Terug naar het keuzemenu Cicero, "Schematisch overzicht" en "Integrale tekst"

106-76

Marcus Tullius Cicero werd geboren in hetzelfde jaar als Pompeius, in 106 voor Christus, op 3 januari, in het ouderlijk huis op ongeveer vijf kilometer van Arpinum. Zijn vader (die dezelfde naam droeg) behoorde tot de ridderstand en was een bescheiden grondbezitter; zijn moeder Helvia was een verstandige en oplettende huisvrouw. Waarschijnlijk woonde het gezin het grootste deel van het jaar in Rome voor de opvoeding van hun kinderen, in hun huis in de Carinae (waar Quintus Cicero later zou gaan wonen).

Tot Cicero's vroegste herinneringen behoorden de bezielende lessen van de Griek Archias (die hij in 62 zou verdedigen); ook de beroemdste redenaars van dat ogenblik, Lucius Crassus en Marcus Antonius, droegen tot zijn vorming bij. Op raad van Lucius Crassus volgde de jonge Cicero geen lessen bij de bekendste leraar in de Latijnse retorica van toen, Plotius Gallus, maar studeerde hij bij Griekse leraars.

In 90 kreeg Cicero de toga virilis en werd hij op het forum ingeschreven in het register van de Romeinse burgers. Nu kon hij zijn tirocinium fori aanvatten; een tiro is een rekruut die zowel op het forum als in de senaat politieke en bestuurlijke ervaring moest opdoen die hem later van nut kon zijn wanneer hij zelf in de politiek actief zou zijn. Zijn eigenlijke studies werden onderbroken door de Bondgenotenoorlog, waarin hij in 89 onder Cnaeus Pompeius Strabo (de vader van Cnaeus Pompeius Magnus) diende in een veldtocht tegen de Marsi. Hij diende ook nog onder Lucius Cornelius Sulla, maar al bij al zag Cicero bijzonder weinig in het krijgswezen.

Kort nadien mocht Cicero in de leer gaan bij Quintus Mucius Scaevola (de augur), de bekendste advocaat van zijn tijd, en na diens dood (waarschijnlijk in 87) bij Scaevola's neef en naamgenoot Quintus Mucius Scaevola (de pontifex maximus). Bij de Scaevolae kwam Cicero in contact met alle belangrijke politici van die tijd (wat voor de niet in Rome geboren en getogen Cicero verre van onbelangrijk was). Maar wat misschien nog interessanter was: bij de augur was hij in aanraking gekomen met het gedachtegoed van de kring rond de Scipiones; de schoonvader van Scaevola, Laelius, was namelijk een vriend geweest van Scipio Africanus, de grote bewonderaar van de Griekse cultuur. In 88 had Cicero geboeid geluisterd naar de redevoeringen van de welsprekende volkstribuun Publius Sulpicius Rufus en in 87 begon hij de techniek van de retorica te bestuderen onder de leiding van Molo van Rhodus, die toen in Rome was. Cicero's belangrijkste leraars in de filosofie waren Philo (een vertegenwoordiger van de Academische school) en Diodotus (een stoïcijn), die later zijn vriend zou worden.

In de loop van de volgende jaren begon Cicero zijn lange literaire activiteit. Hij maakte vertalingen van Aratus (Carmina Aratea), Homerus, Plato en Xenophon, schreef enkele kleinere gedichten maar vooral een werk over het vinden van ideeën en argumenten voor een redevoering: De inventione. In 81 volgde Cicero nogmaals lessen bij Molo en sprak hij zijn eerste bewaard gebleven redevoering uit, de Oratio pro Publio Quinctio.

In 80 nam Cicero dapper de verdediging op zich van Sextus Roscius uit Ameria, die door louche figuren uit de omgeving van Publius Cornelius Sulla beschuldigd werd van vadermoord (Oratio pro Sexto Roscio Amerino). In deze redevoering is Cicero natuurlijk in de eerste plaats een advocaat van de verdediging, maar zijn openlijke aanval op Chrysogonus (Sulla's vrijgelatene) en zijn bedekte kritiek op Sulla zelf tonen reeds zijn diepgewortelde afkeer voor de Romeinse oligarchie en voor de despotische trekjes van Sulla.

In 79 trok Cicero in een pleidooi voor een vrouw uit Arretium van leer tegen bepaalde harde maatregelen van Sulla, die Arretium (en andere landelijke steden in Italië) vroeger verworven rechten had afgenomen. In deze redevoering nam Cicero het op tegen Caius Aurelius Cotta, zoals hij het in de oratio pro Publio Quinctio al had opgenomen tegen Quintus Hortensius Hortalus, deze beide redenaars werden tot de besten van hun tijd gerekend.

Nog in 79 vertrok Cicero voor twee jaar naar het Griekse oosten. Zelf schreef hij deze reis toe aan zijn vermoeidheid na enkele jachtige jaren: hij had behoefte aan rust. Plutarchus suggereerde echter dat Cicero het misschien veiliger vond Rome een tijdje de rug toe te keren om de vijandige sfeer te ontlopen die hij door zijn redevoeringen had opgeroepen.

In Athene studeerde Cicero zes maanden onder Antiochus (toen het hoofd van de Academie), reisde vervolgens door Asia Minor en volgde op Rhodus opnieuw les bij Molo; daar kwam hij in contact met de stoïcijn Posidonius, die grote indruk op hem maakte.

In 77 keerde Cicero in blakende gezondheid naar Rome terug. Hij was zich ten volle bewust van zijn kracht als redenaar en wist nu ook hoe hij met die kracht moest omgaan. Datzelfde jaar huwde hij Terentia, een vrouw uit een aanzienlijke familie die een rijke bruidschat aan eigendommen meebracht.

In 76 werd Cicero door een grote meerderheid van stemmen gekozen tot quaestor. Hij kreeg Lilybaeum (op Sicilië) als standplaats toegewezen en werkte onder propraetor Sextus Peducaeus. Dat jaar verdedigde hij Quintus Roscius (een door Sulla in de ridderstand verheven toneelspeler) in een privaatrechtelijk proces (Oratio pro Quinto Roscio comoedo).

  75-68

Tijdens zijn ambtsperiode als quaestor in 75 ontdekte hij bij Syracusae het graf van Archimedes. Voor zijn terugkeer naar Rome (in 74) sprak Cicero in Lilybaeum een afscheidsrede uit tot de bewoners van Sicilië, die hem dankbaar waren voor zijn eerlijkheid en verdraagzaamheid. Ook de Romeinen waren hem erkentelijk omdat hij, dank zij zijn vooruitziendheid, Rome in een periode van schaarste graan had bezorgd. Onderweg naar Rome ondervond Cicero dat het spreekwoord "uit het oog, uit het hart" maar al te juist was, en hij nam zich voor om voortaan altijd op de voorgrond te treden. Toch bleef geen van de redevoeringen bewaard die Cicero in de daaropvolgende jaren uitsprak, behalve de Oratio pro Marco Tullio van 71.

In 70 (het jaar waarin hij werd verkozen tot aedilis curulis) trad Cicero op als aanklager van Verres (In Verrem actiones); deze redevoeringen maakten van Cicero onbetwistbaar de belangrijkste pleiter van Rome. Terzelfder tijd bracht hij een zware slag toe aan een van de pijlers van de staatsorganisatie van Sulla door de corruptie van de uitsluitend uit de senatorenstand gekozen rechters aan te klagen.

De belangrijkste veranderingen die Sulla in de staatsorganisatie had doorgevoerd (en die tot in 70 bijna onaangetast waren blijven bestaan), waren de volgende:

* de volkstribunen bleven beroofd van hun vetorecht en van hun recht om wetten voor te stellen en door het volk te laten goedkeuren (dat was een alleenrecht van de senaat geworden);

* rechters werden, zoals hierboven gezegd, nog altijd uitsluitend uit leden van de senatorenstand gekozen;

* er waren sinds Sulla's bewind geen censoren meer geweest.

Kortom, Sulla had van de senaat het enige gezagsorgaan in Rome gemaakt.

Sulla's hervorming kon echter alleen slagen als die senaat verstandig en doortastend optrad en als de militaire en bestuurlijke verantwoordelijken uit de rangen van de senatoren efficiënt en betrouwbaar waren. En hier wrong het schoentje...

De nobiles (die de senaat monopoliseerden) moesten alleen nog rekenschap afleggen tegenover hun standgenoten. Ze moesten niet meer bang zijn voor kritiek op hun doen en laten vanwege het volk via de volkstribunen. Wanbestuur in provincies werd alleen nog beoordeeld door collega-senatoren, niet langer door rechters uit de ridderstand... En ja, als er geen verantwoording moet worden afgelegd, staat natuurlijk de deur naar corruptie en andere onfrisse praktijken wagenwijd open! De zwaarst gedupeerden waren ongetwijfeld de inwoners van de provincies, zoals bleek uit het optreden van Dolabella in Macedonia (80-78) en van Caius Verres op Sicilië (73-71).

De senatoren hielden evenwel de rangen gesloten en waren best tevreden met hun erfelijk geworden machtspositie; ze probeerden dus iedere homo novus te beletten een prominente rol te spelen in de senaat door zijn verkiezing tot een hoger ambt tegen te werken. Dat ze zo bekwame mannen die de staat goede diensten konden bewijzen, de pas afsneden, was de minste van hun zorgen.

Beweren dat de senatorenstand alleen uit corrupte mensen bestond, zou natuurlijk de waarheid geweld aandoen. Er waren in de rangen van de nobiles voorbeeldige mannen zoals Quintus Lutatius Catulus, bekwame militairen zoals Quintus Caecilius Metellus Pius en Publius Servilius Isauricus en de briljante generaal Lucius Licinius Lucullus. Maar er waren onvoldoende goede elementen om de nood aan bekwame en eerlijke bestuurders te lenigen. Denken we maar even aan Quintus Sertorius, die er in slaagde van 80 tot 72 Spanje af te scheuren van Rome (geen van de tegen hem uitgezonden generaals boekte succes), of aan de smadelijk mislukte poging van Marcus Antonius (74-71) om de zeeroverij in de Middellandse Zee te beëindigen, of aan het spoor van verwoesting dat Spartacus in Italië trok met zijn gladiatoren (73-71).

Deze aanslepende oorlogen waren zeker niet het enige gevaar dat Rome bedreigde. Heel wat steden in Italië hadden door toedoen van Sulla hun gronden en rechten zien verdwijnen. Hun inwoners vormden, samen met de zonen van de door Sulla via proscripties vermoorde of verbannen Romeinen, een onbetrouwbare groep. Dan waren er nog de veteranen die door Sulla over heel Italië verspreid waren en die door hun mislukking als landbouwer uitkeken naar de eerste de beste gelegenheid om opnieuw gemakkelijk rijk te worden door plundering. Tenslotte waren de inwoners van Rome voor een aanzienlijk deel samengesteld uit vreemdelingen en vrijgelatenen en vormden vaak een gevaar voor de openbare orde doordat er geen politiemacht was in de stad.

Er tekende zich dan ook stilaan oppositie af. Er waren respectabele nobiles, mensen die opkwamen voor recht en orde maar die nooit sympathie hadden gekoesterd voor de extreme en gewelddadige middelen die Sulla gebruikt had. Heel wat steden in Italië hadden het moeilijk om zich zomaar neer te leggen bij hun vernedering door Sulla en vreesden dat de gronden en de rechten die ze hadden kunnen behouden, alsnog voor hen verloren zouden gaan door de handigheid van advocaten of door de slordigheid van Romeinse ambtenaren. Dan was er tenslotte nog de aanzienlijke macht van de ridderstand, ook al mochten zijn leden niet meer zetelen als rechter en hadden ze zwaar te lijden gehad van de proscripties. De equites hadden een nieuw elan gekregen doordat welstellende burgers uit heel Italië tot de ridderstand waren toegelaten. Rijke grootgrondbezitters werden immers uit de senaat geweerd op grond van hun lage afkomst (ze waren maar landadel) en traden daarom toe tot de ridderstand. En voor heel die oppositie tegen de oligarchie van de senaat had Cicero grote sympathie, hoewel hij zich nog niet in de actieve politiek mengde.

In 71 keerde Pompeius uit Spanje terug aan het hoofd van zijn leger. Hij had de troepen van Sertorius verslagen en op de terugweg had hij het laatste restje van het slavenleger van Spartacus in de pan gehakt. Hij rekende erop dat de senaat hem een triomftocht zou gunnen en hem zou toestaan zich kandidaat te stellen voor het ambt van consul (hij had in 77 al de bevoegdheid van proconsul gehad in Spanje), ondanks het feit dat hij volgens de hervorming van de cursus honorum door Sulla, te jong was om consul te kunnen worden en geen andere ambten had bekleed.

Uit afgunst voor zijn schitterende prestaties als veldheer aarzelde de senaat om de wensen van Pompeius in te willigen. De tegenstanders van de optimaten zagen hun kans schoon en begonnen met Pompeius te onderhandelen om de nobiles een hak te zetten. Marcus Licinius Crassus, die in de oorlog tegen de slaven wel een groot deel van het werk had gedaan maar besefte dat hij qua populariteit en militaire roem de mindere was van Pompeius, werd snel bereid gevonden tweede consul naast Pompeius te worden en stelde zich tevreden met een ovatio in plaats van een triomftocht.

Te laat begrepen de optimaten dat ze door hun eigen kortzichtigheid buitenspel waren gezet: de combinatie van twee generaals (van wie de legers aan de stadspoorten kampeerden) met de hervormingsgezinden in de stad was beslissend voor de verkiezingen van 71! Pompeius en Crassus werden tot consul verkozen voor het jaar 70 en na hun ambtsaanvaarding op 1 januari drukten ze het programma van de hervormingsgezinden door:

* de lex Pompeia de tribunicia potestate schafte alle beperkingen af die Sulla aan de volkstribunen had opgelegd (volledigheidshalve vermelden we dat in 75 Caius Aurelius Cotta er al voor gezorgd had dat mensen die volkstribuun waren geweest, zich opnieuw kandidaat konden stellen voor hogere ambten, wat Sulla verboden had);

* de quaestiones perpetuae werden hervormd; de zetelende rechters zouden voortaan niet uitsluitend senatoren zijn, maar senatoren, ridders en tribuni aerarii; dit compromis was vastgelegd in de lex Aurelia iudiciaria, die werd voorgesteld door Lucius Aurelius Cotta, praetor in 70 en broer van Caius Aurelius Cotta, de hervormende consul van 75;

* er kwamen opnieuw censoren die onmiddellijk 64 door Sulla benoemde senatoren van het album senatorum afvoerden.

Deze hervormingen deden weliswaar de belangrijkste politieke maatregelen van Sulla teniet, maar verhielpen geenszins de sociale en economische moeilijkheden in Rome en Italië...

Cicero was niet echt enthousiast over de eerste van de drie hierboven vermelde maatregelen; de derde keurde hij ongetwijfeld goed en tot de tweede had hij zelf in hoge mate bijgedragen, niet alleen door het wetsvoorstel van Cotta te steunen maar vooral door zijn vernietigende aanval op de uitsluitend uit senatoren samengestelde rechtbanken in zijn aanklacht tegen Caius Verres.

Dit proces had plaats in de zomer van 70. Vrienden van de beklaagde probeerden eerst te beletten dat Cicero als aanklager zou optreden door die taak toe te vertrouwen aan Quintus Caecilius Niger, die quaestor was geweest onder Verres. Toen dat niet lukte, wilden ze het proces doen uitstellen tot 69, het jaar waarin de verdediger van Verres, Quintus Hortensius Hortalus, consul zou zijn (ze gingen er blijkbaar van uit dat Verres dan zeker zou vrijgesproken worden).

Cicero was evenwel op zijn hoede ging onmiddellijk aan het werk. Op amper vijftig dagen verzamelde hij op Sicilië een overweldigend aantal belastende getuigenissen tegen Verres. Bij het begin van het proces hield Cicero een kort pleidooi en liet toen de getuigen defileren. Hun verklaringen waren zo vernietigend voor Verres dat Hortensius zich terugtrok als verdediger en Verres in ballingschap vertrok voor het einde van het proces.

Om de indruk die de Divinatio in Caecilium en de In Verrem actio prima in Rome hadden gemaakt, nog te versterken, publiceerde Cicero de volledige aanklacht tegen Verres in de vijf boeken van de In Verrem actio secunda. Iets gelijkaardigs zou hij later nog doen met het niet uitgesproken pleidooi voor Titus Annius Milo (oratio pro Tito Annio Milone, in 52) en met de Philippica II tegen Marcus Antonius (in 44).

In 69 was Cicero aedilis. Omdat hij nu eenmaal niet afgeladen rijk was, kon hij het volk niet vergasten op de schitterende spelen die het plebs van een aedilis verwachtte, en daarom gebruikte hij de geschenken die de bevolking van Sicilië hem had gegeven ten bate van de staat. Hij hield zich afzijdig van de politiek en pleitte in 69 voor Marcus Fonteius (Oratio pro Marco Fonteio); deze laatste werd beschuldigd van wanbestuur in Gallië. De manier waarop Cicero Fonteius ophemelt en de Gallische getuigen ten laste belachelijk maakt, staat in erg schril contrast met de integriteit waarmee hij Verres aanklaagde... In 68 nam hij de verdediging op zich van Aulus Caecina (Oratio pro Aulo Caecina). 

67 / Caio Calpurnio Pisone Manio Acilio Glabrione consulibus

In 67 begon Cicero zijn correspondentie met Titus Pomponius Atticus, zijn vriend voor het leven. De eerste brieven gaan over persoonlijke aangelegenheden, zoals de dood van Cicero's vader, de dood van zijn neef Lucius, de vervreemding tussen Quintus Cicero en Pomponia, de zuster van Atticus (die nog maar pas gehuwd waren) en de verloving van Tullia (die nog maar een kind was) met Caius Calpurnius Piso.

In datzelfde jaar was Cicero kandidaat voor het ambt van praetor, maar tot tweemaal toe werden de verkiezingen geschorst. Cicero was toen al zo populair dat hij bij elk van de drie verkiezingen de meeste stemmen achter zijn naam had.

Na enkele stormachtige scènes op het forum had Caius Cornelius (een volkstribuun) voorstellen laten goedkeuren die de rechten van de senaat beperkten om individuele burgers vrij te stellen van bepaalde wetten en die de praetoren verplichtten om hun edicten te publiceren bij hun ambtsaanvaarding en zich daar vervolgens ook aan te houden.

Een andere volkstribuun, Lucius Roscius Otho, liet een wet stemmen waarbij voortaan ook aan de equites plaatsen werden voorbehouden in het theater; wat Cicero, telg uit een geslacht van equites en voorvechter van de ridderstand, natuurlijk toejuichte. Hij was ook ingenomen met de belangrijke wet van Aulus Gabinius die de oorlog tegen de zeerovers toevertrouwde aan één man met verregaande volmachten: Pompeius.

De laatste jaren was het buitenlands optreden van Rome gekenmerkt door wisselend succes. Lucius Licinius Lucullus had Mithridates uit zijn koninkrijk Pontus verdreven (73-72); daarna had hij een eclatante overwinning behaald op Tigranes (koning van Armenia) en de stad Tigranocerta ingenomen (69).

Maar dan liep het fout: Lucullus' troepen weigerden hem nog te gehoorzamen en zijn officieren leden nederlaag op nederlaag, wat Mithridates toeliet Pontus opnieuw in handen te krijgen. Van het thuisfront had hij nooit echte steun gekregen en eerst werd hem het bestuur over Asia Minor afgenomen, dan het bestuur over Cilicia en tenslotte (op grond van de lex Gabinia) het bestuur over Bithynia en Pontus samen met het opperbevel in de oorlog.

Lucullus werd opgevolgd door Marcus Acilius Glabrio die de krachtmeting met de vijand echter niet aandurfde. Hij bleef werkloos in Bithynia zitten terwijl Lucullus, door de desertie van zijn soldaten, machteloos op zijn opvolger wachtte.

Pompeius kweet zich intussen schitterend van zijn opdracht: in veertig dagen had hij het westen van de Middellandse Zee van zeerovers verlost, in de volgende vijftig dagen ruimde hij het oosten van de Middellandse Zee op en onderwierp hij de vestingen van de piraten in Cilicia.

Quintus Caecilius Metellus had in 69-67 Creta veroverd (wat hem het cognomen ex virtute Creticus opleverde) en toen Pompeius zich in 67 wou bezighouden met de bestuurlijke organisatie op het nieuw veroverde eiland (iets waartoe hij gemachtigd was op grond van de lex Gabinia, die hem dezelfde macht gaf als andere provinciegouverneurs), werd hem dat botweg belet door Metellus. Dus bleef Pompeius in Cilicia om te proberen deze zaak te regelen en om de andere veroverde gebieden te organiseren.

66 / Manio Aemilio Lepido Lucio Volcatio Tullo consulibus

Zo was de situatie toen Cicero in januari 66 praetor werd. Voor de eerste maal kwam hij direct tussenbeide in de politiek en sprak hij het volk toesprak vanop de rostra. Hij steunde de lex Manilia (Oratio de imperio Cnaei Pompeii seu pro lege Manilia): die bezorgde Pompeius, naast zijn andere opdrachten, het bestuur over Cilicia en Bithynia en het opperbevel in de oorlog tegen Mithridates en Tigranes. Cicero betoogde dat zolang Mithridates niet definitief overwonnen was, er groot gevaar dreigde voor de belastingsinkomsten uit Asia Minor (waar de staat vast op rekende!) en voor het vermogen van heel wat ridders die daar kapitaal hadden geïnvesteerd. Hij bracht de briljante campagne van Pompeius tegen de zeerovers in herinnering en benadrukte dat dit een rechtstreeks gevolg was van de concentratie van macht in de handen van één persoon; men kon zich dus niet vergissen door een geslaagd experiment te herhalen!

Cicero wierp zich hier reeds op als de voorvechter van de ridderstand en de steun en toeverlaat van Pompeius. In 66 had die een schitterende militaire staat van dienst en was hij een integer en loyaal politicus gebleken die vertrouwen inboezemde. En hoewel Cicero later zou ondervinden dat Pompeius geenszins de verdediger van het republikeinse staatsbestel was (die Cicero in hem vermoed had), noch de onbaatzuchtige politicus (Pompeius streefde in zijn politieke allianties en functies schaamteloos materiële welstand na), noch een man met grote leiderscapaciteiten, noch een dankbare vriend, toch zou Cicero - vaak tegen beter weten in - in hem blijven geloven. Tot het bittere einde was Cicero ervan overtuigd dat de samenwerking van de senaat en de ridderstand het voortbestaan van de republiek zou mogelijk maken (de fameuze concordia ordinum) en dat Pompeius als het ware voorbestemd was om die grote taak tot een goed einde te brengen.

Als praetor zat Cicero de rechtbank voor die zich bezighield met zaken van afpersing (quaestio repetundarum). Voor andere rechtbanken ging hij gewoon door met pleiten; zo nam hij de verdediging op zich van Aulus Cluentius Habitus, die vervolgd werd voor gifmoord (Oratio pro Cluentio).

Quintus Cicero werd in de loop van 66 verkozen tot aedilis voor het jaar 65. De consules designati voor 65, Publius Autronius Paetus en Publius Cornelius Sulla, werden veroordeeld wegens omkoping zodat hun verkiezing ongeldig was; Lucius Aurelius Cotta en Lucius Manlius Torquatus waren hun vervangers. Autronius en Sulla zouden daarna samen met Cnaeus Calpurnius Piso en Lucius Sergius Catilina pogen de plaatsvervangende consuls te vermoorden.

 65 / Lucio Aurelio Cotta Lucio Manlio Torquato consulibus

Een eerste poging om de consuls uit te schakelen op 1 januari en een tweede poging op 5 februari mislukten, de eerste doordat het plan uitgelekt was, de tweede omdat Catilina veel te vroeg het teken had gegeven om tot de actie over te gaan. Laatstgenoemde zat op dat ogenblik al diep in de problemen: hij had zich in het bestuur van de provincie Africa als propraetor schuldig gemaakt aan wanbeheer en vreesde daarvoor vervolgd te zullen worden, wat hem dan zou beletten zijn kandidatuur te stellen voor het ambt van consul.

Nog in 65 werd een wetsvoorstel ingediend om Egypte voortaan als Romeins bezit te beschouwen, om Egypte dus om te vormen tot een Romeinse provincie.

Sulla had in 80 Ptolemaeus XI Alexander II op de troon gezet, maar die was na een regering van negentien dagen vermoord door Ptolemaeus XII Auletes, die zichzelf tot koning uitriep en in 76 gekroond werd. Rome had evenwel nooit diens koningschap erkend.

In de tweede helft van 65 deed in Rome het gerucht de ronde dat Ptolemaeus XI Alexander II bij testament zijn land aan Rome had nagelaten; men had dus nu, omdat er geen officieel door Rome erkende koning meer was in Egypte, de gelegenheid Egypte in te palmen, op grond van het testament van Ptolemaeus XI Alexander II.

Egypte was een verleidelijke brok: een rijk land, vruchtbaar en met een volle schatkist. Het lag bovendien op een sleutelpositie in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, zowel militair-strategisch gezien als wat handel betrof. De leiders van de populares, Caesar en Crassus, begrepen dadelijk hoe belangrijk de zaak "Egypte" voor hen kon worden als ze erin zouden slagen Egypte aan het Romeinse rijk toe te voegen vooraleer Pompeius een begerig oog op Egypte zou laten vallen. Dan zouden zij een soort van voorrangsrecht krijgen in verband met Egypte dat hen in staat zou stellen een tegengewicht te vormen tegen de machtspositie die Pompeius na zijn terugkeer uit het oosten onvermijdelijk zou bekleden.

Caesar en Crassus begonnen de publieke opinie te bewerken. Vijftien jaar na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II kwam men plots tot de vaststelling dat geen acht slaan op het lot van de ongelukkige Ptolemaeus XI Alexander II, het slachtoffer van een wrede usurpator, het Romeinse volk onwaardig was. Men moest die usurpator de oorlog verklaren, zoals vroeger ook gebeurd was met Jugurtha in Numidia! Men moest zijn heilige plicht doen door het testament van Ptolemaeus XI Alexander II uit te voeren (onmiddellijk na de moord op de jonge vorst had men in 80 "voor alle zekerheid" diens goudschat - die bij bankiers in Tyrus berustte - naar Rome overgebracht)! Trouwens, waren er geen precedenten? Had Attalos III van Pergamum zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 133? Had Ptolemaeus Apion van Cyrene zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 96? Had Nikomedes IV van Bithynia zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 74?

Caesar zette dus volkstribunen aan het werk. Ze moesten een wetsvoorstel indienen volgens hetwelk hij troepen ter beschikking zou krijgen en hem buitengewone volmachten zouden worden toegekend om van Egypte een Romeinse provincie te maken. Crassus beloofde dit voorstel in de senaat te zullen steunen. Als Caesar zijn slag zou thuishalen, zou hij met speciale volmachten aan het hoofd van een leger staan in een rijke en vruchtbare provincie, wat hem bijna een evenknie maakte van Pompeius als die naar Rome terugkeerde...

De senaat verzette zich echter tegen het voorstel (dat loyaal gesteund werd door Crassus) om geen aankomend maar erg ambitieus politicus een leger ter beschikking te moeten stellen. Het was Cicero die zich in een verloren gegane redevoering (de rege Alexandrino) met succes tegen dit voorstel kantte.

In de loop van datzelfde jaar 65 weigerde Cicero het bestuur van een provincie als propraetor en begon hij aan de voorbereiding van zijn kandidatuur voor het ambt van consul, dat hij evenwel ten vroegste in 63 kon bekleden.

De verkiezingen voor het ambt van consul voor 64 werden gewonnen door Lucius Julius Caesar en Caius Marcius Figulus; op de dag van hun verkiezing werd Cicero's zoon Marcus geboren. Van Cicero's stemmenwerving voor zijn verkiezing als consul krijgen we een levendig beeld via een werkje - eigenlijk een handleiding - van zijn broer Quintus (de petitione consulatus). Uit een brief aan Atticus (I 1) blijkt hoe zorgvuldig Cicero te werk ging en op welke grote schaal hij aan stemmenwerving deed.

 64 / Lucio Iulio Caesare Caio Marcio Figulo consulibus

Cicero's twee belangrijkste rivalen voor het ambt van consul waren Lucius Sergius Catilina en Caius Antonius Hybrida, die als populares steun kregen van Caesar en Crassus. Cicero besefte dat hij alle hulp zou kunnen gebruiken die hij kon krijgen en vroeg Atticus (die toen al twintig jaar in Athene leefde) om naar Rome te komen en hem de steun te bezorgen van Pompeius' vrienden. Terzelfder tijd verontschuldigde Cicero zich tegenover Atticus omdat hij Atticus' oom Caecilius niet kon verdedigen in een proces tegen Aulus Caninius Satrius omdat hij noch Caninius, noch diens patronus Lucius Domitius Ahenobarbus voor het hoofd wenste te stoten; die hadden Cicero namelijk al geholpen bij zijn stemmenwerving... Cicero overwoog zelfs even de verdediging van Catilina op zich te nemen die beschuldigd werd van afpersing, om een coalitie met Catilina te kunnen sluiten met het oog op de verkiezingen voor het ambt van consul. Dit ging niet door, maar Catilina werd toch vrijgesproken doordat zijn aanklager Publius Clodius (in afspraak met Catilina) de aanklacht niet echt hard maakte en doordat de juryleden massaal waren omgekocht.

In 64 hield Cicero zich bijna uitsluitend bezig met stemmenwerving voor het ambt van consul. Zijn enige - verloren gegane - toespraak (in senatu in toga candida contra C. Antonium et L. Catilinam competitores) was een felle aanval in de senaat op zijn concurrenten Catilina en Antonius; die hadden een poging van Cicero tegengewerkt om verkiezingsbedrog in de toekomst te voorkomen. Van het jaar 64 zijn er geen brieven omdat Atticus was ingegaan op het verzoek om hulp van Cicero en naar Rome was teruggekeerd.

Cicero won de verkiezingen vrij gemakkelijk doordat in Rome het gerucht de ronde deed dat Catilina een staatsgreep voorbereidde. Dat gerucht bracht zelfs de koppigste en meest verwaande tegenstanders van de zo misprezen homo novus Cicero ertoe om te stemmen voor de Arpinaat als hun enige hoop om recht en orde in Rome te handhaven. Cicero's collega werd Caius Antonius, die het met enkele stemmen haalde op Catilina.

 63 / Marco Tullio Cicerone Caio Antonio Hybrida consulibus

Cicero had nu zijn levensdroom verwezenlijkt maar al van bij zijn ambtsaanvaarding op 1 januari 63 werd hij geconfronteerd met een netelig politiek probleem.

Op 10 december 64 hadden de nieuwe volkstribunen hun ambt opgenomen en een van hen, Publius Servilius Rullus, werd door de populares naar voor geschoven om een ingrijpende akkerwet voor te stellen. Wat in Italië nog overbleef aan ager publicus (vooral in Campania) moest in percelen worden opgedeeld en toegewezen worden aan arme burgers die nu in Rome op kosten van de staat leefden. Bovendien moesten grote stukken staatsgrond in de provincies verkocht worden en de opbrengst van de verkoop moest, samen met de inkomsten uit de nieuwe provincies (bij voorbeeld Egypte), gebruikt worden om meer grond in Italië te kopen die eveneens onder het stadsproletariaat moest verdeeld worden.

Het doel van de voorgestelde wet was op het eerste gezicht edel: een deel van de werkloze armen uit Rome overplaatsen naar kleine landbouwbedrijven in Italië. Er was (in tegenstelling tot vroegere wetsvoorstellen) geen sprake meer van om zonder vergoeding grond in beslag nemen die in het bezit was van burgers. Er viel dus niet veel op af te dingen!

Maar de uitvoering van de wet zou toevertrouwd worden aan een commissie van tien leden die uitgebreide volmachten zouden krijgen voor de duur van vijf jaar. Bovendien zou Pompeius in die commissie van tien geen zitting kunnen hebben omdat men persoonlijk in Rome moest aanwezig zijn om in de commissie van tien verkozen te kunnen worden (en Pompeius zat in het oosten!)... Achter Rullus doemden dus de leiders van de populares op die van deze wet wilden gebruik maken om zich populair te maken bij het plebs ten koste van Pompeius. De commissie van tien moest dus een tegengewicht vormen tegen de macht van Pompeius, en Caesar en Crassus toch nog de controle bezorgen over Egypte (en dus een deel van de graanvoorraad van Rome), wat hen een mooie machtsbasis zou opleveren...

Cicero geloofde dat deze wet een gevaar vormde voor de financiële stabiliteit van de staat en dat er zoveel wrok zou groeien dat er misschien een revolutie van zou kunnen komen. Hij begreep natuurlijk ook dat Pompeius' macht en waardigheid een stevige deuk zouden krijgen als de wet gestemd werd, en door dat te benadrukken met veel overdrijvingen en spitsvondigheden kelderde hij de wet (Oratio in senatu de lege agraria / Oratio ad quirites contra Publium Rullum): het volk verdroeg zo'n lage aanval op de afwezige Pompeius niet en verwierp het wetsvoorstel.

Cicero verzette zich ook met succes tegen een poging om de politieke belemmeringen die Sulla had opgelegd aan de kinderen van degenen die door hem op de proscriptielijsten waren gezet, af te schaffen. Waarschijnlijk vond hij het ogenblik niet geschikt om deze (overigens terechte) eis te bespreken, maar de mislukking van deze maatregel en de afwijzing van de akkerwet dreven ongetwijfeld enkele teleurgestelde Romeinen in de armen van Catilina.

Een andere maatregel die Sulla had afgeschaft werd dan wel hersteld. Titus Labienus, een volkstribuun, liet in opdracht van de leiders van de populares de wijze van aanduiden van augures en pontifices die voor Sulla in voege was, herstellen. Kandidaten moesten nog altijd voorgedragen worden door twee leden van het college van augures of pontifices, en ze moesten nog steeds aanvaard worden door het college, maar ze moesten opnieuw verkozen worden door zeventien door het lot aangeduide tribus van de vijfendertig die de comitia tributa vormden. Het doel dat de populares zich gesteld hadden, werd bereikt: Caesar werd triomfantelijk verkozen tot pontifex maximus, hoewel zijn tegenkandidaten Quintus Lutatius Catulus en Publius Servilius Isauricus waren...

