Terug naar "De keizerlijke familie"

Germanicus

Germanicus was de neef en aangenomen zoon van keizer Tiberius. Gaius Julius Caesar Germanicus (voor zijn adoptie: Nero Claudius Germanicus) werd in 15 voor Christus geboren als oudste zoon van Drusus maior, van wie hij de titel Germanicus erfde, en Antonia Minor. In 4 na Christus werd hij op last van Augustus geadopteerd en gold sindsdien als troonopvolger. Uit zijn huwelijk (5 na Christus) met Vipsania Agrippina werden negen kinderen geboren, onder wie Caligula en Nero's moeder Agrippina minor.

Twee perioden laten zich in het leven van Germanicus onderscheiden. Aan de noordelijke rijksgrens vergezelde hij Tiberius op diens tochten tegen de PannoniŽrs en DalmatiŽrs (7 na Christus). Later stond hij aan de Rijn, waarheen hij na zijn consulaat (12) opnieuw werd gezonden, nu als opperbevelhebber van de Rijnlegers en stadhouder van de drie Gallische provincies, waar hij vanuit Lugdunum een census hield.

Bij de muiterij na de dood van Augustus bleef hij loyaal tegenover Tiberius. Zijn populariteit bij de legioensoldaten bracht hem echter bij de keizer in diskrediet, te meer omdat hij als republikein werd beschouwd, evenals zijn vader, die hij trachtte te evenaren door een groot deel van GermaniŽ te veroveren.

Over de Rijn rukte Germanicus op tegen de Marsi, de Chatti en de Cherusci, tegen wie hij successen boekte. In het Teutoburgerwoud bracht hij de laatste eer aan Varus, om daarna Arminius oostwaarts te achtervolgen. Na een onbeslist gevecht keerde hij terug, waarbij hij zware verliezen leed. Tijdens de veldtocht van 16, waarbij ook de vloot ingeschakeld werd, staken de Romeinen de Weser over en behaalden een overwinning op de Campus Idistaviso. Definitieve resultaten werden echter ook nu niet bereikt. Zo werd Germanicus door Tiberius teruggeroepen.

Hij vierde in Rome een triomf, waarbij de gevangen Germaanse prinses Thusnelda werd meegevoerd. Hierna wees Tiberius aan Germanicus, met een imperium maius, alle oostelijke provincies toe. In de nazomer van 17 vertrok Germanicus naar Asia, waar hij de Pontische koning Zeno als Artaxias III op de Armeense troon plaatste, en regelde de inlijving van CappadociŽ en Commagene. Intussen raakte hij echter gebrouilleerd met Gnaeus Calpurnius Piso, die Tiberius tot legaat van SyriŽ had benoemd om Germanicus in het oog te houden.

Deze reisde in 19 zonder verlof, uit een romantische nieuwsgierigheid, naar de keizerlijke provincie Egypte, hetgeen als een belediging van de keizer gold: Kort na zijn terugkeer in AntiochiŽ stierf Germanicus, zelf ervan overtuigd dat Piso hem vergiftigd had. Zijn geheimzinnige dood (10 oktober 19) versterkte nog zijn populariteit, die zich treffend manifesteerde bij de overbrenging van zijn as naar Rome.

Germanicus was een ambitieus, maar fijngevoelig, zacht en vriendelijk man, met grote belangstelling voor literatuur. Hij vertaalde en bewerkte Aratus' sterrenkundig gedicht Phaenomena, en compileerde een ander, nu grotendeels verloren, werk Prognostica. Ook schreef hij epigrammen en zou hij Griekse komedies bewerkt hebben.

De vele afbeeldingen van Germanicus die we op munten en in beelden bezitten, hebben Lucius Curtius in staat gesteld de ontwikkeling van zijn uiterlijk en van zijn portret vast te stellen. Mooie koppen en borstbeelden bevinden zich in het Louvre, het British Museum, het Museo Nazionale van Napels en in de Ny Carlsberg Glyptotheek te Kopenhagen; een kolossale kop is teruggevonden te Leptis Magna.

Terug naar "De keizerlijke familie"