Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"

Augustus

Gaius Octavius, de latere keizer Augustus, werd op 23 september 63 voor Christus te Rome geboren als zoon van Gaius Octavius en Atia. Zijn vader stamde uit een rijke familie in Velitrae en genoot om zijn eenvoud en rechtschapenheid groot aanzien; hij was slechts eques maar bracht door het bekleden van de praetuur (61 voor Christus) zijn familie in de senatorenstand. Atia was de dochter van Marcus Atius Balbus en Julia, de jongste zuster van Julius Caesar.

Jeugd en opvoeding

Na de vroege dood van Gaius Octavius (59) huwde Atia met Lucius Marcius Philippus, de consul van 56 voor Christus, in wiens prachtige woning te Rome de jonge Octavius opgroeide (samen met zijn zuster Octavia (minor) en zijn halfzuster Octavia (maior), een dochter uit het eerste huwelijk van Gaius Octavius met Ancharia) en van zijn moeder een zeer zorgvuldige opvoeding ontving, terwijl ook zijn grootmoeder Julia zich sterk voor hem interesseerde: op twaalfjarige leeftijd hield hij voor haar de lijkrede.

Het meest echter werd de jongen beÔnvloed door zijn oudoom Julius Caesar, die al vroeg belangstelling voor hem toonde. Hij stelde de begaafde jongen onder leiding van de retor Apollodorus van Pergamum, een streng atticist zoals Caesar zelf: in zijn stijl heeft Augustus steeds eenvoud en duidelijkheid betracht, al bereikte hij nooit de klare formulering van zijn oudoom. Ook in de keuze van de leermeesters in de wijsbegeerte heeft Caesar waarschijnlijk de hand gehad; dit waren Arius Didymus van AlexandriŽ en Athenodorus van Tarsus, beiden gematigde stoÔcijnen en voorstanders van de monarchie.

In oktober 49 werd de jonge Octavius bekleed met de toga virilis, in 48 werd hij tot pontifex benoemd. Spoedig daarna nam Caesar zijn achterneef geheel onder zijn hoede: hij liet hem deelnemen aan zijn triomftocht na de zege bij Thapsus (46) en aan zijn expeditie naar Spanje 45) en benoemde hem bij testament tot zijn hoofderfgenaam. Met het oog op de voorgenomen veldtocht tegen de Parthen zond hij in de herfst van 45 Octavius, die inmiddels tot magister equitum was benoemd, vooruit naar het Illyrische Apollonia, met twee vrienden van gelijke leeftijd, Marcus Vipsanius Agrippa en Quintus Salvidienus Rufus.

Van 44 tot 42

In Apollonia vernam Octavius dat Caesar vermoord was en dat hij in diens testament niet slechts als erfgenaam was aangewezen maar ook als zoon geadopteerd. Terstond leverde hij het bewijs van zijn zelfstandigheid en zelfvertrouwen.

Het advies van Agrippa en Salvidienus en het aanbod der officieren en soldaten om onmiddellijk tegen de moordenaars van Caesar op te rukken wees hij van de hand; anderzijds negeerde hij de raad van zijn moeder en zijn stiefvader om geen risico's te

nemen. Hij aanvaardde alle consequenties van zijn adoptie, nam de gelden die voor de oorlog tegen de Parthen bestemd waren in beslag en vertrok naar ItaliŽ. Op 18 april 44 kwam hij te Napels aan, enige tijd verbleef hij op het landgoed van zijn stiefvader in Puteoli, op 9 mei liet hij zich te Rome door de volkstribuun Lucius Antonius, een broer van Marcus Antonius, aan het volk voorstellen als erfgenaam en zoon van Caesar. Door zijn innemend optreden wist hij vervolgens duizenden veteranen van Caesar en zelfs Cicero voor zich te winnen.

Hij nam de naam Gaius Julius Caesar Octavianus aan en gaf daarmee te kennen dat hij de erfenis en de plicht Caesars moordenaars te straffen aanvaardde. Uiteraard kwam hij daardoor terstond in botsing met Marcus Antonius, ogenschijnlijk een ongelijke strijd: Antonius was 20 jaar ouder en als enige overgebleven consul de hoogste magistraat, hij bezat als generaal een prachtige staat van dienst en had een kostbare voorsprong in tijd; de weduwe van Caesar had hem het testament en het beheer over de bezittingen van de dictator toevertrouwd; dit enorme

vermogen kwam Antonius in verband met zijn geweldige schulden uitstekend van pas en hij dacht er niet aan daarvan afstand te doen. Hier ligt wel een van de hoofdoorzaken van Antonius' botsing met Octavianus.