Cicero liet twee nuttige hervormingen goedkeuren: verkiezingsfraude zou strenger bestraft worden, en legationes liberae werden beperkt tot een jaar (hij had de afschaffing ervan voorgesteld maar was op een veto van een volkstribuun gestoten. Ook overtuigde hij de senaat ervan om aan Pompeius een supplicatio (dankfeest) van ongewone lengte toe te kennen ter gelegenheid van zijn overwinningen in het oosten.

Een van de redevoeringen van 63 die geen verband houden met de samenzwering van Catilina was een toespraak waarin hij het volk verzoende met de voorrang die de equites genoten in het theater krachtens de wet van Lucius Roscius Otho. Een andere was de verdediging van Caius Rabirius (Oratio pro Caio Rabirio), een oude senator die vervolgd werd voor moord op Saturninus (de volkstribuun die in 100 de macht had proberen te grijpen en na het senatus consultum ultimum gedood was).

Wanneer Cicero juist van de plannen van Catilina op de hoogte was, is moeilijk met zekerheid te achterhalen. Wel had hij, voor zijn ambtsaanvaarding op 1 januari, zijn collega Caius Antonius er al toe gebracht zijn steun aan Catilina op te zeggen door met hem van provincie te ruilen; Caius Antonius had Gallia Cisalpina geloot, Cicero Macedonia. Vermits er in Macedonia veel meer te "rapen" viel dan in Gallia Cisalpina voor iemand die financiële problemen had, had Caius Antonius gekozen voor de spreekwoordelijke vogel in de hand. Cicero liet ook zijn aanspraak op Gallia Cisalpina vallen en zorgde ervoor dat Quintus Caecilius Metellus Celer (een van de praetoren) die provincie kreeg.

Welke aandeel de leiders van de populares, Caesar en Crassus, in de samenzwering van Catilina speelden, zal wel nooit bekend worden. Waarschijnlijk was Catilina teleurgesteld in zijn verwachting consul te kunnen worden en vond hij dat de populares niet zoveel bereikten ondanks al hun manoeuvres, en maakte hij zich om die redenen los van zijn leiders. Zijn samenzwering was alleszins ondoordacht en slecht georganiseerd, en moord en brandstichting waren zeker een onderdeel van zijn plannen. Vermoedelijk distantieerden zowel Caesar en Crassus zich van Catilina zodra ze lucht kregen van zijn opzet en brachten ze zelfs Cicero op de hoogte. Maar zelfs als Catilina zijn slag had thuisgehaald en de zwakke senaat buitenspel had kunnen zetten, dan had hij nog geen schijn van kans gehad tegen Pompeius en zijn leger bij hun terugkeer uit het oosten.

Cicero had een informant in de samenzwering (Quintus Curius) en was dus vanaf een bepaald ogenblik perfect van Catilina's plannen op de hoogte. Hij verzocht Catilina in de senaat om zich van de verdenking van samenzwering te zuiveren, maar Catilina antwoordde met nauwelijks verholen bedreigingen. Cicero verijdelde het plan om hem te vermoorden de dag van de verkiezingen voor het ambt van consul door geharnast en omringd door een lijfwacht van vrienden en cliënten op het Marsveld te verschijnen. Catilina moest het opnieuw afleggen, ditmaal tegen Decimus Junius Silanus en Lucius Licinius Murena.

Op 21 oktober voorspelde Cicero in de senaat dat Manlius (Catilina's legeraanvoerder) in Etruria in opstand zou komen (wat op 27 oktober inderdaad gebeurde). Op 22 oktober werd het senatus consultum ultimum gestemd, waardoor de krijgswet feitelijk was afgekondigd. Consuls en praetoren kregen de opdracht troepen te lichten in verschillende delen van Italië. Een poging van de samenzweerders om op 1 november Praeneste in te nemen mislukte. Een tweede poging om Cicero op 7 november te vermoorden in zijn eigen huis mislukte eveneens (Curius had Cicero laten verwittigen).

Catilina bleef intussen de schijn van onschuld ophouden. Hij had zich bij de ene senator na de andere onder bewaking willen plaatsen (om getuigen te hebben van zijn onschuld), en waagde het op 8 november de senaatsvergadering bij te wonen. Daar werd hij door de verontwaardigde Cicero in een prachtige smaadrede aangeklaagd (Oratio prima in Catilinam). Dezelfde nacht nog verliet Catilina Rome om zich in Etruria aan het hoofd te plaatsen van zijn opstandelingenleger. De volgende dag sprak Cicero het volk toe om zijn beleid te rechtvaardigen (Oratio secunda in Catilinam).

De in Rome achtergebleven samenzweerders hielden zich koest na Catilina's vertrek tot ze een gezantschap van de Allobroges poogden over te halen met hen mee te doen en Catilina's leger te versterken met ruiterij. De gezanten zochten echter contact met Cicero, die hen opdroeg geschreven verklaringen van de samenzweerders te vragen om hun stamgenoten te kunnen overtuigen deel te nemen aan de samenzwering. In de nacht van 2 op 3 december werden de gezanten op hun reis naar Gallië aangehouden op de Mulviusbrug. Nu Cicero in het bezit was van schriftelijke bewijzen, liet hij Publius Cornelius Lentulus Sura, Caius Cornelius Cethegus, Caeparius, Publius Gabinius Capito en Lucius Statilius aanhouden.

Op 3 december besloot de senaat, geconfronteerd met de bewijzen tegen de aangehouden samenzweerders, dat de arrestanten in libera custodia moesten worden gehouden en dat Cicero geëerd zou worden met een dankfeest (supplicatio). Dan sprak de consul tot het volk om hen geluk te wensen met het verijdelen van de samenzwering (Oratio tertia in Catilinam).

Op 5 december had in de senaat de discussie plaats over wat er nu met de samenzweerders moest gebeuren. De senatoren helden over naar de doodstraf tot Caesar in een intelligente redevoering twijfel zaaide. Cicero's toespraak (Oratio quarta in Catilinam) kon het tij niet doen keren, wat Marcus Porcius Cato wel vermocht in een ongezouten rede. Toen besloot men tot de doodstraf en dezelfde avond nog werden de vijf samenzweerders met de strop gewurgd in het Tullianum.

In november (na het vertrek van Catilina maar voor de ontmaskering van de samenzweerders) kreeg Cicero af te rekenen met een ongelegen ruzie onder de mensen die hem voluit steunden. De nieuw gekozen consul Lucius Licinius Murena werd door Cato (de man die altijd de puntjes op de i wilde zetten) en door Servius Sulpicius (een afgewezen kandidaat voor het ambt van consul) aangeklaagd wegens omkoperij. Hoewel Cicero zelf de wet had laten stemmen op grond waarvan Murena werd aangeklaagd, nam hij toch de verdediging van Murena op zich (Oratio pro Lucio Murena). Door deze rede, vol spot op Cato's stoïcijnse overtuiging en Sulpicius' gezeur, maar met een ernstige verwijzing naar de politieke toestand bekwam Cicero de vrijspraak voor Murena en wendde hij het spook van het houden van nog een verkiezing voor het ambt van consul af.

Op 29 december belette Quintus Caecilius Metellus Nepos, een van nieuwe volkstribunen, Cicero tot het volk te spreken bij het neerleggen van zijn ambt, omdat Cicero burgers had laten terechtstellen zonder proces. Cicero legde dus alleen de gebruikelijke eed af maar veranderde de tekst enigszins zodat hij zijn redding van het vaderland in herinnering bracht, wat hem een daverend applaus opleverde. Quintus Caecilius Metellus Nepos was echter een stroman van Pompeius, zodat hij door zijn interventie eigenlijk aan Cicero liet weten dat Pompeius er niet gelukkig mee was dat Cicero - en niet Pompeius zelf - de redder van het vaderland was...

In zijn ambt van consul streefde Cicero er voortdurend naar goede relaties tot stand te brengen en in stand te houden tussen de (soms enggeestige en overdreven zelfbewuste) senatoren en de middenklasse van Italië, de ordo equester. Die verstandhouding omschreef hij als concordia ordinum en consensus Italiae. Het Romeinse volk beperkte zich niet tot de menigte op het Forum maar omvatte de inwoners van heel Italië, en de senaat was geen clubje navelstaarders maar de vertegenwoordigers van al het goede in de maatschappij. In Pompeius zag Cicero de voorvechter van zijn eigen ideaal, de leider die in staat zou zijn de groeiende macht van het leger in toom te houden.

 62 / Decimo Iunio Silano Lucio Licinio Murena consulibus

Toen Catilina op de hoogte was van het lot van zijn gearresteerde handlangers, probeerde hij vanuit Etruria naar Gallia Cisalpina te trekken maar werd de pas afgesneden door Quintus Caecilius Metellus Celer. Hij maakte dus rechtsomkeer en botste op het leger van Caius Antonius Hybrida. Nabij Pistoria werd de beslissende veldslag uitgevochten, die eindigde in de totale overwinning van Marcus Petreius (de legaat van Caius Antonius) op de opstandelingen. Catilina sneuvelde als een held, vechtend tot de laatste snik.

Heel wat van zijn aanhangers werden in Rome voor de rechter gebracht; onder hen Publius Cornelius Sulla, die met succes door Cicero werd verdedigd (Oratio pro Publio Sulla). Cicero hield in de senaat ook een toespraak ter verdediging van Caius Antonius. Voor de rechtbank (voorgezeten door zijn broer Quintus) verdedigde Cicero met succes het burgerrecht van zijn oud-leraar Archias (Oratio pro Archia poeta). Als Cicero verwachtte dat Archias uit dankbaarheid de lof zou zingen van zijn verwezenlijkingen als consul, vergiste hij zich echter deerlijk...

Caesar, die in 62 praetor was, had intussen al heel subtiel geprobeerd om Pompeius in het kamp van de populares te loodsen. Eerst stelde hij voor om de eer van de wijding van de tempel van Jupiter Optimus Maximus, die hersteld was na de brand van 83, aan Pompeius te laten in plaats van aan Quintus Lutatius Catulus; dat voorstel werd echter afgeschoten. Een tweede poging ondernam Caesar toen hij de volkstribuun Quintus Caecilius Metellus Nepos steunde in diens - overigens vergeefse - poging om via een volksbesluit eerst de leiding van de oorlog tegen Catilina toe te vertrouwen aan Pompeius, en vervolgens Pompeius de opdracht te bezorgen de "orde te herstellen". Die voorstellen strandden op het koppig verzet van Marcus Porcius Cato (eveneens volkstribuun in 62), en het kwam tot ernstige rellen.

In antwoord op de ongeregeldheden onthief de senaat zowel Metellus als Caesar van hun functie. Metellus vluchtte naar Pompeius en het volk troepte samen aan Caesars woning om hem hun steun te betuigen. Caesar wist de gemoederen te bedaren, waarop de senaat besloot hem dan toch maar zijn ambt terug te geven. Niet veel later werd Caesar dan weer aangeklaagd door Lucius Vettius en Quintus Curius wegens medeplichtigheid aan de samenzwering van Catilina, maar Cicero in hoogsteigen persoon getuigde voor Caesar zodat de aanklacht verviel en de aanklagers zelf gestraft werden.

In 62 hervatte Cicero zijn activiteit als briefschrijver met een epistel aan Pompeius. Voordien had hij Pompeius al een (verloren gegaan) omstandig verslag van zijn activiteiten als consul toegestuurd en in de brief klaagde hij erover dat Pompeius maar heel lauw gereageerd had op zijn verwezenlijkingen. Cicero schreef ook een vernietigend antwoord op een brief van Quintus Caecilius Metellus Celer die geklaagd had over Cicero's houding tegenover zijn familielid Quintus Caecilius Metellus Nepos.

Cicero kocht van Marcus Crassus een groot huis op de Palatijn voor 3.500.000 sestertiën en moest daarvoor geld gaan lenen bij Publius Cornelius Sulla. Waarop hij ironisch opmerkte in een brief aan Publius Sestius dat zijn schulden groot genoeg waren om hem te laten deelnemen aan een samenzwering, als men zijn deelname tenminste op prijs zou stellen.

Misschien is de aankoop van zijn huis op de Palatijn een geschikte aanleiding voor een overzicht van Cicero's onroerende bezittingen.

Cicero's villa's lagen allemaal aan of in de buurt van grote wegen naar Rome en waren dus gemakkelijk bereikbaar vanuit de stad. Alle villa's hadden hetzij een speciale ligging, hetzij een prachtig uitzicht. Zijn villa in Tusculum bijvoorbeeld lag op een heuvel en de lucht was er dus fris, die bij Arpinum lag aan de Fibrenus (een rivier), de overige lagen aan de zee.

1. Arpinum: oorspronkelijk was het een boerderij die door Cicero's vader gemoderniseerd en uitgebreid was; in 68 erfde Cicero dit landgoed. Cicero hield veel van dit voorvaderlijk verblijf en bouwde er een Amaltheum (een heiligdom voor de nimf Amalthea). Niet ver daarvandaan bezat Cicero's broer Quintus twee landhuizen, het Arcanum en het Laterium.

2. Tusculum: op 15 mijl van Rome nabij de Via Latina. De eerste bezitter was Publius Cornelius Sulla geweest, en Cicero had het gekocht van Quintus Lutatius Catulus. De villa was rijk versierd met fresco's en standbeelden en omvatte ook een gymnasium. Cicero schreef hier veel (de oratore, Orator, Tusculanae disputationes, enz.) omdat hij vrij gebruik mocht maken van de schitterende bibliotheek van zijn buurman Lucius Licinius Lucullus. Cicero verbleef hier graag en bleef in het bezit van deze villa tot aan zijn dood, ook al bood hij ze in 57 tijdelijk te koop aan en bleef hij er weg in de maanden die volgden op de dood van zijn dochter Tullia in 45.

3 Antium: nabij een aangename en rustige kuststad, ongeveer 36 mijl van Rome aan een weg die afsplitste van de Via Appia nabij Bovillae. Cicero bezat deze villa al in 60 en heeft ze in 45 aan Marcus Aemilius Lepidus (de latere triumvir) verkocht.

4. Astura: zeven mijl voorbij Antium; de villa stond op een eilandje in de Astura-rivier ten noorden van de Pontijnse moerassen. De omgeving was bebost en vanuit de villa had Cicero een schitterend zicht op de zee. Waarschijnlijk kocht Cicero dit buitenverblijf in 45. Hij verbleef hier zeer veel na de dood van Tullia omdat hij het uitzicht en de eenzame omgeving op prijs stelde.

5. Formiae: eigenlijk stond de villa tussen Formiae en Caieta, zodat Cicero ze nu eens bij de ene, dan weer bij de andere naam noemt. Het was Cicero's eerste villa aan de zee (gekocht in 67). Naar Cicero's smaak was het er druk en vond hij het publiek er maar een bende zeurkousen, wat hem niet belette het huis te laten opknappen na zijn terugkeer uit ballingschap en het te behouden tot aan zijn dood. De villa was uitstekend gelegen op de Via Appia, 88 mijl van Rome, ze was verbonden met Arpinum (dat 45 mijl verwijderd was) door een weg die via Minturnae en de vallei van Liris liep. Cicero kon van daar uit ook makkelijk naar zijn villa's in Cumae en Puteoli (zo'n 65 mijl), en vanuit Caieta kon hij per schip weg. In tijden van onrust was Cicero vaak hier (zoals ten tijde van de burgeroorlog).

6. Cumae: wordt voor het eerst vermeld na Cicero's terugkeer uit ballingschap. De villa lag aan het Lucrinusmeer aan de weg van het Avernusmeer naar Puteoli, een schitterende maar te drukke omgeving naar Cicero's smaak. Hier schreef Cicero een deel van zijn de republica en Academica. In deze villa of in die van Puteoli was Caesar te gast in 45.

7. Puteoli: wordt alleen vermeld in de brieven van 45-44 en maakte waarschijnlijk deel uit van een erfenis die Cicero kreeg van een bankier uit Puteoli, Cluvius. Tijdens zijn laatste verblijf hier schreef Cicero een deel van zijn de officiis.

8. Pompeii: Cicero spendeerde veel geld aan de verfraaiing van dit huis, dat hij voor 60 kocht en tot aan zijn dood bezat. Hier kwam hij om te ontsnappen aan de drukte van Cumae en Puteoli en om gezellig te babbelen met zijn buurman Marcus Marius.

Deversoria: Cicero bezat ook veel huizen waar hij kon overnachten als hij van een buitenverblijf naar een ander reisde. Zo kon hij tussen Tusculum en Arpinum de nacht doorbrengen in Anagnia op de Via Latina, en tussen Formiae en het zuiden in Sinuessa. Op de via Latina kon hij boven Capua slapen in Cales, en ergens op de Via Appia bezat Cicero nog een deversorium. Ook in Aquinum kon hij een reis onderbreken tussen Formiae en Arpinum. Cicero wou nog een huis kopen in Terracina, op 25 mijl van Formiae op de weg naar Rome.

Cicero's onroerende bezittingen in Rome omvatten tot 62 het ouderlijk huis in de Carinae-wijk. Toen kocht hij, zoals gezegd, een prachtig huis van Marcus Licinius Crassus op de Palatijn, een huis dat ooit had toebehoord aan Marcus Livius Drusus. Waarschijnlijk liet hij toen zijn ouderlijk huis over aan zijn broer Quintus. Cicero bezat evenwel nog eigendommen in het Argiletum en op de Aventijn.

Na Cicero's verbanning in 58 werden zijn huis op de Palatijn en zijn villa's in Tusculum en Formiae vernield door Clodius en zijn bende. Na zijn terugkeer in 57 kreeg hij een schadeloosstelling, die evenwel niet volstond voor de wederopbouw van zijn eigendommen. Daarbij kwam nog dat de werkzaamheden meermaals onderbroken werden door Clodius en zijn bende en dus zeer traag vorderden.

In december 62 brak het Bona Dea-schandaal los, dat later zulke zware gevolgen zou hebben voor Cicero. Publius Clodius Pulcher werd, verkleed als slavin, ontdekt in het huis van praetor urbanus Caesar op het ogenblik dat daar het nachtelijk feest ter ere van de Bona Dea plaats had. Clodius werd ervan verdacht een ontmoeting te hebben gezocht met Pompeia (Caesars vrouw). Caesar nam evenwel geen maatregelen tegen de heiligschenner Clodius maar scheidde wel van zijn vrouw. Hij verantwoordde zich door te zeggen dat de vrouw van Caesar nu eenmaal onbesproken en boven elke verdenking verheven moest zijn.

 61 / Marco Pupio Pisone Frugi Marco Valerio Messalla Nigro consulibus

De gebeurtenis van het jaar was de terugkeer van Pompeius uit het oosten. Na een ontspannen reis via Asia Minor en Athene landde Pompeius in december 62 in Brundisium en ontbond daar zijn leger. Hiermee maakte Pompeius duidelijk dat hij zeker geen aleenheerschappij nastreefde met een leger achter zich. Natuurlijk wou Pompeius de eerste man in Rome worden, maar daarbij had hij als lichtend voorbeeld geen Pisitratus maar een Pericles voor ogen.

Pompeius' groot nadeel was dat hij gewoon geen leiding kon geven; hij had geen politieke visie en bezat geen van de gaven die een groot staatsman kenmerken. Door uitsluitend het goede moment af te wachten wekte hij de indruk niet oprecht te zijn. In Cicero's ogen kwam daar nog het vermoeden bij dat Pompeius jaloers was op de successen die hij, Cicero, geboekt had tijdens zijn ambtsperiode van consul. Cicero kon evenmin vergeten dat Quintus Caecilius Metellus Nepos uit het leger van Pompeius vertrokken was om zich te laten verkiezen tot volkstribuun, en dat hij opnieuw naar Pompeius vertrokken was zodra de grond in Rome te heet werd onder zijn voeten.

Pompeius' eerste toespraak tot het volk in januari 61 was voor alle partijen een teleurstelling. Met hoeveel respect hij ook over de senaat en Cicero sprak, hij kreeg geen goedkeuring over zijn lippen in verband met de dreigende vervolging van Publius Clodius voor zijn rol in het Bona Dea-schandaal of voor Cicero's maatregelen in het algemeen. De kortzichtige senatoren die alleen aan hun eigenbelang dachten, wantrouwden en vreesden Pompeius. Lucius Licinius Lucullus en Quintus Caecilius Metellus Creticus lagen met Pompeius overhoop in verband met de regelingen die hij in het oosten getroffen had, Quintus Caecilius Metellus Celer voelde zich beledigd omdat Pompeius juist gescheiden was van zijn halfzuster Mucia ten voordele van een nieuw huwelijk dat hij met Caesar geregeld scheen te hebben. Zijn isolement in Rome bracht Pompeius ertoe alsnog toenadering te zoeken tot Cicero.

Marcus Valerius Messalla en Marcus Pupius Piso Frugi waren consul in 61. Met Messalla was Cicero best tevreden, maar Piso kleineerde Cicero in de senaat en kantte zich tegen een wetsvoorstel om Clodius voor zijn schandelijk gedrag tijdens het Bona Dea-feest voor een rechtbank te brengen waarvan de juryleden door de praetor zouden gekozen worden in plaats van (zoals gebruikelijk) te worden aangeduid door het lot. De senaat haalde bakzeil toen ook volkstribuun Fufius verklaarde een veto te zullen uitspreken tegen het wetsvoorstel.

De senaat dacht een kleine toegeving te hebben gedaan omdat de schuld van Clodius toch overduidelijk was; de juryleden (allemaal uit de ridderstand) zouden immers niet anders kunnen dan Clodius veroordelen! Maar door voor grote bedragen juryleden om te kopen slaagde Clodius erin zich met enkele stemmen te laten vrijspreken. Op dat proces had Cicero getuigd tegen Clodius. Die was de avond van het Bona Dea-feest nog bij Cicero langsgegaan, maar op het proces verklaarde Clodius dat hij die avond al in Interamna was geweest, wat Cicero dus onder ede tegensprak. Clodius zou Cicero die getuigenis nooit vergeven: hij zwoer zich te zullen wreken. En Clodius zou een geduchte vijand blijken, niet alleen omwille van zijn afstamming van een van de adellijkste families van Rome, maar ook door zijn invloed bij het volk van Rome.

Op 27 juli waren er verkiezingen voor het ambt van consul. Door met gulle hand stemmen te kopen slaagde Pompeius er in een van zijn officieren, Lucius Afranius, tot consul te laten verkiezen. De andere consul designatus, Quintus Caecilius Metellus Celer, behoorde evenwel tot de ferventste tegenstanders van Pompeius.

Op 28 en 29 september hield Pompeius zijn twee triomftochten, de eerste voor zijn overwinning op de piraten, de tweede voor zijn veldtocht tegen Mithridates, waarbij de omvang en het belang van zijn prestaties in het oosten dik in de verf werden gezet.

In december kwam het tot een aanvaring tussen de senaat en de equites. Geschokt door de omvang van de omkoping van de juryleden tijdens het proces van Clodius probeerden de senatoren de onschendbaarheid van de juryleden (die niet tot hun eigen stand behoorden) op te heffen om hen voor de rechtbank te kunnen brengen wegens corruptie, iets waarmee de equites niet konden lachen. Een tweede bron van ongenoegen voor de ridderstand was de weigering van de senaat om het contract te herzien dat de inning van de belastingen van Asia Minor regelde en dat nadelig was voor de belastingpachters (publicani). Marcus Porcius Cato en Quintus Caecilius Metellus Celer weigerden iedere aanpassing terwijl Cicero zich - tevergeefs - inspande om de senaat tot toegevingen te bewegen om de concordia ordinum niet in gevaar te brengen. De ruzie bedaarde maar de problemen raakten niet opgelost en aan beide zijden bleef er wrok woekeren.

Drie gouverneurs vielen dat jaar in min of meerdere mate op. Quintus Cicero deed zijn best in Asia Minor, Caius Pomptinus sloeg een opstand van de Allobroges neer in Gallia Transalpina, en Caesar oogstte roem en haalde buit binnen door de onderwerping van enkele bergstammen in Hispania Ulterior; bovendien verzachtte hij het effect van de draconische wetten in verband met de schulden in zijn provincie.

 60 / Quinto Caecilio Metello Celeri Lucio Afranio consulibus

Pompeius bleef zijn uiterste best doen om uit zijn uitzichtloze situatie te geraken en tenminste de goedkeuring te bekomen van de regelingen die hij in het oosten had getroffen, waaronder het nakomen van zijn belofte aan zijn soldaten dat ze na hun diensttijd een lapje grond zouden krijgen. De meerderheid van de senaat, geleid door Lucius Licinius Lucullus, weigerde echter het geheel van Pompeius' maatregelen te ratificeren en veroorzaakte eindeloze vertraging door elk punt apart te bespreken.

Ondertussen diende Lucius Flavius, volkstribuun en werktuig van Pompeius, een akkerwet in waaraan Cicero verbeteringen had aangebracht en die hij steunde. Flavius was evenwel een heetgebakerd individu; toen consul Quintus Caecilius Metellus Celer het stemmen van de wet tegenwerkte, wierp Flavius de consul in de gevangenis. Maar de senaat steunde zijn consul die halsstarrig bleef weigeren mee te werken. Om geen verder schandaal te creëren liet Pompeius via Flavius de akkerwet intrekken.

Door zo koppig tegen te werken vervreemdden de senatoren zich definitief van Pompeius. Op aanstoken van Marcus Porcius Cato bleven de senatoren bovendien aandringen op maatregelen om curruptie van juryleden te kunnen tegengaan en weigerden ze in te gaan op het verzoek van de publicani om de pachtovereenkomst voor Asia Minor te herzien. Daardoor kwam het tot een breuk tussen de senatoren en de equites. Misschien was het wegvallen van Quintus Lutatius Catulus (die in deze periode overleed en een van de verstandigste en meest pragmatische leiders van de optimaten was) mee verantwoordelijk voor de onverzettelijkheid van de senaat.

Een direct gevolg was dat de senaat geïsoleerd raakte en Pompeius in de armen van Caesar werd gedreven. Ook Cicero had zijn buik vol van de lichtzinnigheid van sommige nobiles en van de kwade trouw van andere en besloot de kaart van Pompeius te spelen in de - ijdele - hoop dat hij in Pompeius een voorvechter van de republikeinse instellingen had gevonden.

Ondertussen was Publius Clodius al druk bezig zich te laten adopteren door een plebejer om zo volkstribuun te kunnen worden (als telg uit een adellijk geslacht was dat onmogelijk). Hij had al hulp gekregen van een van de volkstribunen van 60, Caius Herennius, maar de andere volkstribunen stelden hun veto tegen zijn adoptie.

In Rome begonnen geruchten de ronde te doen dat er in Gallië dingen gebeurden die een tussenkomst van Rome misschien noodzakelijk maakten. De Haedui hadden tegen de Germaanse Suebi van Ariovistus een nederlaag geleden, en de Helvetii waren van plan om naar het westen van Gallië te verhuizen. De senaat besloot in maart dat de consuls, na hun ambtsperiode, als proconsul Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina moesten besturen, en dat ondertussen drie gezanten naar Gallië moesten vertrekken om andere stammen af te raden met de Helvetii mee te trekken. Pompeius en Cicero kregen verbod deel uit te maken van het gezantschap omdat hun aanwezigheid in Rome onmisbaar was (wat als belediging bedoeld was maar eigenlijk als een compliment kon opgevat worden). In mei was de oorlogsdreiging weggeëbd, tot opluchting van iedereen behalve consul Quintus Caecilius Metellus Celer, die gehoopt had een triomftocht te kunnen verdienen in Gallië.

In juni keerde Caesar uit Spanje naar Rome terug. In plaats van buiten de stad te wachten op de toestemming van de senaat om een triomftocht te mogen houden voor zijn successen in Spanje, overschreed hij onmiddellijk het pomerium, waardoor hij afzag van zijn recht op een triomftocht. Zo kon hij, volkomen in overeenstemming met de wetten, persoonlijk zijn kandidatuur stellen voor het ambt van consul voor het jaar 59.

Caesar werkte voor zijn stemmenwerving samen met een schatrijke tegenkandidaat, Lucius Lucceius, en dank zij de steun van Pompeius en Crassus werd hij probleemloos verkozen. De optimaten zorgden echter voor een tweede consul uit hun eigen rangen, de onbuigzame Marcus Calpurnius Bibulus, en schuwden daarbij geen grote uitgaven om stemmen te kopen.

Achter de schermen werkte Caesar aan de verzoening tussen Crassus en Pompeius, zo discreet dat in december nog niets was uitgelekt. Caesar probeerde in die maand door bemiddeling van Lucius Cornelius Balbus ook Cicero bij zijn plannen te betrekken. Cicero had in juni nog de hoop gekoesterd dat hij zowel Caesar als Pompeius kon beïnvloeden en was erg gevleid met Caesars aanbod. Maar hij realiseerde zich zeer scherp dat van hem verwacht zou worden dat hij alle maatregelen van de nieuwe bondgenoten voluit zou steunen en dat ging hem te ver: hij bleef zijn principes trouw en wou op zijn manier werken aan het welzijn van de staat. De drie bondgenoten - de triumviri - gingen dan maar zonder Cicero verder en voelden zich bij de uitwerking van hun plannen nooit gehinderd door scrupules.

In de eerste maanden van 60 voltooide Cicero een gedenkschrift over zijn ambt van consul (in het Grieks, µµ). Over hetzelfde (blijkbaar onuitputtelijk) onderwerp schreef hij ook nog een gedicht en misschien nog een boekje in proza (in het Latijn). Hij verbeterde tevens zijn vertaling van Aratos en stuurde zijn broer, die propraetor was in Asia Minor, een brief waarin hij het had over de plichten van een provinciegouverneur.

 59 / Caio Iulio Caesare Marco Calpurnio Bibulo consulibus

Caesar begon onmiddellijk aan de uitvoering van het programma van de triumviri, maar trad aanvankelijk respectvol op tegenover de senaat. Daar diende hij een akkerwet in om niet alleen Pompeius' veteranen aan grond te helpen, maar ook behoeftige burgers die vader waren van drie kinderen. Er zou niet geraakt worden aan de ager publicus in Campania; de grond die nodig was zou dus eventueel gekocht moeten worden.

De senaat weigerde dagenlang de wet goed te keuren maar speelde daarbij de rol van bezorgde vader, zodat Caesar gedwongen was mee te spelen met hun komedie. Tot Cato, impulsief als altijd, botweg zei dat hij de wet nooit zou goedkeuren. Waarop Caesar hem door zijn lictoren naar de gevangenis liet brengen. Toen stond enkele senatoren op om met Cato naar de gevangenis te gaan. Een van hen, de jonge Caius Scribonius Curio (filius), draaide zich bij de deuren om en verklaarde dat hij liever met Cato in de gevangenis zat dan met Caesar in de senaat. Caesar riep de lictoren terug en gelastte hen Cato vrij te laten. Voor hij de zitting ophief, liet Caesar de senatoren weten dat als zij zijn akkerwet niet wilden goedkeuren, hij die wet zonder hun goedkeuring door het volk zou laten stemmen.

De senatoren stelden al hun hoop op Marcus Calpurnius Bibulus, Caesars collega, maar beseften wel dat de wet er hoe dan ook zou komen. Caesar riep de volksvergadering bijeen maar wou tot elke prijs in de ogen van het volk de man van de verzoening zijn. Daarom vroeg hij aan de aanwezige Bibulus of hij de wet nu zou goedkeuren. Waarop Bibulus antwoordde dat zolang hij consul was, die wet er niet zou komen. Caesar liet dan Crassus en Pompeius opdraven om hun mening te vragen over de wet. De twee voormannen legden haarfijn aan het volk uit wat een zegen die wet wel zou zijn en wezen er terloops op dat er geld genoeg was in de staatskas voor de aankoop van gronden. Toen kwam Bibulus, die ook augur was, opnieuw tussenbeide; hij zwoer vanaf de volgende dag elke morgen de vlucht van de vogels te zullen waarnemen en bij ongunstige voortekens de volksvergadering te zullen verbieden.

Het volk wist nu wat het kon verwachten en bereidde zich voor op het ergste. De volgende ochtend had Caesar de volksvergadering samengeroepen aan de tempel van Castor en Pollux. Zelf nam hij plaats op de trappen om de vergadering te leiden. Plots verscheen er een delegatie consulares onder leiding van Bibulus op het Forum (klaarblijkelijk met de bedoeling de volksvergadering te ontbinden), maar Bibulus raakte niet halverwege de tempeltrappen. Hij werd door heethoofden naar beneden gegooid, kreeg een mand vuiligheid over zijn hoofd en moest machteloos toezien hoe de roeden van zijn lictoren aan stukken werden gebroken; ondertussen regende het stenen op de consulares. Bibulus ontblootte zijn borst en riep de heethoofden toe dat ze hem eerst maar moesten vermoorden maar werd dan in veiligheid gebracht door enkele vrienden. Dan verscheen Cato die tweemaal probeerde het volk toe te spreken, tweemaal van de trappen werd gesmeten en vrij ernstig gekwetst moest afdruipen.

Toen liet Caesar, die zich vanop de trappen afzijdig had gehouden van het geweld maar ook niets gedaan had om het te beletten, de akkerwet stemmen. Hij liet een clausule opnemen die bepaalde dat elke senator een eed moest afleggen waardoor hij zich ertoe verbond zich nooit tegen de wet te verzetten en nooit iemand te steunen die de wet zou proberen af te schaffen.

