Terug naar het schematisch overzicht

van 1 januari tot 15 maart 44
Caio Iulio Caesare Marco Antonio consulibus

Caesar, consul voor de vijfde en dictator voor de vierde maal, was de eerste maanden van het jaar druk bezig met de voorbereiding van een expeditie tegen de Parthen; met dat doel had hij een groot leger samengetrokken in Macedonia. Intussen zette zijn hautain optreden en het vermoeden dat hij koning wou worden sommige republikeinen aan tot openlijke oppositie en zelfs tot een samenzwering.

Vroeg in het jaar had een bewonderaar Caesars standbeeld op de rostra versierd met een lauwerkrans. Twee overijverige volkstribunen, Flavus en Marullus, namen de kroon weg, wat Caesar niet beviel: hij had immers de kans niet gekregen de krans te weigeren...

Op 26 januari werd hij door mensen uit de menigte begroet als koning, waarop Caesar het gevatte antwoord gaf: non rex sum sed Caesar. Toen dezelfde twee tribunen de man arresteerden die hem zo het eerst begroet had, was Caesar de speldenprikjes beu; hij liet de twee volkstribunen uit hun ambt ontzetten en uit de senaat sluiten.

In diezelfde periode aanvaardde hij de titel van dictator perpetuus waardoor hij iedereen duidelijk maakte dat hij niet van plan was zijn alleenheerschappij neer te leggen. Bovendien stuurde hij de jonge Caius Octavius (die hij in zijn testament geadopteerd had en tot erfgenaam had benoemd) naar Apollonia. Hij moest daar, terwijl hij zijn studies afmaakte, de soldaten leren kennen van het leger dat tegen de Parthen zou optrekken. Caesar stelde hem verder nog de titel van magister equitum in het vooruitzicht. Het was dus mogelijk dat Caesar het pad effende voor een dynastie...

Tijdens het Lupercaliafeest op 15 februari tenslotte bood consul Marcus Antonius aan Caesar meermaals een diadeem aan (gecamoufleerd door een lauwerkrans), maar telkens weigerde Caesar die te aanvaarden. Hij liet bovendien zorgvuldig akte nemen van zijn weigering...

Op dat ogenblik was de samenzwering tegen Caesar al in volle ontwikkeling; de belangrijkste deelnemers waren stuk voor stuk mensen die hij met weldaden overladen had. Caius Cassius Longinus en Marcus Junius Brutus hadden tegen Caesar gevochten aan de zijde van Pompeius en hadden geprofiteerd van Caesars vergevingsgezindheid; ze hadden zelfs het ambt van praetor aanvaard. Decimus Junius Brutus en Caius Trebonius waren trouwe strijdmakkers van Caesar geweest en kregen belangrijke provincies als Gallia Cisalpina en Asia Minor te besturen.

In welke mate persoonlijke motieven meespeelden bij de samenzweerders of in welke mate oprechte haat voor de alleenheerschappij hen tot deelname bracht, is onmogelijk te achterhalen. Vermoedelijk was Caius Cassius Longinus de aanstoker van het complot; hij was jaloers op Caesars allesoverheersende positie en mateloos geïrriteerd omdat Caesar Marcus Junius Brutus verkoos boven hem. Boegbeeld van de samenzwering was evenwel Marcus Junius Brutus, neef en schoonzoon van Marcus Porcius Cato (hij was gehuwd met Porcia, de weduwe van Marcus Calpurnius Bibulus). Hij was opgevoed tot een man met Griekse idealen (bij voorbeeld: een tiran moet gedood worden) en werd van alle kanten aangemoedigd door zijn vermeende afstamming van de Brutus die Rome van de koningen had bevrijd.

De uitvoering van de moord op Caesar werd versneld door Caesars nakend vertrek naar het oosten. Caesar had na het Lupercaliafeest de comitia de opdracht gegeven een consul suffectus te kiezen om zijn ambt van consul over te nemen na zijn vertrek. Caesar zelf dacht aan Publius Cornelius Dolabella/Lentulus (Cicero's ex-schoonzoon) maar dat was niet naar de zin van Marcus Antonius. Toen de centuriae al voor een deel hun stem hadden uitgebracht en Dolabella onbedreigd op het ambt van consul afstevende, verklaarde Marcus Antonius (die als consul de kiesvergadering voorzat) plots in zijn hoedanigheid van augur dat het een ongunstige dag was en ontbond de comitia centuriata. Cicero klaagde dat die zet van Marcus Antonius ongrondwettig was.

Caesar had zich voorgenomen om op 20 maart te vertrekken. Zijn aanwezigheid in het oosten was vereist om de rust in Syria te herstellen en natuurlijk om de Parthen te straffen voor hun overwinning bij Carrhae. In Syria was de jonge Sextus Caesar, die Caesar als gouverneur had aangesteld, in 47 gedood bij een muiterij die geleid werd door Quintus Caelilius Bassus en de generaals die Caesar had uitgestuurd om de muiterij neer te slaan, hadden geen succes gehad.

De senaat moest vergaderen op 15 maart, waarschijnlijk om Caesars voorbereiding van zijn expeditie goed te keuren en kennis te nemen van wat Caesar verwachtte dat er tijdens zijn afwezigheid in Rome zou gebeuren. In Rome deed het gerucht de ronde dat tijdens deze vergadering Caesar zou uitgeroepen worden tot koning omdat op grond van bepaalde voorspellingen in de Sibyllijnse boeken een Romeinse overwinning op de Parthen alleen mogelijk was als Rome zou geregeerd worden door een koning.

De vergadering had plaats in de curia van Pompeius, een uitbouw van zijn porticus bij zijn theater op het Marsveld. Decimus Junius Brutus overtuigde Caesar geen acht te slaan op voortekens en waarschuwingen en de senaatsvergadering bij te wonen. Marcus Antonius zou Caesar vergezellen maar mocht niet mee sterven (dat was een voorwaarde die Marcus Junius Brutus verbonden had aan zijn deelname aan het complot). Caius Trebonius knoopte een gesprek aan met Marcus Antonius buiten de curia Pompeia om hem te beletten mee binnen te gaan (hij vreesde dat de moed en de trouw van Marcus Antonius de aanslag zou kunnen doen mislukken). Lucius Tillius Cimber overhandigde Caesar een verzoekschrift voor de terugkeer van zijn broer uit ballingschap, en Caesars weigering was het afgesproken teken voor een massale aanval van de samenzweerders. Onder een regen van dolksteken wankelde Caesar achteruit en viel neer aan de voet van het standbeeld van Pompeius, overdekt met drieëntwintig wonden. Marcus Antonius vluchtte naar huis en de senaatsvergadering eindigde in de grootste verwarring. 

Terug naar het schematisch overzicht