Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"

Caesar

Gaius Julius Caesar (13 juli 100 -15 maart 44) behoorde tot een oude patricische familie, die echter nooit op de voorgrond getreden was. Zijn vader Gaius Julius Caesar was praetor in 92 voor Christus, maar bracht het niet tot het consulaat en stierf reeds in 85. Caesars moeder Aurelia behoorde eveneens tot de nobilitas; zij was een nicht van de drie broers Aurelius Cotta, die alle drie consul zijn geweest en van wie de oudste, Gaius, tot de beroemdste redenaars van zijn tijd behoorde.

Jeugd en opvoeding

Aurelia gaf haar zoon een voortreffelijke opvoeding; Tacitus stelt haar als ideale moeder naast de moeder van de Gracchen. De politieke situatie tijdens Caesars jeugd en zijn familierelaties met de volkspartij waren van beslissende betekenis voor zijn carrière. Zijn tante Julia was de echtgenote van Gaius Marius. In 84, op zestienjarige leeftijd, werd hij als neef van Julia flamen Dialis, waardoor hij verplicht was een patriciërsdochter tot vrouw te nemen. Zo ontving hij de toga virilis en huwde Cornelia, de dochter van Marius' schoonzoon Cornelius Cinna. Zij schonk Caesar zijn enig kind, zijn dochter Julia, en bleef zijn echtgenote tot aan haar dood in 69.

Na zijn definitieve overwinning in 82 eiste Sulla echter dat Caesar zou scheiden van Marius' kleindochter. Caesar weigerde hardnekkig, werd vogelvrij verklaard en was maandenlang op de vlucht. Op voorspraak van invloedrijke verwanten kreeg hij tenslotte pardon, waarbij Sulla de betekenisvolle woorden sprak: 'Pas op voor die jongen: in hem steken vele Mariussen'. Voor alle zekerheid verliet Caesar Rome om eerst na Sulla's dood in 78 terug te keren.

Als stafofficier van Marcus Minucius Thermus deed hij zijn eerste oorlogservaringen op bij het beleg van Mytilene, dat nog steeds vasthield aan Mithridates; bij de inneming van de stad (80) verwierf hij de corona civica. In deze tijd viel ook zijn zending naar koning Nicomedes van Bithynië om daar oorlogsschepen te gaan halen; zijn overdreven vriendschappelijke verhouding tot de koning zou nog jaren lang het onderwerp van scabreuze praatjes vormen. In Rome teruggekeerd, voerde Caesar, om de aandacht op zich te vestigen, twee opzienbarende processen de repetundis tegen de optimaten Gnaeus Cornelius Dolabella en Gaius Antonius, maar hield zich nog buiten de directe politiek.

In 75 ging Caesar terug naar het Oosten om zijn retorische vorming te voltooien bij Apollonius Molon op Rhodus. Onderweg viel hij in handen van Cilicische zeerovers. Na betaling van een losgeld vrijgelaten, wist hij de rovers gevangen te nemen, en toen de proconsul van Asia hen als krijgsgevangenen wilde verkopen, sloeg Caesar hen eigenmachtig aan het kruis.

Van die zelfstandigheid gaf hij kort daarop nogmaals blijk door bij de derde inval van Mithridates (74) zijn studie op Rhodus te onderbreken, over te steken naar Azië, de plaatselijke militie te organiseren en de vijand terug te slaan.

69-59

In 69 was Caesar quaestor, waardoor hij ook lid van de senaat werd: het begin van zijn directe politieke optreden, waarbij hij steeds aan de zijde van de volkspartij heeft gestaan, niet uit beginsel, maar uit opportunisme. Caesar zag duidelijk in dat het Romeinse wereldrijk niet meer te besturen was door de gemeenteraad van een stad en dat de corruptie van de heersende oligarchie ongeneeslijk was. Bij de keuze van zijn middelen kende hij geen scrupules en wist zowel voor- als tegenstanders te gebruiken voor zijn doeleinden. In het bijzonder was hij overtuigd van de macht van het geld voor het verwerven van populariteit. Een groot deel van zijn leven ging hij gebukt onder een enorme schuldenlast; dikwijls leende hij zelfs geld van potentiële tegenstanders (bv. Pompeius) om dezen te binden.