De volgende dag riep Caesar de senaat bijeen. Over de ongeregeldheden van de vorige dag werd niet gerept, tot woede en ontgoocheling van Bibulus, die zwoer dat hij zijn huis niet meer zou verlaten tot het einde van zijn ambtsjaar. De senatoren moesten dus die eed afleggen en een deel van hen deed dat zonder morren. Een minderheid onder leiding van Quintus Caecilius Metellus Celer en Cato weigerde evenwel. Caesar was niet onder de indruk. Hij riep opnieuw de volksvergadering samen en liet een wet stemmen die bepaalde dat wie de eed niet aflegde, ter dood veroordeeld zou worden. Alle weerspannige senatoren legden toen de eed af, ook Cato, die overgehaald was door Cicero met de woorden dat Cato wel zonder Rome kon (Cato overwoog zelfmoord), maar Rome niet zonder Cato.

Een commissie die toezicht zou houden op de uitvoering van de wet werd in het leven geroepen. Cicero moest bitter vaststellen dat behalve de voor de hand liggende Pompeius en Crassus ook Publius Clodius Pulcher deel uitmaakte van de groep van twintig...

Er werden nog twee maatregelen genomen. De eerste keurde alle beslissingen van Pompeius in het oosten goed, de tweede verminderde de pachtprijs die de publicani in Asia Minor moesten betalen met een derde. Van de eerste drie beleidsdaden van Caesar waren er dus twee in het voordeel van Pompeius en was de laatste in het voordeel van Crassus.

In 59 was Ptolemaeus XII Auletes, die zichzelf in 80 tot koning van Egypte had uitgeroepen, uit het land gezet door de inwoners van Alexandrië. Hij vluchtte naar Rome waar hij steun zocht om in zijn waardigheid hersteld te worden. De machtsverhoudingen in Rome waren sinds 65-63 sterk veranderd. Pompeius was geen rivaal meer van Caesar en Crassus, maar een bondgenoot. Egypte aan een van de drie triumviri toekennen, zou die ene te veel macht geven. En dus besloten de triumviri om Ptolemaeus XII Auletes die noch door afkomst, noch door verdienste recht had op de troon van Egypte, als koning van Egypte te erkennen. Dat hij de triumviri zwaar betaalde voor deze onverhoopt gunstige wending die de zaken namen, lijdt geen twijfel.

Caesar liet ook de lex Iulia de repetundis goedkeuren, tot vreugde van de bewoners van de provincies; deze wet vergrootte het aantal vergrijpen waarvoor een gouverneur kon aangeklaagd worden en verzwaarde de voorziene straffen. Tevens liet hij regelmatig een samenvatting van de senaatszittingen publiceren, wat de senatoren misschien rekening zou doen houden met wat de publieke opinie over hun tussenkomsten in de senaat zou denken (de acta diurna).

Caesars toekomst werd veilig gesteld door de lex Vatinia. Caesar had een goede provincie en een leger nodig (om zijn belabberde financiële toestand aan te zuiveren) en kreeg beiden dank zij een wet van Publius Vatinius, een volkstribuun. Hierdoor bekwam Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum met drie legioenen voor de duur van vijf jaar. De senaat had al geprobeerd om de consuls van 59 een onbeduidende functie te laten vervullen in Italië na hun ambtsjaar maar dreigde opnieuw het onderspit te moeten delven tegen de populares. Daarom hield de senaat de eer aan zichzelf en gaf (op voorstel van Pompeius) Caesar Gallia Transalpina met een vierde legioen.

Caesar versterkte de band met Pompeius door hem met zijn dochter Julia te laten trouwen; zelf huwde hij met Calpurnia, de dochter van Lucius Calpurnius Piso. Op 18 oktober slaagde hij erin zijn schoonvader tot consul te laten kiezen voor 58 samen met Aulus Gabinius, een stroman van Pompeius. Toch vreesden de triumviri tegenstand van de harde kern van de optimaten en wilden enkele van hun meest geduchte leiders uit Rome verwijderen of desnoods uitschakelen. Een geheimzinnig complot moest Pompeius verder vervreemden van de optimaten en hun leiders treffen.

Lucius Vettius vertelde aan Caius Scribonius Curio filius dat hij van plan was Pompeius te vermoorden; Curio klaagde hem aan en Vettius werd aangehouden. Tijdens zijn ondervraging noemde hij namen van talrijke vooraanstaande optimaten, maar sprak zich zo vaak tegen dat hij niet meer geloofd werd en in de gevangenis werd opgesloten. Caesar haalde Vettius de volgende dag uit de gevangenis en liet hem tijdens een volksvergadering tegenover het verzamelde volk zijn beschuldigingen herhalen en aandikken, waarop Vettius terug naar de gevangenis mocht. Niet veel later werd hij daar dood in zijn cel aangetroffen, waarop iedereen zei dat hij vermoord was door degenen van wie hij de naam had vernoemd. Enkele jaren later zou Cicero Publius Vatinius ervan beschuldigen Vettius te hebben aangezet tot meineed en hem vervolgens te hebben gedood. Het is natuurlijk niet onmogelijk dat Caesar achter deze episode zat, die evenwel niet het verhoopte resultaat opleverde.

In maart had Cicero Caesar in de senaat aangevallen in een redevoering ter verdediging van Caius Antonius, zijn collega in het ambt van consul. Caesar bekrachtigde dezelfde dag de adoptie van Publius Clodius Pulcher in een plebejische familie, hoewel de wettelijkheid van die adoptie betwistbaar was (Clodius was trouwens enkele jaren ouder dan zijn adoptiefvader Publius Fonteius, die amper twintig was!).

Clodius had nog een eitje te pellen met Cicero en vanaf juli begon hij Cicero openlijk te bedreigen met een proces in verband met de terechtstelling van de Catilinariërs. Cicero dacht evenwel dat zijn positie sterk genoeg was; de triumviri (van wie Clodius een werktuig was) waren zeer onpopulair en Pompeius had Cicero verzekerd dat hij niets te vrezen had. Hij wimpelde dus een aanbod van Caesar af dat hem onschendbaar zou maken door te weigeren als speciaal legatus mee te gaan naar Gallië en door niet te willen zetelen in de commissie die moest toezien op de uitvoering van de akkerwet.

De belangrijkste toespraken van Cicero in 59 waren de verdediging die hij in de senaat uitsprak voor Caius Antonius (beschuldigd van wanbeheer in zijn provincie Macedonia en ondanks de toespraak van Cicero veroordeeld), twee redevoeringen voor Aulus Thermus (die vrijgesproken werd) en de verdedigingsrede voor Lucius Flaccus (Oratio pro Lucio Flacco); Cicero kon deze laatste laten vrijspreken doordat hij de getuigen ten laste (inwoners van de door Flaccus uitgeperste provincie Asia Minor) handig belachelijk maakte.

 58 / Lucio Calpurnio Pisone Caesonino Aulo Gabinio consulibus

Publius Clodius was in oktober 59 verkozen tot volkstribuun en had op 10 december zijn ambt opgenomen. Hij begon zich dadelijk populair te maken met een reeks maatregelen die hij in januari 58 voorstelde:

* hij wou de betaling van een (minieme) geldsom, die de behoeftige Romeinen betaalden voor het graan dat de staat uitdeelde, afschaffen;

* hij wou dat er op alle dies fasti wetgevend werk zou mogen verricht worden en dat het plegen van obstructie door de aankondiging dat er onheilspellende voortekens waren waargenomen, zou afgeschaft worden (hij wou dus de volledige of gedeeltelijke afschaffing van de lex Aelia Fufia van 150, die praetoren en consuls toeliet comitia te ontbinden op grond van bij voorbeeld het onheilspellend karakter van de vlucht van vogels);

* hij wou dat collegia opnieuw toegelaten zouden worden en dat er nieuwe collegia zouden erkend worden (een collegium was een soort gilde, een beroepsvereniging, die geen beroepsbelangen diende maar vriendschap en verenigingsleven wilde bevorderen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden);

* hij wou het recht van de censoren beperken om senatoren van het album senatorum af te voeren; de censoren moesten voortaan een duidelijke reden opgeven voor de schrapping en ze moesten het onderling eens zijn.

Het was voor iedereen duidelijk dat de eerste drie maatregelen gunstig onthaald zouden worden door het plebs, en dat de vierde op de steun zou kunnen rekenen van de minder goed aangeschreven senatoren (en misschien ook op de steun van de triumviri, die liefst geen concurrentie kregen van te machtige censoren en de beknotting van hun macht door Sulla een goede zaak vonden).

Clodius won de sympathie van de consuls door in februari te beloven hun bij wet de provincies te bezorgen die ze verlangden te besturen na hun ambtsperiode; Lucius Calpurnius Piso wou Macedonia en Achaia, Aulus Gabinius Syria. Maar Clodius stipuleerde dat de goedkeuring van die wet er pas zou komen als er twee andere maatregelen waren goedgekeurd. De eerste was dat Cato de opdracht kreeg het eiland Cyprus te annexeren en in te richten als Romeinse provincie, de tweede dat ieder die Romeinse burgers zonder proces had laten terechtstellen, vuur en water zou ontzegd worden (dus verbannen zou worden).

Cicero vond achteraf wel dat ook hij dat voorstel had kunnen goedkeuren omdat de Catilinariërs geen burgers waren maar vijanden, maar begreep toch dat hij in nauwe schoentjes stond. Hij kleedde zich in een toga pulla en stelde zich onder de bescherming van het volk. Senatoren, ridders en gewone burgers trokken ook hun rouwtoga aan maar werden door een edict van de consuls gedwongen hun gewone toga weer aan te trekken. Lucius Ninnius (een volkstribuun) en Lucius Lamia (een ridder) zetten zich in voor Cicero, maar Lamia werd door consul Gabinius verplicht Rome te verlaten.

Van de triumviri verklaarde Caesar openlijk dat Cicero volgens hem onwettig had gehandeld door de Catilinariërs te laten terechtstellen maar dat men verder geen oude koeien uit de sloot moest halen en de zaak moest laten rusten. Pompeius probeerde de boot af te houden; hij verwees Cicero naar de consuls die echter niets voor hem wilden doen, en toen Cicero Pompeius op de man af hulp vroeg, antwoordde Pompeius dat hij niets kon doen dat indruiste tegen Caesars wensen.

Bij de optimaten was Lucius Licinius Lucullus voorstander van het gebruik van geweld tegen de triumviri en hun handlangers; de hogere standen in Rome zouden zeker meedoen en in heel Italië zouden talloze mensen bereid zijn de wapens op te nemen. Als Lucullus de situatie al juist inschatte, vergiste hij zich toch deerlijk in de slagvaardigheid van de mensen die het goed met Cicero meenden: er was immers geen spoor van organisatie terwijl de bende van Clodius gewapend en wel klaar was voor de strijd...

De smeekbeden van zijn familieleden en de raad van Quintus Hortensius Hortalus en Marcus Porcius Cato haalden het tenslotte: Cicero was bereid, zij het tegen zijn zin, Rome te verlaten (waarschijnlijk op 20 maart). Juist die dag werd Clodius' wet gestemd, onmiddellijk gevolgd door een vogelvrijverklaring van Cicero; hij moest op minstens 600 km van Italië verblijven (wat Cicero, die op weg was naar Sicilië, nog niet wist).

Aangezien vogelvrijverklaring ook automatisch de verbeurdverklaring van eigendommen inhield, werden Cicero's huis op de Palatijn en zijn villa's in Tusculum en Formiae geplunderd en vernield. De consuls eigenden zich een groot deel van de buit toe en Clodius wijdde de plaats waar Cicero's huis gestaan had voor de bouw van een tempel van Libertas.

Zodra Caesar vaststelde dat zowel Cicero als Cato monddood waren gemaakt door hun verwijdering uit Rome, haastte hij zich naar zijn ambtsgebied in Gallia Transalpina. Daar verpletterde hij bij Bibracte de stam van de Helvetii die op weg was naar de Atlantische kust en dreef Ariovistus en zijn Suebi terug over de Rijn.

Cicero ging eerst naar Vibo (in Bruttium), waar zijn vriend Sicca een landgoed had; pas daar vernam hij dat hij op minstens 600 km van Italië moest gaan leven. Dat betekende dat Cicero niet naar Sicilië kon waar zijn vriend Caius Vergilius bereid was hem onderdak te geven zelfs als dat zou betekenen dat hij daardoor de triumviri zou mishagen. Cicero reisde dus door naar Brundisium en besloot in Thessalonica te gaan leven (net boven Chalcidice); hij sloeg een aanbod van Atticus af om op een van zijn landgoederen in Epirus te wonen en vermeed Athene omdat Publius Autronius en enkele andere Catilinariërs daar leefden. In Thessalonica verbleef hij zeven maanden (van april tot november) in het huis van zijn toegewijde vriend Cnaeus Plancus die quaestor was. Hij genoot de bescherming (hoewel niet van harte verleend) van de gouverneur van Macedonia, Lucius Appuleius.

Cicero leed in die periode aan een zware depressie. Hij was bang voor het lot van zijn vrouw en zijn kinderen, hij was bang dat Terentia zich zou ruïneren in haar ijver om voor hem te zorgen, hij was bang dat zijn broer Quintus, die op terugreis was van zijn provincie Asia Minor, door zijn schuld zou vervolgd worden en hij vermoedde dat Quintus Hortensius Hortalus en andere vrienden hem achter zijn rug tegenwerkten.

Naarmate de maanden verstreken, kreeg Cicero meer hoop. Clodius had Pompeius gegriefd door de Armeense prins Tigranes (die Pompeius als gevangene naar Rome had meegebracht) te helpen ontsnappen; Clodius had consul Gabinius tegen zich in het harnas gejaagd door keet te blijven schoppen in de straten van Rome; Clodius had met zijn bende Pompeius door de straten achtervolgd zodat Pompeius zich in zijn huis had moeten barricaderen; Clodius werd er in augustus zelfs van verdacht Pompeius te willen vermoorden.

Toch faalden alle pogingen om Cicero te laten terugkeren. Op 1 juni kreeg Lucius Ninnius Quadratus, een volkstribuun, de steun van bijna de voltallige senaat met een voorstel om de verbanning van Cicero ongedaan te maken, maar zijn collega Aelius Ligus stelde zijn veto toen Ninnius met zijn voorstel naar de volksvergadering wou gaan. Atticus stelde aan Cicero voor zijn verbanning ongeldig te laten verklaren op grond van de vaststelling dat de wet van Clodius een privilegium betrof (een maatregel - lex - tegen een privépersoon - privatus), wat door de Wet der XII Tafelen uitdrukkelijk verboden was; Cicero was het met die suggestie niet eens. Op 29 oktober dienden acht volkstribunen een wetsvoorstel in dat de publieke opinie in een voor Cicero gunstige zin beïnvloedde, ook als was de tekst zo slordig opgesteld dat Cicero er zich behoorlijk over opwond.

De consules designati voor 57 waren Publius Lentulus Spinther (een goede vriend van Cicero) en Quintus Caecilius Metellus Nepos (een trouwe aanhanger van Pompeius). Metellus was Cicero wel niet gunstig gezind maar er kon met hem gepraat worden. Van de nieuwe volkstribunen waren Titus Annius Milo, Titus Fadius en Publius Sestius energieke sympathisanten van Cicero, terwijl de rest van de volkstribunen beloofde Cicero's terugkeer te zullen steunen (hoewel Sextus Atilius Serranus en Quintus Numerius Rufus achteraf op hun belofte terugkwamen).

Cicero's brieven uit ballingschap stammen bijna allemaal uit 58 en laten hem zeker niet van zijn fraaiste kant zien. Positief is de oprechte liefde voor zijn gezinsleden en de rest van zijn familie. Negatief zijn Cicero's zelfbeklag en twijfel aan de oprechtheid van zijn vrienden. Hij stuurde zelfs Atticus verwijten toe; hij rekende op Marcus Terentius Varro (de beroemde oudheidkundige), op Pompeius, op Caesar en kon het hen niet vergeven als hij in zijn hoop bedrogen werd. Hij draaide zich in alle mogelijke bochten tegenover mensen die hij vroeger beledigd had opdat ze toch maar zouden ijveren voor zijn terugkeer.

In al zijn ellende had Cicero toch een straaltje zon: de trouw van zijn schoonzoon Caius Calpurnius Piso; die deed alles wat hij kon om zijn bloedverwant Lucius Calpurnius Piso te verzoenen met Cicero's terugkeer en weigerde naar een provincie te vertrekken als quaestor om in Rome Cicero's belangen te kunnen blijven behartigen. Cicero sprak over hem met diepe genegenheid en klaagde dat de vroege dood van Piso (nog voor Cicero's terugkeer naar Rome) het hem onmogelijk had gemaakt zijn dankbaarheid tegenover Piso te tonen.

 57 / Publio Cornelio Lentulo Spinthere Quinto Caecilio Metello Nepote consulibus

De dag van zijn ambtsaanvaarding bracht consul Publius Lentulus Spinther de kwestie van Cicero's terugkeer onmiddellijk voor de senaat. Lucius Aurelius Cotta vond niet dat er een wet nodig was maar Pompeius was daar wel voorstander van; een wet zou Cicero's terugkeer officieel maken. Volkstribuun Sextus Atilius Serranus liet niet toe dat er gestemd werd; eerst moest iedereen diep over de zaak nadenken. En van dat uitstel kwam natuurlijk afstel.

Op 23 januari bracht volkstribuun Fabricius een wetsvoorstel om Cicero terug te roepen voor de volksvergadering. Clodius kwam echter tussenbeide met zijn bende en in het gevecht dat ontstond kon Quintus Cicero ternauwernood het vege lijf redden. In latere rellen raakte volkstribuun Publius Sestius vrij zwaar gewond. Pogingen van Titus Annius Milo (ook volkstribuun) om Clodius voor de rechtbank te brengen mislukten. Pogingen om straatgeweld te beantwoorden met tegengeweld, zetten geen zoden aan de dijk: tot juli bleef Clodius Rome terroriseren.

Tussen 1 juni en 4 augustus ondernam de senaat toch enkele stappen in het voordeel van Cicero:

* tijdens een vergadering in de tempel van Honos et Virtus (een monument dat Marius had laten oprichten) dankte de senaat Cnaeus Plancius en de steden die Cicero onderdak hadden verleend, beval Cicero aan bij de gouverneurs en de inwoners van de provincies en riep de bevolking van Italië op de volksvergadering bij te wonen waar zou gestemd worden over Cicero's terugkeer;

* tijdens een vergadering in de tempel van Jupiter stemde de senaat bijna unaniem voor een decreet dat verklaarde dat Cicero de staat had gered en dat de consuls een wetsvoorstel moesten indienen voor zijn terugkeer; consul Quintus Caecilius Metellus Nepos verklaarde zich tijdens die vergadering verzoend met Cicero;

* de volgende dag vergaderde de senaat in de curia en bepaalde dat ieder die de volksvergadering waarop de terugkeer van Cicero ter sprake moest komen, zou tegenwerken of onmogelijk maken, zou beschouwd en behandeld worden als een vijand; als de volksvergadering toch vijfmaal zou ontbonden worden voor er gestemd was over Cicero's terugkeer, mocht Cicero gewoon terugkeren.

Uiteindelijk zouden de comitia centuriata op 4 augustus de wet stemmen die Cicero terugriep; de burgers die waren komen stemmen werden beschermd door een gewapende bende onder leiding van Titus Annius Milo...

Ondertussen was Cicero in november 58 al naar Dyrrhachium gegaan aan de Adriatische kust van Griekenland; die stad was zijn zaak genegen. Cicero had het raadzaam gevonden niet in de provincie te blijven die door Lucius Calpurnius Piso zou bestuurd worden vanaf januari 57 en was in Dyrrhachium trouwens dichter bij Rome. Hij verliet die stad op uitnodiging van de senaat op 4 augustus, de dag dat zijn terugkeer door de volksvergadering werd gestemd.

Op 5 augustus was hij in Brundisium waar zijn dochter Tullia op hem wachtte. Op 11 augustus vernam hij van zijn broer Quintus dat zijn terugkeer gestemd was. Zijn reis naar Rome was een triomfantelijke tocht; overal waar hij kwam, werd hij opgehouden door afvaardigingen die hem hun gelukwensen kwamen aanbieden. Op 4 september werd hij in Rome opgewacht door een enthousiaste menigte. Op 5 september dankte hij de senaat (Oratio post reditum ad senatum) en daarna het volk (Oratio post reditum ad populum) voor zijn terugkeer. In beide toespraken benadrukte hij hoeveel hij aan Pompeius te danken had.

Op 7 september stelde hij in de senaat voor om Pompeius de zorg toe te vertrouwen over de graanbevoorrading van de hele wereld voor de duur van vijf jaar; hij zou een imperium proconsulare krijgen en vijftien legaten. Een van de volkstribunen, Messius, wou daar nog een leger en een vloot aan toevoegen en wou dat het imperium van Pompeius dat van gewone gouverneurs zou overtreffen. De fanatieke optimaten vonden Cicero's voorstel al te ver gaan en wilden dus zeker van geen leger of vloot weten, te meer omdat Pompeius niet met zoveel woorden toegaf dat hij eigenlijk een leger wou (om zijn positie te kunnen handhaven). Uiteindelijk werd Cicero's voorstel aangenomen maar het echte doel van Cicero (verzoening bewerken tussen Pompeius en de gematigde senatoren) werd niet bereikt. Verder durfde Cicero niet gaan; hij wou noch Pompeius, noch de optimaten tegen zich in het harnas jagen tot zijn eigen belangen veilig waren gesteld. Toch vond hij dat de toekomst er rooskleurig uitzag. Hij geloofde oprecht dat een verzoening tussen Pompeius en de senaat mogelijk was, dat de kans reëel was dat het triumviraat zou uiteenvallen en dat Pompeius de republiek zou redden met de steun van de gematigden uit de ridderstand en de senaat.

In een toespraak (Oratio de domo sua) op 29 december kon hij de pontifices ervan overtuigen dat de wijding van de grond op de Palatijn waar zijn huis gestaan had, wettelijk niet in orde was. De daarop volgende dagen stemde de senaat decreten die de consuls toelieten Cicero schadeloos te stellen voor de vernieling van zijn huis en zijn villa's. De wederopbouw begon snel en het werk schoot goed op, ondanks een gewelddadige overval op de werf door Clodius en zijn bende op 3 november.

Omstreeks deze tijd haalde Cicero uit het tabularium op het Kapitool alle tabletten weg die het verslag bevatten van Clodius' handelingen als volkstribuun, maar daardoor ontstemde hij Marcus Porcius Cato die van Clodius de opdracht had gekregen Cyprus in te richten als een Romeinse provincie.

Tenslotte steunde Cicero een voorstel in de senaat om een supplicatio van vijftien dagen toe te kennen aan Caesar omwille van zijn successen in Gallië.

Caesar had dat jaar in Gallië bij de Axona het bondgenootschap van de Belgen kunnen laten springen en had in een zwaar gevecht bij de Sabis hij de Nervii verslagen die als de onverzettelijkste Belgen beschouwd werden. Alle Belgen gaven zich toen over en hun voorbeeld werd gevolgd door de zeestammen in het noordwesten van Gallië. Caesars legaat Servius Sulpicius Galba ging evenwel overwinteren bij de Allobroges nadat hij zich uit de vallei van de Rhodanus had moeten terugtrekken.

Van de consuls van 58 had Lucius Calpurnius Piso Macedonia geplunderd terwijl Aulus Gabinius goed werk leverde in Syria, waar hij een opstand van de joden tegen de door Pompeius aangestelde hogepriester Hyrcanus neersloeg.

Ptolemaeus XII Auletes was, niet lang na zijn erkenning door Rome in 59, verdreven uit Egypte door de inwoners van Alexandria en was naar Rome gekomen om te intrigeren voor zijn terugkeer. De inwoners van Alexandria hadden zijn oudste dochter Berenice op de troon geplaatst en stuurden gezanten naar Rome om te protesteren tegen mogelijke steun van Rome aan Ptolemaeus XII Auletes. Die liet echter een aantal van die gezanten op hun reis naar Rome vermoorden en door omkoperij slaagde hij erin te verhinderen dat de senaat de overlevenden een audiëntie gaf. De senaat besloot dat consul Publius Lentulus Spinther (die Cilicia ging besturen) Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon van Egypte moest zetten.

 56 / Cnaeo Cornelio Lentulo Marcellino Lucio Marcio Philippo consulibus

Onze kennis van wat er in Rome gebeurde in de eerste maanden van 56 komt vooral uit brieven van Cicero aan Publius Lentulus Spinther (die nu gouverneur was van Cilicia) en aan zijn broer Quintus, die legaat was van Pompeius op het eiland Sardinië.

Het belangrijkste punt op de dagorde van de senaat in januari was het opnieuw op de troon zetten van Ptolemaeus XII Auletes. Pompeius werkte achter de schermen om die opdracht naar zich toe te halen (omdat hij dan zou krijgen wat hij verlangde: een vloot, een leger en een basis in Egypte), maar sprak zich - zoals gewoonlijk - niet openlijk in die zin uit. Cicero bevond zich in een vervelende situatie omdat hij Pompeius tot vriend wilde houden, maar anderzijds voelde hij zich uit dankbaarheid verplicht aan Publius Lentulus Spinther, die als eerste die opdracht van de senaat had gekregen.

De meerderheid van de senatoren - gedreven door angst en jaloersheid - weigerden Pompeius een leger te geven en beriepen zich op een voorspelling uit de Sibyllijnse boeken. Zo lieten ze hun tweede kans onbenut om Pompeius de militaire macht te geven waar hij al zo lang op aasde en hem onafhankelijk van Caesar te maken. Er werd eindeloos geruzied en noch in de senaat, noch in de volksvergadering kon het voorstel een meerderheid halen.

Toch vond Cicero dat de situatie al bij al niet slecht was. Door de gebeurtenissen van 58-57 was het tot een breuk gekomen tussen Pompeius en Clodius en was er toenadering gegroeid tussen Pompeius en Milo. Bovendien had Pompeius Clodius razend gemaakt door zich in te zetten voor Cicero's terugkeer. De fanatieke optimaten begonnen nu Clodius op te vrijen en aan te moedigen in zijn hevige aanvallen op Pompeius. Cato had er alle belang bij de wettelijkheid van Clodius' handelingen te verdedigen (anders was zijn opdracht op Cyprus onwettig!), terwijl de rest van de nobiles er plezier aan beleefde wanneer Clodius Pompeius beledigde.

De zaak werd nog op de spits gedreven. Doordat Clodiusop 20 januari aedilis curulis werd, ontsnapte hij door zijn onschendbaarheid aan een aanklacht wegens geweldpleging vanwege Milo en ging resoluut in de tegenaanval: op 6 februari daagde hij Milo voor de rechter op een beschuldiging van geweldpleging! Toen Pompeius op het proces verscheen om zijn steun aan Milo te betuigen, werd hij door de Clodianen uitgejouwd; Clodius zelf schreeuwde hem toe dat niet Pompeius maar Crassus naar Egypte zou moeten gestuurd worden.

Pompeius begon te geloven dat zijn leven in gevaar was en dat Crassus tegen hem complotteerde via Clodius en Cato. Het proces tegen Milo eindigde niet eens met een vonnis; het had alleen scheldpartijen en relletjes opgeleverd, en een breuklijn in Rome zichtbaar gemaakt voor iedereen: aan de ene kant Pompeius en Milo, aan de andere kant Clodius die de steun genoot van het plebs en van fanatiekelingen onder de senatoren zoals Caius Scribonius Curio(pater) en Marcus Calpurnius Bibulus.

Een ander voorbeeld van de chaotische situatie in Rome op dat ogenblik bleek uit Cicero's Oratio de haruspicum responsis. Men had de haruspices geraadpleegd over de betekenis van de voortekens die zich de laatste tijd hadden voorgedaan en over de redenen van de woede van de goden die zich via die voortekens manifesteerde.

Een van de door de haruspices aangehaalde redenen was dat de goden verbolgen waren omdat goddelijke plechtigheden ongedaan waren gemaakt. Waarop Clodius, in een toespraak tot het volk, dit in verband bracht met de bouw van Cicero's huis op een gewijde plaats. Cicero kon niet anders dan zijn tegenstander van antwoord dienen en liet de gelegenheid niet onbenut om hem te overladen met verwijten en scheldwoorden.

Er werd echter meer belang gehecht aan de waarschuwing van de haruspices tegen de onenigheid onder de nobiles: dit kon leiden tot de concentratie van de macht in de handen van één persoon. Dat dit een verwijzing was naar Pompeius, was voor iedereen duidelijk. Zijn pogingen om militaire macht te krijgen (eerst via de volkstribuun Messius, dan door in Egypte orde op zaken te willen stellen) hadden de nobiles zwaar verontrust. In zijn oratio de haruspicum responsis verweet Cicero de nobiles dan ook de dwaasheid waarvan ze blijk gaven door Publius Clodius te steunen in zijn aanvallen op Pompeius.

Maar dat zette geen zoden aan de dijk. Een bewijs dat de nobiles zich helemaal niet stoorden aan de woorden van de haruspices en de uitleg die Cicero daaraan gegeven had, was de vrijspraak van Publius Clodius' handlanger Sextus Clodius. Milo had hem aangeklaagd wegens geweldpleging maar Sextus ontsprong de dans uitgerekend door de stemmen van de juryleden uit de senatorenstand, die hun vijandigheid tegenover Pompeius bleven demonstreren.

Andere gebeurtenissen gaven Cicero dan weer vertrouwen. Er was het enthousiasme geweest waarmee zijn terugkeer uit ballingschap was begroet. Een van de consuls was Cnaeus Cornelius Lentulus Marcellinus, iemand die zich onafhankelijk durfde opstellen ten opzichte van de triumviri en aanleunde bij de optimaten (de andere consul was Lucius Marcius Philippus, een felle optimaat). Toen Cicero op 11 februari Lucius Calpurnius Bestia verdedigde voor praetor Cnaeus Domitius Calvinus in een proces wegens omkoperij - Bestia werd veroordeeld - peilde hij de gevoelens van zijn toehoorders door enkele keren een allusie te maken op de inspanningen die Publius Sestius in 57 gedaan had voor zijn terugkeer, en stelde met genoegen vast dat ze zeer gunstig werden onthaald.

Later moest Publius Sestius voor de rechtbank verschijnen op beschuldiging van geweldpleging. In de loop van dat proces mocht Cicero, die Sestius verdedigde, een kruisverhoor afnemen van Publius Vatinius, een van de getuigen ten laste (In Publium Vatinium testem interrogatio), en voer ongemeen scherp uit tegen Vatinius omwille van zijn immoreel optreden in 59. Toch onthield hij zich daarbij van kritiek op Caesar door nergens te suggereren dat Vatinius optrad in naam of in opdracht van Caesar.

Er waren nog andere illustere advocaten die voor Sestius pleitten maar - zoals gewoonlijk - sprak Cicero als laatste (Oratio pro Publio Sestio). Hij maakte van zijn pleidooi een waar politiek manifest. Hij sprak respectvol over zowel Pompeius als Caesar maar betuigde zijn overdeelde steun aan de senaat en de republikeinse instellingen. Eigenlijk was de oratio pro Sestio niet enkel een pleidooi voor Publius Sestius, maar tevens een oproep aan alle weldenkende burgers om zich in te zetten voor de verdediging van de republikeinse instellingen: hij had de concordia ordinum laten varen voor de consensus omnium bonorum. Publius Sestius werd unaniem vrijgesproken, wat Cicero hoop deed koesteren dat de republiek een nieuw elan zou nemen.

Cicero had goede redenen om aan te nemen dat het triumviraat op sterven na dood was. De breuk tussen Crassus en Pompeius scheen definitief; de agressieve houding van Clodius (Caesars stroman in Rome) tegenover Pompeius zou een verwijdering kunnen betekenen tussen Pompeius en Caesar. Die kloof werd nog groter doordat Pompeius jaloers was op Caesars successen in Gallië. Toen Pompeius toetrad tot het triumviraat, beschouwde hij Caesar als een handig instrument om zijn doel (alleenheerschappij) te bereiken; en had Cicero hem trouwens in 57 niet bij vier gelegenheden princeps civitatis genoemd? Maar nu zag Pompeius zijn exploten in het oosten overschaduwd worden door Caesars overwinningen in Gallië terwijl zijn eigen positie in Rome bijna onhoudbaar werd zonder een leger achter zich. Waren bovendien al zijn pogingen om een militair commando te krijgen niet mislukt? Al bij al had hij maar wat graag de positie, die hij hoopte te verwerven toen hij toetrad tot het triumviraat, gekregen van de senaat!

Dus durfde Cicero het aan om een directe aanval op Caesars akkerwet te doen: op 5 april stelde Cicero voor aan de senaat om op 15 mei te debatteren over de staatsgrond in Campania. Die kwestie was al eens 57 aan de orde gesteld door een volkstribuun in dienst van Pompeius, een zekere Lupus, en toen Cicero de zaak opnieuw aanbracht, kreeg hij luid applaus. Waarschijnlijk was zijn voorstel dat de wet niet kon uitgevoerd worden bij gebrek aan financiële middelen. De staatsinkomsten waren gedaald ten gevolge van de kleinere inkomsten van pachtgeld in Campania en door de zware uitgaven voor soldijvoor het leger en voor graan voor Rome. In de veronderstelling dat alle veteranen van Pompeius hun stuk grond al hadden gekregen, kon Cicero's voorstel niet tegen Pompeius gericht zijn, maar was het bedoeld om Caesar een hak te zetten. Die kon immers geen grond meer verdelen onder zijn veteranen of onder de armen van Rome! Als Pompeius dit voorstel goedkeurde, zouden de barsten in het triumviraat voor iedereen duidelijk worden!

Pompeius scheen aanvankelijk geen graten te vinden in Cicero's aanval op Caesars wet. Maar Cicero zag drie dingen over het hoofd: Pompeius zou niet voor de eerste keer van gedachten veranderen; de band tussen Pompeius en Caesar was ijzersterk door Pompeius oprechte liefde voor Julia; Cicero kon er nooit in slagen de extreme optimaten, die groen van afgunst waren op Pompeius, te verzoenen met hun tegenstander...