Om de legaten van Caesars testament aan veteranen en volk te kunnen uitbetalen verkocht Octavianus nu een groot deel van zijn eigen bezittingen; met hulp van familie en vrienden wist hij aan al zijn verplichtingen te voldoen. Dit feit en de schaamteloze wijze waarop Antonius vervalsingen in Caesars testament aanbracht om zichzelf en zijn vrienden te bevoordelen, deed de publieke opinie weldra ten gunste van Octavianus omslaan.

Deze wist twee gunstige kansen uit te buiten: de moordenaars van Caesar hadden geen welomschreven plan gehad en misten een leider, zodat zij het initiatief aan hun tegenstanders lieten; Antonius van zijn kant wekte door zijn brute houding tegenover Octavianus, wiens leven hij zelfs bedreigde, ontevredenheid zelfs onder zijn eigen aanhangers, die niet wilden dat men raakte aan Caesars zoon. Zo kon Octavianus in CampaniŽ een lijfwacht van 10.000 grotendeels ervaren manschappen aanwerven; bovendien maakte hij met succes propaganda onder de vier legioenen die Antonius uit MacedoniŽ ontbood.

Toen Antonius in het najaar van 44 naar Gallia, waarvan hij zich op illegale wijze het gouverneurschap had laten opdragen, vertrokken was om Decimus Brutus te verdrijven, verleende de senaat op voorstel van Cicero (Philippica's) aan Octavianus de senatoriale waardigheid en het imperium propraetorium om zo over diens troepen, hoe onwettig ook bijeengebracht, te kunnen beschikken. Samen met de consuls Aulus Hirtius en Gaius Vibius Pansa versloeg Octavianus Antonius, die Decimus Brutus in Mutina belegerde (bellum Mutinense). Door het sneuvelen van beide consuls (april 43) kreeg hij de beschikking over het gehele senaatsleger, hij weigerde echter ieder contact met Caesars moordenaar Decimus Brutus; deze werd gedood bij een poging om naar MacedoniŽ te ontkomen en zich daar bij Marcus Brutus te voegen. Toen de senaat hem het gevraagde consulaat weigerde, rukte Octavianus met zijn leger op naar Rome, dwong de verkiezing van hemzelf en zijn neef Quintus Pedius tot consul af (19 augustus 43) en liet de moordenaars van Caesar vogelvrij verklaren.

Tegen de dubbele dreiging, die van Antonius in het Westen (deze had samen met Lepidus 17 legioenen op de been gebracht) en die van Marcus Brutus en Gaius Cassius Longinus in het Oosten, dekte Octavianus zich door bij Bologna met Antonius en Lepidus een driemanschap te sluiten (triumviri reipublicae constituendae, driemannen ter regeling van het staatsbestuur); op 27 november 43 bekrachtigden senaat en volksvergadering dit verbond (lex Titia): de driemannen zouden tot 31 december 38 dictatoriale bevoegdheden bezitten en Octavianus zou samen met Antonius de moordenaars van zijn vader beoorlogen. Ondanks het verzet van Octavianus, die liever in Caesars geest gehandeld had, werden de namen van 300 senatoren en 2000 equites op proscriptielijsten geplaatst; ook Cicero viel als slachtoffer (7 december) van zijn bittere vijand Antonius.

Met het oog op de komende strijd staken, terwijl Lepidus met drie legioenen in Rome bleef, de beide andere triumviri ieder met 20 legioenen vanuit Brindisi naar Griekenland over. Octavianus bleef zwaar ziek in Dyrrhachium achter, maar nam in een draagstoel deel aan de beslissende slag bij Philippi (42); in het eerste gevecht versloeg Antonius Cassius en werd Octavianus door Brutus teruggedreven, maar enige weken later werd ook het leger van Brutus vernietigd.

Van 42 tot 31

Terecht gold Antonius als de eigenlijke overwinnaar; hij was dan ook de hoofdpersoon bij de nu volgende verdeling der macht. Lepidus werd afgescheept met de provincie Africa, Octavianus kreeg heel Spanje, Antonius heel Gallia Transalpina; Gallia Cisalpina werd een deel van ItaliŽ, waar Octavianus en Antonius dezelfde rechten hadden. Octavianus werd belast met de zware taak om 170.000 veteranen land te bezorgen door de confiscatie van het grondgebied van 18 steden in ItaliŽ, terwijl Antonius naar het Oosten zou gaan om daar de nodige geldmiddelen bijeen te brengen. De landverdelingen in het toch al zo zwaar getroffen ItaliŽ maakten Octavianus zeer onpopulair, al liet hij de kleine boeren, wier bezit beneden het aandeel van een veteraan bleef, hun land behouden. Van deze situatie profiteerden Fulvia, de

vrouw van Antonius, en diens broer Lucius om Octavianus de voet dwars te zetten. Zij hadden hierbij de stille steun van Antonius, die de twee aan Octavianus beloofde legioenen achterhield en het leger van Salvidienus, dat Spanje moest bezetten, de doortocht door GalliŽ weigerde. Het kwam tot een regelrechte oorlog, die eindigde met de inneming (15 maart 40) van Perusia, waar Fulvia en Lucius zich tenslotte verschanst hadden (Bellum Perusinum).