In het jaar van zijn quaestuur stierf zijn tante Julia. Caesar hield de lijkrede en liet tot vreugde van het volk in de begrafenisstoet de imagines van Marius vader en zoon meevoeren. In hetzelfde jaar overleed ook zijn vrouw Cornelia, voor wie hij, tegen alle voorschriften in, eveneens de lijkrede hield. In 67 huwde hij Pompeia, een kleindochter van Sulla.

Om bij de populares in de gunst te blijven steunde Caesar het voorstel van Gabinius (67) om Pompeius het onbeperkte commando tegen de zeerovers te verlenen, evenals de lex Manilia (66), die Pompeius als opvolger van Lucullus belastte met het voeren van de oorlog tegen Mithridates.

In 65 gaf Caesar als aedilis curulis ondanks zijn schulden ongehoord kostbare gladiatorenspelen, en liet op het forum de trofeeën van Marius weer oprichten.

Door massale omkoping werd hij in 63 tot pontifex maximus gekozen, welke hoogste sacrale functie tot dan toe slechts door oud-consuls bekleed was. De rol van Caesar in de samenzwering van Catilina in dit jaar is vrij dubieus; in elk geval stemde hij in de senaat, zij het vergeefs, tegen de terechtstelling van Lentulus.

In 62 bekleedde Caesar de praetuur en werd verwikkeld in het schandaal van Clodius ter gelegenheid van het feest van de Bona Dea. Naar aanleiding daarvan liet hij zich scheiden van Pompeia: 'Op Caesars vrouw mag zelfs geen verdenking rusten', zo zei hij. In feite wilde hij als politicus niet voor de bedrogen echtgenoot doorgaan en had hij de diensten van Clodius nodig. Zijn schuldenlast was intussen opgelopen tot de som van 25 miljoen denarii. Een lening van Crassus en speciaal het stadhouderschap van de provincie Hispania, dat hem na afloop van

zijn ambtstijd werd toegewezen, hielpen hem over de moeilijkheden heen. In Spanje viel zijn eerste zelfstandige optreden als veldheer en bestuurder; hier toonde hij zich de geboren organisator op elk terrein, evenals later in Gallië. De senaat verleende hem zelfs de eer van een triomftocht, waarvan hij echter afzag om zich persoonlijk kandidaat te kunnen stellen voor het consulaat. Na een uiterst felle verkiezingscampagne, waarin zelfs de zo principiële Cato geld bijdroeg aan het steunfonds voor de senaatskandidaat, werd Caesar samen met Marcus Calpurnius Bibulus als consul voor het jaar 59 aangewezen. Bibulus, een ras-optimaat, was reeds Caesars collega geweest als aediel en praetor en was sindsdien zijn verbeten persoonlijke vijand.

De politieke situatie was destijds zeer verward. Pompeius was in 66 door de volkspartij belast met de oorlog tegen de zeerovers en Mithridates. Met roem overladen was hij teruggekeerd en stelde nu twee eisen: de verzorging van zijn veteranen en de goedkeuring van zijn maatregelen in het Oosten. Bevreesd voor de versterking van Pompeius' macht, verzetten de optimaten zich onder leiding van Lucullus, Cato en Crassus tegen deze redelijke eisen en wisten die te saboteren. Caesar zag in dat de macht van zijn tegenstanders nog verrassend groot was en trok hieruit de consequenties. Hij wist de oude vete tussen Pompeius en de schatrijke Crassus bij te leggen en ging met beiden een belangengemeenschap aan (60), waarbij zij besloten niets te ondernemen wat een van hen mishaagde. Dit verbond kreeg later de naam triumviraat; het was een particuliere afspraak waarbij Pompeius en Crassus slechts wensen op korte termijn hadden en alleen Caesar een vastomlijnd programma voor de toekomst.