Caesar was snel op de hoogte van wat zich in Rome afspeelde en begreep de ernst van de situatie. Als de aanval op zijn akkerwet succesvol was, zou zeker een aanval op de lex Vatinia volgen... En inderdaad, Lucius Domitius Ahenobarbus, een sterke kandidaat voor het ambt van consul van 55, vertelde aan iedereen die het horen wilde dat hij Caesar zou laten terugroepen uit zijn provincies. Als Cicero er nu nog in zou slagen Pompeius te verzoenen met de senaat, zou de situatie voor Caesar wel zeer precair worden. Caesar was dan ook bereid zich grote opofferingen te getroosten. Hij belegde een ontmoeting met Crassus in Ravenna en samen reisden ze naar Luca om met Pompeius te spreken die op weg was naar Sardinië in verband met de graanbevoorrading.

In Luca kwamen behalve de triumviri een groot aantal provinciegouverneurs en ongeveer tweehonderd senatoren samen. Het resultaat van de gesprekken was dat het triumviraat verlengd werd en dat "de zaken" geregeld werden. Caesar verkreeg de verlenging van zijn mandaat in Gallië om zo zijn veroveringen te kunnen voltooien en consolideren. Aan Pompeius bood hij ronduit schitterende voorwaarden aan: die kreeg alles wat de vrekkige senaat hem zo lang had ontzegd.

Pompeius zou na het ambt van consul in 55 (dat hij samen met Crassus zou bekleden) voor vijf jaar gouverneur worden van Spanje, maar hij mocht in Rome blijven en zijn provincie laten besturen door legaten. Crassus zou Syria krijgen en het opperbevel in de oorlog tegen de Parthen, eveneens voor vijf jaar (Caesar rekende er vermoedelijk op dat, als het toch tot een breuk zou komen tussen hem en Pompeius, hij zou kunnen beschikken over de troepen van Crassus). Zo kregen Caesars bondgenoten waar ze al zo lang naar verlangden: Pompeius een militair commando en Crassus de kans om via militaire overwinningen de gelijke te worden van Caesar en Pompeius.

Hoewel de details van de overeenkomst voor de Romeinen onduidelijk bleven tot ze stuk voor stuk gerealiseerd werden, begreep iedereen toch dat het triumviraat versterkt was. Dat was een zware slag voor Cicero. Pompeius stuurde hem een bevel om alle activiteit in verband met de Campaanse staatsgrond onmiddellijk stil te leggen tot hij zelf teruggekeerd was in Rome en zodra hij in Sardinië was, gaf hij Quintus Cicero de volle lading voor Cicero's houding... Het enige wat Cicero kon doen, was zich neerleggen bij de feiten. Hij trok zijn voorstellen in verband met de gronden in Campania in en stuurde Caesar een brief waarin hij zich voor zijn recent optreden verontschuldigde.

Onderwerping was noodzakelijk want het triumviraat was oppermachtig. Maar welke koers moest Cicero nu varen? Aan de zijde van Cato op een irritante manier oppositie blijven voeren tegen de triumviri was politiek zinloos en voor zijn veiligheid ronduit gevaarlijk. Daarbij kwam dat de optimaten die zich bleven verzetten, juist diegenen waren die hem vlak voor zijn verbanning hadden laten vallen en na zijn terugroeping gemene zaak hadden gemaakt met zijn persoonlijke vijand Publius Clodius Pulcher. Nu had Pompeius Cicero ook wel verraden, maar Pompeius had tenminste geijverd voor zijn terugkeer en was Cicero erkentelijk geweest voor diens dankbaarheid en trouw.

Liefst van al had Cicero het politieke leven vaarwel gezegd en zich ver van Rome gewijd aan literatuur en filosofie, maar deze mogelijkheid werd hem ontzegd omdat de triumviri altijd een beroep op hem konden doen en omdat zijn broer Quintus in zijn naam trouw beloofd had aan Pompeius. Voor Cicero brak een moeilijke tijd aan...

De eerste "statie" van deze "kruisweg" was Cicero's steun in de senaat voor een voorstel om Caesars troepen te betalen en hem tien legaten te laten aanstellen. Dan kwam zijn prachtige Oratio de provinciis consularibus. In juni 56 was in de senaat voorgesteld door tegenstanders van de triumviri om bij de toekenning van de provincies aan de consuls van 55 hetzij Gallia Cisalpina, hetzij Gallia Transalpina te gebruiken en dus van Caesar af te nemen. Ondanks fel protest van consul Lucius Marcius Philippus verzette Cicero zich met succes tegen dit voorstel door te verklaren dat het hoog tijd werd om Lucius Calpurnius Piso uit Macedonia en Aulus Gabinius uit Syria terug te roepen, en door een lofrede uit te spreken over Caesars veroveringen in Gallië. Hij spotte met de optimaten die vragen hadden bij de wetten die Caesar tijdens zijn consulaat had doorgedrukt en verdedigde op een bepaald ogenblik zelfs wetten die Publius Clodius had laten stemmen...

Met zijn oratio de provinciis consularibus had Cicero zich definitief aan de zijde van de triumviri geschaard. In een brief aan Publius Lentulus Spinther over deze zaak repte Cicero echter met geen woord over zijn rol in de debatten. Cicero onthield zich dan van verdere tussenkomsten in de politiek maar bleef actief als advocaat. Twee opmerkelijke redevoeringen uit die periode zijn bewaard gebleven.

In zijn Oratio pro Lucio Cornelio Balbo verdedigt Cicero de aanspraak van de beschuldigde op het burgerrecht dat hij van Pompeius in Spanje had gekregen. Hij bewees dat Balbus' gelijk met strikt juridische argumenten en nam de gelegenheid te baat om een lofrede op Pompeius te houden. Dit pleidooi dateert van zomer of herfst 56, terwijl de verdediging van Marcus Caelius Rufus waarschijnlijk in de lente van dat jaar werd uitgesproken. In de Oratio pro Marco Caelio schetste Cicero pittige tafereeltjes uit het Romeinse society-leven en hing hij een vernietigend portret op van Clodia om Caelius te verdedigen tegen aanklacht van ordeverstoring en vergiftiging; hij tekende nog een portret van Catilina dat veel objectiever overkomt dan enig ander dat we kennen.

Op persoonlijk vlak zag Cicero zijn vriend Atticus op 12 februari huwen met Pilia, die een goede vriendin werd van Tullia en haar vader, en later in de lente verloofde Tullia zich met Furius Crassipes en trad met hem in het huwelijk. Cicero schreef een brief naar Lucius Lucceius (een goede vriend met letterkundige ambities; hij stond op het punt een geschiedenis over de Bondgenotenoorlog en de eerste burgeroorlog te beëindigen); daarin vroeg Cicero hem een monografie te schrijven over zijn ambtstermijn van consul, zijn verbanning en zijn terugkeer. Cicero voegde er nog de raad aan toe tijdens het schrijven eerder toe te geven aan een gevoel van vriendschap voor hem dan aan waarheidsgetrouwheid... Lucius Lucceius zou het werk nooit afmaken.

In Gallië versloeg Caesar achtereenvolgens de Veneti en de Morini. Zijn legaat Publius Licinius Crassus (zoon van de triumvir) onderwierp de Aquitani en een andere legaat, Quintus Titurius Sabinus, versloeg de Venelli.

In Syria versloeg Aulus Gabinius (die in mei geen supplicatio had gekregen van de senaat, tot Cicero's grote voldoening) de joodse leider Aristobulus en nam hem opnieuw gevangen (hij was uit Italië kunnen ontsnappen). In zijn oratio de provinciis consularibus beschuldigde Cicero hem van corruptie en afpersing, maar waarschijnlijk was Gabinius' fout niet het afpersen van zijn onderdanen (Cicero beschouwde joden en Syriërs als "geboren om slaaf te zijn") maar zijn weigering om de buit van zijn afpersing te delen met de publicani. Gabinius mocht Syria nog een jaar besturen tot Crassus (in 54, na zijn ambt van consul) klaar zou zijn om het bewind over te nemen.

In Macedonia had Lucius Calpurnius Piso zijn provincie grondig geplunderd maar eens in het zicht van de vijand smolt zijn leger weg (de soldaten waren niet betaald); hij had dus gedurende twee jaar niets gedaan behalve zichzelf verrijken. De senaat besloot hem dan ook terug te roepen en te vervangen door Quintus Ancharius Priscus, een van de praetoren van 56.

55 / Cnaeo Pompeio Magno Marco Licinio Crasso consulibus

Publius Clodius' vriend Caius Porcius, volkstribuun in 56, was er in geslaagd de verkiezingen voor het ambt van consul voor 55 te doen uitstellen. In januari 55 was er dus een interregnum tot de comitia centuriata konden gehouden worden waar Pompeis en Crassus verkozen werden (hun enige ernstige tegenkandidaat, Lucius Domitius Ahenobarbus, werd door gewapende mannen van het Marsveld weggejaagd).

De nieuwe consuls namen onmiddellijk "maatregelen" om hun positie te verstevigen. Een eerste van die "maatregelen" was dat in de verkiezingen voor het ambt van praetor voor 55 Marcus Porcius Cato verslagen werd en Publius Vatinius verkozen werd. Een volgende zet was de toekenning van de provincies aan de consuls via een wetsvoorstel van volkstribuun Caius Trebonius. Spanje ging naar Pompeius en Syria naar Crassus voor een periode van vijf jaar. De consuls dienden een wetsvoorstel in om Caesars mandaat van proconsul in Gallië met vijf jaar te verlengen. Ondanks waarschuwende woorden van Cicero en Marcus Porcius Cato tot Pompeius werden de wetten natuurlijk gestemd omdat ze de uitvoering waren van de overeenkomst van Luca.

Crassus diende een wetsvoorstel in (met de goedkeuring van Pompeius) tegen politieke verenigingen (sodalicia). Zulke benden, die eens de machtsbasis vormden van Clodius, werden de laatste tijd handig gebruikt door de optimaten in hun verzet tegen de triumviri.

In augustus opende Pompeius zijn nieuw theater met feestelijkheden van ongeziene pracht. Cicero vond dit vertoon maar niets en walgde van de wrede venationes; ook het volk beklaagde het lot van de daarbij omgebrachte olifanten.

Omstreeks hetzelfde tijdstip nam Cicero (op verzoek van Pompeius) de verdediging op zich van Lucius Caninius Gallus, een onstuimige volkstribuun van 56. In de senaat diende hij Lucius Calpurnius Piso van antwoord in een vlijmscherpe rede (Oratio in Lucium Pisonem) omdat Piso hem in de senaat had aangevallen na zijn terugkeer uit Macedonia. Toch besteedde Cicero meer aandacht aan zijn literaire activiteit dan aan de politiek. Tegen november had hij de laatste hand gelegd aan een werk over welsprekendheid (De oratore libri III).

In november vertrok Crassus al naar zijn provincie Syria. Cicero had zich met hem verzoend (door bemiddeling van Pompeius en Caesar) en had hem bij zich thuis uitgenodigd, ook al bleef hij Crassus in een brief aan Atticus als een ploert beschouwen.

In de verkiezingen voor het ambt van praetor voor 54 werd Marcus Porcius Cato verkozen, maar de verkiezingen voor het ambt van aedilis eindigden in relletjes en bloedvergieten. Pompeius keerde naar huis terug met zijn toga vol bloed, wat zijn vrouw Julia zo'n schok gaf dat een miskraam had (toen ze opnieuw zwanger was geworden en in 54 moest bevallen, waren er complicaties en ze overleed in het kraambed). Het vertrek van Crassus en de dood van Julia zouden leiden tot een steeds groeiende rivaliteit tussen Pompeius en Caesar, die tenslotte zou uitmonden in een nauwelijks verholen vijandschap.

In Gallië moest Caesar de nieuwe grens van het Romeinse rijk, de Rhenus, veilig stellen tegen invallen van Germaanse stammen. De Usipetes en de Tencteri waren de Rijn overgestoken om zich in Gallië te vestigen. Hun leiders zochten Caesar op om zich te verontschuldigen voor een aanval die hun ruiterij had gedaan op Caesars ruiters. Caesar zette hen gevangen in zijn kamp en stuurde zijn troepen uit om de stammen zonder leiders uit te moorden.

Om nog meer indruk te maken op de Germanen sloeg Caesar een brug over de Rhenus, stak de stroom over en verwoestte gedurende achttien dagen het land van de Sugambri. In de herfst demonstreerde hij zijn macht door over te steken naar Brittannië maar deed weinig meer dan aan land gaan en een aanval van de plaatselijke stammen afslaan.

In het oosten was er een paleisrevolutie geweest in het huis van de Arsaciden, de Parthische koningen. De oude koning Phraätes was vermoord door zijn zonen Mithridates en Orodes, van wie laatstgenoemde koning was geworden. Mithridates vluchtte naar de Romeinse gouverneur Aulus Gabinius. Die kon evenwel niets doen omdat hij al een opdracht had gekregen in Egypte. Prins Mithridates rukte dan zelf tegen zijn broer op, nam Seleucea (op de Tigris) en Babylon in, moest zich dan overgeven en werd door Orodes terechtgesteld.

Ondertussen was Gabinius (in opdracht van de triumviri) Egypte binnengevallen. Hij versloeg de Egyptenaren tweemaal (bij Pelusium en aan de Nilus), bezette Alexandria en zette Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon.

 54 / Lucio Domitio Ahenobarbo Appio Claudio Pulchro consulibus

De consuls waren dat jaar Lucius Domitius Ahenobarbus en Appius Claudius Pulcher. De eerste was een fanatieke optimaat, de tweede een onbekwame en hebzuchtige man zonder politieke overtuiging, iemand die dus makkelijk kon beïnvloed worden door de triumviri (hoewel hun macht zo groot was dat het eigenlijk niet veel uitmaakte wie het ambt van consul bekleedde). Pompeius deed zijn best Rome zo goed mogelijk te besturen en Cicero berustte in Pompeius' macht zonder te beseffen dat die ooit door Caesar betwist zou worden.

Cicero wou bewijzen dat zijn verzoening met Crassus oprecht was en verdedigde hem in een redevoering in de senaat. Hij kreeg de onaangename taak de handlangers van de triumviri te verdedigen voor de rechtbanken. Hij pleitte niet alleen voor Caius Messius, die nu legaat was onder Caesar, maar kon ook vrijspraak bekomen voor zijn vroegere vijand Publius Vatinius die hij in 56 in het proces tegen Publius Sestius nog scherp had aangevallen (in Publium Vatinium testem interrogatio). Vatinius bleef Cicero dankbaar voor zijn verdediging; na de slag van Pharsalus (in 48) zou hij Cicero helpen en ze bleven nadien vrienden.

Minder plezier beleefde Cicero aan zijn verdediging van Aulus Gabinius die hem had uitgeleverd aan Publius Clodius (in ruil voor de toekenning van de provincie Syria). In een eerder proces (dat aangespannen was omdat Gabinius Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon van Egypte had gezet) had Cicero ten laste getuigd maar was Gabinius nipt de dans ontsprongen. Hoewel Gabinius nadien Cicero in de senaat had aangevallen, betuigde hij nu zijn dank aan Cicero voor diens inschikkelijkheid en verklaarde hij zijn vroegere fouten tegenover Cicero te willen goedmaken. Cicero nam Gabinius' verdediging in een tweede proces (wegens het leegroven van zijn provincie) vooral op zich op uitdrukkelijk verzoek van Pompeius, maar noch Cicero's welsprekendheid, noch Pompeius' inspanningen konden Gabinius vrij krijgen. Door Gabinius' verbanning verviel een derde proces wegens omkoperij bij de verkiezingen.

Uit het tweede proces tegen Gabinius groeide een proces tegen Caius Rabirius Postumus, die beschuldigd werd de buit van Syria te hebben gedeeld met Gabinius. Dank zij Cicero's Oratio pro Caio Rabirio Postumo werd Rabirius vrijgesproken.

Er waren nog heel wat andere processen waarin Cicero als verdediger optrad. Zo pleitte hij (met succes) voor Marcus Aemilius Scaurus (Oratio pro Marco Aemilio Scauro). Hij verdedigde de inwoners van Reate (die hem hadden gesteund in zijn optreden tegen Catilina) in een proces over de bedding van Velinus tegen de inwoners van Interamna. Tenslotte nam hij het op voor Cnaeus Plancius (die hem tijdens zijn ballingschap onderdak had verleend en gepoogd had zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken) in een proces wegens omkoping bij de verkiezingen. Cicero's pleidooi (Oratio pro Cnaeo Plancio), waarin hij het uitvoerig had over de Romeinse verkiezingen en herinneringen ophaalde aan zijn eigen politieke carrière, bezorgde Plancius de vrijspraak.

Er kwam een groot schandaal aan het licht in verband met de verkiezingen voor het ambt van consul voor 53. Twee van de kandidaten hadden het met de regerende consuls op een akkoordje gegooid en de bepalingen waren zo schandalig dat Cicero ze niet in een brief durfde zetten. Er waren twee gevolgen: de omkoperij was een zo algemeen verspreide praktijk geworden dat de interestvoeten in Rome er nadelig door beïnvloed werden, en de verkiezingen werden telkens weer uitgesteld, tot midden 53...

Dat jaar begon Cicero aan zijn De republica (dat hij pas in 51 zou afwerken) en schreef hij een gedicht over zijn verbanning en terugkeer en een gedicht over Caesars overwinningen in Gallië. Broer Quintus verliet de krijgsdienst van Pompeius om legaat te worden van Caesar in Gallië en Brittannië. Hoewel hij aanvankelijk misschien beschouwd werd als een soort gijzelaar om het goed gedrag van zijn broer in Rome te garanderen, leidde zijn aanwezigheid bij Caesar tot een veel betere verstandhouding tussen Cicero en Caesar. Die liet niet na van tijd tot tijd Cicero te verrassen met persoonlijke attenties, die deze laatste in hoge mate bekoorden.

Caesar stak voor de tweede maal naar Brittannië over met een veel sterkere vloot dan de eerste keer. Hij rukte op naar het noorden, stak de Tamesis over en dreef de Britten voor zich uit. Hij stelde zich tevreden met een formele overgave van Cassiovelaunus die hem gijzelaars gaf en beloofde belastingen te zullen betalen.

Dat Caesar zich met dit mager resultaat tevreden stelde had waarschijnlijk alles te maken met de onrust in Gallië, die in de winter leidde tot een gevaarlijke opstand. Ambiorix, koning van de Eburones, hakte 8.000 soldaten van Lucius Aurunculeius Cotta en Quintus Titurius Sabinus in de pan nadat hij ze onder valse voorwendsels uit hun winterkamp had gelokt; een poging om hetzelfde te doen met Quintus Cicero's legioen mislukte. Quintus Cicero's heroïsch verzet tegen de aanvallen van de Belgen gaven Caesar de tijd hem te komen ontzetten.

Crassus deed het eerste jaar in Syria niet veel meer dan zijn zakken vullen door zware belastingen op te leggen aan de inwoners van de provincies en door er de tempels te plunderen. Een opmars in Mesopotamia die vrij laat in het jaar viel, bezorgde hem nuttige basissen voor de campagne van het volgend jaar en vervulde hem met misprijzen voor de Parthen die voortdurend voor hem op de loop schenen te gaan.

 53 / Cnaeo Domitio Calvino Marco Valerio Messalla consulibus

Maand na maand ging voorbij zonder dat er verkiezingen voor het ambt van consul gehouden werden en intussen werd Rome geregeerd door interreges (die maar vijf dagen aanbleven en dan een opvolger aanduidden). De enige regelmatig verkozen ambtenaren, de volkstribunen, hielden zich vooral bezig met het saboteren van elke poging om verkiezingen te houden. Enkelen van hen stelden voor tribuni militares met de bevoegdheden van een consul aan te stellen (wat in de nevel der tijden nog wel eens gebeurd was), anderen wilden de aanstelling van een dictator (waarbij ze waarschijnlijk aan Pompeius dachten). De troebelen bleven duren tot in juli uiteindelijk Cnaeus Domitius Calvinus en Marcus Valerius Messalla verkozen werden met de steun van Pompeius (later zouden deze beide consuls de kant van Caesar kiezen).

Dat jaar had Caesar de handen vol met het herstellen van zijn macht in Gallië. De Senones en de Carnutes gaven zich over toen Caesar hen dreigde aan te vallen. De Menapii moesten buigen voor Caesars suprematie en de Treveri werden verslagen door Titus Labienus. De Eburones werden zwaar gestraft voor de uitmoording van het winterkamp van Sabinus en Cotta; terwijl hun land werd geplunderd, werd Quintus Cicero verrast door de Sugambri en verloor daardoor bij Caesar veel van het krediet dat hij verdiend had door de heldhaftige verdediging van zijn winterkamp.

De belangrijkste gebeurtenis van het jaar was evenwel de nederlaag van en de moord op Crassus op 9 juni nabij Carrhae, een bewijs hoe ongenaakbaar de Parthische ruiterij op eigen terrein wel was. Caesar verloor in Crassus een nuttige bondgenoot voor het geval zijn rivaliteit met Pompeius op een gewapend conflict zou uitlopen, temeer omdat de dood van Julia in 54 al de basis van welwillendheid die tussen beide overblijvende triumviri bestond, had weggenomen. Toch bleef de relatie tussen Caesar en Pompeius voorlopig goed: Pompeius leende aan Caesar zelfs een legioen dat in 55 eigenlijk de eed van trouw aan hemzelf gezworen had.

Cicero was niet onder de indruk van de dood van Crassus wiens onverzadigbare geldhonger hem altijd met afschuw vervuld had. De dood van Publius Crassus, de zoon van Marcus, op het slagveld op 7 juni (enkele dagen voor zijn vader) trof hem wel; Cicero had Publius altijd gemogen omwille van zijn hoffelijkheid.

Cicero werd verkozen tot augur in de plaats van Publius Crassus, wat hij als een grote eer beschouwde; hij begon zich onmiddellijk te verdiepen in de leer van de auguria (die gebaseerd was op het waarnemen van fenomenen, geluiden of gedragingen) en in de geschiedenis van het college van augures.

Cicero zette zich ook in voor de stemmenwerving van Titus Annius Milo voor het ambt van consul van 52. Maar 53 zou, net als 54, geen verkiezingen voor het ambt van consul voor het volgend jaar zien, en 52 moest dus, net als 53, beginnen met een interregnum.

Er zijn van het jaar 53 geen brieven van Cicero aan zijn broer Quintus of Atticus; de correspondentie met Quintus stopte in 54 en met Atticus wisselde hij in 54 en 53 geen brieven uit, vermoedelijk omdat Atticus in die periode in Rome verbleef. Cicero's belangrijkste correspondenten waren Caius Scribonius Curio (filius), quaestor in Asia Minor, en Caius Trebatius Testa, een aankomend advocaat die in 54, warm aanbevolen door Cicero, naar Caesars kamp trok. Daar sloeg hij een post als krijgstribuun af en werkte als jurist voor Caesar.

52 / Cnaeo Pompeio Magno consule / Cnaeo Pompeio Magno Quinto Caecilio Metello Pio Scipione consulibus

Rome werd - alweer - overheerst door chaos gedurende de winter 53-52; oorzaak waren - alweer - de intriges van de kandidaat-consuls Quintus Caecilius Metellus Pius Scipio, Publius Plautus Hypsaeus en Titus Annius Milo. Die laatste hernieuwde zijn straatgevechten met de bende van Publius Clodius die zelf het ambt van praetor ambieerde. Op 17 januari werd Publius Clodius Pulcher gedood door gladiatoren uit het gevolg van Milo op de Via Appia nabij Bovillae. Zijn lichaam werd door een roerige menigte van zijn aanhangers op het forum verbrand, waarbij - opzettelijk of per ongeluk - het vuur van de brandstapel oversloeg naar curia Hostilia die in de vlammen opging.

In de daaropvolgende vergaderingen van de senaat speelden zich stormachtige scènes af. Felle aanvallen van verwanten van Clodius op Milo werden beantwoord door Cicero en Marcus Caelius Rufus. Tenslotte vaardigde de senaat een senatus consultum ultimum uit en deed een beroep op de interrex, op de tribunen en op Pompeius om de veiligheid te garanderen. Zo mocht Pompeius, die al beschikte over aanzienlijke troepen (voor militaire dienst in Spanje), de hele mannelijke bevolking van Italië aan zich binden door een eed van trouw aan hem persoonlijk.

Milo ging doodgemoedereerd verder met stemmenwerving voor zijn ambt van consul, wat de spanning in de stad en in de vergaderingen van de senaat ten top dreef. Tenslotte stelden Marcus Calpurnius Bibulus en Marcus Porcius Cato voor dat Pompeius zou verkozen worden tot enige consul, consul sine collega; deze verkiezing ging door de vierentwintigste dag van de mensis intercalaris (de maand die tussen februari en maart was ingelast): Pompeius was nu zo goed als dictator geworden... Hij mocht bovendien zijn provincie behouden en ze, zoals tevoren, besturen via legaten.

Pompeius had eindelijk de juridisch onderbouwde positie waar hij zo lang van gedroomd had; hij was de senaat uitermate dankbaar, wat tot een verwijdering leidde tussen hem en Caesar. Dat bleek onder meer uit zijn weigering om zich opnieuw door een huwelijksband aan Caesar te binden en uit zijn huwelijk met Cornelia, dochter van Quintus Caecilius Metellus Pius Scipio. Deze schoonvader zou Pompeius' collega in het ambt van consul worden gedurende de laatste vijf maanden van 52.

Pompeius drukte nu een aantal maatregelen door met verstrekkende gevolgen. Wetten de vi (die geweldpleging beteugelde) en de ambitu (tegen omkoperij bij verkiezingen) voorzagen in een snellere berechting en strengere straffen. Een wet de iure magistratuum voerde opnieuw de bepaling in dat elke kandidaat voor een ambt persoonlijk in Rome zijn kandidatuur moest komen stellen. Een wet de provinciis voorzag in een periode van vijf jaar tussen een ambt in Rome en het uitoefenen van een gouverneurschap in een provincie.

De eerste wetten wilden een halt toeroepen aan de immer groeiende corruptie en aan het oncontroleerbaar geworden geweld voor en tijdens de verkiezingen. De tweede wet was duidelijk tegen Caesar gericht, terwijl de derde wet - voor zover we weten - nooit in de praktijk werd gebracht. Maar door die laatste wet had de senaat wel het recht gekregen op om het even welk ogenblik een vervanger te sturen naar Gallië en Caesar terug te roepen zodra zijn wettelijke ambtstermijn verstreken was. Bovendien moest Caesar, op grond van de tweede wet, persoonlijk naar Rome komen om zijn kandidatuur voor het ambt van consul in te dienen; dus moest hij de bescherming van zijn leger verlaten en het risico lopen in Rome voor de rechtbank te worden gedaagd... Op de koop toe hadden de wetten de vi en de ambitu een terugwerkende kracht tot 70, zodat Caesars acties in 60-59 onder deze wetten vielen...

Pompeius was wel de laatste om zich aan zijn eigen wetten te storen. Hij liet zich een nieuwe ambtsperiode als proconsul voor vijf jaar stemmen, tegen zijn wet de provinciis in. Hij keurde een voorstel van de tien volkstribunen goed dat ertoe strekte voor Caesar een uitzondering te maken in verband met de persoonlijke aanwezigheid in Rome om zijn kandidatuur te stellen voor het ambt van consul: Caesar mocht van Pompius zijn kandidatuur stellen in absentia... Toen fanatieke optimaten hem erop wezen dat dit onmogelijk was geworden door zijn eigen wet de iure magistratuum, liet hij in die wet een paragraaf toevoegen die Caesar alsnog dit voorrecht schonk... Zelfs Cicero keurde deze paragraaf goed, hoewel hij zich later realiseerde hoe fataal hij was. Tenslotte verkrachtte Pompeius ook zijn wetten de vi en de ambitu door Titus Munatius Plancus Bursa, een volkstribuun in 52 die zich had schuldig gemaakt aan opruiing (overtreding van de lex de vi), openlijk in bescherming te nemen op zijn proces, en door te beletten dat zijn schoonvader Scipio kon vervolgd worden wegens overtreding van de lex de ambitu...

Begin april was Milo beschuldigd van moord (overtreding van de lex de vi) door Appius Claudius Pulcher, Publius Valerius Nepos en Marcus Antonius. Het forum zag zwart van de soldaten die erop moesten toezien dat het plebs geen ongeregeldheden kon veroorzaken. Cicero had zich krom gewerkt aan een verdedigingsrede voor Milo maar kreeg het zo op zijn heupen van de aanwezigheid van de militairen dat hij zijn redevoering moest stopzetten voor ze goed en wel op gang gekomen was. Milo was de klos: hij werd veroordeeld met 38 stemmen tegen 13 en ging in ballingschap naar Massilia. Toen hij daar later het schitterend pleidooi (Oratio pro Tito Annio Milone) in handen kreeg dat Cicero naar hem had opgestuurd, zei hij dat het maar goed was dat Cicero die redevoering niet had uitgesproken, anders had hij nooit geweten hoe lekker de zeebarbelen in Massilia waren...

Cicero had meer succes met de verdediging van Marcus Saufeius, de aanvoerder van het gevolg van Milo (waarvan enkele gladiatoren Clodius op de Via Appia vermoord hadden); hij slaagde erin Saufeius te laten vrijspreken voor elk van de aanklachten die tegen hem waren ingediend. Marcus Caelius Rufus stond Cicero in al deze zaken terzijde.

Cicero kon ook Titus Munatius Plancus Bursa laten veroordelen (de volkstribuun die een groot aandeel had gehad bij de relletjes die volgden op Clodius' dood), ondanks de poging van Pompeius om Plancus via een geschreven lofrede te redden. Hetzelfde lot (veroordeeld worden) ondergingen nog andere Clodianen, waaronder Sextus Clodius. Cicero had het erg druk met zijn activiteiten als advocaat en vond ontspanning in zijn literaire activiteiten: het schrijven van De optimo genere oratorum en zijn De legibus.

In Gallië brak er een algemene opstand uit onder leiding van Vercingetorix, de koning van de Arverni. Zijn eerste plan was Caesar te beletten zich opnieuw vanuit Gallia Cisalpina bij zijn legioenen te vervoegen. Caesar reisde evenwel zo snel door de besneeuwde Cebenna dat hij Vercingetorix voor was. Een tweede plan voorzag in de verwoesting van het land om de Romeinen uit te hongeren. Een stad werd echter intact gelaten, Avaricum, en Caesar aarzeldeniet: hij bestormde Avaricum en nam het in.

Toen Caesar optrok tegen de Arverni, werd hij opgehouden bij Gergovia, een bijna niet in te nemen vesting. Een opstand van de Haedui dwong Caesar Labienus terug te roepen van de Sequana en terug te plooien naar het zuiden. Vercingetorix viel hem aan maar werd teruggeslagen en sloot zich op in Alesia. Onmiddellijk legde Caesar een dubbele gordel forten rond die vesting, een tegen Alesia zelf en een tegen het Gallische ontzettingsleger. Alle pogingen om Caesar klein te krijgen mislukten, waarop het ontzettingsleger ontbonden werd en Vercingetorix zich overgaf. Dat was het einde van de laatste grote Gallische opstand.

In het oosten hadden de Romeinen Armenia en Mesopotamia verloren door de nederlaag van Crassus, maar de Parthen maakten geen aanstalten om de Romeinen aan te vallen. Dat stelde Caius Cassius (een legaat van Crassus die het bevel had overgenomen) in staat wat restte van het leger van Crassus te verzamelen en een joodse opstand neer te slaan die veroorzaakt was door de plundering van de joodse tempel door Crassus in 54.

51 / Servio Sulpicio Rufo Marco Claudio Marcello consulibus

De consuls van dit jaar waren vrienden van Cicero. Een van hen was Marcus Claudius Marcellus, een felle optimaat. In het begin van de zomer liet Marcellus een inwoner van Novum Comum geselen om te tonen dat hij Caesars regeling betreffende die stad niet aanvaardde. Caesar had Comum, dat in 89 was ingericht als een Latijnse kolonie (waarvan de inwoners dus geen burgerrecht hadden), omgevormd tot een kolonie met volledige burgerrechten. De andere consul was Servius Sulpicius Rufus, een eminent jurist en gematigd politicus, die pleitte voor gematigdheid om een burgeroorlog met al zijn catastrofale gevolgen te vermijden.

Een van Pompeius' wetten van 52 had, zoals gezegd, de aanstelling van provinciegouverneurs tijdelijk in handen gelegd van de senaat. Die senaat bepaalde dat alle oud-magistraten, die in aanmerking kwamen om een provincie te besturen maar dat nog niet gedaan hadden, nu in volgorde van anciënniteit die taak alsnog op zich zouden moeten nemen. Zo werd Cicero onverwachts opgeroepen om de loting bij te wonen voor een provincie en kreeg Cilicia toegewezen; Marcus Calpurnius Bibulus mocht naar Syria vertrekken.

Cicero's ambtsgebied omvatte behalve Cilicia ook nog Pisidia, Pamphylia, Cyprus, Isauria, Lycaonia en drie districten ten noorden van het Taurusgebergte. De senaat belastte de proconsul ook met de bescherming van koning Ariobarzanes van Cappadocia. Cicero volgde er Appius Claudius Pulcher op en klaagde al meteen over diens onbeschoftheid: Appius Claudius wou hem niet eens ontmoeten voor de machtsoverdracht of om informatie uit te wisselen.

Cicero beschouwde zijn mandaat van proconsul als een onaangename onderbreking van zijn normaal leven en interesseerde zich niet in het minst in de streken die hij ging regeren; nog voor hij zijn ambtsgebied bereikt had, baalde hij al van het leven in de provincie en in zijn laatste brief die hij aan Caelius richtte voor hij weer naar Rome vertrok, bezwoer hij hem nooit uit Rome weg te gaan. Af en toe was hij zich wel bewust van zijn verantwoordelijkheden als proconsul, maar over het algemeen verlangde hij naar het einde van zijn mandaat. Cicero moest in de streek waar hij was bovendien rekening houden met de mogelijkheid van een Parthische invasie en beschikte over slechts twee verzwakte legioenen en niet zo betrouwbare bondgenoten. Gelukkig had hij twee ervaren legaten: zijn broer Quintus en Caius Pomptinus; zijn andere legaten waren Marcus Anneius en Lucius Tullius. Zijn quaestor was eerst Lucius Mescinius Rufus, nadien Caius Caelius Caldus.