De spanningen die hieruit tussen Octavianus en Antonius ontstaan waren, werden op eis van beider legers bijgelegd door het verdrag van Brindisi (herfst 40), waarbij zich in 39 te Misenum ook Sextus Pompeius aansloot, die sinds zijn proscriptie vanuit SiciliŽ de zee beheerste en de Italische kusten plunderde: Octavianus kreeg volmachten in het Westen, Antonius in het Oosten en Lepidus in Africa; Sextus Pompeius mocht de eilanden behouden, kreeg Griekenland erbij, maar moest de blokkade van ItaliŽ staken. Antonius huwde Octavianus' zuster Octavia (minor), Octavianus was kort tevoren reeds gehuwd met Scribonia, een zuster van de schoonvader van Sextus Pompeius. Hoogst willekeurig gingen de triumviri te werk bij de keuze der magistraten en de handhaving der republikeinse rechten: consuls en praetoren moesten aftreden om plaats te maken voor de kandidaten der driemannen - tekenen van de

naderende monarchie.

Weldra, in de winter 39-38, brak de oorlog met Sextus Pompeius weer uit. Octavianus gaf aan Scribonia, kort nadat deze hem een dochter Julia geschonken had, de scheidingsbrief en huwde Livia Drusilla, de vrouw van Tiberius Claudius Nero, die gedwongen werd te scheiden. Reeds drie maanden later werd Drusus (maior) geboren, van wie men vermoedde dat hij de zoon van Octavianus was; deze zond Drusus terug aan Nero, die echter een paar jaar later stierf, waarna Drusus en zijn oudere broer Tiberius in het huis van Octavianus werden opgenomen. De strijd met Sextus Pompeius verliep zeer wisselvallig. De 'zeekoning', die zich beschouwde als wreker van zijn vader, was een zeer autocratische figuur, die weinig vertrouwen had in zijn senatoriale aanhangers en steunde op vrijgelatenen, zodat weinig mannen van rang het bij hem uithielden.

In stilte gesteund door Antonius, die hem als tegenwicht tegen Octavianus gebruikte, liet hij zijn kaperschepen weer los op ItaliŽ, sneed de korentoevoer af en weigerde de bezette steden te ontruimen. Na een mislukte landingspoging op SiciliŽ liet Octavianus door Agrippa in de nieuwe haven van Baiae een zware vloot bouwen. Omdat Antonius in grote moeilijkheden verkeerde tengevolge van de oorlog tegen de Parthen, liet hij zich bij het verdrag van Tarente, waar in oktober 37 het driemanschap met vijf jaar verlengd werd, overhalen om Pompeius te laten vallen; tevens zou Lepidus vanuit Africa ingrijpen. In de zomer van 36 versloeg Agrippa eindelijk Pompeius bij Mylae en Naulochus; de verslagene liet zijn landleger in de steek en vluchtte naar het Oosten, waar hij door Antonius werd gedood. Lepidus deed een poging zich van SiciliŽ meester te maken, maar zijn troepen waren de strijd moe en liepen over naar Octavianus; hijzelf moest zich op genade of ongenade aan deze overgeven. Octavianus annexeerde nu ook Africa, maar spaarde Lepidus' leven en liet hem, tot zijn dood in 12 voor Christus, het ambt van pontifex maximus behouden.

Octavianus was nu meester van het hele Westen, hij beheerste de zee, de korenaanvoer uit SiciliŽ en Africa was verzekerd, de handel en de welvaart bloeiden op. Zijn rivaal in het Oosten daarentegen verzwakte door eigen schuld steeds meer zijn positie voor de komende eindstrijd. Antonius' monarchaal optreden vervreemdde hem van het Romeinse volk en van zijn eigen republikeinse aanhangers, die in steeds groteren getale naar Octavianus overliepen.

Erger nog was Antonius' binding aan Cleopatra, aan wie hij grote delen van het rijk wegschonk. Zijn huwelijk met haar was een belediging niet alleen van Octavianus, maar van het gehele Romeinse volk, dat voor Octavia grote achting koesterde. De beslissing viel in Rome, waar twee aanhangers van Antonius, Gnaeus Domitius Ahenobardus en Gaius

Sosius, het consulaat voor 32 aanvaard hadden: door een staatsgreep verraste Octavianus de senaat en publiceerde Antonius' testament met alle daarin vermelde schenkingen aan Cleopatra en haar kinderen. Toen Antonius zijn huwelijk met Octavia officieel ontbond, gold hij als staatsvijand; aan Cleopatra werd de oorlog verklaard (32). In de zeeslag bij Actium (2 september 31) manoeuvreerde de superieure tactiek van Agrippa met zijn snelle schepen de zware kolossen van Antonius in het defensief: deze volgde de voortijdig vluchtende Cleopatra en liet zijn hele landmacht achter, die enige dagen later capituleerde. Octavianus achtervolgde de vluchtenden door Klein-AziŽ naar Egypte, waar na de inneming van AlexandriŽ (1 augustus 30) Antonius en Cleopatra door zelfmoord aan hun einde kwamen. Egypte werd een persoonlijk domein van Octavianus; voor het overige liet hij de regelingen die Antonius in het Oosten getroffen had, grotendeels voortbestaan.

