouwen.

Toch was Claudius niet van talent verstoken: hij hield zich veel bezig met studie en gaf als keizer blijk van meer dan gewone kwaliteiten. Toen zijn oom Tiberius in 14na Christus de troon besteeg, poogde Claudius, die toen 23 jaar was en nog steeds tot de ridderstand behoorde, zich in het openbare leven te begeven. Maar Tiberius intercedeerde tegen een besluit van de senaat, die Claudius onder zijn leden wilde opnemen, en beantwoordde Claudius' verzoek om een ambt te mogen bekleden met een honende brief. De jongeman trok zich daarop terug op zijn landgoederen in Rome of CampaniŽ en bracht zijn tijd door met drank, spel en studie; in elk geval bleef hem aldus het tragische lot van zo menig familielid bespaard.

Tijdens de heerschappij van zijn neef Gaius (37-41) bereikte Claudius eindelijk zijn doel. Nadat hij uit Tiberius' nalatenschap een legaat van twee miljoen sestertiŽn had ontvangen, bekleedde hij samen met de keizer korte tijd het consulaat (37) en mocht hij verschillende malen de leiding der spelen voeren. Maar naarmate de kwaadaardige waanzin van Gaius verergerde, werd de positie van Claudius steeds kritieker: tengevolge van het wantrouwen van Gaius tegen zijn oom verkeerde deze voortdurend in levensgevaar. Hij werd het mikpunt van ruwe grappen en Gaius schepte er een groot genoegen in Claudius te sarren en belachelijk te maken; hij benoemde hem zelfs tot priester van Jupiter Latiaris - de eredienst van Gaius zelf -met een verplicht entreegeld van acht miljoen sestertiŽn, zodat Claudius al zijn huizen en bezittingen moest verkopen.

Tijdens en na de moord op Gaius bevond Claudius zich in het keizerlijk paleis, waar hij zich angstig verborgen hield. Hij werd ontdekt door enige praetorianen, die hem ondanks zijn tegenstribbelen meevoerden naar hun kazerne. Daar werd hij als broer van de gevierde Germanicus terstond tot keizer uitgeroepen. Steunend op de cohortes urbanae trachtte de senaat nog de republiek te herstellen, maar Claudius, die zelf besluiteloos was, werd geleid door de slimme Herodes Agrippa. Zijn verzoenlijke houding en de trouw der troepen, die een donativum van 15.000 sestertiŽn ontvingen, gaven de doorslag. Reeds de volgende dag, op 25 januari 41, werd Claudius officieel ingehuldigd.

Als keizer trad Claudius verstandig en gematigd op. Hij begon met een algemene amnestie, waarvan alleen de moordenaars van Gaius uitgezonderd waren. In tegenstelling met zijn voorganger weigerde hij overdreven huldebetoon. De verhouding tot de senaat bleef begrijpelijkerwijze vrij gespannen: daarom centraliseerde Claudius het bestuur sterk en belastte vrijgelatenen met de zorg voor de keizerlijke ministeries. Dit waren uiterst bekwame mannen, die echter Claudius' zwakheid benutten tot eigen voordeel: Narcissus werd chef van de kanselarij (ab epistulis), Pallas werd belast met de zorg voor de financiŽn (a rationibus), Polybius met die voor de archieven (a studiis), Callistus met die voor de verzoekschriften (a libellis). De keizerlijke fiscus kreeg onder Claudius zijn definitieve organisatie. Reeds bij het begin van zijn regering dreigde als gevolg van de dwaze maatregelen van Gaius een ernstig tekort aan graan; Claudius wist het dreigende onheil te voorkomen. In verband hiermee begon hij met de uitbouw van de haven van Ostia en de regulering van de Tiber. Voorts liet hij de Lacus Fucinus droogleggen, nieuwe wegen en de Aqua Claudia aanleggen.

In de provincies heerste tijdens Claudius' regering veel onrust. MauretaniŽ werd door Suetonius Paulinus in 42 onderworpen en in twee provincies verdeeld, Tingitana en Caesariensis. ThraciŽ werd aan het inlandse bestuur onttrokken en werd een provincie onder een procurator (46). Herodes Agrippa werd belast met het bestuur van Judaea en Samaria. Bij de anti-joodse pogroms in AlexandriŽ greep Claudius streng in en verleende de Joden grote privileges.