Hoewel Cicero begin mei afreisde naar zijn ambtsgebied en daar normaal zou moeten aangekomen zijn op 1 juli, bereikte hij zijn provincie pas op 31 juli. Hij vertrok uit zijn villa in Pompeii op 10 mei en reisde via Beneventum en Venusia naar Tarentum waar hij drie dagen wachtte op Pomptinus en een gesprek had met Pompeius. Hij bereikte Brundisium op 22 mei maar werd afgeschrikt door de ruwe zee en voelde zich op koop toe niet goed. Hij vertrok pas begin juni, nog steeds zonder Pomptinus.

Op 14 juni kwam hij aan in Actium en deed er tien dagen over om over het land Athene te bereiken waar Pomptinus zich eindelijk bij hem voegde. Cicero bleef tien dagen in Athene; hij schreef er onder meer een brief naar Caius Memmius (die in ballingschap leefde in Mitylene) met het verzoek een huis waar ooit Epicurus gewoond had, over te dragen aan de leiding van de Epicureïsche school.

Van Athene ging de reis naar Ephesus waar hij op 21 juli aankwam. Hij bleef er drie dagen gedurende dewelke hij begroet werd door delegaties die hem hun respect kwamen betuigen. Tenslotte reisde hij door naar zijn provincie en bereikte de eerste stad (Laodicea ad Lycum) op 31 juli.

Cicero kwam snel tot de vaststelling dat Appius Claudius Pulcher Cilicia had leeggeplunderd en begon bepaalde maatregelen van zijn voorganger te herroepen, klachten te behandelen en waar mogelijk onrecht te herstellen. Hij vermeed nochtans de reputatie van zijn voorganger te schaden; hij liet toe dat de inwoners van Cilicia een monument oprichtten voor Appius Claudius en een gezantschap naar Rome stuurden om er de lof van de vroegere gouverneur te gaan zingen (hoewel beide eerbetuigingen een grote financiële aderlating betekenden voor de financieel al verzwakte provincie). Desondanks kreeg hij van Appius Claudius heel wat verwijten toegestuurd. Om Pompeius (Appius Claudius' vriend) en Marcus Junius Brutus (Appius Claudius' schoonzoon, en zijn quaestor tijdens zijn ambtsperiode in Cilicia) plezier te doen, complimenteerde Cicero zijn voorganger maar bleef zijn maatregelen ter plaatse ongedaan maken.

Hoe blind Cicero ook veinsde te zijn voor de fouten van zijn voorganger, hij eiste van zijn eigen staf dat alles wat ze moesten doen volgens het boekje zou verlopen; hij verwachtte van hen dat ze even correct handelden als hijzelf.

Een van de eerste dingen die Cicero moest doen was zich aan het hoofd plaatsen van zijn legioenen. Hij verscheen in hun kamp op 24 augustus. Hij versterkte zijn troepen met ruiterij, veteranen en hulptroepen. Toen het bericht hem bereikte dat een groot Parthisch leger de Euphrates had overgestoken, voelde hij zich sterk genoeg om vanuit Cybistra de zaken op de voet te volgen. Van daar uit kon hij Cappadocia te hulp komen en een oogje houden op de onbetrouwbare bondgenoten in de buurt. Als de Parthen Cilicia zouden aanvallen (ondanks de natuurlijke bescherming), kon hij snel ter plaatse zijn omdat Cybistra op de grens lag van Cilicia en Cappadocia. Cicero kreeg nog een aanbod van koning Deiotarus van Galatia (aan wiens hof Cicero zijn zoon en zijn neef had achtergelaten) om hem te hulp te komen met zijn leger, maar hij bedankte hem omdat ondertussen de Parthen zich al hadden teruggetrokken.

Cicero's aanwezigheid nabij Cappadocia zorgde er nog voor dat een complot tegen koning Ariobarzanes aan het licht kwam en verijdeld werd. Vervolgens marcheerde Cicero met zijn troepen naar het zuiden naar Cilicia en bereikte Tarsus op 5 oktober. Kort daarop viel hij met succes de bewoners van de Amanus-berg aan (tussen Cilicia en Commagene) en werd door zijn troepen uitgeroepen tot imperator. De militaire operaties van dat jaar werden afgerond met een belegering van 57 dagen van de vesting Pindenissus. Op 19 december viel de stad; Cicero verkocht de inwoners als slaven (de opbrengst ging naar de schatkist hoewel een opperbevelhebber het recht had dat geld voor zichzelf te houden) maar de rest van de buit schonk hij aan zijn soldaten. Hij legde zijn troepen in winterkamp in dat gebied onder bevel van zijn broer Quintus en vertrok naar Tarsus.

De zo gevreesde Parthische invasie was een flop geworden. De held van Carrhae, Surenas, was door zijn jaloerse koning Orodes aan de kant geschoven en vervangen door Pacorus, Orodes' zoon. Caius Cassius verdreef hem uit Antiochia en lokte hen op hun terugweg in een hinderlaag; de Parthen leden zware verliezen. Pacorus liet de Romeinse provincies verder met rust en rukte naar Parthia op om zijn vader te onttronen.

Cicero bleef de toestand in Rome op de voet volgen dank zij de brieven van Marcus Caelius Rufus (aedilis curulis voor 50) en Atticus. Wat hem vooral zorgen baarde, was de mogelijkheid dat zijn eigen mandaat zou verlengd worden door de verwarring die heerste in senaatsdebatten over Caesars mandaat en mandaten van andere gouverneurs. Hoewel zijn correspondenten hem meermaals geruststelden, bleef hij hen maar bestoken met vragen over hetzelfde onderwerp.

Op 29 september diende Marcus Claudius Marcellus in de senaat een aantal voorstellen in; de consul was al lang voorstander van een debat over de terugroeping van Caesar uit Gallië. De meeste van die voorstellen botsten op een veto van volkstribunen in dienst van Caesar (Caius Caelius Caldus en Marcus Vibius Pansa) maar werden toch gepubliceerd als auctoritates senatus in de acta diurna (wat inhield dat ze geen rechtsgeldigheid hadden maar toch bekend werden aan een ruimer publiek dan de senatoren alleen). Het enige waar men het over eens werd, was dat de discussie zou hervat worden na 1 mei van het volgende jaar (50). Hoewel Pompeius mee had aangedrongen op dat uitstel (wat in Caesars voordeel was), liet hij toch meermaals blijken dat hij en Caesar van elkaar vervreemdden.

Caius Scribonius Curio (filius), volkstribuun voor 50, die met veel omhaal had verkondigd dat hij in zijn tribunaat Caesar er van langs zou geven, had zich de eerste maand van zijn tribunaat merkwaardig kalm gehouden. Vermoedelijk was hij al aan het onderhandelen met Caesar, net zoals een van de consules designati voor 50, Lucius Aemilius Paullus, die uit was op een rijke provincie voor na zijn ambtsperiode. Caesar was dus al druk bezig met het blokkeren van de senaat voor het jaar 50. De besluiteloosheid van de consuls van het lopende jaar, Marcus Claudius Marcellus en Servius Sulpicius Rufus, liet niet veel hoop aan Caesars tegenstanders dat er in hun ambtstermijn nog iets zou kunnen gebeuren.

Hoewel Gallië grondig verslagen was in 52, moest Caesar nog enkele opstandjes de kop indrukken. De gevaarlijkste was ongetwijfeld die van Correus en de Bellovaci, die gesteund werden door Commius en de Atrebates en de nog steeds ongrijpbare Ambiorix. Na de val van Correus en de daarop volgende onderwerping van Commius keerde de rust weer.

De laatste ernstige opstand werd ontketend in Uxellodunum door een groep onverzettelijke krijgers van verschillende stammen onder leiding van Drappes en Lucterius. Caesar veroverde Uxellodunum en stelde een voorbeeld dat niet licht zou vergeten worden: bij alle mannen die in de vesting de wapens hadden gedragen, liet hij beide handen afhakken en ze vervolgens terugkeren naar hun stammen, opdat hun straf een voorbeeld zou zijn voor de anderen...

Caesar overwinterde in Nemetocenna , de belangrijkste stad van de Atrebates. In de loop van de zomer had hij al een legioen naar Gallia Cisalpina gezonden om te bewijzen dat hij niet langer al zijn soldaten nodig had ten noorden van de Alpen.

50 / Lucio Aemilio Paullo Caio Claudio Marcello consulibus

De consuls voor dit jaar waren allebei trouwe optimaten; Caius Claudius Marcellus was een neef van Marcus Claudius Marcellus, consul in 51, en Lucius Aemilius Paullus kwam reeds op pagina 54 ter sprake.

Cicero verliet Tarsus op 5 januari om een bezoek te brengen aan de noordelijke en westelijke gebieden van Cilicia waar men op zijn komst zat te wachten. Hij sprak er in Laodicea ad Lycum recht van 13 februari tot 1 mei en prees zichzelf om zijn mildheid tijdens de processen die hij voorzat en om zijn beschikbaarheid voor zijn onderdanen buiten de rechtbank. Waar mogelijk stond hij hen toe hun geschillen op te lossen voor eigen rechtbanken.

Hij deed ook wat hij kon om de druk van hun verplichtingen te verlichten. Door te protesteren tegen de Romeinse graanhandelaars kon hij dezen ertoe brengen hun geheime voorraden ter beschikking te stellen van de inwoners van Cilicia om de gevolgen van een mislukte oogst te verzachten. Cicero liet zijn onderdanen ook het geld houden dat zijn voorgangers onrechtmatig hadden opgeëist door te dreigen dat er anders Romeinse troepen bij hen zouden ingekwartierd worden. Tenslotte kon hij de plaatselijke ambtenaren ertoe overhalen alles wat ze de laatste tien jaar verduisterd hadden, vrijwillig terug te geven met de belofte dat er dan geen gerechtelijke stappen tegen hen zouden ondernomen worden.

Met deze en dergelijke maatregelen kwam hij vooral tegemoet aan de vragen van de belastingpachters, maar ook de belastingbetalers vaarden er wel bij: de publicani lieten immers hun exorbitante verwijlinteresten vallen in ruil voor de prompte betaling van alle achterstallige schulden. Zo wist Cicero zich bij alle partijen geliefd te maken.

Toch was Cicero geen heilige. Hij beval de belangen van een Bithynische firma aan bij Furius Crassipes, zijn schoonzoon en quaestor in Bithynia. Hij deed een goed woordje bij Quintus Thermus, de propraetor van Bithynia, voor Marcus Cluvius, bankier en aanhanger van Pompeius. Hij bezorgde Gavius, een onbeschaamde vlegel en vriend van Marcus Junius Brutus, een praefectura in Cappadocia (hoewel hij zou geweigerd hebben hem in Cilicia in zijn eigen staf op te nemen, zelfs als Brutus het gevraagd had). Hij weigerde Marcus Scaptius, alweer een vriend van Brutus en praefectus equitum onder Appius Claudius Pulcher op Cyprus, ruiterij te sturen die Scaptius nodig had om de inwoners van Salamis (op Cyprus) te straffen wegens achterstallige betalingen. Cicero had in die zaak nochtans een vonnis geveld in het voordeel van de inwoners van Salamis, maar Scaptius trok zich daar niets van aan. Daarom gaf Cicero hen de raad de verschuldigde som met interesten te deponeren in een tempel om verdere aangroei van de interesten te vermijden en liet de knoop doorhakken door zijn opvolger, om Brutus toch maar niet voor het hoofd te stoten.

Tegenover Marcus Caelius Rufus was hij strenger. Die was aedilis en had voor de venationes die hij gepland had panters nodig; hij had Cicero geschreven hem er enkele te bezorgen. Cicero antwoordde dat Caelius van hem geen panters zou krijgen. Zijn antwoord was nogmaals negatief toen Caelius wat later een grote som geld te leen vroeg om er feestelijkheden voor het volk mee te bekostigen.

Het ogenblik begon te naderen waarop Cicero zijn provincie zou verlaten en de vraag rees wie hij in Cilicia ging achterlaten om het bestuur waar te nemen tot zijn opvolger zou zijn aangekomen. Zijn beste legaat, Caius Pomptinus, drong aan om naar huis te mogen gaan. Als hij zijn broer Quintus aanstelde, zou dat zeker negatieve commentaren uitlokken en eigenlijk wilden de broers beiden naar Rome terugkeren. Cicero's onzekerheid groeide nog toen het gerucht van een Parthische invasie werd opgevangen, maar het bleek andermaal loos alarm. Tenslotte benoemde Cicero na lang aarzelen zijn jonge en onervaren legaat Caius Caelius Caldus tot opvolger.

Cicero wou juni nog in Cilicia doorbrengen. Hij vertrok uit Laodicea ad Lycum op 7 mei en bereikte Tarsus op 5 juni. Hoewel er veel activiteit van rovers was gemeld, kon niets Cicero afbrengen van zijn voornemen Cilicia te verlaten. Hij maakte - overeenkomstig de lex Iulia de repetundis - kopies van zijn rekeningen waarvan hij een exemplaar in Laodicea en een in Apamea liep deponeren. Hij gaf zijn quaestor genoeg geld om mee rond te komen tot het einde van het jaar en stortte het geld dat hij zelf niet gebruikt had voor zijn onkosten, terug in de staatskas. Het geld dat hij als proconsul opzij had kunnen zetten (2.200.000 sestertiën) zou hij bij een bank in Ephesus deponeren. Tijdens de burgeroorlog zou Pompeius dat geld lenen en opgebruiken.

Cicero bleef in Tarsus tot 17 juli en ging in Side in Pamphilia inschepen op 3 augustus. Hij voer eerst naar Rhodus om zijn zoon en zijn neef toe te laten het eiland te bezoeken en vernam daar de dood van Quintus Hortensius Hortalus de redenaar, een overlijden dat Cicero veel verdriet deed. Van Rhodus zette hij koers naar Ephesus (waar hij zijn geld deponeerde). Daar ontving hij op 29 september alarmerende berichten uit Rome. De volgende dag scheepte hij in maar kwam pas op 14 oktober aan in Athene. Hij schreef er naar Terentia met het verzoek hem zo ver mogelijk tegemoet te reizen. Op 2 november was hij verplicht zijn toegewijde vrijgelatene en secretaris Marcus Tullius Tiro achter te laten in Patrae omdat hij ziek was geworden. Hij kwam aan in Actium op 7 november en op Corcyra op 9 november; daar zat hij bijna veertien dagen vast door stormen en bereikte Brundisium dus pas op 24 november, waar Terentia al op hem wachtte.

In Brundisium werd Cicero van een hoop dingen op de hoogte gebracht. Hij bleef zeer bezorgd over Tiro's gezondheidstoestand en vernam nog dat ook Atticus ernstig ziek was. Hij was geschokt toen hem verteld werd dat Marcus Porcius Cato wou hertrouwen met de vrouw van wie hij met onderlinge toestemming gescheiden was; ze was nadien hertrouwd met Quintus Hortensius Hortalus, maar door diens overlijden was ze weduwe geworden.

Hij reisde van Brundisium via Aeculanum (in Samnium) naar een villa van Lucius Pontius nabij Trebula, waar hij op 11 december een onderhoud had met Pompeius. Hoewel de politieke barometer in Rome op storm stond, wou Cicero met alle geweld een triomftocht krijgen van de senaat. Pompeius zei echter onomwonden dat een burgeroorlog onvermijdelijk was geworden. Ze hadden een tweede gesprek op 25 december nabij Formiae; daarin vertelde Pompeius dat hij op 21 december zwaar was aangevallen door Marcus Antonius, Caesars stroman en sinds 10 december een van de volkstribunen.

Cicero bleef Atticus om raad vragen maar had eigenlijk zijn besluit al genomen. Voor alles wou hij de vrede bewaren maar als het tot een oorlog kwam, zou hij de kant van Pompeius kiezen, uit persoonlijke dankbaarheid voor alles wat Pompeius voor hem gedaan had en omdat hij in Pompeius de leider van de optimaten zag. Ook al kende hij de zwakheden en de ambitie van Pompeius, in Caesar zag hij alleen maar een misdadig leider van revolutionairen. Cicero wou alleszins zijn schulden aan Caesar terugbetalen vooraleer hij (eventueel) de wapens tegen hem zou opnemen.

Cicero's aandacht ging vooral naar de discussie in de senaat over zijn triomftocht op grond van zijn successen in Cilicia. Hij had al een supplicatio gekregen in de eerste helft van het jaar, maar ijdel als hij was, droomde Cicero van een triumphus: die zou zijn door zijn verbanning geschonden dignitas helemaal herstellen! Beide consuls (Caius Claudius Marcellus en Lucius Aemilius Paullus), Marcus Caelius Rufus en Caius Scribonius Curio (filius) steunden zijn aanvraag maar Cato was tegen. Cato legde in een brief aan Cicero in het lang en het breed uit waarom hij niet akkoord kon gaan maar toen Cicero vernam dat Cato de aanvraag van Marcus Calpurnius Bibulus voor een triomftocht wel gesteund had, beschuldigde de ontgoochelde Cicero Cato van verregaande ondankbaarheid (toen Caesar van hun ruzie hoorde, hoopte hij natuurlijk dat het front van de optimaten tegen hem barsten zou beginnen vertonen). Wat Cicero vooral dwarszat was dat Publius Lentulus Spinther in 51 een triomftocht had mogen houden op grond van een overwinning die de prestatie van Cicero zeker niet overtrof.

Een tweede zaak die Cicero bezighield, was het huwelijk van zijn dochter Tullia. Tijdens Cicero's mandaat van proconsul was ze gescheiden van Furius Crassipes. Cicero had haar willen zien trouwen met de jonge Tiberius Claudius Nero (die later met Livia zou trouwen en vader zou worden van keizer Tiberius). Tullia en haar moeder hadden echter hun zinnen gezet op Publius Cornelius Dolabella, een adellijke en charmante losbol die net van zijn vrouw gescheiden was en pas in de kijker gelopen was door Lucius Cornelius Lentulus Crus te verslaan in een verkiezing voor het ambt van quindecimvir sacris faciundis. Een huwelijk met Dolabella was vervelend voor Cicero omdat die wou bewijzen dat zijn verzoening met Appius Claudius Pulcher echt en gemeend was, en Dolabella had juist Appius Claudius aangeklaagd wegens verraad en omkoperij.

Het deed Cicero dan ook plezier dat Appius Claudius op beide punten vrijgesproken werd en kort daarna verkozen werd tot censor. Hij vervulde dat ambt met verbazingwekkende energie en schrapte onder meer Sallustius van het album senatorum.

Hoe was de situatie nu geëvolueerd in verband met Caesar? In het begin van het jaar beschouwde men consul Lucius Aemilius Paullus en volkstribuun Caius Scribonius Curio (filius) als overtuigde vijanden van Caesar. Die kocht de neutraliteit van de consul voor een klein fortuin en de actieve steun van de volkstribuun voor een nog hoger bedrag. Curio had een wetsvoorstel ingediend om een mensis intercalaris in te lassen, wat de pontifices geweigerd hadden; daarom, beweerde Curio, had hij de kant van Caesar gekozen.

In maart, toen consul Lucius Aemilius Paullus de fasces had, schorste hij de debatten over de toekenning van de provincies. In april, toen consul Marcus Claudius Marcellus de fasces had, werd het debat natuurlijk heropend. De meerderheid van de senaat scheen voorstander van Caesars terugroeping op 1 juli; Pompeius vond echter dat Caesar zijn mandaat mocht behouden tot 13 november; Curio stelde voor dat Caesar en Pompeius beiden en op hetzelfde ogenblik hun mandaat zouden teruggeven (Curio begreep maar al te goed dat Caesar kon aangeklaagd en geruïneerd worden, zelfs als hij maar zes weken voor het begin van een nieuw consulaat zijn mandaat van proconsul uit handen gaf). Curio bleef dus zijn eigen voorstel herhalen en bleef over de andere voorstellen zijn veto uitspreken. Er ontstond een patstelling want de senaat wou of durfde niets ondernemen tegen de onverzettelijke volkstribuun.

Een ander manoeuvre van de optimaten in de senaat kende meer succes. Onder voorwendsel dat er twee extra legioenen nodig waren voor de oorlog tegen de Parthen, moesten Caesar en Pompeius elk een legioen afstaan. Pompeius vroeg aan Caesar het legioen terug dat hij hem in 53 geleend had, en Caesar stuurde een legioen dat in Gallia Cisalpina lag. Zo was Caesar in een klap twee legioenen armer geworden. De legioenen werden niet eens naar Syria gezonden toen er beter nieuws uit het oosten kwam maar werden nabij Capua ingekwartierd, klaar om door Pompeius gebruikt te worden. De soldaten waren helemaal niet tevreden en bleven in hun hart Caesar trouw.

Naar het einde van het jaar toe, vlak voor de volkstribunen hun ambt zouden neerleggen, bereikten de debatten een hoogtepunt. Consul Marcus Claudius Marcellus riep de senaat bijeen op 1 december. De senaat stemde een decreet volgens hetwelk Caesar zijn mandaat moest teruggeven maar verwierp een gelijkaardig voorstel over Pompeius. Daarop diende Curio opnieuw zijn voorstel in waarbij beiden hun mandaat terzelfder tijd zouden teruggeven. Toen zijn voorstel aanvaard was met 370 tegen 22 stemmen; werd er echter een veto over uitgesproken.

Toen een paar dagen later een (vals) gerucht Rome had bereikt dat Caesar met zijn leger de Alpen was overgestoken, stelde Marcus Claudius Marcellus voor om Caesar uit te roepen tot staatsvijand en om de troepen in Italië onder leiding van Pompeius tegen Caesar te laten oprukken. Vergezeld door de consules designati vertrok Marcellus naar Pompeius die zich buiten Rome bevond, legde een zwaard in zijn handen en vroeg hem troepen te lichten om de republiek te verdedigen. Pompeius aanvaardde deze (onwettige) opdracht.

Toen Curio zijn ambt had neergelegd, haastte hij zich naar Caesar in Ravenna om hem een duidelijk beeld te geven van de situatie in Rome en keerde vervolgens naar Rome terug met Caesars ultiem voorstel dat op 1 januari aan de senaat moest worden voorgelegd. Van de nieuwe volkstribunen waren alleen Marcus Antonius en Quintus Cassius Longinus trouwe aanhangers van Caesar. Marcus Antonius (die verkozen was in het college van de augures na de dood van Quintus Hortensius Hortalus) nam in het nieuwe college de rol over die Curio tot dan toe gespeeld had.

De uitslag van de verkiezingen voor het consulaat waren een tegenvaller geworden voor Caesar. Hij had gehoopt zijn legaat Servius Sulpicius Galba te kunnen laten verkiezen maar de consules designati waren Lucius Cornelius Lentulus Crus en Caius Claudius Marcellus (neef en naamgenoot van de consul van 50 en broer van de consul van 51), beiden vijanden van Caesar.

Caesar had het grootste deel van het jaar besteed aan het herstellen van de rust in Gallia Transalpina door zich van zijn vriendelijkste kant te laten zien en had Gallia Cisalpina bezocht; daar dankte hij de inwoners voor hun steun in de verkiezing van Marcus Antonius tot augur en vroeg hen om bij de verkiezingen voor het ambt van consul voor 48 op hem te stemmen. Zijn tocht door Gallia Cisalpina was een ware triomftocht. Hij keerde terug naar Gallia Transalpina om er zijn legioenen te inspecteren bij Nemetocenna.

Hij legerde een legioen in Gallia Cisalpina (ter vervanging van het legioen dat hij aan Pompeius had moeten teruggeven) en liet de andere in Gallia Transalpina: vier onder bevel van Caius Fabius bij de Haedui en vier onder Caius Trebonius bij de Belgen. Dan vertrok Caesar naar Ravenna en stelde Labienus aan als zijn vervanger in Gallia Cisalpina (hij weigerde blijkbaar de geruchten te geloven dat Labienus overwoog om naar Pompeius over te lopen).

49 / Caio Claudio Marcello Lucio Cornelio Lentulo Crure consulibus

Op 1 januari riepen de nieuwe consuls, Lucius Cornelius Lentulus Crus en Caius Claudius Marcellus, zoals gebruikelijk de senaat bijeen. Caius Scribonius Curio bracht de brief mee van Caesar die een al bij al vrij gematigd voorstel bevatte: als Pompeius naar Spanje zou gaan, zou Caesar van alles afstand doen behalve van Gallia Cisalpina en twee legioenen; als Pompeius bereid was zijn mandaat volledig neer te leggen, zou Caesar hetzelfde doen. Hij voegde er nog wel (de nauwelijks verholen bedreiging) aan toe dat een weigering hem zou dwingen te zorgen voor zijn eigen veiligheid.

De consuls werden door volkstribuun Marcus Antonius verplicht hem de brief van Caesar aan de senaat te laten voorlezen, maar weigerden de motie die op de brief steunde te laten bespreken. Ze nodigden de senatoren uit om over het algemeen belang van de republiek te spreken (de re publica infinite). Marcus Claudius Marcellus (de consul van 51) stelde voor de werkzaamheden op te schorten, wat niet aanvaard werd. Marcus Calidius (die enkele malen tevergeefs naar het ambt van consul had gedongen en naar Caesars kamp was overgelopen) suggereerde dat Pompeius alsnog zou vertrekken naar zijn ambtsgebied maar ook dat voorstel werd weggestemd. Quintus Metellus Scipio stelde dan voor dat Caesar zijn provincies zou opgeven op 1 maart en dat, als hij daar geen gevolg aan gaf, hij beschouwd zou worden als een opstandeling; dit voorstel werd bijna unaniem aanvaard maar er werd een veto over uitgesproken. Toen vroegen de consuls aan de senatoren welke maatregelen er tegen volkstribunen moesten genomen worden die obstructie pleegden in de senaat.

Op 2 januari stelde Marcus Antonius aan de senaat voor dat Caesar en Pompeius gelijktijdig hun mandaat zouden teruggeven, wat op een storm van protest werd onthaald. Op 3 en 4 januari waren er geen senaatsvergaderingen omdat het dies comitiales (verkiezingsdagen) waren. Op 5 januari verschenen de senatoren in toga pulla. Op 6 januari herhaalde Caesar zijn oorspronkelijk aanbod maar in plaats van Gallia Cisalpina en twee legioenen wou hij zich tevreden stellen met Illyricum en een legioen. Deze toegeving van Caesar zou het gevolg zijn van de bemiddeling van Cicero die pas op 4 januari in de buurt van Rome was aangekomen en er alles voor over had om de vrede te bewaren.

Op 7 januari werden eindelijk spijkers met koppen geslagen. Consul Lucius Cornelius Lentulus Crus kondigde aan dat de senaat moest stemmen over het senatus consultum ultimum (Caesar zou dan vijand van het Romeinse volk worden) en waarschuwde de volkstribunen die van plan waren obstructie te voeren de vergadering te verlaten als hun leven hun lief was. Na hevig protest vluchtten de volkstribunen Marcus Antonius en Quintus Cassius Longinus in het gezelschap van Marcus Caelius Rufus en Caius Scribonius Curio naar Caesar. De senaat deed een beroep op de consuls om de republiek te verdedigen, wat neerkwam op een oorlogsverklaring aan Caesar.

Het waarom van deze beslissing lag in de overtuiging van de senaat dat zij, met Pompeius aan hun hoofd, onoverwinnelijk waren. Caesar had alleen zijn tien legioenen en zijn provincies, maar de optimaten waren ervan overtuigd dat Caesar daarvan een groot deel zou moeten achterlaten in Gallië om er de rust te handhaven. Pompeius had zeven legioenen in Spanje en kon in Italië op zeer korte termijn over vijf legioenen beschikken: hij kon Caesar dus in de tang nemen vanuit Spanje en Italië en vernietigen! Toen Pompeius in Spanje zijn zeven legioenen verloor en in Italië zes legioenen (waarvan de helft zich overgaf in of bij Corfinium), had hij nog twee ervaren legioenen over (die onder Caesar hadden gevochten en waarvan de betrouwbaarheid dus twijfelachtig was), de rest waren rekruten die nog grondig moesten getraind worden. De senaat had zich dus deerlijk misrekend...

Alle provincies (behalve Gallië en Illyricum) waren in handen van Pompeius en de senaat, maar alleen in Spanje was er een grote troepenmacht. Sicilië en Sardinië zouden snel in handen van Caesars legaten vallen. In Africa zouden twee legioenen vrij lang weerstand bieden aan Caesars troepen. In het oosten waren de Romeinse legers zeer klein en lagen ver uit elkaar. In Syria waren er waarschijnlijk niet meer dan twee legioenen van Crassus' leger overgebleven en die waren niet meer aangevuld. In Cilicia waren er twee legioenen die nog onder Cicero hadden gediend en die door Pompeius tot een legioen zouden worden omgevormd. Noch Macedonia, noch Achaia, noch Asia Minor beschikten over een grote troepenmacht toen de oorlog uitbrak. Maar Pompeius had nog veel relaties in het oosten. De vazalkoningen stuurden hem een grote en sterke ruiterij en de havensteden bezorgden hem een vloot die vele malen groter was dan die waarover Caesar ooit beschikken kon.

Caesar was wel de laatste man om zich te laten insluiten en vernietigen. De legioenen in Gallia Transalpina hadden al bevel gekregen zich bij hem te vervoegen. Op 11 januari schouwde hij het dertiende legioen in Ravenna, stak de Rubico over (iacta alea_est) en rukte op naar Ariminium. Daar ontmoette hij de vier mannen die uit Rome gevlucht waren en sprak zijn soldaten toe: het onrecht dat het Romeinse volk was aangedaan door zijn onschendbare vertegenwoordigers met de dood te bedreigen, moest gewroken worden!

Hij stuurde detachementen uit die Pisaurum, Fanum Fortunae en Ancona moesten bezetten op de kustweg. Om een aanval in de flank vanuit Etruria te verhinderen, zond hij Marcus Antonius met vijf cohorten om Arretium in te nemen en Caius Scribonius Curio met drie cohorten naar Iguvium.

In Arminium ontmoette hij op 18 januari een delegatie uit Rome, samengesteld uit praetor Lucius Roscius Fabatus en Lucius Julius Caesar, de zoon van een van zijn legaten, die hem de tekst van het senaatsbesluit en een boodschap van Pompeius kwamen brengen. In antwoord op Pompeius' brief stelde Caesar voor om de wapens neer te leggen als Pompeius bereid was zijn nieuw gelichte troepen in Italië te ontbinden en naar Spanje te vertrekken. De senaat en Pompeius waren het hier in principe mee eens (in een vergadering in Capua op 25 januari), maar eerst moest Caesar alle steden die hij bezet had, ontruimen en zich in zijn provincie terugtrekken. Caesar wachtte niet op de terugkeer van de boden maar zette zijn opmars verder.

Het nieuws van Caesars snelle vordering veroorzaakte paniek in Rome. Op 18 januari vluchtten de consuls en de andere magistraten weg uit Rome zonder eraan te denken de geldreserve in de schatkist in veiligheid te brengen. De dag voordien was Pompeius al uit Rome vertrokken om het commando van de twee ex-legioenen van Caesar op zich te nemen. Op 23 januari was hij in Teanum waar Labienus zich bij hem voegde. Dat hij Caesar in de steek had gelaten, had de optimaten met grote vreugde vervuld; zijn voorbeeld zou - helaas voor hen - geen navolging krijgen. In Teanum (op 23 januari) en in Capua (op 25 januari) werd nog - tevergeefs - gepoogd de vrede te herstellen.

Caesar riep zijn detachementen terug en rukte in de laatste week van januari verder op langs de kust tot Auximum. In de eerste week van februari was heel Picenum bezet en Caesar kon ongehinderd verder trekken tot hij op 15 februari Corfinium bereikte. Die vesting werd beschermd door de koppige optimaat Lucius Domitius Ahenobarbus. Die had eerst de raad en later het bevel van Pompeius naast zich neergelegd om Corfinium te verlaten en zich bij hem in Luceria te vervoegen.

Domitius wou Corfinium, Sulmo en Alba bezet houden om Caesars opmars te vertragen. Sulmo (met een garnizoen van 3.500 soldaten) gaf zich echter over aan Marcus Antonius. Caesar kreeg versterking vanuit Gallië: het achtste legioen, 11.000 rekruten uit Gallië en 300 ruiters. Daarop sloot hij Domitius in door een tweede kamp achter Corfinium te bouwen. Domitius moest vaststellen dat Pompeius hem niet kwam ontzetten en bereidde zich voor om met zijn hogere officieren uit Corfinium te vluchten. Zijn soldaten sloegen echter aan het muiten en leverden hem en de stad uit aan Caesar op 21 februari, na een week belegering. Caesar liet Domitius en de officieren ongemoeid vertrekken maar behield de soldaten. Van hen vormde hij twee legioenen die onder het bevel van Caius Scribonius Curio Sicilië zouden bezetten en Africa zouden binnenvallen.

Pompeius wachtte in Luceria zo lang hij durfde (tot 19 februari) en trok zich dan terug naar Canusium (20-21 februari) en vandaar naar Brundisium waar hij op 25 februari aankwam. Caesar achtervolgde hem daarheen en op 9 maart sloeg hij net buiten Brundisium zijn kamp op. Hij beschikte (onder meer doordat er soldaten van Pompeius waren overgelopen) al over zes legioenen, waarvan er drie bestonden uit ervaren soldaten. Opnieuw probeerde Caesar te onderhandelen maar opnieuw kwam er geen oplossing uit de bus. Hij slaagde er evenmin in de havenmond van Brundisium te blokkeren zodat Pompeius op 17 maart naar Dyrrhachium kon oversteken; de consuls waren al op 4 maart overgestoken met meer dan de helft van de troepen.