Principaat

Met de val van Antonius kwam er een eind aan de ellende van de burgeroorlogen. Het werk van de vrede, waarnaar de mensen snakten, kon beginnen. Dit vredeswerk is de beste rechtvaardiging geweest van de heerschappij van Augustus; dit blijkt uit talloze inscripties en werd gesymboliseerd door de oprichting van de Ara Pacis in 9 voor Christus.

Voorzichtiger en met een betere kijk op de volkspsyche dan Caesar streefde Octavianus naar een legitimatie van zijn macht, die hij zich voorstelde als een compromis tussen de oude republiek en de onvermijdelijk geworden monarchie. Op 11 januari 29 werd de tempel van Janus gesloten, ten teken dat er nergens in het rijk meer oorlog was; van 13 tot 15 augustus hield hij zijn grote triomftocht. In 28 organiseerde hij samen met Agrippa een census, zuiverde de senaat van onwaardige leden, bracht het ledental van dit college van 900 terug tot 800 (later tot 600) en nam de titel princeps (eerste in de staat) aan; bovendien werden alle verordeningen die van de driemannen stamden - ook die van hemzelf - opgeheven. Op 13 januari 27 legde Octavianus in een plechtige senaatszitting de onbeperkte macht die hij bezat vrijwillig neer en herstelde zogenaamd de republiek. Drie dagen later verleende de senaat hem de titel Augustus en gaf hem opnieuw uitgebreide bevoegdheden.

De princeps Augustus ontleende van 27 voor Christus tot zijn dood zijn macht en gezag aan de volgende republikeinse functies, waarin hij, zo nodig, telkens herbenoemd werd:

1. Sinds 27 was hij belast met het bestuur over de provincies die militair het meest van belang waren: Syria, Gallia en Hispania; deze keizerlijke provincies werden voortaan door legati Caesaris pro praetore bestuurd; de overige, de senaatsprovincies, bleven onder de senaat en werden door proconsuls bestuurd.

2. Vanaf 23 voor Christus bezat hij het imperium proconsulare maius over alle provincies, waardoor hij opperbevelhebber van alle rijkstroepen was.

3. Zijn macht in Rome en ItaliŽ berustte tot 23 op het consulaat dat hij elk jaar bekleedde; na 23 was hij nog maar zelden consul, maar in dat jaar werd hij voor het leven bekleed met de tribunicia potestas, zodat hij met het ius intercessionis iedere oppositie in de kiem kon smoren.

4. Na de dood van Lepidus ontving hij 6 maart 12 voor Christus ook de waardigheid van pontifex maximus.

Zijn lange leven heeft Augustus, die voortaan officieel Imperator Caesar Divi filius Augustus heette, de kans geboden om zijn staatsregeling te stabiliseren en zo de monarchie te grondvesten. De dictatuur, die hem bij herhaling aangeboden werd, weigerde hij steeds. De senaat behield het beheer over de senaatsprovincies en het aerarium; uit zijn midden werden de magistraten, de bestuurders der provincies en de hogere officieren genomen. Steeds is Augustus erop bedacht geweest de senaat te eren.

Van het grootste belang was de legerhervorming. Augustus schiep een vast beroepsleger van 28 legioenen - na de nederlaag van Varus tot 25 teruggebracht - met een diensttijd van 16, later 20 jaar. De veteranen hadden recht op verzorging in geld en land; de kosten hiervan werden sinds 6 na Christus bestreden uit het aerarium militare. Bij dienstneming in de legioenen ontvingen provinciebewoners het Romeinse burgerrecht, hetgeen veel heeft bijgedragen tot de romanisering van het rijk. Naast de legioenen stonden de auxilia (hulptroepen), ingedeeld in cohorten van 1000 of 500 man en gerecruteerd uit onderdanen en bondgenoten. Een aparte plaats namen de negen cohortes praetoriae (praetorianen) in, elk 1000 man sterk; ze vormden de lijfwacht van de princeps, stonden onder twee praefecti praetorio, hadden kortere diensttijd en hogere soldij. Met de handhaving van de orde in de hoofdstad, die - evenals ItaliŽ - in 14 regiones werd verdeeld, werden drie cohortes urbanae (politie) en zeven cohortes vigilum (brandweer) onder commando van de praefectus urbi belast.

