Terug naar het schematisch overzicht

van 15 maart 44 tot 31 december 44
Marco Antonio Publio Cornelio Dolabella consulibus

15 en 16 maart waren dagen van totale verwarring in Rome. Na de moord op Caesar was de senaat was uiteengegaan en Marcus Antonius was naar huis gevlucht. Marcus Aemilius Lepidus, Caesars magister equitum en gouverneur van Gallia Narbonensis en Hispania Citerior, stelde zijn vertrouwen in troepen die op het Tibereiland waren gelegerd en op veteranen van Caesar. Hij belegde een samenkomst met Marcus Antonius en bezette op 16 maart het forum. Calpurnia, Caesars weduwe, stelde alle papieren van Caesar en een zeer aanzienlijke geldsom ter beschikking van Marcus Antonius, op dat ogenblik de enige consul.

De samenzweerders werden intussen beschermd door een troep gladiatoren in dienst van Decimus Junius Brutus. De samenzweerders deden - zonder succes - een beroep op het volk en bezetten het Kapitool. Daar belegden ze een senaatsvergadering waar ook Cicero aan deelnam. Dolabella riep zichzelf op het forum uit tot consul en betuigde zijn steun aan de samenzweerders. Die deden op 16 maart opnieuw een beroep op het volk en probeerden via Decimus Junius Brutus onderhandelingen aan te knopen met Marcus Antonius en Marcus Aemilius Lepidus.

Op 17 maart werd 's ochtends vroeg een senaatsvergadering belegd in de tempel van Tellus. Cicero had zijn sympathie al betuigd met de samenzweerders die onmiddellijk na de moord een beroep op hem hadden gedaan, maar had zelf van te voren geen weet gehad van het complot (ook al zou Marcus Antonius hem daar later van beschuldigen). Cicero stelde algemene amnestie voor; enerzijds amnestie voor Caesar omdat hij als alleenheerser had geregeerd, zodat het mogelijk werd al zijn beleidsdaden te bekrachtigen (een maatregel die volgens Marcus Antonius noodzakelijk was om de orde in Rome te kunnen handhaven),en anderzijds amnestie voor de samenzweerders, zodat ze niet konden vervolgd worden voor hun aanslag op Caesar. Dit "Grieks" voorstel, zo in strijd met de rechtlijnigheid van het Romeins rechtvaardigheidsgevoel, werd unaniem goedgekeurd.

Een toespraak van Brutus tot het volk (waarin hij de moord op Caesar verdedigde) en Cicero's pleidooi tot het volk om de amnestie te verdedigen, werden allebei gunstig onthaald. Om te bewijzen dat de eensgezindheid "hersteld" was, ontving Marcus Antonius die avond Cassius en Marcus Aemilius Lepidus was de gastheer van Marcus Junius Brutus.

Intussen hadden Caesars vrienden, geleid door zijn schoonvader Lucius Calpurnius Piso, na lang tegenstribbelen de toestemming van de senaat gekregen om Caesars testament openbaar te maken en om Caesar op 20 maart een begrafenis te geven die paste bij zijn waardigheid van pontifex maximus.

Uit Caesars testament bleek dat hij een kleine geldsom had nagelaten aan elke Romeinse burger, dat hij Caius Octavius als zijn zoon adopteerde en dat die zijn voornaamste erfgenaam was. Toen bleek dat Decimus Junius Brutus (een van de moordenaars) tot de erfgenamen in de tweede lijn behoorde, bracht dat een sterke emotie teweeg bij het publiek. De rede van Marcus Antonius op Caesars begrafenis verhitte de gemoederen nog meer...

Het plebs en de veteranen van Caesar gingen over tot gewelddaden. Ze vielen de huizen van de samenzweerders aan en dwongen hen onder te duiken of Rome te verlaten. Marcus Antonius slaagde erin de republikeinse senatoren gerust te stellen door overleg te plegen over de maatregelen die hij wou nemen tegen de relschoppers en door de senaat toe te laten een decreet te stemmen waarbij een dictatuur als die van Caesar voortaan onmogelijk zou worden. De goede indruk die Marcus Antonius zo maakte, werd nog versterkt toen op 11 april iemand werd terechtgesteld die zich uitgaf voor kleinzoon van Marius. De senaat stond uit dankbaarheid Marcus Antonius toe een lijfwacht te hebben en wees aan de consuls hun provincie voor het volgend jaar toe: aan Dolabella Syria en aan Marcus Antonius Macedonia.