Nadat Cicero op 17 januari net buiten Rome met Pompeius een gesprek had gevoerd waarin hij vroeg om Pompeius te mogen vergezellen, reisde hij op 18 januari naar het zuiden om toezicht te houden op het rekruteren van nieuwe soldaten op de westkust ten noorden van Capua. Op 21 en 22 januari was hij in Formiae, op 23 januari in Minturnae en via Cales (24 januari) bereikte hij Capua op 25 januari. Daar nam hij deel aan de vergadering van de optimaten waar men in principe akkoord ging met Caesars voorstellen.

Cicero moest echter vaststellen dat er maar heel lauw gereageerd werd op de lichting van rekruten ondanks de inspanningen van Titus Ampius Balbus en Lucius Scribonius Libo. Op 29 januari keerde Cicero naar Formiae terug en maakte van zijn villa daar voor bijna twee maanden zijn hoofdkwartier. Tweemaal zou hij in die periode Formiae verlaten. Een eerste keer bezocht hij Capua (5 en 6 februari), een tweede deed hij een weinig overtuigde poging om zich bij Pompeius in Luceria te vervoegen - hij raakte niet verder dan Cales (18 en 19 februari).

Uit zijn bijna dagelijkse brieven aan Atticus uit die periode blijkt een pijnlijke bezorgdheid in verband met wat hem nu te doen stond. Hij sloot elke vorm van actieve samenwerking met Caesar uit, beschouwde Caesar als een despoot die zich als een misdadiger gedroeg en raakte ervan overtuigd dat proscriptie en inbeslagname van bezittingen een onderdeel waren van Caesars plannen. Zelfs de grootmoedigheid die Caesar bij Corfinium aan de dag legde, was volgens Cicero een rookgordijn dat zijn ware wrok en wraakzucht moest verbergen (anderzijds erkende Cicero dat Caesar tenminste daadkrachtig optrad en zich populair wist te maken). De volgelingen van Caesar vervulden hem met minachting en walging; zich inzetten voor een zaak als die van Caesar was in de ogen van Cicero totaal eerloos.

Cicero's aarzelen had dus meer te maken met het dilemma of hij Pompeius onvoorwaardelijk zou volgen of in de mate van het mogelijke neutraal zou blijven om met meer kans op succes als bemiddelaar op te treden. Hoewel hij een opdracht van Pompeius aanvaard had, was hij niet erg actief om zich naar behoren van die taak te kwijten. Tot 3 februari vestigde hij al zijn hoop op vredesonderhandelingen. Toen die mislukten, verviel hij tot zwaarmoedigheid en drong hij bij Atticus aan om hem een antwoord te geven op de vraag die hij ook al op 22 januari had gesteld: moest hij Pompeius volgen als die Italië verliet?

Die vraag behandelde hij uitvoerig in zijn bekende brief van 18 februari. Pompeius volgen zou hij doen uit dankbaarheid, omdat hij zich aan Pompeius verplicht voelde; verder was er natuurlijk de vaststelling dat de zaak van de republiek het best gediend werd door het standpunt dat de optimaten innamen, en dat Pompeius nu eenmaal hun natuurlijke leider was. Ook zijn hoop om toch nog zijn triomftocht te mogen houden, speelde mee. Anderzijds walgde Cicero van het totaal gemis aan vooruitziendheid en besluitvaardigheid van Pompeius en de optimaten. Hij vreesde dat ze zich op een verschrikkelijke manier zouden willen wreken door Italië uit te hongeren via een blokkade ter zee en door het land te laten verwoesten door horden barbaren. Tenslotte kwam ook de beangstigende gedachte in hem op dat Pompeius, net zoals Caesar, alleen maar uit was op alleenheerschappij...

Tussen deze overwegingen werd Cicero heen en weer geslingerd; nu eens kreeg het ene argument de overhand, dan weer het andere. Daarbij kwamen nog de bezorgdheid om zijn gezin en zijn ongerustheid omdat hij wel erg opviel met zijn in het rood geklede lictoren met hun met lauriertwijgen omvlochten fasces.

Op 19 februari voegde Cicero nog een postscriptum toe aan zijn brief van de avond ervoor; hij drukte daar de hoop uit dat Pompeius zou oprukken naar Corfinium om Lucius Domitius Ahenobarbus te ontzetten, maar nog geen week later was hij wanhopig omdat Pompeius niets gedaan had. Cicero zag de strategische noodzaak van een terugtrekking niet in en schreef Pompeius' handelwijze dan ook toe aan lafheid en drang naar alleenheerschappij.

Enkele dagen aarzelde Cicero nog maar toen hij wat van de schok bekomen was, leek hij vastbesloten om Pompeius tot elke prijs te volgen (4-11 maart). Op aanraden van Atticus besloot hij een ontmoeting te hebben met Caesar die op de terugweg was van Brundisium. Hij hoopte dat Caesar hem zou toestaan neutraal te blijven of als vredesonderhandelaar op te treden. Maar tijdens het gesprek op 28 maart werd snel duidelijk dat neutraliteit en vredesonderhandelingen voor Caesar niet meer konden. Caesar kon Cicero er evenwel niet toe overhalen (noch door vleierij, noch door dreigementen) om mee naar Rome te gaan en daar in de senaat te verschijnen.

Onmiddellijk na het gesprek met Caesar ging Cicero naar Arpinum om zijn zoon de toga virilis te geven. Hij bleef er ongeveer twee weken en reisde dan naar Cumae waar hij van 12 april tot eind mei zou verblijven. Hij was nu van plan zich bij Pompeius te vervoegen zodra zich een geschikte gelegenheid voordeed, maar bleef ogenblikken van twijfel hebben. Noch de verwijten van Caesar en Marcus Caelius Rufus, noch de tranen van zijn dochter Tullia konden Cicero ertoe bewegen het verloop van de gebeurtenissen in Spanje af te wachten. Dat hij niet onmiddellijk vertrok, was te wijten aan slecht weer en aan de waakzaamheid van Marcus Antonius. Misschien voerde Cicero iets in zijn schild tegen Caesar (hij gebruikte voor zijn plan het codewoord Caelianum), vermoedelijk op Sicilië (of in Africa). Toen Cato Sicilië zonder slag of stoot prijsgaf, was Cicero in elk geval bitter ontgoocheld.

Tijdens een kort verblijf in Pompeii vroegen drie centurionen Cicero om de leiding te nemen van hun eenheden, maar om hen niet te moeten ontmoeten vertrok Cicero voor dag en dauw. Hij vermoedde dat er ergens een adder onder het gras zat en dat men hem op een of andere manier in de val wou lokken. Eind mei ging hij naar Formiae en op 7 juni scheepte hij in Caieta in op een boot die hij al maanden voor dat doel had klaarliggen.

Toen Cicero in het kamp van Pompeius arriveerde, was hij geschokt door de woeste bedreigingen die de optimaten tegen Caesar en de zijnen uitten en kwam hij tot de vaststelling dat zowel de kwaliteit van de soldaten als die van de leiders veel te wensen overliet. Hij maakte daarover zijn beklag tegenover Pompeius, die verveeld was met Cicero's standpunt en weigerde hem een belangrijke opdracht toe te vertrouwen. Cicero nam wraak door in zijn brieven bijzonder sarcastisch te schrijven over Pompeius' plannen en officieren.

Na zijn gesprek met Cicero op 28 maart reisde Caesar door naar Rome en bleef daar enkele dagen. Zijn grootmoedigheid bij Corfinium had menig landelijk district en veel welstellende burgers voor hem gewonnen. Hij hoopte nu de rest van de senatoren te kunnen overhalen om hem te helpen bij het staatsbestuur.

De senaat keurde Caesars voorstel goed om onderhandelingen te beginnen met Pompeius maar niemand bleek bereid als gezant op te treden, hetzij uit angst voor de dreigementen die Pompeius geuit had toen hij Rome verliet, hetzij omdat men niet zeker was of Caesar wel meende wat hij zei. Andere voorstellen botsten op een veto van volkstribunen, waarop Caesar verklaarde dat hij niet anders kon dan zelf regeren. Zonder rekening te houden met het verzet van Lucius Caecilius Metellus, een volkstribuun, liet hij de deuren van de staatskas openbreken; de inhoud ervan was geld dat bestemd was om het hoofd te kunnen bieden aan een invasie vanuit Gallië. Ontstemd over zoveel tegenwerking in Rome vertrok Caesar naar Spanje.

Gedurende een maand werd hij opgehouden door de vijandige houding van Massilia dat zijn poorten gesloten hield toen Caesar naderde en Lucius Domitius Ahenobarbus (de man van Corfinium!) aanstelde tot bevelhebber van de aanwezige strijdkrachten. Caesar nam de tijd om belegeringstuigen en een vloot te bouwen en stuurde Caius Fabius met drie legioenen vooruit om de overtocht van de Pyreneeën veilig te stellen. Caesar liet de belegering over aan Caius Trebonius en zijn vertrouwde vlootvoogd Decimus Junius Brutus en haastte zich naar Spanje om zich bij zijn legioenen te vervoegen (juni). Aan het hoofd van zes legioenen ontmoette hij de vijf legioenen en talrijke hulptroepen van Lucius Afranius en Marcus Petreius nabij Ilerda.

Caesar werd eenmaal teruggedreven maar was handiger in het manoeuvreren dan zijn tegenstanders en verplaatste zich veel sneller. In veertig dagen dwong hij hun strijdmacht om zich over te geven (2 augustus). Caesar rukte triomfantelijk op naar Baetica waar de inwoners hem zo enthousiast ontvingen dat Marcus Terentius Varro er niet in slaagde zich tegen Caesar te verzetten. Nadat heel Spanje zich had overgegeven, liet Caesar het schiereiland onder de hoede van Quintus Cassius Longinus, een legaat, en vier legioenen. Op zijn terugreis naar Italië ontving Caesar de overgave van Massilia dat Caius Trebonius en Decimus Junius Brutus op de knieën hadden gekregen.

Omstreeks de tijd dat hij naar Spanje vertrok, had Caesar officieren uitgestuurd naar de provincies waar graan verbouwd werd: Sardinië, Sicilië en Africa. Pompeius gebruikte inderdaad zijn hegemonie ter zee om Italië af te snijden van zijn voorraadschuren en zo tot overgave te dwingen. Ondertussen kon hij in het oosten een leger op de been brengen om Caesar in de tang te nemen vanuit het oosten en vanuit Spanje. Zoals gewoonlijk sloeg Caesar eerst toe en was Spanje al gevallen voor Pompeius zich kon realiseren wat er gebeurd was...

De blokkade ter zee kon Caesar niet volledig ongedaan maken. Quintus Valerius Orca verdreef in opdracht van Caesar Marcus Aurelius Cotta met een legioen van Sardinië, en Caius Scribonius Curio landde met twee legioenen (die gevormd waren uit de overlopers van Pompeius' leger bij Corfinium) op Sicilië waar hij geen tegenstand ondervond van Cato. In zijn overwinningsroes stak Curio over naar Africa met zijn leger en behaalde aanvankelijk enkele successen, maar zijn onbedachtzaamheid maakte hem tot een gemakkelijke prooi van de Numidische koning Juba die de Pompejanen te hulp was gekomen. Curio zelf sneuvelde en zijn leger werd uitgemoord. Omstreeks dezelfde tijd werden Caius Antonius (een jongere broer van Marcus Antonius) en Publius Cornelius Dolabella (Cicero's schoonzoon) verslagen door de Pompejanen Marcus Octavius en Lucius Scribonius Libo bij Curicta, een eiland ter hoogte van Illyricum; Caius Antonius werd verplicht zich over te geven met vijftien cohorten. Deze tegenslagen wogen echter niet op tegen de eindeloze reeks overwinningen die Caesar zelf behaalde.

Caesar had in Massilia vernomen dat hij tot dictator was aangesteld op voordracht van Marcus Aemilius Lepidus en haastte zich naar Rome. Onderweg moest hij in Placentia een muiterij onderdrukken waarin zijn negende legioen de hoofdrol speelde. In de elf dagen die hij daarna in Rome doorbracht, leidde hij de verkiezingen voor het ambt van consul en werd zelf samen met Publius Servilius Isauricus tot consul verkozen. Hij wees enkele gouverneurs aan om provincies te gaan besturen (ook al waren ze in handen van Pompejaanse gouverneurs). Hij liet een aantal bannelingen terugkeren die veroordeeld waren op grond van de leges Pompeiae van 52 en verzekerde een correcte maar voor alle partijen billijke afbetaling van de schulden.

Tegen het einde van het jaar trok hij bij Brundisium zijn ruiterij en twaalf gereduceerde legioenen samen; daarmee wou hij de negen legioenen van Pompeius (die op volle getalsterkte waren) en diens grote aantallen hulptroepen beoorlogen aan de overzijde van de Adriatische zee. Pompeius had zijn troepen in winterkamp gelegd nabij Thessalonica.

48 / Caio Iulio Caesare Publio Servilio Isaurico consulibus

Hoewel Pompeius' vloot de Adriatische zee controleerde, slaagde Caesar er op 4 en 5 januari in met zeven legioenen over te steken naar Palaeste en nam onmiddellijk de havens Oricum en Apollonia in. Pompeius rukte op langs de Via Egnatia en kwam op tijd om zijn wapenarsenaal nabij Dyrrhachium te vrijwaren door Caesars opmars langs de Apsus te vertragen. Caesar moest ongeveer drie maanden wachten vooraleer Marcus Antonius kon ontsnappen aan de verscherpte waakzaamheid van de Pompejaanse vlootvoogden; toen stak hij voor de wind over naar Lissus.

Caesar had geen moeite om een hinderlaag van Pompeius te ontwijken en verenigde zijn twee strijdmachten. Toen maakte hij zich meester van de landengte die naar Dyrrhachium leidde (tussen de zee en de lagune) en sneed Pompeius af van zijn wapenvoorraad. Maar Pompeius kon bevoorraad worden via de zee en sloeg zijn kamp op bij Petra, tegenover Caesars kamp.

Met ongelooflijke stoutmoedigheid probeerde Caesar toen het kamp van Pompeius in te sluiten met een belegeringswal, maar Pompeius liet zijn troepen onmiddellijk de oppervlakte van het kamp vergroten zodat de opdracht voor Caesar te zwaar werd. Pompeius brak uit doorheen de nog niet afgewerkte omsingeling en diende Caesar midden juli een zware nederlaag toe die bijna eindigde in een totale vlucht. Caesar slaagde er evenwel in zo snel terug te plooien dat Pompeius niet eens de tijd had zijn soldaten de achtervolging te laten inzetten.

Caesar rukte dan op naar Thessalia waar hij Quintus Metellus Scipio bedreigde; deze kwam van Macedonia met de twee Syrische legioenen. Pompeius zag zich verplicht Caesar te volgen om Scipio te beschermen en moest zijn basis aan de Adriatische zee verlaten. Pompeius hoopte nu snel met Caesar te kunnen afrekenen en wou eerst Cnaeus Domitius Calvinus (die zich tussen hem en Scipio bevond) in de pan hakken. Calvinus slaagde er evenwel in weg te glippen en vervoegde zich bij Caesar in Thessalia.

Tenslotte sloegen beide legers hun kamp op in de vlakte van Pharsalus. Gedurende enkele dagen weigerde Pompeius zijn sterke positie te verlaten maar het overmoedig geschreeuw van de optimaten binnen de kampmuren en het zelfvertrouwen van zijn ruiterij brachten hem ertoe slag te leveren op 7 augustus. Zij` pl!n b`sto.d erin dat zijn (veel sterkere) ruiterij die van Caesar op de vlucht zou jagen, waarna zijn overwinnende ruiters Caesars slaglinie van opzij zouden kunnen beginnen oprollen.

Maar aan die flank stelde Caesar het beroemde tiende legioen op, met zes elitecohorten van andere legioenen in steun. Deze soldaten zagen de ruiterij van Pompeius chargeren nadat ze Caesars ruiters inderdaad op de vlucht hadden gejaagd. Maar in plaats van te wijken vielen de Caesarianen met gevelde speren de aanstormende ruiters van Pompeius aan die panikeerden en vluchtten; deze vlucht werd snel algemeen. Lucius Domitius Ahenobarbus sneuvelde en Pompeius vluchtte naar Egypte waar hij zou vermoord worden. Van Pompeius' immens leger gaven ongeveer 50.000 soldaten zich over.

De eerste helft van het jaar bracht Cicero door in het kamp van Pompeius of in Dyrrhachium. In het begin van het jaar ontving hij een brief van Marcus Caelius Rufus waarin die schreef dat hij spijt had zich bij Caesar te hebben aangesloten. Halverwege het jaar kreeg hij een brief van zijn schoonzoon Publius Cornelius Dolabella die hem aanraadde terug te keren naar Italië nu hij zelf gezien had hoe gering de overwinningskansen van Pompeius waren. Cicero zelf schreef zeer weinig, waarschijnlijk omdat hij bang was vrij zijn mening te uiten. Ondertussen was Cicero's stemming in het Pompejaanse kamp een bron van ergernis voor de anderen geworden. De brieven die hij schreef gingen over zijn ongerustheid over de gezondheidstoestand van zijn vrouw, over financiële problemen, over zijn spijt dat hij Italië verlaten had en over zijn onvrede met de wijze waarop Pompeius de zaken aanpakte (zijn niet aflatend sarcasme over Pompeius' zwakte werd na de slag van Pharsalus natuurlijk nog sterker).

Korte tijd voor de beslissende slag had Cicero ziek te bed gelegen in Dyrrhachium. Titus Labienus kwam hem daar het bericht van de nederlaag brengen. Toen Cicero met de Pompejanen vanuit Dyrrhachium naar Corcyra was overgestoken, vroeg Marcus Porcius Cato aan Cicero om als oudste consularis de leiding te nemen. Cicero weigerde, werd door Cnaeus Pompeius (filius) met de dood bedreigd maar door Cato in bescherming genomen. Van Corcyra vertrok Cicero met zijn broer Quintus naar Patrae, maar daar kregen ze ruzie en scheidden hun wegen. In oktober keerde Cicero naar Italië terug en vestigde zich in Brundisium.

In Italië was het in het begin van het jaar onrustig geweest door het turbulente optreden van praetor peregrinus Marcus Caelius Rufus. Hij had genoeg van Caesars gematigdheid en probeerde de uitvoering door Caius Trebonius van Caesars edict in verband met de schulden te verhinderen. De senaat schorste hem in zijn functie op verzoek van consul Publius Servilius Isauricus. Waarop Caelius Titus Annius Milo uit Massilia naar Italië terugriep en met diens hulp een slavenopstand probeerde te ontketenen. Beide leiders werden echter gedood voor er belangrijke dingen gebeurd waren, Milo bij Cosa en Caelius bij Thurii. Caelius' optreden wees natuurlijk op een zekere graad van ontevredenheid bij de bevolking, maar het merendeel van de Romeinen in Italië besefte maar al te goed dat wie de beslissende slag won, zijn nieuwe meester werd, wat verklaart waarom Caelius' poging zo snel op niets uitliep.

Toen het nieuws van Pompeius' dood in Rome bekend werd, kenden de senaat en het volk aan Caesar ongekende en ongehoorde eerbewijzen toe. Hij werd aangesteld tot dictator, kreeg het ambt van consul voor vijf jaar, mocht curulische magistraten aanduiden voor meerdere jaren, mocht op eigen initiatief oorlog verklaren en vrede sluiten, en mocht doen wat hij wou met de Pompejanen.

In Spanje onderdrukte Quintus Cassius Longinus, die door Caesar aan het hoofd van de provincie was geplaatst, de inwoners en ondermijnde het moreel van de troepen door te mild op te treden. Hij had van Caesar bevel gekregen over te steken naar Africa en af te rekenen met de Numidische koning Juba. Nadat hij in Corduba zijn troepen had geschouwd, werd hij door enkele inwoners van de provincie die een samenzwering hadden beraamd, aangevallen en voor dood achtergelaten. Hij overleefde de aanslag echter en na zijn herstel bleef hij doorgaan met zijn wreedheden, wat muiterij uitlokte bij zijn legioenen. Quaestor Marcus Marcellinus Aeserninus plaatste zichzelf aan het hoofd van de troepen en werd bijgestaan door Marcus Aemilius Lepidus, de proconsul van Hispania Citerior die naar Hispania Ulterior was gekomen om te bemiddelen en om de orde te herstellen.

Tenslotte kwam Caius Trebonius naar Spanje om gouverneur te worden van Hispania Ulterior, waarop Cassius zijn oneerlijk verkregen bezittingen op een schip laadde en wegvoer. Hij leed echter schipbreuk ter hoogte van de monding van de Ebro en verdronk. Zijn slecht bestuur had Spanje ontevreden gemaakt en door de expeditie naar Africa uit te stellen had Cassius de Pompejanen een unieke kans gegeven zich daar te hergroeperen...

47 / Quinto Fufio Caleno Publio Vatinio consulibus

Na zijn aankomst in Italië omstreeks midden oktober 48 bleef Cicero ongeveer elf maanden in Brundisium. De toon van zijn brieven was somber (ze waren bijna allemaal aan Atticus gericht, behalve een aan Caius Cassius en een aantal korte aan Terentia). Soms was hij wanhopig maar wierp dan de schuld op de lafheid en de trouweloosheid van anderen; soms beschuldigde hij zichzelf van blindheid en zwakheid. Die zwakheid zag hij nu eens in het feit dat hij de wapens had opgenomen, dan weer in het feit dat hij met die wapens niet genoeg gedaan had.

Cicero had het in deze periode niet gemakkelijk; hij had allerlei problemen. Marcus Antonius was eind 48 naar Italië teruggekeerd als magister equitum van Caesar met de opdracht de orde te handhaven. Caesar had hem opgedragen alle Pompejanen uit Italië te verbannen en Antonius kon maar met moeite overtuigd worden voor Cicero een uitzondering te maken. Zodra zijn naam van de lijst van de bannelingen geschrapt was, had Cicero daar spijt van want nu voelde hij zich verplicht om in Italië te blijven...

Cicero vond dat hij reden had om bang te zijn. Hij was naar Italië teruggekeerd in de hoop dat de oorlog afgelopen was, maar Caesars lang verblijf in Alexandria en de groeiende macht van de Pompejanen in Africa brachten die hoop aan het wankelen. Cicero begon nu te vrezen dat de geste van Antonius hem de onverzoenlijke haat van de Pompejanen op de hals zou halen in geval zij alsnog de uiteindelijke overwinning behaalden.

Zijn persoonlijke problemen waren pijnlijker. Zijn broer en neef hadden ruzie met hem gekregen en waren naar Caesar getrokken om door Cicero zwart te maken hun eigen gratie te bekomen. Cicero had - zeer edel - naar Caesar geschreven dat hij en hij, Cicero, alleen verantwoordelijk was voor het feit dat zijn broer Quintus en zijn zoon zich met Pompeius hadden verbonden. Ondanks die geste van Cicero vond Quintus er geen graten in om zich in brieven en gesprekken schimpend en laatdunkend uit te laten over zijn broer. Die uitlatingen waren voor Cicero als messteken in zijn hart.

Terentia had blijkbaar geld verkwist en schulden gemaakt. Ze had een testament opgesteld waarvan de bepalingen Cicero ertoe noopten aan Atticus te vragen Terentia daarover ter verantwoording te roepen. Op de koop toe probeerde ze Cicero een onbelangrijke som geld afhandig te maken. Zijn oogappel Tullia bleef haar vader trouw en kwam in juni bij hem wonen.

Gedurende heel deze periode wist Cicero niet hoe Caesar hem zou behandelen en zat hij bovendien krap bij kas. In augustus kwam eindelijk een verlossende brief uit Egypte; daarin liet Caesar Cicero weten dat hij moed moest houden, dat zijn positie helemaal niet in het gedrang kwam. Zijn broer Quintus, die zich in maart met tegenzin verontschuldigd had bij Cicero, wenste nu zijn broer van harte geluk en beide broers verzoenden zich met elkaar (ook al bleef de pijn van de wonden nog nazinderen).

Cicero's laatste ongerustheid verdween toen Caius Vibius Pansa hem in september een brief overhandigde waarin stond dat Cicero zijn titel van imperator en zijn lictoren mocht behouden. Toen Caesar na zijn overwinningen tegen Ptolemaeus XIII en Pharnaces op 25 september in Tarentum aankwam, haastte Cicero zich om hem te ontmoeten en werd vriendelijk ontvangen. Klaarblijkelijk kreeg hij de toelating om te wonen waar hij wou, want hij reisde onmiddellijk naar Tusculum en bracht de rest van het jaar in of nabij Rome door.

Caesar had na de slag van Pharsalus aan veel tegenstanders genade geschonken, onder wie Marcus Junius Brutus en Caius Cassius Longinus. Hij achtervolgde Pompeius met een kleine troep soldaten maar kon hem niet inhalen. Pompeius vluchtte via Lesbos en Cyprus naar Egypte. Hij werd op 28 september ter hoogte van Pelusium op laffe wijze vermoord op bevel van de raadgevers van de jonge koning Ptolemaeus XIII.

Caesar bereikte Alexandria begin oktober en hoorde daar pas - met diep afgrijzen - dat zijn rivaal vermoord was. Hij ondernam de taak om de troonopvolging in Egypte te regelen: zowel Ptolemaeus XIII als zijn zuster Cleopatra maakten aanspraak op de troon. Hij bracht beiden samen, maar de inwoners van Alexandria en de soldaten van het Egyptische leger moesten niets weten van een opgedrongen regeling en toonden openlijk hun misprijzen voor Caesars kleine troepenmacht. Arsinoë, een jongere zuster van Ptolemaeus en Cleopatra, leidde de opstand en Caesar bleef de hele winter opgesloten in een deel van Alexandria. Ptolemaeus werd vrijgelaten in de hoop dat hij als bemiddelaar zou optreden maar plaatste zich onmiddellijk aan het hoofd van het oproer. Tenslotte kwam Mithridates van Pergamum met een aanzienlijke troepenmacht Caesar te hulp. Op 27 maart leed Ptolemaeus een beslissende nederlaag en verdronk toen hij probeerde te ontsnappen.

Caesar plaatste Cleopatra op de troon en zette Arsinoë gevangen. Hoe dringend zijn aanwezigheid ook op andere plaatsen vereist was, toch bleef Caesar nog drie maanden bij Cleopatra. Eind juni vertrok hij naar Syria en Cilicia en rukte door Cappadocia op tegen Pharnaces. Deze zoon van de beroemde Mithridates had Caesars legaat Cnaeus Domitius Calvinus op de vlucht gejaagd bij Nicopolis en het oosten van Asia Minor onder de voet gelopen. Op 2 augustus bij Zela in Pontus vernietigde Caesar zijn leger in een campagne die niet langer dan een week geduurd had (veni, vidi, vici). Toen hij orde op zaken had gesteld in Asia Minor, keerde hij naar Italië terug waar hij in Tarentum aankwam op 25 september.

In Illyricum was de oorlog intussen met wisselend succes verlopen. Caesar had Quintus Cornificius daarheen gezonden met twee legioenen en die slaagde erin de provincie voor Caesar te behouden, zelfs toen, na de slag van Pharsalus, Marcus Octavius met een enorme vloot arriveerde en de provincie voor de Pompejanen probeerde in handen te krijgen met de hulp van de inwoners. Toen Aulus Gabinius Cornificius te hulp kwam en naar het binnenland wou doorstoten, kreeg hij af te rekenen met ernstige tegenslagen, viel ziek en overleed. Cornificius deed nu een beroep op Publius Vatinius die het bevel voerde in Brundisium. Deze bekwame en energieke officier slaagde erin om met noodvaartuigen, bemand door veteranen van de vlootbasis, de Pompejaanse vloot te verslaan door haar schepen te enteren. Octavius liet Illyricum voor wat het was en zette koers naar Africa om daar de rangen van de Pompejanen te gaan versterken.

In Africa hadden zich al een aantal kopstukken van de optimaten verzameld: Cnaeus Pompeius (filius), Quintus Metellus Scipio, Lucius Afranius, Marcus Petreius, Faustus Cornelius Sulla en Titus Labienus. Ook Cato stak vanop het eiland Corcyra over naar Cyrene met wat hij aan troepen had en trok vandaar door de woestijn naar de provincie. Hij liet Cnaeus Pompeius, na een vergeefse aanval op een vesting in Mauretania, de Insulae Baleares bezetten; vandaar hoopte hij te kunnen profiteren van de problemen die de Caesarianen in Spanje hadden.

In Rome waren er geen curulische magistraten voor Caesars terugkeer naar Rome en daarvan had Publius Cornelius Dolabella, die nu volkstribuun was, gebruik gemaakt om de rust te verstoren. Vermits Cicero's schoonzoon een patriciër was en geen volkstribuun kon worden, liet hij zich in 48 adopteren door een plebejer, een zekere Lentulus (het kind dat Tullia van hem ter wereld bracht, heette dus Lentulus puer). Toen lag voor Dolabella/Lentulus de weg naar het volkstribunaat open. Hij kwam op voor afschaffing van de schulden en verlaging van de huur maar botste op een veto van twee collega's, Caius Asinius Pollio en Lucius Trebellius. Daar liet Dolabella/Lentulus het niet bij zitten en hij begon met een gewapende bende de stad onveilig te maken. Marcus Antonius zou daar een eind aan maken door met soldaten de stad binnen te rukken en achthonderd van de relschoppers te doden. Het beleef echter onrustig tot Caesar eind september zelf in Rome was teruggekeerd.

Gevaarlijker dan de onrust in de stad was de houding van twee legioenen in Campania. Caesar had het tiende en het twaalfde opdracht gegeven naar Sicilië te trekken, maar ze hadden hun officieren die hen die opdracht kwamen melden uitgescholden. Toen ze hoorden dat Caesar in Rome was, rukten ze op naar de stad waar Caesar hen te woord stond op het Marsveld. Hij willigde onmiddellijk hun wens in om uit de dienst ontslagen te worden en veranderde dus het woord waarmee hij hen tot dan toe had aangesproken (het militaire contubernales) in het burgerlijke cives. Dat was er voor zijn oudgedienden te veel aan: ze smeekten om opnieuw in dienst genomen te worden, wat Caesar hen met plezier toestond.

De laatste maanden van het jaar hield Caesar zich bezig met de beloning van de mensen die hem trouw gediend hadden. Nog voor 15 november waren Quintus Fufius Calenus en Publius Vatinius consuls. Om meer mensen te kunnen tevreden stellen, creëerde Caesar een extra plaats in elk van de grote priestercolleges, verhoogde het aantal praetoren van acht tot tien en vulde de uitgedunde rangen van de senatoren aan.

Hij deed ook zijn best om gematigde tegenstanders voor zich te winnen; zo kreeg Servius Sulpicius Rufus de provincie Achaia te besturen. Optimaten aan wie Caesar genade had geschonken, werden evenmin vergeten; Caius Cassius Longinus werd legaat van Caesar en Marcus Junius Brutus werd gouverneur van Gallia Cisalpina.

46 / Caio Iulio Caesare Marco Aemilio Lepido consulibus

Er is in deze jaren erg weinig verband tussen de persoonlijke geschiedenis van Cicero en wat er allemaal gebeurde in Rome en het Romeinse rijk. Cicero hield zich vooral bezig met schrijven over de theorie en de praktijk van de welsprekendheid (Brutus sive de claris oratoribus, Orator en Partitiones oratoriae) en over filosofie (Paradoxa stoicorum).

Caesar was consul met Marcus Aemilius Lepidus, wat een overtreding was van de leges Liciniae Sextiae aangezien beiden patriciër waren. Tussen zijn veldtochten in hervormde Caesar op drastische wijze, maar Cicero begreep de reorganisatie niet - of wou ze niet begrijpen. Deze maatregelen vermeldde Cicero terloops in zijn brieven die in het begin van het jaar overigens nog bol staan van de klachten over de ontaarde tijden waarin hij leeft, van de rechtvaardiging van zijn eigen optreden in de burgeroorlog en van zijn voornemen om zich na nog een beslissende krachtmeting definitief uit de politieke arena terug te trekken.

Cicero's voornaamste rol was nu die van bemiddelaar tussen Caesar en verbannen Pompejanen. Daarvoor bleef hij op goede voet staan met Caesars persoonlijke vrienden, vooral met Aulus Hirtius, Caius Vibius Pansa en Publius Cornelius Dolabella/Lentulus, die bij hem lessen in welsprekendheid volgden. Hij schreef voortdurend naar zijn vrienden in ballingschap om hen te troosten en voor te houden dat ze waarschijnlijk snel naar hun vaderland zouden mogen terugkeren. Misschien wou Cicero zijn gebrek aan steun voor Pompeius goedmaken door van Caesar genade te bekomen voor actievere medewerkers van Pompeius dan hijzelf geweest was.

Zo verwoordde Cicero de dankbaarheid van de senaat voor de terugroeping van Marcus Claudius Marcellus, een goede vriend van Cato (Oratio pro Marco Claudio Marcello). Hij pleitte eveneens voor Quintus Ligarius die er bij Caesar van beschuldigd werd een uiterst vijandige houding tegenover hem te hebben aangenomen in Africa (Oratio pro Quinto Ligario).

Uit Cicero's brieven van de laatste maanden van het jaar bleek duidelijk dat er geleidelijk aan verandering begon te komen in de houding van de optimaten tegenover Caesar en de politiek die hij voerde. Caesars vergevingsgezindheid en grootmoedigheid lieten enige hoop dat hij nog een of andere vorm van vrije republiek zou instellen. Cicero verklaarde zich bereid om daar "als metselaar" aan mee te werken, als hij er geen architect van kon zijn,. Als die terugkeer naar meer vrijheid uitbleef, was dat niet Caesars schuld maar die van zijn aanhangers, en van de moeilijke situatie. Het was beter werken met Caesar (die met de pen en niet met het zwaard had gereageerd op een lofrede van Cicero op Cato) dan met de nieuwe leider van de Pompejanen, Cnaeus Pompeius; die beëindigde discussies soms door zijn gesprekspartner de keel over te snijden als hij geen gelijk haalde... Al bij al was het jaar 46 geen slecht jaar voor Cicero.