Voor de vloot werden in ItaliŽ twee bases gesticht, Misenum en Ravenna, waarbij in GalliŽ nog Forum IuIii (Frťjus) kwam. Bijzondere zorg werd besteed aan het wegennet in ItaliŽ, dat in elf regiones werd verdeeld, en in de rest van het rijk.

Voor het godsdienstige en morele herstel zorgde Augustus vooreerst door het bouwen of restaureren van 80 tempels in de stad en de aanvulling der oude priestercolleges; reeds verdwenen colleges als de fratres Arvales werden heropgericht. De verering van zijn eigen persoon verbood Augustus aan de Romeinse burgers in ItaliŽ en liet hij met beperkingen slechts toe in het Oosten.

Grote invloed hadden zijn leges de ambitu (18 voor Christus; deze sloot veroordeelden wegens omkoperij voor vijf jaar van openbare ambten uit), de adulteriis coercendis (18 voor Christus; stelde strenge straffen op overspel) en de maritandis ordinibus (18 voor Christus; verbood personen van senatoriale rang te huwen met vrijgelaten vrouwen en actrices, maar stond het huwelijk van vrije burgers met vrijgelatenen toe; gehuwden met kinderen kregen privileges).

Het nationale bewustzijn trachtte Augustus te bevorderen door samen met zijn vrienden (Maecenas, Agrippa, Gallus) de Romeinse dichters en schrijvers te begunstigen: op zijn instigatie schreef Vergilius zijn AeneÔs; .Horatius prees in zijn Romeinse oden de virtus Romana; Livius schreef zijn omvangrijk geschiedwerk Ab urbe condita. In de nieuwe openbare bibliotheken kwam ook een Griekse afdeling; zo werd Rome naast AlexandriŽ een centrum van de Griekse literatuur: Dionysius van Halicarnassus, Nicolaus van Damascus, Strabo en anderen schreven hun werken in Rome.

Enorm veel heeft Augustus, daarbij vooral geholpen door Agrippa, gedaan voor de verfraaiing van de hoofdstad, die eerst nu kon wedijveren met de grote hellenistische steden. In 2 voor Christus werd het nieuwe Forum Augusti met de tempel van Mars Ultor ingewijd. Verder kwamen tot stand de tempel van Apollo op de Palatijn (28 voor Christus) met bijbehorende bibliotheek, de Porticus Octaviae op het Marsveld, eveneens met bibliotheek, de Curia Iulia (29 voor Christus) en de Basilica Iulia (12 na Christus), het Mausoleum Augustl (28 voor Christus), het Marcellus-theater (13 of 11 voor Christus) enz.

In juni 17 voor Christus werd in Rome op grootse wijze het (uitgestelde) eeuwfeest van de stad gevierd (ludi saeculares), waarvoor Horatius de officiŽle hymne dichtte, het bewaard gebleven Carmen saeculare.

Buitenlandse politiek

In zijn buitenlandse politiek hield Augustus rekening met het algemene verlangen naar vrede. Afgezien van de mislukte arabische expeditie van Marcus Aelius Gallus (25-24 voor Christus) heeft hij geen gebiedsuitbreiding nagestreefd. Omdat hij echter het rijk zoveel mogelijk natuurlijke grenzen wilde geven, werd de vredevorst gedwongen talrijke oorlogen te voeren.

In Noord-Afrika kreeg koning Juba II, gehuwd met Cleopatra's dochter Selene, Mauretania. De zuidgrens was nog niet vastgesteld en de woestijnstammen gaven de Romeinen nog jarenlang handen vol werk. In Egypte werd de grens na een oorlog met Kandake van AethiopiŽ door de praefectus Gaius Petronius iets naar het zuiden verlegd (21 voor Christus).

Aan de oostgrens lag een reeks van onafhankelijke vorstendommen, die hun ontstaan grotendeels aan Antonius te danken hadden. De meeste van deze vazalstaten liet Augustus voorlopig bestaan. In Judaea (waar in 6 voor Christus Jezus Christus geboren werd) regeerde koning Herodes de Grote, wiens rijk na de slag bij Actium en nogmaals in 20 voor Christus aanzienlijke gebiedsuitbreiding kreeg.

Het kempunt van de politiek in het Oosten was sinds de nederlagen van Crassus en Antonius de verhouding tot de Parthen. Augustus wilde geen revanche-oorlog en gebruik makend van twisten in het Arsacidenhuis wist hij een groot diplomatiek succes te behalen: Phraštes IV leverde in 20 voor Christus de bij Carrhae (54 voor Christus) veroverde veldtekenen en buit uit; de veldtekenen werden opgesteld in de tempel van Mars Ultor. In 9 voor Christus gaf Phraštes zelfs vier zonen als gijzelaars. De eigenlijke twistappel tussen Romeinen en Parthen vormde ArmeniŽ. Daar zette Tiberius in 20 voor Christus een Romeinse pretendent, Tigranes, op de troon. Van 23 tot 21 en van 17 tot 13 werkte Agrippa in de grensgebieden.