Ondanks de oppositie van Bibulus, die zich tenslotte geheel terugtrok uit zijn ambtsbezigheden en tegen Caesar in pamfletten te keer ging, wist Caesar zijn akkerwet (Lex Iulia), krachtens welke behalve Pompeius' veteranen ook 20.000 arme burgers land ontvingen, alsmede de goedkeuring van Pompeius' maatregelen in het Oosten door te zetten. Bovendien gaf hij

Pompeius zijn eigen dochter Julia tot vrouw; ondanks het leeftijdsverschil van 30 jaar was dit een gelukkige verbintenis. Zelf huwde Caesar in 59 Calpurnia, dochter van Lucius Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 58.

Nu zette hij de beslissende stap. Zijn trouwe aanhanger Publius Vatinius liet in de volksvergadering door de Lex Vatinia aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum met drie legioenen voor vijf jaar als ambtsgebied toewijzen. De senaat voegde daaraan Gallia

Transalpina met een legioen voor dezelfde tijd aan toe. Hiermede schiep Caesar zich de basis voor zijn macht tegenover de senaat en een tegenwicht tegen Pompeius. Voor rugdekking in de hoofdstad zorgden de aanwezigheid aldaar van de geduchte Clodius en de verwijdering van zijn twee voornaamste tegenstanders: Cicero en Cato. Daar Cicero ieder verzoek om medewerking had afgewezen, werd hij prijsgegeven aan zijn doodsvijand Clodius: deze beschuldigde Cicero nu, vijf jaar na datum, van het wederrechtelijk terechtstellen van de Catilinariërs en zond hem in ballingschap. Cato ontving - eveneens op aandrijven van Clodius - de hatelijke opdracht om tegen alle recht en wet in Cyprus te gaan annexeren, waarvan de onafhankelijkheid nog kort tevoren door de senaat was gewaarborgd. Nog voor zijn vertrek naar zijn ambtsgebied leende Caesar grote bedragen van Atticus en Pompeius om een deel van zijn schulden te delgen.

58-51: de Gallische oorlog

De aanleiding hiertoe vormde een inval van de Helvetiërs, die Caesar versloeg bij Bibracte. Aan de Sueben, die onder hun koning Ariovistus vanuit Germanië in Gallië waren binnengedrongen, riep hij een halt toe en voor de toekomst legde hij de Rijn vast als grensrivier. Wel maakte hij sindsdien gebruik van Germaanse ruiters, die menigmaal voor hem van beslissende betekenis waren. Handig profiterend van de verdeeldheid van de Galliërs, wist hij in het zuiden de Haedui, in het Noorden de Rerni tot zijn bondgenoten te maken, waardoor hij zich van een veilige militaire basis en van de proviandering verzekerde.

In 57 bracht hij door eigenmachtige lichtingen in Gallia Cisalpina zijn leger op dubbele sterkte en begon zijn aanval op de Belgae; in zware gevechten, vooral tegen de dappere Nerviërs (slag

aan de Selle) versloeg hij dezen, terwijl zijn legaat Publius Licinius Crassus, zoon van zijn collega in het triumviraat, Normandië en Bretagne onderwierp. In de herfst van 57 beschouwde Caesar de oorlog reeds als beëindigd en de senaat kondigde een dankfeest van maar liefst 15 dagen af.

Intussen was de situatie in Rome hoogst verward geworden. Cicero was teruggeroepen uit zijn ballingschap, Clodius ging nu zijn eigen weg en verbond zich zelfs met de senaat, de tegenstellingen tussen Pompeius en Crassus spitsten zich weer toe. Volkomen onverwacht voor iedereen belegde Caesar toen een conferentie te Luca (april 56), waarbij ditmaal de samenwerking van de triumviri nauwkeurig werd omschreven: Pompeius en Crassus zouden in 55 het consulaat bekleden, waarna Pompeius proconsul in Spanje, Crassus in Syrië zou worden, ieder voor vijf jaar; Caesars imperium werd eveneens met vijf jaar verlengd.