Toch ging het hem op persoonlijk vlak niet voor de wind. Zijn vervreemding van Terentia eindigde begin 46 met een echtscheiding. Cicero verdacht Terentia van buitensporige uitgaven en oneerlijkheid (die hij aanvankelijk had toegeschreven aan haar beheerder Philotimus). In december 46 hertrouwde Cicero met de jonge en rijke Publilia van wie hij voogd was, maar ook dit huwelijk was niet gelukkig. Publilia had het gevoel dat Cicero haar om haar geld getrouwd had (hij toonde weinig of geen genegenheid voor haar) en ze was jaloers op haar stiefdochter Tullia, die intussen van Publius Cornelius Dolabella/Lentulus (van wie ze zielsveel hield) gescheiden was omdat hij talloze slippertjes had.

Midden december 47 was Caesar aangekomen in Lilybaeum en stak vandaar, ondanks het slechte weer, op 25 december over naar Africa met zes legioenen en 2.000 ruiters. Een storm sloeg zijn vloot uiteen en toen hij drie dagen later in Hadrumetum landde, had hij slechts 3000 legioensoldaten en 150 ruiters bij zich. In Ruspina wachtte hij op de andere schepen maar zijn situatie was niet schitterend omdat vijf van zijn zes legioenen uit nieuw gelichte soldaten bestonden en zijn ruiterij eigenlijk niet veel voorstelde. Toen hij werd aangevallen door Titus Labienus (die over 10.000 ruiters beschikte en een massa hulptroepen) kon hij alleen door een handig manoeuvre aan omsingeling ontsnappen en zich een weg banen door de gelederen van de tegenstander.

Caesar wist dat de Pompejanen over ongeveer 70.000 legioensoldaten beschikten, 120 krijgsolifanten, een grote ruiterij en zeer veel licht gewapende hulptroepen. Er waren ook ervaren officieren zoals Titus Labienus, Lucius Afranius en Marcus Petreius. Maar het opperbevel berustte, volgens de traditie, bij de meest vooraanstaande patriciër in het kamp en dat was Quintus Metellus Scipio, een onbekwame en koppige kerel, terwijl koning Juba van Numidia, apetrots op zijn overwinning op Caius Scribonius Curio, eisen stelde aan de Romeinen die moeilijk konden maar wel moesten ingewilligd worden. De inwoners van Mauretania en Gaetulia waren echter Caesar - als neef van Caius Marius - gunstig gezind en vielen Numidia binnen, waarop koning Juba tijdelijk naar zijn land moest terugkeren.

Toen Caesar voldoende versterkingen had gekregen (hij beschikte nu over tien legioenen waarvan vijf ervaren), rukte Caesar op naar Thapsus en lokte Scipio met zich mee. Op 6 april aarzelde Caesar om aan te vallen maar zijn troepen stormden zonder zijn bevel af te wachten op de vijand los en dreven hen op de vlucht. Vele duizenden vluchtende Romeinen werden genadeloos afgemaakt.

Enkele dagen later pleegde Cato, trouw aan zijn ideaal, zelfmoord in Utica: liever sterven dan iemands slaaf te worden. Hij was gewond afgevoerd en deelde zijn familieleden mee dat hij een einde aan zijn leven zou maken (hij had de Phaedo van Plato openliggen). Toen ze dat wilden beletten, wachtte hij tot 's nachts. Hij was toen al zo verzwakt dat de toegebrachte wonde niet meteen dodelijk was. Hij wou echter niet weten van een tussenkomst van zijn huisgenoten, verwijdde zijn wonde, haalde zijn ingewanden naar buiten en stierf.

Van de andere leiders vielen Juba, Scipio en Petreius door hun eigen hand, werden Faustus Cornelius Sulla en Afranius gedood door de soldaten van Caesar en ontsnapten Labienus en Sextus Pompeius naar Spanje vanwaar ze de oorlog wilden verder zetten.

Caesar maakte van het koninkrijk Numidia een Romeinse provincie. Op 13 juni stak hij van Africa over naar Sardinië; hij werd door tegenwinden opgehouden op de oversteek naar Italië en kwam pas in Rome aan op 26 juli. In augustus hield Caesar vier triomftochten voor zijn overwinningen in Gallië, Egypte, Pontus en Africa. Onder de gevangenen die in de stoeten meeliepen waren Vercingetorix en Arsinoë.

Caesar verwekte schandaal door een mimenschrijver uit de ridderstand, Decimus Laberius, te verzoeken op te treden in een wedstrijd tegen een concurrent, Publilius Syrus (daarbij wel wetend dat wie optrad als acteur, zijn status als ridder kwijtspeelde!). Na de voorstelling wou Caesar de overwinning toekennen aan Laberius, maar de toeschouwers eisten Publilius Syrus als overwinnaar, en Caesar volgde hen in. Caesar beloonde Laberius met een grote geldsom en zijn wederopname in de ridderstand.

Caesar startte ook een bouwprogramma ter verfraaiing van de stad. Hij liet de werken beginnen aan de basilica Iulia en aan het forum Iulium, waar de tempel van Venus genetrix werd opgetrokken.

Zowel in 47 als in 46 schonk Caesar land aan zijn veteranen, zonder dat er veel tegenstand was omdat de stukken grond die gebruikt werden, niet aan elkaar grensden; er werden dus geen grootgrondbezitters bedreigd.

Door de hervorming van de kalender in samenwerking met de Egyptische astronoom Sosigenes zou vanaf 1 januari 45 de zonnetijd samenvallen met de reële tijd en was het afgelopen met het van tijd tot tijd inlassen van een mensis intercalaris.

Naar het einde van het jaar toe haastte Caesar zich naar Spanje om daar de laatste verzetshaard van de Pompejanen uit te roeien.

45 / Caio Iulio Caesare consule / Caio Trebonio Quinto Fabio Maximo consulibus / Caio Trebonio Caio Caninio Rebilo consulibus

In januari was Caesar, die enig consul was, in Corduba aangekomen en leidde daar zijn laatste en hardste campagne die meerdere maanden zou aanslepen. De beslissende slag had plaats in Baetica bij Munda op 17 maart. De Pompejanen waren in het voordeel door hun aantal (dertien legioenen tegen acht) en door hun positie, maar werden uiteindelijk op de vlucht gedreven door de onvoorstelbare moed van Caesars oudgedienden. Labienus sneuvelde, Cnaeus Pompeius werd achternagezet en doodgeslagen maar Sextus Pompeius (Pompeius' jongste zoon) ontsnapte en bleef tot Caesars dood een guerrillaoorlog voeren.

Caesar, die in Spanje gezelschap had gekregen van Caius Octavius (de latere Augustus), keerde pas in september naar Italië terug en kwam begin oktober in triomf Rome binnen. Twee van zijn legaten, Quintus Fabius Maximus en Quintus Pedius, mochten ook een triomftocht houden voor hun overwinningen in Spanje. Die triomftochten waren erg pijnlijk omdat iedereen wist dat de vijanden uitsluitend Romeinen waren geweest. Quintus Fabius Maximus werd samen met Caius Trebonius consul voor de laatste drie maanden van het jaar.

De zwaarste slag die Cicero had kunnen treffen was de dood van zijn liefste Tullia in februari. Kort na haar scheiding van Dolabella/Lentulus was Tullia bevallen van een zoontje maar ze overleefde haar kraambed niet lang. Cicero was ontroostbaar; het was haar gezelschap dat hem zo vaak had rechtgehouden. Noch de troostende woorden van zijn vrienden, noch filosofie brachten soelaas. Het liefst van al verbleef hij in zijn buitenhuis in Astura omwille van de eenzaamheid daar. Hij vatte het plan op haar onsterfelijk te maken door de bouw van een gedenkplaats maar verwezenlijkte dat plan nooit. Hij verbood zijn jonge vrouw Publilia botweg naar hem te komen omdat hij haar ervan verdacht zich te verkneukelen in Tullia's dood, en kort daarop scheidde hij van haar.

Cicero's zoon Marcus was een rusteloze kerel. Hij wou onder Caesar dienen in Spanje, zoals zijn neef Quintus (Quintus' zoon) al deed, of anders alleen wonen in Rome. Cicero kon hem tenslotte overhalen om naar Athene te gaan studeren en in maart vertrok hij naar Griekenland. Daar verspilde hij in korte tijd het ruime jaargeld dat Cicero hem had meegegeven en verkeerde in minder goed gezelschap, maar in een brief aan Tiro deed hij of er geen wolkje aan de lucht was.

Eens bekomen van de schok van de dood van Tullia wierp Cicero zich op de filosofie en zette zich aan het schrijven. Naast twee verloren gegane werken (Consolatio en Hortensius) creëerde Cicero nog zijn Academicorum libri IV, De finibus bonorum et malorum en De natura deorum libri III.

Cicero's houding tegenover Caesar begon weer te veranderen. Hoewel hij met succes koning Deiotarus van Galatia verdedigde (die had Pompeius geholpen om aan Caesar te ontkomen na de slag van Pharsalus), begon hij geleidelijk aan zijn geloof te verliezen in de oprechtheid van Caesars bedoelingen om een of andere vorm van republiek te herstellen. De dood van Tullia was hier waarschijnlijk niet vreemd aan (hij begon na een periode van optimisme de toekomst opnieuw zwart in te zien). Al in december 46 schreef Cicero bitter dat Caesar alleen maar minachting had voor de verkiezing van magistraten en schaamteloos decreten doordrukte in de senaat.

Na april was het voor iedereen duidelijk geworden dat Caesar alleenheerser wou worden en, zoals oosterse potentaten, goddelijke eer wou krijgen. In mei werd Caesars standbeeld opgesteld naast dat van Quirinus (de vergoddelijkte Romulus), wat Cicero de sarcastische maar omineuze opmerking ontlokte dat hij Caesar liever bij Quirinus zag dan bij Salus (waarmee hij doelde op het feit dat Quirinus vermoord was door de senatoren). In juli werd Caesars standbeeld meegedragen in een processie van goden.

Naar het einde van het jaar toe bracht Caesar een bezoek aan Cicero in diens villa in Puteoli, ontmoeting die veel vlotter verliep dan Cicero had durven dromen (het gesprek ging dan ook hoofdzakelijk over literatuur). Maar de aanstelling van Caius Caninius Rebilus tot consul op 31 december (na het overlijden van consul Quintus Fabius Maximus op 25 december) krenkte Cicero diep; hij beschouwde het als een zware belediging van de republikeinse instellingen. Voor het jaar 44 waren de consules designati Caesar zelf en Marcus Antonius.

van 1 januari tot 15 maart 44 / Caio Iulio Caesare Marco Antonio consulibus

Caesar, consul voor de vijfde en dictator voor de vierde maal, was de eerste maanden van het jaar druk bezig met de voorbereiding van een expeditie tegen de Parthen; met dat doel had hij een groot leger samengetrokken in Macedonia. Intussen zette zijn hautain optreden en het vermoeden dat hij koning wou worden sommige republikeinen aan tot openlijke oppositie en zelfs tot een samenzwering.

Vroeg in het jaar had een bewonderaar Caesars standbeeld op de rostra versierd met een lauwerkrans. Twee overijverige volkstribunen, Flavus en Marullus, namen de kroon weg, wat Caesar niet beviel: hij had immers de kans niet gekregen de krans te weigeren...

Op 26 januari werd hij door mensen uit de menigte begroet als koning, waarop Caesar het gevatte antwoord gaf: non rex sum sed Caesar. Toen dezelfde twee tribunen de man arresteerden die hem zo het eerst begroet had, was Caesar de speldenprikjes beu; hij liet de twee volkstribunen uit hun ambt ontzetten en uit de senaat sluiten.

In diezelfde periode aanvaardde hij de titel van dictator perpetuus waardoor hij iedereen duidelijk maakte dat hij niet van plan was zijn alleenheerschappij neer te leggen. Bovendien stuurde hij de jonge Caius Octavius (die hij in zijn testament geadopteerd had en tot erfgenaam had benoemd) naar Apollonia. Hij moest daar, terwijl hij zijn studies afmaakte, de soldaten leren kennen van het leger dat tegen de Parthen zou optrekken. Caesar stelde hem verder nog de titel van magister equitum in het vooruitzicht. Het was dus mogelijk dat Caesar het pad effende voor een dynastie...

Tijdens het Lupercaliafeest op 15 februari tenslotte bood consul Marcus Antonius aan Caesar meermaals een diadeem aan (gecamoufleerd door een lauwerkrans), maar telkens weigerde Caesar die te aanvaarden. Hij liet bovendien zorgvuldig akte nemen van zijn weigering...

Op dat ogenblik was de samenzwering tegen Caesar al in volle ontwikkeling; de belangrijkste deelnemers waren stuk voor stuk mensen die hij met weldaden overladen had. Caius Cassius Longinus en Marcus Junius Brutus hadden tegen Caesar gevochten aan de zijde van Pompeius en hadden geprofiteerd van Caesars vergevingsgezindheid; ze hadden zelfs het ambt van praetor aanvaard. Decimus Junius Brutus en Caius Trebonius waren trouwe strijdmakkers van Caesar geweest en kregen belangrijke provincies als Gallia Cisalpina en Asia Minor te besturen.

In welke mate persoonlijke motieven meespeelden bij de samenzweerders of in welke mate oprechte haat voor de alleenheerschappij hen tot deelname bracht, is onmogelijk te achterhalen. Vermoedelijk was Caius Cassius Longinus de aanstoker van het complot; hij was jaloers op Caesars allesoverheersende positie en mateloos geïrriteerd omdat Caesar Marcus Junius Brutus verkoos boven hem. Boegbeeld van de samenzwering was evenwel Marcus Junius Brutus, neef en schoonzoon van Marcus Porcius Cato (hij was gehuwd met Porcia, de weduwe van Marcus Calpurnius Bibulus). Hij was opgevoed tot een man met Griekse idealen (bij voorbeeld: een tiran moet gedood worden) en werd van alle kanten aangemoedigd door zijn vermeende afstamming van de Brutus die Rome van de koningen had bevrijd.

De uitvoering van de moord op Caesar werd versneld door Caesars nakend vertrek naar het oosten. Caesar had na het Lupercaliafeest de comitia de opdracht gegeven een consul suffectus te kiezen om zijn ambt van consul over te nemen na zijn vertrek. Caesar zelf dacht aan Publius Cornelius Dolabella/Lentulus (Cicero's ex-schoonzoon) maar dat was niet naar de zin van Marcus Antonius. Toen de centuriae al voor een deel hun stem hadden uitgebracht en Dolabella onbedreigd op het ambt van consul afstevende, verklaarde Marcus Antonius (die als consul de kiesvergadering voorzat) plots in zijn hoedanigheid van augur dat het een ongunstige dag was en ontbond de comitia centuriata. Cicero klaagde dat die zet van Marcus Antonius ongrondwettig was.

Caesar had zich voorgenomen om op 20 maart te vertrekken. Zijn aanwezigheid in het oosten was vereist om de rust in Syria te herstellen en natuurlijk om de Parthen te straffen voor hun overwinning bij Carrhae. In Syria was de jonge Sextus Caesar, die Caesar als gouverneur had aangesteld, in 47 gedood bij een muiterij die geleid werd door Quintus Caelilius Bassus en de generaals die Caesar had uitgestuurd om de muiterij neer te slaan, hadden geen succes gehad.

De senaat moest vergaderen op 15 maart, waarschijnlijk om Caesars voorbereiding van zijn expeditie goed te keuren en kennis te nemen van wat Caesar verwachtte dat er tijdens zijn afwezigheid in Rome zou gebeuren. In Rome deed het gerucht de ronde dat tijdens deze vergadering Caesar zou uitgeroepen worden tot koning omdat op grond van bepaalde voorspellingen in de Sibyllijnse boeken een Romeinse overwinning op de Parthen alleen mogelijk was als Rome zou geregeerd worden door een koning.

De vergadering had plaats in de curia van Pompeius, een uitbouw van zijn porticus bij zijn theater op het Marsveld. Decimus Junius Brutus overtuigde Caesar geen acht te slaan op voortekens en waarschuwingen en de senaatsvergadering bij te wonen. Marcus Antonius zou Caesar vergezellen maar mocht niet mee sterven (dat was een voorwaarde die Marcus Junius Brutus verbonden had aan zijn deelname aan het complot). Caius Trebonius knoopte een gesprek aan met Marcus Antonius buiten de curia Pompeia om hem te beletten mee binnen te gaan (hij vreesde dat de moed en de trouw van Marcus Antonius de aanslag zou kunnen doen mislukken). Lucius Tillius Cimber overhandigde Caesar een verzoekschrift voor de terugkeer van zijn broer uit ballingschap, en Caesars weigering was het afgesproken teken voor een massale aanval van de samenzweerders. Onder een regen van dolksteken wankelde Caesar achteruit en viel neer aan de voet van het standbeeld van Pompeius, overdekt met drieëntwintig wonden. Marcus Antonius vluchtte naar huis en de senaatsvergadering eindigde in de grootste verwarring.

van 15 maart 44 tot 31 december 44 / Marco Antonio Publio Cornelio Dolabella consulibus

15 en 16 maart waren dagen van totale verwarring in Rome. Na de moord op Caesar was de senaat was uiteengegaan en Marcus Antonius was naar huis gevlucht. Marcus Aemilius Lepidus, Caesars magister equitum en gouverneur van Gallia Narbonensis en Hispania Citerior, stelde zijn vertrouwen in troepen die op het Tibereiland waren gelegerd en op veteranen van Caesar. Hij belegde een samenkomst met Marcus Antonius en bezette op 16 maart het forum. Calpurnia, Caesars weduwe, stelde alle papieren van Caesar en een zeer aanzienlijke geldsom ter beschikking van Marcus Antonius, op dat ogenblik de enige consul.

De samenzweerders werden intussen beschermd door een troep gladiatoren in dienst van Decimus Junius Brutus. De samenzweerders deden - zonder succes - een beroep op het volk en bezetten het Kapitool. Daar belegden ze een senaatsvergadering waar ook Cicero aan deelnam. Dolabella riep zichzelf op het forum uit tot consul en betuigde zijn steun aan de samenzweerders. Die deden op 16 maart opnieuw een beroep op het volk en probeerden via Decimus Junius Brutus onderhandelingen aan te knopen met Marcus Antonius en Marcus Aemilius Lepidus.

Op 17 maart werd 's ochtends vroeg een senaatsvergadering belegd in de tempel van Tellus. Cicero had zijn sympathie al betuigd met de samenzweerders die onmiddellijk na de moord een beroep op hem hadden gedaan, maar had zelf van te voren geen weet gehad van het complot (ook al zou Marcus Antonius hem daar later van beschuldigen). Cicero stelde algemene amnestie voor; enerzijds amnestie voor Caesar omdat hij als alleenheerser had geregeerd, zodat het mogelijk werd al zijn beleidsdaden te bekrachtigen (een maatregel die volgens Marcus Antonius noodzakelijk was om de orde in Rome te kunnen handhaven),en anderzijds amnestie voor de samenzweerders, zodat ze niet konden vervolgd worden voor hun aanslag op Caesar. Dit "Grieks" voorstel, zo in strijd met de rechtlijnigheid van het Romeins rechtvaardigheidsgevoel, werd unaniem goedgekeurd.

Een toespraak van Brutus tot het volk (waarin hij de moord op Caesar verdedigde) en Cicero's pleidooi tot het volk om de amnestie te verdedigen, werden allebei gunstig onthaald. Om te bewijzen dat de eensgezindheid "hersteld" was, ontving Marcus Antonius die avond Cassius en Marcus Aemilius Lepidus was de gastheer van Marcus Junius Brutus.

Intussen hadden Caesars vrienden, geleid door zijn schoonvader Lucius Calpurnius Piso, na lang tegenstribbelen de toestemming van de senaat gekregen om Caesars testament openbaar te maken en om Caesar op 20 maart een begrafenis te geven die paste bij zijn waardigheid van pontifex maximus.

Uit Caesars testament bleek dat hij een kleine geldsom had nagelaten aan elke Romeinse burger, dat hij Caius Octavius als zijn zoon adopteerde en dat die zijn voornaamste erfgenaam was. Toen bleek dat Decimus Junius Brutus (een van de moordenaars) tot de erfgenamen in de tweede lijn behoorde, bracht dat een sterke emotie teweeg bij het publiek. De rede van Marcus Antonius op Caesars begrafenis verhitte de gemoederen nog meer...

Het plebs en de veteranen van Caesar gingen over tot gewelddaden. Ze vielen de huizen van de samenzweerders aan en dwongen hen onder te duiken of Rome te verlaten. Marcus Antonius slaagde erin de republikeinse senatoren gerust te stellen door overleg te plegen over de maatregelen die hij wou nemen tegen de relschoppers en door de senaat toe te laten een decreet te stemmen waarbij een dictatuur als die van Caesar voortaan onmogelijk zou worden. De goede indruk die Marcus Antonius zo maakte, werd nog versterkt toen op 11 april iemand werd terechtgesteld die zich uitgaf voor kleinzoon van Marius. De senaat stond uit dankbaarheid Marcus Antonius toe een lijfwacht te hebben en wees aan de consuls hun provincie voor het volgend jaar toe: aan Dolabella Syria en aan Marcus Antonius Macedonia.

De hoop die bij de republikeinse senatoren gewekt was, werd echter snel tenietgedaan door de manier waarop Marcus Antonius misbruik maakte van de "papieren van Caesar" die door Faberius, een scriba van Caesar, vervalst werden in opdracht van Marcus Antonius zelf. Vanaf midden april riep Marcus Antonius (onder invloed van zijn vrouw en zijn broer) bannelingen terug en schonk hij financiële voordelen aan individuele burgers en groepen. De inhoud van de schatkist in de tempel van Ops slonk verder doordat Marcus Antonius Dolabella omkocht om zich van diens medewerking te verzekeren en geld uitdeelde aan de veteranen die niet te spreken waren over de harde manier waarop Marcus Antonius de rellen tijdens de aanvallen op de huizen van de samenzweerders had neergeslagen.

Op 24 april liet hij, met de steun van Dolabella, een wet stemmen waarbij de veteranen hun stuk grond kregen dat Caesar hen beloofd had en vertrok onmiddellijk naar Campania om zelf toezicht te houden op de toewijzing van de percelen. In Campania ronselde hij een lijfwacht van bijna tienduizend veteranen.

De senaat had ondertussen beslist dat een commissie zich vanaf 1 juni zou buigen over Caesars papieren, samen met de consuls. Omstreeks dezelfde tijd liet Dolabella in Rome een altaar afbreken dat was opgericht ter ere van Caesar en liet de vereerders zwaar straffen. Cicero zag hierin een daad van eer en fatsoen en overlaadde Dolabella met lofbetuigingen.

Zodra het bericht van Caesars dood Apollonia had bereikt, keerde Octavius naar Rome terug om zijn erfenis op te eisen en de naam van zijn adoptiefvader aan te nemen. Begin april kwam hij aan in Brundisium en halverwege april was hij in Campania. Daar boden veteranen van Caesar hem hun steun aan maar hij wees die af.

In Rome aanvaardde hij Caesars erfenis (waardoor zijn naam veranderde van Caius Octavius in Caius Julius Caesar Octavianus). Toen Marcus Antonius uit Campania terugkeerde, vroeg Octavianus hem het geld dat Caesar hem had nagelaten. Marcus Antonius had dat geld natuurlijk al uitgegeven; Octavianus zou dus een groot deel van zijn bezittingen moeten verkopen en geld moeten lenen van familieleden en vrienden om Caesars erfenis aan de begunstigden te kunnen uitbetalen (wat pas in 43 mogelijk was) en om de spelen voor te bereiden die in juli moesten gehouden worden ter ere van Venus genetrix (de stammoeder van Caesars - en nu dus ook zijn eigen - geslacht). Via enkele handlangers slaagde Marcus Antonius erin de officiële bekrachtiging van de adoptie van Octavianus door Caesar uit te stellen door de lex curiata die Octavianus wou laten stemmen, te blokkeren.

Eind april was Caius Trebonius afgereisd naar Asia Minor en Decimus Junius Brutus naar Gallia Cisalpina. Laatstgenoemde bracht daar de zomer door met het organiseren van onbeduidende militaire acties om de sympathie van zijn soldaten te winnen door hen de gelegenheid te geven te plunderen. Marcus Junius Brutus en Cassius hingen nog steeds rond in de buurt van Rome.

Juni was een maand van belangrijke beslissingen. Op 1 juni kreeg Marcus Antonius als provincies Gallia Cisalpina en Transalpina voor vijf jaar, en Dollabella's mandaat over Syria werd uitgebreid tot dezelfde periode. Op 5 juni werd Marcus Junius Brutus ontslagen van zijn verplichting in Rome te blijven als praetor urbanus, en hij en Cassius kregen de opdracht de graantoevoer vanuit de provincies naar Rome te regelen. Tegen hun opdracht in bleven ze beiden in Italië; ze hoopten dat de ludi Apollinares, die op 7 juli in naam van Marcus Junius Brutus zouden gevierd worden, hen opnieuw populair zouden maken bij het volk. Ter gelegenheid van die spelen werd door Marcus Junius Brutus afgekondigd dat de naam van de maand quinctilis voortaan iulius zou worden, wat Cicero met afgrijzen vervulde. De spelen zelf werden weliswaar onthaald op applaus maar hadden voor de rest niet het verhoopte resultaat.

Na de senaatszitting van 17 maart nam Cicero gedurende ongeveer zes maanden geen deel meer aan het politieke leven. Hij wijdde zich aan de literatuur en schreef in die periode De divinatione libri III, De fato, de gloria, Cato maior sive de senectute, Laelius sive de amicitia en Topica. Op 7 april verliet hij Rome en reisde naar het zuiden via Tusculum, Lanuvium, Astura, Fundi, Formiae en Sinuessa. De laatste helft van april was zijn villa bij Cumae zijn vaste stek, terwijl de eerste helft van mei verdeeld werd tussen Pompeii en Puteoli. Vandaar vertrok hij via Sinuessa naar Arpinum en na een verblijf van enkele dagen in zijn geboortestreek reisde hij naar Tusculum waar hij op 27 mei aankwam en bijna heel juni verbleef (de week van 8 tot 15 juni bracht hij door in Antium of de omgeving van Antium). In Tusculum schreef hij zijn Tusculanae disputationes libri III.

Cicero's aanvankelijk enthousiasme over de moord op Caesar had snel plaats gemaakt voor sombere bezorgdheid toen hij moest vaststellen dat de besluiteloosheid en de kortzichtigheid van de samenzweerders Marcus Antonius in staat hadden gesteld het roer in handen te nemen. Hoewel hij beleefdheden bleef uitwisselen met Marcus Antonius en een tijdje gerustgesteld werd door het krachtdadig optreden van Dolabella, had hij geen echt vertrouwen in de aanhangers van Caesar, noch in gematigden als Caius Matius of de consules designati Aulus Hirtius en Caius Vibius Pansa. Evenmin kon het sluwe gevlei van Octavianus hem blind maken voor het feit dat Octavianus geen vriend kon zijn van de moordenaars van zijn "vader".

Het bericht dat Marcus Antonius zich Gallia als provincie had laten toekennen en zijn gekonkel met de veteranen in Campania maakten Cicero bang dat een nieuwe burgeroorlog tot de mogelijkheden behoorde. Hij bleef de moord op Caesar goedkeuren maar zag terzelfder tijd hoe zwak de positie van de samenzweerders was zonder leger waarop ze konden steunen. Marcus Junius Brutus en Cassius hadden in het belang van de vrede zelfs de cliënten naar huis gestuurd die zich vanuit steden buiten Rome rond hen verzameld hadden. Hun hulpeloosheid kwam scherp aan het licht toen ze op een vergadering van de samenzweerders in Antium op 8 juni urenlang discussieerden of ze nu het (eigenlijk beledigende) voorstel van Marcus Antonius om zich bezig houden met de graanbevoorrading van Rome zouden aanvaarden of niet, en het uiteindelijk aanvaardden...

Cicero besefte dat hij door terug te keren naar Rome de zaken niet vooruit kon helpen en besloot een voornemen uit te voeren dat hij al een tijdje gemaakt had: hij wou een half jaar naar Griekenland gaan. Daar zou hij zijn zoon Marcus in Athene kunnen bezoeken en nagaan wat hij daar zoals had uitgespookt, want van meerdere kanten had hij weinig geruststellende berichten gekregen. Op 2 juni werd hij tot speciaal legaat aangesteld door Dolabella zodat hij de toestemming had om Italië te verlaten. Toch vertrok hij niet onmiddellijk omdat hij niet het nodige geld bij elkaar kreeg; Dolabella kon hem een uitstaande schuld niet terugbetalen. Cicero maakte van de gelegenheid gebruik wat orde te scheppen in zijn zaken. Wat hem er natuurlijk ook van weerhield onmiddellijk naar Griekenland te gaan, was de vrees dat men hem ervan zou beschuldigen de republikeinse zaak in de steek te laten.

Op 30 juni vertrok Cicero vanuit Tusculum en reisde via Anagnia, Arpinum en Formiae naar Puteoli waar hij op 7 juli aankwam. Hij bleef enkele dagen in Puteoli en voerde er twee gesprekken met Marcus Junius Brutus; daarin vertelde Brutus hem dat hij niet uit Italië zou vertrekken vooraleer hij wist welk effect de ludi Apollinares op de bevolking van Rome hadden gehad. Cicero vernam verder dat zijn neef Quintus partij had gekozen voor de republikeinen (een keuze die Quintus tot zijn dood trouw zou blijven).

Vanuit Pompeii vertrok Cicero op 17 juli naar Griekenland. Hij was in Velia op 20 juli en in Rhegium op 28 juli (tussen deze twee plaatsen schreef hij de Topica). Op 1 augustus was hij in Syracusae vanwaar hij de volgende dag aan de oversteek naar Griekenland begon, maar tegenwind dreef hem terug naar Leucopetra. Daar vernam hij dat er een verzoening mogelijk was tussen Marcus Antonius enerzijds en Marcus Junius Brutus en Cassius anderzijds. Marcus Antonius zou bereid zijn Gallia als provincie af te staan en Marcus Junius Brutus en Cassius zouden Italië verlaten, allemaal in het belang van de vrede. Dat ze in een adem ook ieder een belangrijke provincie (met leger!) vroegen, wat leidde tot een boze briefwisseling tussen Marcus Antonius en zijn twee rivalen, wist Cicero niet. Toen hij nog een brief kreeg waarin Atticus hem het verwijt maakte dat hij zijn vaderland in de steek liet, besloot hij naar Rome terugkeren om aanwezig te kunnen zijn op een senaatsvergadering die belegd was op 1 september.

Cicero maakte dus rechtsomkeer en op zijn terugreis ontmoette hij Marcus Junius Brutus op 17 augustus in Velia. Die wist hem te vertellen dat de vader van Caesars weduwe Calpurnia, Lucius Calpurnius Piso (iemand die bekend stond als afkerig van extremisme), in volle senaat Marcus Antonius had aangevallen maar van niemand steun had gekregen, en dat het tot een breuk gekomen was tussen Marcus Antonius en de moordenaars van Caesar. Cicero zag in dat de situatie hopeloos was, wat hij ook uit de brieven van zijn vriend Caius Matius had kunnen afleiden. Toch reisde hij verder en kwam op 31 augustus in Rome aan.

Sinds Cicero de stad had verlaten op 30 juni was de politieke situatie hoegenaamd niet veranderd. Marcus Antonius, die zich door een regeling in verband met de provincies van de steun van Dolabella verzekerd had, poogde nu de veteranen voor zich te winnen door hen een stuk grond te geven op basis van een akkerwet die zijn broer Lucius Antonius (volkstribuun) had laten stemmen.

In juli was Antonius echter tot de vaststelling gekomen dat Octavianus steeds populairder werd, wat onder meer gebleken was uit zijn spelen ter ere van Venus genetrix tussen 20 en 30 juli (toen manifesteerde zich de sidus Caesareum, een komeet die beschouwd werd als een aanwijzing van Caesars goddelijkheid). Dus zocht Marcus Antonius toenadering tot Marcus Junius Brutus en Caius Cassius Longinus, maar hij bleek niet bereid de prijs te betalen die ze voor hun medewerking vroegen. Begin augustus had Marcus Antonius definitief met Brutus en Cassius gebroken en had veteranen, soldaten en volk voor zich proberen te winnen door wetten te laten stemmen die niet in overeenstemming waren met Caesars wetgeving. Marcus Antonius wou aan de juryleden centurionen en veteranen toevoegen en recht op hoger beroep bij het volk geven aan allen die veroordeeld waren wegens vis of maiestas. Hij dacht hierbij vooral aan zijn eigen aanhangers; die waren nogal uit de bol gegaan om de situatie van hun leider veilig te stellen en maakten geen schijn van kans als ze zouden moeten verschijnen voor een rechtbank waarvan de juryleden uitsluitend uit de hoogste klassen kwamen.

Op 1 september vroeg Marcus Antonius aan de senaat of het opportuun was een dag toe te voegen aan de supplicatio ter ere van Caesar. Hij weigerde de verontschuldiging van de afwezige Cicero te aanvaarden (vermoeidheid van de reis) en dreigde ermee hem te dwingen aanwezig te zijn. De volgende dag nam Cicero, in afwezigheid van Marcus Antonius, het woord in de senaat (Philippica I). Cicero trachtte de consuls te overtuigen van de vergissing die ze bezig waren te begaan; daarbij doseerde hij zorgvuldig lof en blaam voor de aanwezige consul Dolabella en sprak een strenge aanklacht (maar nog zonder persoonlijke aanvallen) uit tegen de politiek die Marcus Antonius de laatste maanden gevoerd had.

Marcus Antonius antwoordde op 19 september met een scherpe aanval op Cicero's politieke carrière, en op 2 oktober beschuldigde hij Cicero in een rede tot de senaat en het volk de instigator te zijn geweest van de moord op Caesar. Hij viel ook Octavianus aan die hij ervan verdacht hem naar het leven te staan.