In 1 voor Christus werd Gaius Caesar naar het Oosten gezonden en vernieuwde de goede verstandhouding met ArmeniŽ. Volk en adel van dit land bleven echter in meerderheid anti-Romeins en het is nooit gelukt de Parthische invloed in ArmeniŽ definitief in te dammen.

Een dringend probleem was de beveiliging van de noordgrenzen van ItaliŽ en MacedoniŽ. In 25 voor Christus werden de Salassi bij de Kleine Sint-Bernhard onderworpen; in hun gebied werd de militaire kolonie Augusta Praetoria Salassorum (Aosta) gevestigd.

Een aanval van de PannoniŽrs en Norici vormde in 16 voor Christus de aanleiding tot de annexatie van Noricum, gevolgd door de onderwerping der Vindelici en RaetiŽrs door 's keizers stiefzoons Tiberius en Drusus. De zwaarste strijd moest geleverd worden aan de benedenloop van de Donau, waar de Geten een sterke macht vormden, voortdurend invallen deden in MacedoniŽ en ThraciŽ en een groot deel van de zuidelijke oever bezet hadden. De beslissing viel in de jaren 6-9 na Christus, toen bij een opstand van de PannoniŽrs de Geten onder hun krachtige koning Marbod ingrepen. De strijd, waarin 15 legioenen moesten worden ingezet, werd tot een goed einde gebracht door Tiberius; Pannonia en Moesia werden keizerlijke provincies, het mondingsgebied van de Donau werd bij ThraciŽ gevoegd, dat onder

eigen inlandse vorsten moest zorgen voor de grensverdediging.

Verreweg de grootste en belangrijkste provincie was Gallia. Hier waren sinds Caesar slechts weinig definitieve regelingen getroffen en moest nog menige opstand onderdrukt worden. In 27 voor Christus organiseerde Augustus er persoonlijk het bestuur. Hij hield de census en regelde de belastingen. Het land (Gallia Comata) werd verdeeld in drie districten (later keizerlijke provincies), Aquitania, Lugdunensis en Belgica, die hun gemeenschappelijke landdagen in Lugdunum hielden, waar de Ara Romae et Augusti het religieuze middelpunt van GalliŽ vormde; de oude provincie Gallia Narbonensis werd van de rest gescheiden en aan de senaat toegewezen (22 voor Christus).

Grote last bezorgden de invallen der Germanen, vooral die der Sugambri, die o.a. Marcus Lollius in 16 voor Christus een zware nederlaag toebrachten. Toen de Sugambri in 12 voor Christus een nieuwe aanval deden, besloot Augustus tot de onderwerping van de Germanen aan de overzijde van de Rijn. Het commando werd opgedragen aan Drusus (maior). Deze versterkte eerst de Rijnlinie met een reeks castra en castella, o.a. Mogontiacum (Mainz) en Castra vetera (Xanten). Daarna trok hij over de Rijn, legde een kanaal aan van de Rijn naar de Zuiderzee, bracht hierlangs zijn vloot in de Noordzee en onderwierp de Bataven en de Friezen. Onder zware gevechten drong hij door tot aan de Ems en de Weser en bouwde aan de Lippe het castellum Aliso. In 9 voor Christus bereikte Drusus na het verslaan van Chatten, Sueben en Cherusken de Elbe, maar hij stierf op de terugweg door een val van zijn paard. In zijn plaats trad zijn broer Tiberius, die het land tot aan de Elbe - althans voorlopig -wist te pacificeren: Ara Ubiorum (Keulen) zou het middelpunt vormen van het nieuwe gebied, met een altaar van Augustus naar het voorbeeld van Lugdunum. Tijdens de grote Pannonische opstand (6-9) bleven de Germanen rustig. Eerst in 9, toen Publius Quintilius Varus op ontactische manier het Romeinse bestuur wilde doorvoeren, kwamen de sterkste stammen onder leiding van Arminius, koning der Cherusken, in opstand. Varus werd in een hinderlaag gelokt en zijn gehele leger vernietigd in het Teutoburgerwoud. Vervolgens nam Tiberius het opperbevel aan de Rijn op zich, maar het verwachte grote offensief bleef gelukkig uit. Hij bevestigde de grens, drong in twee veldtochten (10 en 11 na Christus) Germania binnen en behaalde enige successen, maar deed geen pogingen het verloren gebied te herwinnen. Alleen de volken aan de kust, Bataven, Friezen en Chauci, bleven de Romeinen trouw. Zo bleef voortaan de Rijn rijksgrens.