Aan de noordgrens van het rijk zette Claudius de politiek van keizer Augustus voort. Corbulo, die de Chaucen en de Friezen had verslagen, werd teruggeroepen naar de Rijn (47). Aan de bovenloop van de Donau liet Claudius een reeks castella aanleggen en het koninkrijk Noricum werd omgezet in een provincie. Claudius' voornaamste wapenfeit is de verovering van het zuidoosten van BritanniŽ (43) door Plautius Silvanus; bij deze gelegenheid begaf de keizer zich persoonlijk naar het oorlogsterrein, waar Plautius hem een slag bij de Theems liet leveren en Camulodunum liet veroveren. De senaat kende hem een triomftocht toe (44) en gaf aan Claudius en diens zoon de erenaam Britannicus. Intussen ging de strijd op het eiland verder, waarbij de legaat Titus Flavius Vespasianus zich bijzonder onderscheidde.

Ongelukkig was het huwelijksleven van Claudius Hij was in seksueel opzicht onverzadigbaar en kon niet buiten vrouwen. Hij was viermaal getrouwd. Zijn eerste echtgenote was Plautia Urgulanilla, die hem twee jong gestorven kinderen schonk, maar wegens echtbreuk verstoten werd. De tweede was Aelia Paetina, de moeder van zijn dochter Antonia; ook van haar liet hij zich weldra scheiden. Het derde huwelijk sloot Claudius met Valeria Messalina; uit deze verbintenis werden twee kinderen geboren, Octavia (in 40) en Britannicus (in 41). Messalina

gebruikte haar macht over Claudius niet voor politieke doeleinden, zij wilde zich slechts ongeremd uitleven en veroorloofde zich ongelooflijke uitspattingen. Op schaamteloze wijze bezorgde zij haar gunstelingen ambten en joeg uit naijver tallozen de dood in. Gevaar voor Claudius persoonlijk dreigde toen haar laatste geliefde, de consul designatus Silius, tijdens Claudius' afwezigheid in Ostia een regelrecht huwelijk sloot met de keizerin. Narcissus greep in en ontving van de radeloze keizer voor een dag absolute volmachten: Messalina, Silius en vele anderen werden terechtgesteld (48).

Niet wijzer geworden door deze tegenslag wilde Claudius spoedig daarop opnieuw huwen. Ditmaal wist zijn 33-jarige nicht Agrippina op geraffineerde wijze zijn hartstocht op te wekken. Bijgestaan door Pallas zette zij haar plan door ondanks het verzet van Narcissus en Callistus. Op het huwelijk (49) volgde de verloving van Claudius' dochter Octavia en Agrippina's zoon Nero, en in 50 de adoptie van Nero. Agrippina ontving de titel Augusta en haar geboorteplaats Keulen werd een romeinse colonia (Colonia Agrippinensis). De strijd aan het keizerlijk hof, waar Narcissus vertwijfeld vocht voor behoud van zijn invloed, werd door Agrippina beslist toen Claudius spijt liet merken over Nero's adoptie: zij doodde haar man met giftige paddestoelen, 13 oktober 54. Zijn dood werd nog een halve dag geheim gehouden; toen was alles geregeld en werd Nero ongehinderd door de praetorianen als keizer gehuldigd.

Claudius wijdde zich op aanraden van Livius aan de geschiedschrijving; hij was een vruchtbaar auteur, maar van zijn werken is weinig bewaard gebleven:

1. De vita sua, een autobiografie in acht boeken;

2. een geschiedenis van Augustus' tijd in 41 boeken, een jeugdwerk;

3. twintig boeken ThyrsŤnoi, een geschiedenis van de Etrusken in het Grieks;

4. acht boeken KarchŤdoniaka, een eveneens in het Grieks gestelde geschiedenis van Carthago;

5. een verweerschrift tegen Asinius Gallus, die zijn vader Asinius Pollio had opgehemeld ten koste van Cicero;

6. een verhandeling over het Latijnse alfabet, waarin hij de invoering van drie nieuwe lettertekens voorstelde;

7. een geschrift over het dobbelspel.

De belangrijkste oorkonden die op Claudius' regering betrekking hebben, zijn zijn brief aan de Alexandrijnen, zijn rede tot de senaat over hervormingen van de rechtspraak en zijn rede tot de senaat over de verlening van het ius honorum aan de Gallische adel, gedeeltelijk bewaard op de z.g. Tabula Claudiana te Lyon.

Van Claudius zijn talrijke afbeeldingen bewaard gebleven; meerdere koppen en portretbustes bevinden zich in de Ny Carlsberg Glyptotheek te Kopenhagen en in de Vaticaanse musea; bekend is ook de gemma Claudia in het Kunsthistorisches Museum te Wenen.

Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"