Deze versterking van zijn positie kwam Caesar zeer van pas, want de berichten uit Gallië waren zeer verontrustend. Crassus jr. moest een opstand in Aquitanië onderdrukken; zwaarder was de strijd in Bretagne, waar het zeevolk van de Veneti de kern van het verzet vormde: eerst de komst van de vloot onder Decimus Brutus bracht de beslissing. In 55 vernietigde Caesar de uit Germanië binnengedrongen Tencteri en Usipetes en trok via een brug bij Andernach over de Rijn; de bedoeling hiervan was geen verovering, maar een demonstratie van Rome's macht. Hetzelfde geldt voor zijn eerste tocht naar Brittannië in dit jaar. De indruk in Rome en daarmee de propaganda voor Caesar waren echter geweldig.

In 54 viel een tweede tocht naar Brittannië en vlak daarop de opstand in het gebied van de Belgae, waarbij de Eburonen onder Ambiorix 15 Romeinse cohorten vernietigden en Caesar zijn ingesloten legaat Quintus Cicero moest ontzetten. Zijn legaat Labienus liet Caesar oprukken tegen de Treveri (Indutiomarus), zelf trok hij voor de tweede maal over de Rijn (bij Neuwied) om de Germanen af te schrikken van interventie; daarna liet hij het volle geweld van zijn wraak neerkomen op de Eburonen, die hij praktisch uitroeide zonder echter Ambiorix in handen te krijgen (53).

In Rome was er intussen een beslissende wending in de situatie gekomen. In 54 was Pompeius' echtgenote, Caesars dochter Julia, gestorven, in 53 sneuvelde Crassus in de strijd tegen de Parthen. Pompeius zocht steeds meer aansluiting bij de optimaten en drukte zelfs een wet door die bepaalde dat ieder zich persoonlijk voor een ambt in Rome kandidaat moest stellen, zonder hierbij een clausule op te nemen, die Caesars recht in dezen, dat door plebisciet was vastgelegd, garandeerde. Het bericht van deze moeilijkheden deed in Gallië de laatste grote opstand oplaaien (52), waarin de verontwaardiging over de gewelddadige onderwerping zich ontlaadde. De leider Vercingetorix had heel Gallië aan zijn zijde. Na een vergeefs beleg van Gergovia gelukte het Caesar zich te verenigen met Labienus, die in het noorden ingesloten was. Bij Dijon behaalde hij een overwinning dank zij het ingrijpen van zijn Germaanse ruiters en sloot Vercingetorix, die zich na deze onverwachte nederlaag had teruggetrokken in Alesia, in met een 17 km lange gordel van verschansingen. Na 30 dagen viel de stad ondanks hardnekkige pogingen tot ontzet in Caesars handen.

In 50 was Gallië voorgoed een romeinse provincie. Men schat dat in de strijd een derde van de bevolking is omgekomen, en nog een derde krijgsgevangen is gemaakt of als slaaf verkocht. De buit was zo groot dat het goud 25% in waarde daalde.

50-46

Met het verstrijken van zijn ambtsperiode als proconsul naderde voor Caesar de beslissing over zijn politieke toekomst. Hij was voorbereid op een gewapende botsing; ondanks de vrede in Gallië ging hij door met het lichten van troepen en verdubbelde de soldij. Zijn tiende legioen verlegde hij naar Noord-Italië. Toen na lange onderhandelingen over en weer de senaat op 7 januari 49 besloot dat Caesar zijn leger moest afdanken en zich persoonlijk kandidaat moest stellen voor het begeerde consulaat, nam Caesar het initiatief en rukte over de Rubico het senaatsgebied binnen (10 januari 49; alea iacta est, 'de teerling is geworpen').