Op 9 oktober verliet Marcus Antonius Rome en vertrok naar Brundisium, waar drie legioenen die uit Macedonia kwamen, op hem wachtten. Ze hadden echter al het bezoek gekregen van agenten van Octavianus en verwierpen dus de voorstellen die Marcus Antonius hen deed; ze lachten hem zelfs uit toen hij begon te dreigen. Waarop Antonius de leiders van het verzet tegen hem liet terechtstellen en naar Rome marcheerde met het vijfde legioen; de legioenen uit Macedonia moesten langs de kustweg naar Gallia Cisalpina trekken.

Marcus Antonius arriveerde midden november in Rome, vergezeld van een gewapende lijfwacht. Hij belegde een senaatsvergadering voor 24 november met de bedoeling definitief af te rekenen met zijn tegenstanders, en dan vooral met Octavianus. Maar voor die datum kwam er een legioen tegen Antonius in opstand en bezette de stad Alba, waarna een ander legioen dat voorbeeld volgde. Marcus Antonius was intussen in Tibur druk in de weer om zijn greep op zijn legioenen en sympathisanten te verstevigen en zag zich door de gebrutenissen gedwongen de geplande senaatsvergadering te verdagen tot 28 november.

In die vergadering beperkte hij zich ertoe Marcus Aemilius Lepidus te eren en snel de toekenning van de provincies voor 43 aan te passen (Macedonia moest naar zijn broer Caius Antonius gaan). Een laatste verzoeningspoging mislukte door de onverzettelijkheid van Lucius Antonius, Antonius' andere broer. Marcus Antonius was er niet in geslaagd de revolterende legioenen opnieuw voor zich te winnen en op 29 november verliet hij in alle vroegte Rome. Hij trok naar Gallia Cisalpina waar Decimus Junius Brutus zich verplicht zag zich terug te trekken in Mutina.

Zodra Marcus Antonius vertrokken was, lichtte Octavianus een aanzienlijk leger van veteranen in Campania en marcheerde naar Rome. Op verzoek van volkstribuun Tiberius Cannutius sprak hij het volk toe; Octavianus probeerde uit te leggen dat het uitsluitend de vijandige houding van Marcus Antonius was geweest die hem, Octavianus, in de positie van vijand gemanoeuvreerd had. Hij gaf Arretium op als verzamelplaats van zijn strijdmacht en vertrok daar in december heen met de legioenen die hem trouw gezworen hadden.

Cicero durfde na zijn Philippica I niet meer in de senaat verschijnen maar bleef wel in Rome tot Marcus Antonius naar Brundisium vertrokken was op 9 oktober. Hij werkte aan een antwoord op Antonius' beschuldigingen - die bijtende en vernietigende Philippica II - waarvan hij de tekst naar Atticus stuurde voor eventuele kritiek (hij publiceerde zijn Philippica II pas na het vertrek van Marcus Antonius naar Gallia op 29 november).

Cicero verbleef ongeveer twee weken in Puteoli (eind oktober-begin november) en bijna een maand in Arpinum. In deze periode schreef hij zijn laatste filosofisch werk, De officiis libri III. Op 9 december was Cicero opnieuw in Rome waar hij zich wijdde aan het schrijven van brieven naar bevriende provinciegouverneurs die hij vroeg trouw te blijven aan de republiek.

Op 20 december was Cicero nog eens in de gelegenheid een politieke redevoering af te steken (Philippica III). De nieuwe volkstribunen die op 10 december hun ambt hadden opgenomen, hadden voor die dag de senaat bijeengeroepen om maatregelen te treffen waardoor het opnieuw mogelijk zou worden vrijuit zijn mening te laten horen onder het bewind van de nieuwe consuls. Cicero beperkte zich evenwel niet tot dat punt van de dagorde; hij viel Marcus Antonius aan, liet Octavianus en Decimus Junius Brutus dank te betuigen voor hun verzet tegen Antonius en stelde voor alle provinciegouverneurs te laten weten dat ze op post moesten blijven tot ze van hun ambt ontheven werden door een senaatsbesluit (waardoor hij Antonius' laatste regeling voor de toekenning van de provincies ongedaan wou maken).

Dezelfde dag sprak hij ook tot het volk waar hij de verdiensten van Octavianus en Decimus Junius Brutus ophemelde (Philippica IV). Nog geen maand vroeger had Cicero groot wantrouwen gekoesterd tegen Caesars erfgenaam; nu - zo verklaarde hij tenminste - had hij het volste vertrouwen in hem.

Cicero zag voor zichzelf een dubbele opdracht. Ten eerste moest hij in de senaat de politiek van de republikeinse partij vorm geven en het lauwe enthousiasme van de kopstukken van die partij aanwakkeren. Hoewel hij hierin vaak werd tegengewerkt door Quintus Fufius Calenus (een felle aanhanger van Antonius) en moest opboksen tegen het gebrek aan medewerking van de boegbeelden van de senaat, bereikte hij zijn doel. Zijn tweede taak, de provinciegouverneurs in het westen (die welwillend stonden tegenover Octavianus) loyaal te laten blijven tegenover de senaat, ging Cicero's krachten te boven. Louter woorden, hoe welsprekend ook, vermochten niets tegen geweld, en oproepen tot de gouverneurs om hun plicht te blijven vervullen en volgens hun geweten te handelen waren niet opgewassen tegen de macht van ambitie en hebzucht.

1 januari tot 7 december 43 / Caio Vibio Pansa Caetroniano Aulo Hirtio consulibus / Caio Iulio Caesare Octaviano Quinto Pedio consulibus / PublioVentidio Basso Caio Carrena consulibus

Op 1 januari zaten de nieuwe consuls Aulus Hirtius en Caius Vibius Pansa een belangrijke senaatsvergadering voor. Pansa vroeg zijn schoonvader Quintus Fufius Calenus om zijn mening. Die stelde voor, hierin gesteund door Lucius Calpurnius Piso, om een gezantschap naar Marcus Antonius te sturen vooraleer tot handelen over te gaan. Cicero antwoordde met een oproep om de wapens op te nemen, de consuls alle nodige bevoegdheden toe te kennen en amnestie te verlenen aan alle medestanders van Antonius die hem voor 1 februari in de steek zouden laten (Philippica V).

Op 3 januari werden eerbewijzen toegekend aan Decimus Junius Brutus, Marcus Aemilius Lepidus en Octavianus; deze laatste had daar vanwege zijn leeftijd geen recht op maar dat probleem omzeilde de senaat door aan Octavianus een imperium pro praetore toe te kennen.

Op 4 januari stuurde de senaat evenwel gezanten naar Marcus Antonius die eisten dat hij Gallia Cisalpina zou ontruimen, 200 mijl van Rome zou blijven en senaat en volk van Rome zou gehoorzamen; als aan die voorwaarden niet voldaan werd, zou dat tot oorlog leiden. De drie gezanten waren Servius Sulpicius Rufus, Lucius Calpurnius Piso en Lucius Marcius Philippus. In een toespraak tot het volk gaf Cicero lucht aan zijn ongenoegen over deze halfslachtige maatregel en voorspelde hij dat Marcus Antonius zich niet zou schikken naar de wensen van de senaat (Philippica VI).

De onderhandelaars begaven zich op 5 januari naar het kamp van Marcus Antonius. De grenzen waarbinnen ze hun opdracht moesten vervullen waren zeer strikt; het was Servius Sulpicius Rufus die ze had vastgelegd. Spijtig genoeg overleed Sulpicius voor het gezantschap het kamp van Marcus Antonius bereikte en de twee overige gezanten waren noch even handig noch even standvastig als hun gestorven collega.

Tijdens hun afwezigheid sprak Cicero nogmaals de senaat toe (Philippica VII): vrede, zei hij, was gevaarlijk, eerloos en onmogelijk. Nog in januari vertrok Aulus Hirtius naar de streek waar Marcus Antonius nog steeds Decimus Junius Brutus belegerde. Hij nam het commando over van Octavianus in Ariminium en voor het einde van januari had hij Claterna ingenomen terwijl Marcus Antonius nog steeds Bononia bezette. Ondertussen was Caius Vibius Pansa in Rome bezig een leger te lichten en geld te vindn voor de oorlog.

Op 1 februari keerden Lucius Calpurnius Piso en Lucius Marcius Philippus in Rome terug. Marcus Antonius had geen toegevingen willen doen en had hen geen toelating gegeven overleg te plegen met Decimus Junius Brutus. Ze hadden wel tegenvoorstellen meegekregen van Antonius die een goedkeuring inhielden van zijn beleidsdaden tot dan toe, beloningen voor zijn soldaten en een provincie en een leger voor hemzelf. Op 2 februari oordeelde de senaat dat deze voorstellen onaanvaardbaar en onduldbaar waren en verklaarde de "oorlog" aan Marcus Antonius zonder echter het woord bellum te gebruiken; de enige term die de senatoren durfden gebruiken was tumultus, een uiting van lafheid die Cicero met grenzeloos misprijzen vervulde (Philippica VIII).

Op 3 februari sprak Cicero in de senaat een lofrede uit over de overleden Servius Sulpicius Rufus (Philippica IX) en stelde voor dat voor hem een standbeeld zou worden opgericht nabij de rostra, een eer die tot dan toe alleen te beurt was gevallen aan gezanten die gedood (en niet gestorven) waren in dienst van het vaderland.

Op 4 februari kwam in Rome een belangrijke boodschap aan van Marcus Junius Brutus, een soort overzicht van wat hij allemaal gepresteerd had. Sinds hij in augustus 44 uit Italië vertrokken was, had hij blijkbaar de besluiteloosheid, die zijn vroegere carrière had gekenmerkt, afgelegd.

In de herfst was hij in Athene geweest waar hij Marcus Cicero (Cicero's zoon) en Quintus Horatius Flaccus had ingelijfd als officieren. Geld had hij in handen gekregen door de in Asia Minor geïnde belastingen te aanvaarden die quaestor Marcus Appuleius hem had aangeboden, wapens had hij gevonden in een opslagplaats die Caesar had laten aanleggen in Demetrias met het oog op de oorlog tegen de Parthen. In Griekenland lichtte hij een klein leger en toen hij daarmee Macedonia binnentrok, werd hij door de gouverneur daar, Quintus Hortensius, erkend als zijn vervanger en opvolger. Hij had zijn leger kunnen uitbreiden door troepen onder het bevel van officieren van Antonius en Dolabella te overhalen zich bij hem aan te sluiten. Ook Publius Vatinius, de gouverneur van Illyricum, had hij makkelijk kunnen overtuigen zijn zijde te kiezen. Tenslotte had hij zonder moeite de kleine troepenmacht van Caius Antonius, die geland was in Dyrrhachium om de provincie Macedonia op te eisen, kunnen overwinnen.

In het debat dat volgde op de voorlezing van dit verslag stelde Quintus Fufius Calenus voor dat Brutus afstand zou doen van zijn provincie en zijn troepen, maar de senaat aanvaardde Cicero's voorstel om goed te keuren wat Marcus Junius Brutus had gedaan en bevestigde hem in zijn nieuwe positie. In dezelfde redevoering (Philippica X) had Cicero de precedenten ingeroepen van Octavianus en Decimus Junius Brutus, die ook zonder wettelijke basis gehandeld hadden, en had hij met minachting de idee verworpen dat de senaat zich zou plooien naar de eisen van veteranen.

Omstreeks eind februari kwam er belangrijk nieuws uit het oosten. Publius Cornelius Dolabella/Lentulus was in oktober 44 uit Rome vertrokken om zijn post van gouverneur in Syria op te nemen. Een deel van zijn troepen in Macedonia was overgelopen naar Marcus Junius Brutus maar aan het hoofd van het legioen dat hem trouw was gebleven, marcheerde hij doorheen Asia Minor naar zijn ambtsgebied. In Smyrna overmeesterde hij door een list gouverneur Caius Trebonius, liet hem folteren en stelde hem vervolgens terecht (januari 43). De senaat was zwaar aangeslagen door het barbaarse optreden van Dolabella; Quintus Fufius Calenus stelde voor hem tot staatsvijand te verklaren en zijn bezittingen in beslag te nemen. Dit voorstel werd aanvaard, maar Cicero slaagde er niet in de senaat te overtuigen om de leiding van de oorlog tegen Dolabella toe te vertrouwen aan Caius Cassius Longinus, die enkele successen had geboekt in Syria (Philippica XI). Er werd integendeel beslist dat de consuls Hirtius en Pansa eerst Decimus Junius Brutus in Mutina moesten ontzetten om dan te loten om de provincies Asia Minor en Syria. Cicero probeerde het senaatsbesluit nog ongedaan te maken in de volksvergadering, maar door een voor hem onbegrijpelijk gebrek aan steun van Cassius' familieleden slaagde hij daar niet in.

Na het mislukken van het eerste gezantschap naar Marcus Antonius was er in de senaat voorgesteld een tweede gezantschap te sturen. Cicero verzette zich daar hevig tegen maar toen Antonius' vrienden in de senaat voorwendden geen hoop meer te hebben dat Antonius zijn plannen nog zou kunnen realiseren en zinspeelden op vermoedelijke toegevingen van zijn kant, liet Cicero zich overhalen om samen met vier anderen met Antonius te gaan onderhandelen. Zodra hij die toezegging gedaan had, veranderde echter de toon van Antonius' steunpilaren Quintus Fufius Calenus en Lucius Calpurnius Piso. Cicero begreep dat hij in een hinderlaag van Antonius dreigde terecht te komen en trok zijn belofte om mee te gaan in (Philippica XII); toen ook Publius Servilius Isauricus (een aanhanger van Octavianus) dat deed, viel het hele plan van Marcus Antonius in duigen.

Op 19 maart keurde de senaat het optreden van Quintus Cornificius goed die Caius Calvisius Sabinus (de door Antonius aangestelde gouverneur van Africa) belet had bezit te nemen van de provincie. Dezelfde dag keurde de senaat de herstelling goed van een beeld van Minerva dat Cicero in 58 op het Kapitool had laten plaatsen en dat tijdens een storm overgevallen was; Cicero was daar erg mee in zijn nopjes.

Pansa verliet Rome aan het hoofd van vier legioenen rekruten op 20 maart. Na zijn vertrek arriveerde in de stad een boodschap van Marcus Aemilius Lepidus, gouverneur van Hispania Citerior, en Lucius Munatius Plancus, gouverneur van Gallia Comata (het door Caesar veroverde Gallia). De praetor urbanus, Marcus Cornutus, riep dus de senaat bijeen om de inhoud van de brief te bespreken: of het niet beter zou zijn een verzoening na te streven met Marcus Antonius? Publius Servilius Isauricus stelde voor Marcus Aemilius Lepidus te bedanken voor zijn bericht maar hem op de hoogte te brengen dat vredesgesprekken onmogelijk waren zolang Antonius de wapens niet had neergelegd. Cicero steunde dat voorstel en leverde in dezelfde redevoering bijtend commentaar op een brief van Antonius aan Hirtius en Octavianus (Philippica XIII).

Cicero schreef onmiddellijk een brief naar Plancus en een naar Marcus Aemilius Lepidus; Plancus wees hij in vriendelijke maar besliste bewoordingen terecht, Lepidus verweet hij kil en streng zijn ondankbaarheid tegenover de senaat. Begin april ontving de senaat een meer bevredigende boodschap van Plancus. Daarin legde Plancus uit dat hij zich voorheen niet duidelijk had durven uitspreken omdat hij eerst zeker moest zijn van de trouw van zijn soldaten en de inwoners van zijn provincie. Cicero bedankte Plancus voor zijn boodschap en stelde op 7 april in de senaat voor Plancus officieel dank te betuigen, maar stuitte op verzet van praetor urbanus Marcus Cornutus en volkstribuun Publius Titius.

Omstreeks dezelfde tijd kreeg Cicero ook een brief van Caius Asinius Pollio waarin die schreef dat hij naar vrede verlangde, benadrukte dat hij niet onder een alleenheerser kon leven en verklaarde trouw te blijven aan de senaat; terzelfder tijd klaagde hij over het feit dat hij in zijn provincie Hispania Ulterior geen instructies kreeg van Rome. Cicero had echter niet veel vertrouwen in Pollio (net zo min als in Marcus Aemilius Lepidus), want in een brief aan Cassius verklaarde hij dat als de zaken bij Mutina verkeerd zouden aflopen (als Antonius dus zou winnen), er alleen nog Marcus Junius Brutus en Cassius overbleven om de leiding van de republikeinen op zich te nemen.

Intussen naderde Caius Vibius Pansa met zijn legioenen Mutina. Marcus Antonius had zijn troepen van Bononia weggetrokken om ze te gebruiken in het beleg van Mutina. Toen het nieuws van de nadering van Pansa het kamp van Antonius bereikte, liet die zijn broer Lucius Antonius een oogje houden op Aulus Hirtius en Octavianus en rukte zelf uit met een sterke troepenmacht om Pansa's rekruten te beletten het kamp van Hirtius en Octavianus te bereiken.

Hirtius had echter al een legioen uitgestuurd om Pansa naar zijn kamp te begeleiden en Servius Sulpicius Galba vooruitgestuurd om Pansa van de nadering van dat legioen op de hoogte te brengen. Pansa ontmoette de soldaten van Hirtius en rukte verder op langs de Via Aemilia. Hij liet het terrein waar hij moest langskomen echter niet grondig verkennen en op de plaats waar de weg door een moeras liep, viel hij in een hinderlaag van Marcus Antonius. Pansa raakte gewond en werd met zware verliezen teruggedreven naar zijn vorige kampplaats. Hirtius overviel echter de ongeordend terugkerende soldaten van Marcus Antonius en alleen het invallen van de nacht behoedde Antonius voor een totaal verlies van zijn soldaten. Intussen had Octavianus een aanval op zijn kamp afgeslagen.

Het nieuws van de overwinning bereikte Rome op 20 april (via een officieel verslag van de consuls en Octavianus aan de senaat, en via een brief van Galba aan Cicero). De vreugde was des te groter omdat er al geruchten waren geweest dat de troepen van Hirtius en Pansa een zware nederlaag hadden geleden. Toen Cicero naar het Kapitool ging om een dankoffer te brengen, werd hij door een enthousiaste menigte begeleid.

De volgende dag las praetor urbanus Marcus Cornutus het verslag van de overwinning bij Forum Gallorum voor in de senaat; de consuls vroegen de senaat een supplicatio toe te staan voor de behaalde overwinning. Publius Servilius Isauricus stelde een decreet voor om aan de wensen van de consuls tegemoet te komen maar weigerde nog steeds de termen hostis (voor Marcus Antonius) en imperatores (voor de consuls) te gebruiken. Cicero wees er in zijn laatst bewaarde redevoering op (Philippica XIV) dat een supplicatio niet kon worden toegekend tenzij de gebruikte termen ook de wettelijk voorziene termen waren. Hij kon de senaat overtuigen om een supplicatio van vijftig dagen toe te kennen, om een monument op te richten voor de gevallenen en om hun nabestaanden en de soldaten die de slag overleefd hadden beloningen toe te kennen.

Na de gevechten in de buurt van Forum Gallorum concentreerden Hirtius en Octavianus hun troepen voor Mutina. Ongeveer een week later (vermoedelijk op 21 april) was Hirtius Marcus Antonius te snel af en dwong hem tot een geregeld gevecht waarbij Antonius de nederlaag leed en verplicht was het beleg van Mutina op te geven. Maar ook de overwinnaars hadden ernstige verliezen geleden in deze hard bevochten strijd; Hirtius was gesneuveld en twee dagen later stierf Pansa aan de wonden die hij had opgelopen in de slag nabij Forum Gallorum.

Van de overlevende generaals weigerde Octavianus de achtervolging op Marcus Antonius in te zetten en kon Decimus Junius Brutus dit niet doen bij gebrek aan ruiterij. Antonius raakte ongehinderd weg en in Vada voegde hij zich bij drie legioenen die Publius Ventidius Bassus gelicht had. Op 26 april werd Marcus Antonius eindelijk door de senaat tot staatsvijand verklaard.

De senaat had Marcus Aemilius Lepidus, gouverneur van Hispania Citerior, en Lucius Munatius Plancus, gouverneur van Gallia Comata, opdracht gegeven Marcus Antonius in te sluiten en te vernietigen; Antonius was inderdaad naar Gallia Narbonensis getrokken waar hij op 15 juni aankwam. Daar had Lepidus zijn kamp opgeslagen aan de oever van de Argenteus, niet ver van Forum Voconii. Het duurde niet lang voor Antonius zijn kamp in de buurt opsloeg en zowel Lepidus als diens soldaten begon te bewerken. Op 22 mei had Lepidus nog een brief geschreven naar Cicero waarin hij zijn trouw aan het republikeinse ideaal beleed, maar dat belette hem niet op 29 mei gemene zaak te maken met Antonius.

Het leger van Lepidus en Antonius telde ongeveer 80.000 soldaten van wie het grootste deel veteranen waren. Toen Plancus met zijn leger de Isara was overgestoken om Lepidus tegen Antonius te komen helpen, vernam hij dat beide generaals al samenwerkten. Hij trok zich achter de Isara terug om op de komst van Decimus Junius Brutus te wachten.

Lepidus liet in Rome weten dat hij onder dwang van zijn soldaten had gezwicht voor Marcus Antonius, maar de senaat geloofde hem niet en riep hem eensgezind staatsvijand op 30 juni.

Na de overwinning van de republikeinen bij Mutina liet de senaat al snel in zijn kaarten kijken. Decimus Junius Brutus kreeg een triomftocht terwijl Octavianus zich moest tevreden stellen met een ovatio. Bovendien kreeg Decimus Brutus het opperbevel over de legers van de gesneuvelde consuls (een bevel waaraan de veteranen in die legers niet van plan waren te gehoorzamen). Cassius werd bevestigd in zijn opdracht in het oosten; Sextus Pompeius kreeg het oppercommando ter zee; Marcus Junius Brutus mocht zijn gang gaan in Macedonia... Zelfs de meest gematigde aanhanger van Caesar zag in dat alle belangrijke provincies in handen werden gegeven of gelaten van hun vijanden!

De senaat probeerde bovendien de veteranen te laten voelen dat niet hun generaal maar de senaat zelf bevoegd was voor de beloningen aan veteranen in de vorm van akkerverdelingen. De senaat richtte dus een commissie van tien op om toe te zien op de verdeling van gronden onder de veteranen maar gaf hun generaals daarin geen zitting, wat de veteranen niet wilden aanvaarden. De senaat richtte nog een andere commissie van tien op om Antonius' wetgeving te onderzoeken, maar onmiddellijk deed het gerucht de ronde dat de regelingen die Caesar zelf nog getroffen had, zouden afgeschaft worden. Wat de stemming onder de soldaten er niet op verbeterde...

Cicero bleef zowel Lucius Munatius Plancus als Decimus Junius Brutus aansporen om de oorlog zo snel mogelijk te beëindigen en Marcus Antonius uit te schakelen; hij was dan ook in de wolken toen hij vernam dat hun legers begin juni de krachten gebundeld hadden. De mankracht van het verzamelde leger was minstens even groot als die van het leger van Antonius en Lepidus, maar er waren slechts vier getrainde legioenen. Daarom durfden Plancus en Decimus Brutus niet in het offensief gaan, wat Antonius goed uitkwam want intrigeren en winnen zonder te vechten scheen hem interessanter dan het risico van een veldslag. Caius Asinius Pollio liet vanuit Hispania Ulterior aan de senaat weten dat hij behoorlijk boos was omdat de senaat hem nog niet om hulp had verzocht, maar kon intussen op zijn gemak afwachten hoe de situatie zou evolueren.

In Italië was de breuk tussen Octavianus en de senaat overduidelijk geworden. Octavianus had via via een grapje van Cicero over hemzelf gehoord en was daar behoorlijk boos om geworden. Hij had alle belangrijke provincies zien overgaan in de handen van moordenaars van zijn vader. Hij was boos om de verdeling van de eerbewijzen op grond van de overwinning bij Mutina. Hij had genoeg van de pogingen van de senaat om een wig te drijven tussen zijn leger en hemzelf. Hij zag in dat de breuk tussen hem en Marcus Antonius nog ongedaan kon gemaakt worden, wat niet meer het geval was voor de breuk tussen hem en de republikeinen.

Hij onthield zich dus aanvankelijk van elke tegen Antonius gerichte actie en begon in het geheim contact met Antonius en Lepidus te zoeken. Toen tastte hij het terrein af bij zijn troepen en was verheugd vast te stellen dat ze genoeg hadden van het gekonkel van de senaat. Het was dan een koud kunstje om zijn soldaten zo ver te brengen dat ze begonnen te schreeuwen dat hij, Octavianus, consul moest worden. Zijn jeugdige leeftijd maakte dat wettelijk gezien onmogelijk, maar op 3 januari had de senaat daar zelf al een oplossing voor gevonden...

De republikeinen in de senaat deden nu een wanhopig beroep op hun vrienden in de provincies om hen te hulp te komen, vooral op Quintus Cornificius (gouverneur van Africa) en Marcus Junius Brutus (gouverneur van Macedonia). Uit Africa kwamen twee legioenen de republikeinen te hulp, maar ze liepen kort daarna over naar Octavianus. Uit Macedonia kwam er geen hulp omdat Marcus Junius Brutus boos was op Cicero wegens diens goede relatie met Octavianus. In Cicero's laatst bewaarde brief van 27 juli, gericht aan Marcus Brutus, drong hij nog aan op een snelle interventie.

In juli bereikte een afvaardiging van Octavianus' leger Rome en vroeg de senaat aan Octavianus het ambt van consul toe te kennen; de senaat weigerde op grond van zijn leeftijd. Toen ze daarna vroegen om af te zien van een onderzoek van Marcus Antonius' wetgeving, weigerde de senaat opnieuw, blind voor de mogelijkheid dat ze door hun botte antwoorden misschien Octavianus in de armen hadden gedreven van Antonius en Lepidus.

Toen de afvaardiging onverrichter zake was teruggekeerd bij hun krijgsmakkers, eisten die luidkeels dat ze naar Rome wilden oprukken, een verzoek waaraan Octavianus maar al te graag gevolg gaf. Begin augustus stak hij de Rubico over met acht legioenen, ruiterij en hulptroepen en marcheerde op Rome. De paniek die bij het horen van dat bericht Rome had overvallen, ebde even weg toen bleek dat de legioenen uit Africa waren geland en dat die, samen met een legioen rekruten dat Pansa had achtergelaten, hun kamp hadden opgeslagen buiten de stad. De legioensoldaten uit Africa waren echter meestal veteranen van Caesar en werden al bewerkt door agenten van Octavianus die erg gul waren met hun beloften. Toen Octavianus met zijn leger in het zicht van Rome kwam, liepen de drie legioenen naar hem over en kwam het plebs uit de stad gelopen om hem te verwelkomen.

De senaat had nu geen bescherming meer. Marcus Cornutus, de praetor urbanus, een republikein van de harde lijn, liet zich op zijn zwaard vallen. Cicero ging naar Octavianus om hem te begroeten en kreeg de spottende opmerking van Octavianus te horen dat "hij de laatste van zijn vrienden was die bij hem zijn opwachting was komen maken".

In de loop van de avond deed plots het gerucht de ronde dat twee van de elf legioenen buiten de muren tegen Octavianus in opstand waren gekomen. Onmiddellijk werd een senaatsvergadering belegd waar ook Cicero hoopvol heen ging. Toen evenwel bleek dat het gerucht vals was, stoven de senatoren uiteen en repten zich onder bescherming van het nachtelijk duister naar hun huizen. Onderwerping scheen het enige wat hen nog restte...

Er werd een oplossing gezocht - en gevonden - voor het houden van verkiezingen voor het ambt van consul (die uitsluitend door een consul konden voorgezeten worden). Een praetor zou de verkiezingen leiden, bijgestaan door twee afgevaardigden van de senaat met de bevoegdheden van consul. Octavianus werd moeiteloos verkozen (hoewel hij nog geen twintig was!) en zijn collega werd Quintus Pedius, een familielid van Octavianus.

Het lot van de westelijke provincies was snel bezegeld. Caius Asinius Pollio rukte vanuit Hispania Ulterior op om zich bij het leger van Marcus Antonius en Lepidus te voegen. Via Pollio liep ook Lucius Munatius Plancus over; deze laatste moest proberen Decimus Junius Brutus uit te schakelen (die weigerde gemene zaak te maken met Antonius en Lepidus). Decimus Brutus probeerde nog te ontsnappen naar Marcus Junius Brutus in Macedonia maar vooraleer hij eind september Verona had bereikt, werd hij door zijn troepen in de steek gelaten. Hij viel met enkele getrouwen in de handen van een Gallische leider die tot voor kort zijn vriend was maar die hem nu, op verzoek van Antonius, terechtstelde.

In het oosten boekten de republikeinen nochtans successen. Marcus Junius Brutus had Caius Antonius (broer van Marcus Antonius) in maart gevangen genomen; hij liet hem aanvankelijk zijn waardigheid van proconsul behouden (maar zou hem begin 42 laten terechtstellen). Hij behaalde nog een (onbeduidende) overwinning op een Thrakische stam. Deze successen konden echter niet opwegen tegen zijn verzuim om in Italië te komen helpen toen hem daarom gevraagd was. Cassius slaagde er in mei in Dolabella in Laodicea in te sluiten; toen de stad door verraad werd ingenomen, pleegde Dolabella zelfmoord. Cassius was al op weg naar Egypte (om Cleopatra af te zetten) toen hij een brief ontving van Marcus Brutus die hem om een onderhoud in Smyrna verzocht.

In Rome beklom Octavianus het Kapitool om er de gebruikelijke eed te zweren en offers te brengen. In de daarop volgende senaatsvergadering dankte hij de senatoren voor het feit dat ze hem hadden vrijgesteld van de leges annales. Dan ging hij over tot uitbetaling van Caesars erfenis aan de burgers en liet een lex curiata stemmen, waardoor zijn adoptie eindelijk officieel werd. Hij organiseerde ook een rechtbank om allen die direct of indirect betrokken waren bij de moord op Caesar te berechten; de straf zou aquae et ignis interdictio zijn (wat neerkwam op verbanning) en bij weerspannigheid zou het doodvonnis worden voltrokken.

Octavianus trok nu aan het hoofd van zijn troepen op naar het noorden, ogenschijnlijk om Antonius en Lepidus te bevechten. Hij had nog maar pas Rome verlaten toen de senaat hem liet meedelen dat zijn collega Quintus Pedius de buiten de wet-stelling van Antonius en Lepidus wou ongedaan maken. Octavianus liet weten het daarover eens te zijn met zijn collega en de maatregel werd, tot verbijstering van de republikeinen, inderdaad ongedaan gemaakt.

Antonius en Lepidus hadden intussen Lucius Varus Cotyla de verantwoordelijkheid over Gallia gegeven en rukten Italië binnen aan het hoofd van een reusachtig leger. Ze ontmoetten Octavianus nabij Bononia. Op een eiland in een stroom (de Rhenus? de Lavinius?) raakten de drie mannen het eens over de verdeling van de westelijke provincies, over de voortzetting van de oorlog tegen Marcus Brutus en Cassius, over de uitschakeling van hun gevaarlijkste opponenten en over een beloning voor hun soldaten door het organiseren van proscriptie en confiscatie op grote schaal. Deze afspraak, bereikt halverwege november na twee dagen onderhandelen, werd aan de legers meegedeeld door consul Octavianus.

De proscriptie werd aanvankelijk geheim gehouden. Er werd een boodschap naar consul Quintus Pedius gestuurd om zeventien republikeinen (onder wie Cicero) terecht te stellen. Octavianus zou zich tevergeefs hebben ingezet om het leven van Cicero alsnog te sparen. In Rome heerste verbijstering toen de boodschap uitlekte; Quintus Pedius slaagde er niet in de rust te doen weerkeren.

Eind november arriveerden Marcus Antonius, Lepidus en Octavianus in Rome waar ze op 27 november door een lex Titia de opdracht kregen om voor de duur van vijf jaar de staatszaken te regelen (ze werden IIIviri rei publicae constituendae). Octavianus legde onmiddellijk zijn ambt van consul neer en voor de laatste maand werden nog twee nieuwe consuls aangesteld: Publius Ventidius Bassus en Caius Carrenas.

Op dat moment bevond Cicero zich in Tusculum, samen met zijn broer en zijn neef. Ze wilden zich in veiligheid brengen bij Marcus Brutus in Macedonia maar moesten nog alles gereedmaken voor hun reis. Quintus en zijn zoon keerden dus terug naar Rome om geld te halen en voorraad in te slaan, maar ze werden kort na hun aankomst door hun slaven verraden en ter dood gebracht.

Cicero vertrok naar Astura en koos zee, maar de wind dreef hem terug naar de kust ter hoogte van Circeii, vanwaar hij over land naar Astura terugkeerde. Daar gaf hij zijn slaven opnieuw toestemming om hem in te schepen, maar weer werd zijn schip naar de kust gedreven, ditmaal bij Caieta, zodat hij de nacht ging doorbrengen in zijn villa bij Formiae. Hij zag op tegen de lange, stormachtige reis, hij was bang voor nog een bloedige burgeroorlog en hij vond dat zijn werk afgemaakt was; daarom zei hij toen hij zijn villa binnenkwam: moriar in patria saepe servata.

De volgende dag, toen bleek dat zijn achtervolgers hem al dicht op de hielen zaten, liet hij zich in een draagstoel naar het schip brengen maar onderweg werden ze ingehaald in een bos door de soldaten van Marcus Antonius, aangevoerd door Popilius Laenas (een krijgstribuun die Cicero nog verdedigd had toen hij beschuldigd werd van vadermoord) en Herennius (een centurio). Cicero's slaven maakten zich op om hun meester te verdedigen maar hij verbood het hen; dan strekte hij zijn nek uit voor het zwaard van zijn achtervolgers.

Cicero's hoofd en handen werden afgehakt; ze werden door Fulvia, de vrouw van Antonius, bespot waarna ze tentoongesteld werden op de rostra. Antonius betaalde de moordenaars tienmaal het bedrag dat hij uitgeloofd had.


Terug naar het keuzemenu Cicero, "Schematisch overzicht" en "Integrale tekst"