Terug naar "De keizerlijke familie"

Caligula

Onder deze naam staat de derde Romeinse keizer bekend, Gaius Iulius Caesar Germanicus, geboren op 31 augustus 12 na Christus in Antium als zoon van Germanicus en Agrippina (maior). Al op zeer jeugdige leeftijd verbleef hij met zijn moeder, die haar echtgenoot overal vergezelde, tussen de soldaten aan de Rijn; dezen gaven hem vanwege zijn schoentjes de bijnaam Caligula.

Vanaf zijn jeugd was Caligula geestelijk labiel; als jongen leed hij aan epilepsie en zijn hele leven door werd hij gekweld door slapeloosheid, die hem soms urenlang door het paleis deed ronddolen. Waarschijnlijk was hij in hoge mate schizofreen. Hierop wijst zijn motorische onrust en zijn neiging tot uitersten: zijn persoonlijkheid wordt enerzijds gekenmerkt door weekheid, behoefte aan liefde en een mateloos zelfvertrouwen, anderzijds door zijn optreden als een god. In de loop der jaren distantieerde hij zich steeds meer van iedereen en voelde zich ook een god. Hij eiste dus goddelijke verering en ging tegen het mensdom te keer met een niets ontziende meedogenloosheid.

Als kind van vijf jaar vergezelde Caligula zijn ouders naar het Oosten. Na de dood van zijn vader aldaar (19) werd hij in Rome opgevoed door zijn moeder en vanaf 29, toen Agrippina verbannen werd, door Livia en zijn grootmoeder Antonia (minor). In 31 riep Tiberius hem naar Capri. Reeds vroeg bleek Caligula's wilde en tevens ijskoude aard in avonturen met beide seksen, maar ondanks zijn knapheid in het huichelen doorzag Tiberius hem en zei dat hij Caligula in leven had gelaten tot verderf van hemzelf en van iedereen: dat hij in Caligula voor het Romeinse volk een slang grootbracht en voor de wereld een Phaëthon, die haar eens zou verteren.

Tiberius had, na de dood van Caligula 's broer Drusus in 33, Caligula en diens neef Tiberius Gemellus als erfgenamen aangewezen, maar de commandant van de praetorianen Macro hielp Caligula op de troon (18 maart 37). Groot was de vreugde waarmee het Romeinse volk de zoon van de verafgode Germanicus begroette na de laatste sombere jaren van Tiberius. Inderdaad was het begin van Caligula's regering hoopvol: hij hield onder tranen de lijkrede op Tiberius, adopteerde Tiberius Gemellus en benoemde hem tot princeps iuventutis, eerde zijn grootmoeder Antonia en seponeerde alle aanklachten. Daarnaast gaf hij echter ook spelen aan het volk die schatten verslonden, en leefde zo verkwistend dat de door Tiberius gevulde schatkist weldra leeg was. Spoedig kwam de keerzijde van zijn karakter aan het licht, wellicht mede als gevolg van een ernstige ziekte in het najaar van 37. Hij verguisde Tiberius en zelfs zijn eigen moeder, verhaastte door bruut optreden de dood van zijn grootmoeder Antonia, liet Gemellus vermoorden en begon, om aan geld te komen, majesteitsprocessen tegen leden van de hoge adel en de ridderstand. Hij trad op als god-keizer en verlangde als incarnatie van Jupiter een eigen tempel op de Palatijn voor Optimus Maximus Caesar; openlijk liet hij zich vereren als de verpersoonlijking van verschillende goden en zelfs godinnen.

Abnormaal fel was het seksuele leven van Caligula Reeds als jongen onderhield hij intieme relaties met allerlei vrouwen en zelfs met zijn eigen zusters. Zijn zus Drusilla wilde hij zelfs huwen, naar het voorbeeld der Ptolemaeën. Wettig gehuwd was hij viermaal: in 33 huwde hij Claudia, de dochter van Marcus Junius Silanus, maar deze stierf in 36 in het kraambed; in 38 nam hij Livia Orestilla, de echtgenote van Gaius Calpurnius Piso, tot vrouw, maar hij verstootte haar na korte tijd; in 39 huwde hij Lollia Paulina, de vrouw van Memmius Regulus, en joeg haar terstond weer weg; zijn laatste verbintenis was die met Milonia Caesonia (39), een reeds oudere vrouw die al drie dochters had, maar hem door haar vitaliteit en zinnelijkheid aan zich wist te binden.

Het bestuur van het rijk, waarvoor Caligula zich nauwelijks interesseerde, werd in het algemeen voortgezet volgens de richtlijnen van Tiberius. Alleen stichtte Caligula ten behoeve van persoonlijke relaties een reeks vazal-koninkrijken in het Oosten: Iudaea met Julius Agrippa, Thracië, Pontus, Bosporus en Armenia minor met de zonen van Cotys, Commagene met Antiochus IV. Ptolemaeus van Mauretanië werd omgebracht en zijn rijk als provincie geannexeerd. Ernstige gevolgen had de eis van Caligula dat zijn beeltenis opgesteld moest worden in de synagogen van de joden. Dit leidde in Alexandrië tot ernstige onlusten, waarbij de joden zich op een oud privilege beriepen. Hun gezantschap onder leiding van Philo moest echter onverrichterzake uit Rome terugkeren. In Jeruzalem moest de Syrische legaat Petronius het beeld van de keizer in de tempel plaatsen; slechts de onverwachte dood van Caligula voorkwam het uitbreken van een oorlog.

Eind 39 trok Caligula als een tweede Alexander te velde tegen de Germanen; hierbij kwam het echter niet tot gevechten. Een veldtocht tegen Brittannië eindigde aan het Kanaal: de bouw van een vuurtoren bij Boulogne was het enige tastbare resultaat.

De drukkende belastingen en het algemene gevoel van onveiligheid leidden tot voortdurende samenzweringen. Maar eerst toen officieren der praetorianen onder Cassius Chaerea, gesteund door de machtige vrijgelatene Callistus, ingrepen, was het lot van Caligula bezegeld. Op 24 januari 41 viel de tiran onder hun zwaarden.

Van Caligula zijn, behalve portretten op munten, een aantal borstbeelden bewaard gebleven; de voornaamste bevinden zich in Kopenhagen (Ny Carlsberg Glyptotheek), het Metropolitan Museum in New York en in het Louvre.

Terug naar "De keizerlijke familie"