De senaatsregering beschikte praktisch over geen troepen. De beide legioenen die Pompeius indertijd aan Caesar geleend had, maar later zogenaamd voor de oorlog tegen de Parthen had teruggevorderd, liepen terstond naar Caesar over. Zodoende was deze tien dagen later meester van Rome. Pompeius gelastte de terugtocht uit Italië en beval iedere senator hem te volgen; met meesterlijke strategie wist hij, onderweg aldoor troepen lichtend, Brundisium te bereiken en zich zonder verliezen in te schepen naar Epirus. Caesar volgde hem niet, maar zorgde voor

rugdekking door in Spanje de zeven legioenen van Pompeius onder Afranius en Petreius uit te schakelen in de slag bij Ilerda (zomer 49). Massilia, dat de zijde van Pompeius had gekozen, viel na een beleg van zes maanden in handen van Decimus Brutus. Minder geluk had Caesar in Africa, waar zijn legaat Curio door koning Juba van Numidië werd verslagen.

Intussen verzamelde Pompeius in alle rust een enorme legermacht uit het gehele Oosten. Zijn vloot beheerste de zee, hij had zijn winterkwartier in Dyrrachium en wilde in het voorjaar het offensief tegen Italië beginnen. Caesar echter trok gewoontegetrouw het initiatief aan zich, waagde ondanks gebrek aan schepen de overtocht en wist 20.000 man in Epirus aan land te zetten. Gehinderd door stormen en de zware blokkade van Pompeius' admiraal Bibulus, die zich geen tweede maal wilde laten verrassen, moest hij echter nog meer dan twee maanden wachten voordat Marcus Antonius de rest van zijn leger overzette.

Bij Dyrrachium kwam het tot een langdurige loopgravenstrijd, waarbij Pompeius in de meerderheid bleef. Daar zijn tegenstander met de ruiterij het terrein beheerste en ter zee iedere toevoer afsneed, kreeg Caesar gebrek aan levensmiddelen. Dank zij de uitstekende conditie van zijn veteranen gelukte het hem echter zich los te maken van de vijand en naar Thessalië te trekken, waar hij bij Pharsalus een schitterende overwinning behaalde (9 augustus 48).

Pompeius vluchtte en vond in Egypte door sluipmoord zijn einde. Caesar volgde hem naar Egypte, bezette Alexandrië en mengde zich daar ten gunste van Cleopatra in een troonstrijd; hij raakte verwikkeld in felle gevechten met de aanhangers van Ptolemaeus XIV, Cleopatra's broer, waarbij ook de beroemde bibliotheek in vlammen opging. Eerst na zes maanden redde hem de komst van Mithridates van Pergamum met vloot en troepen, en vooral het ingrijpen van de Idumaeus Antipater (de vader van Herodes de Grote) met 3000 joden. Caesar liet Egypte zijn onafhankelijkheid onder koningin Cleopatra, die weldra moeder werd van Caesarion. Aan Antipater verleende Caesar het romeinse burgerrecht en vrijdom van belasting. Zijn idylle met Cleopatra vond een schielijk einde door de opstand van Pharnaces, de zoon van Mithridates van Pontus. Hij trok naar Klein-Azië en versloeg Pharnaces, drie dagen na het passeren van de grens, bij Zela (zomer 47; veni, vidi, vici).

Begin oktober 47 was Caesar eindelijk terug in Italië, waar drie legioenen muitten wegens achterstallige soldij. Een woord, 'Quirites' ('Burgers van Rome'), was voldoende om hun trots te breken. Ernstiger was het feit dat de bij Pharsalus ontsnapte optimaten de tijd hadden gekregen om zich in Africa te reorganiseren. De bloedige slag bij Thapsus (april 46) maakte een eind aan hun illusies. De voornaamste leiders, Scipio, Afranius en anderen, vonden de dood, Petreius en Juba staken elkaar neer in een tweegevecht, Cato pleegde zelfmoord toen hij Utica niet meer kon verdedigen. Slechts Labienus en Pompeius' zonen Gnaeus en Sextus ontkwamen naar Spanje.