Spanje, sinds 201 voor Christus Romeins gebied, was in 27 voor Christus nog steeds niet tot rust gebracht. In dat jaar ging Augustus zelf naar Tarraco, werd echter ziek en moest de operaties aan legaten overlaten. In 24 verliet de keizer het land, maar nog in hetzelfde jaar kwam het tot een nieuwe opstand, geleid door de Astures en Cantabri. Eerst in 19 voor Christus gelukte aan Agrippa de volledige onderwerping. Sindsdien heerste er rust.

Staatsbestuur

In het door Augustus geschapen staatssysteem bestond geen juridische basis voor een vaste opvolging. Toch was zijn hele streven gericht op het vestigen van een dynastie; zoals hij zelf in de plaats van Caesar was getreden, zo wilde hij ook een opvolger uit eigen bloed. Op geen gebied echter heeft hij zoveel tegenslagen en tragiek moeten beleven als in zijn familieleven. Een zoon is hem niet vergund geweest; zijn enige dochter moest hij in 2 voor Christus verbannen.

Zijn eerste huwelijk (eind 43), met de tienjarige Clodia, was van zuiver politieke aard. Clodia was de dochter van Fulvia, de vrouw van Antonius, uit een eerste huwelijk met de bekende Publius Clodius Pulcher. Deze verbintenis werd natuurlijk verbroken tijdens het Bellum Perusium (41). Eveneens om politieke redenen huwde Augustus daarna Scribonia, de zuster van de schoonvader van Sextus Pompeius. Zij schonk hem een dochter, Julia, maar werd enige dagen na de bevalling door Augustus verstoten (38). Daarna nam hij de knappe, eerzuchtige en talentvolle Livia Drusilla tot vrouw en deed haar scheiden van Tiberius Claudius Nero, van wie zij twee zoons, Tiberius Claudius Nero en Nero Claudius Drusus, meebracht. Ditmaal was er bij de anders zo berekenende man hartstocht in hetspel en hun wederzijdse liefde heeft tijdens hun lange huwelijksleven stand gehouden.

De hand van zijn enige dochter Julia gaf Augustus aan zijn neef Marcus Claudius Marcellus (25 voor Christus). De grote sympathie die Augustus hem betoonde stempelde hem tot troonopvolger, zodat een gespannen verhouding met Agrippa en Tiberius ontstond. Toch gaf de keizer bij zijn zware ziekte van 23 voor Christus, toen hij zijn dood nabij achtte, tegen ieders verwachting in zijn zegelring aan Agrippa. Marcellus stierf in 23 kinderloos

tot groot leed van Augustus; deze hield persoonlijk de laudatio bij de begrafenis.

De nieuwe echtgenoot van Julia werd Agrippa. De beide oudste zoons van het ongelijke paar, Gaius Caesar en Lucius Caesar, werden terstond na hun geboorte door hun grootvader Augustus geadopteerd en golden na Agrippa's dood in 12 voor Christus als troonopvolgers. Beiden stierven echter jong, Lucius in 2 na Christus in Massilia, Gaius tijdens de terugreis uit ArmeniŽ in 4 na Christus. Intussen was ook de jongste stiefzoon van de keizer, Drusus, aan wie Augustus zeer gehecht was en die velen als zijn lijfelijke zoon beschouwden, in 9 voor Christus in Germania omgekomen.

De oudste stiefzoon, Tiberius, wiens gesloten karakter Augustus, ondanks alle waardering voor zijn grote kwaliteiten, niet lag, werd nu gedwongen te scheiden van Agrippa's dochter Vipsania, van wie hij zielsveel hield, en te huwen met Agrippa's weduwe Julia; in 6 voor Christus ontving hij de tribunicia potestas. De uitspattingen van de teugelloze Julia echter en de bevoorrechting van 's keizers kleinzoons Gaius en Lucius verbitterden Tiberius zozeer dat hij met Augustus brak en zich in vrijwillige ballingschap terugtrok op Rhodus. Toen de dood der beide Caesares de laatste hoop van Augustus had vernietigd en Julia reeds op Pandataria voor haar wangedrag boette, werd Tiberius eindelijk door Augustus geadopteerd, maar met de clausule dat hijzelf zijn neef Germanicus, zoon van zijn broer Drusus, moest adopteren.

In 12 na Christus voelde Augustus zijn einde naderen. Hij maakte zijn testament en schreef zijn levensbericht (Res gestae), die beide in de tempel van Vesta werden gedeponeerd. Op 19 augustus 14 stierf de keizer te Nola. Zijn as werd bijgezet in het reeds 28 voor Christus voltooide mausoleum. Op 17 september riep de senaat hem tot Divus uit; de eerste priesteres van de nieuwe keizergod werd zijn weduwe Livia.