In juli 46 kon Caesar eindelijk in Rome zijn viervoudige triomf vieren over Gallië, Egypte, Pontus en Africa. Nog eenmaal moest hij te velde trekken: in Spanje, de oude basis van Pompeius, brak een opstand uit, die een bloedig einde vond in de slag bij Munda (17 maart 45), waar de verbitterde soldaten van de dictator 30.000 tegenstanders afmaakten; Gnaeus Pompeius en Labienus sneuvelden, Sextus Pompeius ontsnapte.

46-44

Slechts twee jaren zijn Caesar nog vergund geweest voor zijn dood, maar verbluffend veel heeft hij in die korte tijd tot stand gebracht. Voor de afvloeiing van het hoofdstedelijk proletariaat en voor zijn veteranen zorgde hij door op uitgebreide schaal kolonie-steden van Romeinse burgers te stichten in Spanje, Gallia Narbonensis, Carthago, Korinthe en Klein-Azië. Vooral in deze verplaatsing van burgers naar gebieden ver van Rome komt zijn monarchale politiek tot uitdrukking, die het einde betekende van de oude stadsrepubliek. Het aantal bedeelden van de grote korenuitdelingen in Rome verminderde Caesar van 320.000 tot 150.000, waarbij kinderrijke gezinnen de voorkeur hadden. De senaat, die hij op 900 leden bracht, vulde hij voortdurend aan met eigen aanhangers van geringe afkomst, die niet zelden uit de provincie stamden.

Belangrijk was ook zijn kalenderhervorming, die hij met behulp van Sosigenes doorvoerde. Marcus Terentius Varro kreeg de opdracht om de gehele Griekse en Latijnse literatuur in een grote bibliotheek te verzamelen; anderen moesten het recht codificeren. Nog in 45 viel de inwijding van het Forum Iulium en van de tempel van Venus Genetrix, de stammoeder van de Iulii. Groots waren de plannen die hij niet meer kon uitvoeren: een kanaal door de Isthmus van Korinthe, drooglegging van de Pontijnse moerassen en het Lacus Fucinus, uitbouw van de haven van Ostia.

Ondanks hardnekkige pogingen zijnerzijds bleef de senaatspartij Caesar echter vijandig gezind en zelfs onder zijn eigen aanhangers vond hij te weinig begrip. Zijn autoritair optreden, zijn minachting voor de aloude instellingen, zijn duidelijk streven naar de monarchie waren hiervan de voornaamste oorzaken.

Toen hij in 44 op het Lupercaliafeest (15 februari) als dictator perpetuus in oud-Romeinse koningstooi verscheen en Marcus Antonius hem de koningskroon aanbood (al weigerde Caesar die ook), was voor de optimaten de maat vol. Zestig republikeinen verenigden zich onder leiding van Marcus Brutus en Cassius voor de moord op de dictator. In de senaatszitting van 15 maart 44 (Idibus Martiis), waarin beslist moest worden over de oorlog tegen de Parthen, viel Caesar onder de dolkstoten van de samenzweerders. Om Rome's eerste keizer te worden was hij te vroeg geboren en te vroeg gestorven.

Beelden

Verschillende antieke auteurs beschrijven het uiterlijk van Caesar. Volgens Suetonius (Divus Iulius 45) had hij een rijzige gestalte, een blanke huidskleur, welgevormde ledematen, een tamelijk vol gezicht en donkere levendige ogen. Reeds tijdens Caesars leven werden standbeelden van hem opgericht. Een bevredigende classificatie van de vele bewaarde beeltenissen is nog steeds niet gelukt. Wat de afbeeldingen op de munten betreft heeft Alfoldi aangetoond dat slechts de stukken van de muntmeester Mettius met het opschrift dict(ator) quart(um) iconografische waarde bezitten. Het meeste overeenkomst met de beeldenaar van Mettius vertoont de marmeren kop van Castello di Aglie, thans in Turijn. Een fraai kunstwerk is de gestileerde kop van Berlijn.

Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"