Augustus was zijn leven lang knap van uiterlijk; speciaal wordt gewezen op zijn grote fascinerende ogen: hierin ligt wel voor een deel de verklaring van zijn buitengewone overredingskracht en van zijn vermogen om anderen voor zich te winnen. Zijn gezondheid was vooral in zijn jonge jaren zeer zwak; eerst na de zware ziektecrisis van 23 bleef zij vrij constant goed.

Augustus mocht zich verheugen in een onvergelijkelijke populariteit, die hij ongetwijfeld verdiende. Hij was een man met grote gaven en in zijn politiek was de fortuin hem bovenmate gunstig gezind; hij wist de juiste medewerkers te kiezen, liet zich niet snel ontmoedigen en streefde vastberaden naar een duidelijk doel, waarbij hij geen enkel aspect van het maatschappelijk leven over het hoofd zag. Eeuwen lang heeft hij gegolden als het ideale type van de vorst.

Geschriften

Augustus verleende niet alleen steun aan schrijvers als Vergilius en Horatius, hij heeft ook zelf de literatuur beoefend. Op een na zijn zijn werken echter alle verloren gegaan, ondanks het hoge aanzien van hun auteur, een bewijs voor hun geringe letterkundige waarde:

1. Sicilia, geografisch gedicht in hexameters.

2. Epigrammen, waarvan er een bewaard is bij Martialis (11,20).

3. Een autobiografie tot het jaar 25 voor Christus.

4. Rescripta Bruto de Catone, een polemiek tegen Brutus' loflied op Cato.

5. Hortationes ad philosophiam.

6. Bewaard gebleven is slechts de schriftelijke verantwoording van zijn regeringsdaden, de Res Gestae Divi Augusti, die op zijn uitdrukkelijke wens na zijn dood aangebracht werden op twee bronzen platen voor zijn mausoleum; afschriften werden waarschijnlijk opgericht in alle grote provinciesteden.

Van dit hoogst belangwekkende document werd in 1555 een exemplaar ontdekt te Ankara, waar het in het Latijn gebeiteld was op de wanden van de voorhal van de tempel van Roma en Augustus. Later werd op de buitenzijde van de cella-muur van dezelfde tempel ook een Griekse vertaling ontdekt; in AntiochiŽ (in PhrygiŽ) werden in 1914 en 1924 belangrijke fragmenten van een 'tweede exemplaar van de Latijnse tekst van dit als Monumenturn Ancyranum bekend staande levensbericht gevonden.

Beelden

Het aantal bewaarde beeltenissen van Augustus bedraagt meer dan 140. Aan de hand daarvan kan men zich een goede voorstelling vormen van het voorkomen van de keizer in de verschillende perioden van zijn leven. Als jongen van 15 jaar wordt hij weergegeven door een buste in het Musťe Lavigerie in Tunis, als jongeman van rond de 20 door een dertigtal koppen in verschillende musea (Modena, Florence, Arles, Berlijn, Verona, Aquilea, Londen, Napels, Madrid, Rome enz.). Twee prachtige bronzen koppen, een in het British Museum (afkomstig uit NubiŽ!) en een in de Vaticaanse bibliotheek, beelden Augustus uit als man van ca. 35 jaar. Een nieuw, sterk idealiserend type ontstond na januari 27; hiertoe behoren o.a. een verfijnde marmeren buste in de MŁnchener Antikensammlung, twee marmeren koppen in het Louvre en een buste in de Ny Carlsberg glyptotheek te Kopenhagen. Het meest indrukwekkend is de z.g. Augustus van Primaporta, een marmeren standbeeld dat in 1863 nabij Rome werd gevonden in de villa van Livia en zich thans in het Vaticaans Museum bevindt: Augustus, uitgebeeld als imperator van ca. 45 jaar, draagt een harnas en een veldheersmantel, in zijn linkerhand houdt hij de veldheersstaf, naast zijn rechterbeen zit op een dolfijn een kleine Amor; op het harnas is onder meer in prachtig bas-reliŽf de teruggave (in 20 voor Christus: terminus post quem!) van de door de Parthen bij Carrhae in 54 buitgemaakte Romeinse adelaars te zien, met daaromheen allegorische voorstellingen die de betekenis van Augustus als vredevorst symboliseren. Augustus op oudere leeftijd vinden we in een reeks beeltenissen die hem als pontifex maximus weergeven: zo o.a. het beroemde standbeeld 'van de Via Labicana' in het Museo Nazionale te Rome. Ook de muntportretten en vele cameeŽn (bv. de beroemde gemma Augustea in het Hofmuseum te Wenen en de gemme in het z.g. Lotharius-kruis in de domschat van Aken) verdienen de aandacht. Van veel geringer belang in iconografisch en kunsthistorisch opzicht zijn de grote cultusbeelden van de vergoddelijkte Augustus (bv. in Istambul, Detroit, Sevilla, Vaticaan, en elders).

Terug naar "I, Claudius: historische achtergrond"