De hoop die bij de republikeinse senatoren gewekt was, werd echter snel tenietgedaan door de manier waarop Marcus Antonius misbruik maakte van de "papieren van Caesar" die door Faberius, een scriba van Caesar, vervalst werden in opdracht van Marcus Antonius zelf. Vanaf midden april riep Marcus Antonius (onder invloed van zijn vrouw en zijn broer) bannelingen terug en schonk hij financiële voordelen aan individuele burgers en groepen. De inhoud van de schatkist in de tempel van Ops slonk verder doordat Marcus Antonius Dolabella omkocht om zich van diens medewerking te verzekeren en geld uitdeelde aan de veteranen die niet te spreken waren over de harde manier waarop Marcus Antonius de rellen tijdens de aanvallen op de huizen van de samenzweerders had neergeslagen.

Op 24 april liet hij, met de steun van Dolabella, een wet stemmen waarbij de veteranen hun stuk grond kregen dat Caesar hen beloofd had en vertrok onmiddellijk naar Campania om zelf toezicht te houden op de toewijzing van de percelen. In Campania ronselde hij een lijfwacht van bijna tienduizend veteranen.

De senaat had ondertussen beslist dat een commissie zich vanaf 1 juni zou buigen over Caesars papieren, samen met de consuls. Omstreeks dezelfde tijd liet Dolabella in Rome een altaar afbreken dat was opgericht ter ere van Caesar en liet de vereerders zwaar straffen. Cicero zag hierin een daad van eer en fatsoen en overlaadde Dolabella met lofbetuigingen.

Zodra het bericht van Caesars dood Apollonia had bereikt, keerde Octavius naar Rome terug om zijn erfenis op te eisen en de naam van zijn adoptiefvader aan te nemen. Begin april kwam hij aan in Brundisium en halverwege april was hij in Campania. Daar boden veteranen van Caesar hem hun steun aan maar hij wees die af.

In Rome aanvaardde hij Caesars erfenis (waardoor zijn naam veranderde van Caius Octavius in Caius Julius Caesar Octavianus). Toen Marcus Antonius uit Campania terugkeerde, vroeg Octavianus hem het geld dat Caesar hem had nagelaten. Marcus Antonius had dat geld natuurlijk al uitgegeven; Octavianus zou dus een groot deel van zijn bezittingen moeten verkopen en geld moeten lenen van familieleden en vrienden om Caesars erfenis aan de begunstigden te kunnen uitbetalen (wat pas in 43 mogelijk was) en om de spelen voor te bereiden die in juli moesten gehouden worden ter ere van Venus genetrix (de stammoeder van Caesars - en nu dus ook zijn eigen - geslacht). Via enkele handlangers slaagde Marcus Antonius erin de officiële bekrachtiging van de adoptie van Octavianus door Caesar uit te stellen door de lex curiata die Octavianus wou laten stemmen, te blokkeren.

Eind april was Caius Trebonius afgereisd naar Asia Minor en Decimus Junius Brutus naar Gallia Cisalpina. Laatstgenoemde bracht daar de zomer door met het organiseren van onbeduidende militaire acties om de sympathie van zijn soldaten te winnen door hen de gelegenheid te geven te plunderen. Marcus Junius Brutus en Cassius hingen nog steeds rond in de buurt van Rome.

Juni was een maand van belangrijke beslissingen. Op 1 juni kreeg Marcus Antonius als provincies Gallia Cisalpina en Transalpina voor vijf jaar, en Dollabella's mandaat over Syria werd uitgebreid tot dezelfde periode. Op 5 juni werd Marcus Junius Brutus ontslagen van zijn verplichting in Rome te blijven als praetor urbanus, en hij en Cassius kregen de opdracht de graantoevoer vanuit de provincies naar Rome te regelen. Tegen hun opdracht in bleven ze beiden in Italië; ze hoopten dat de ludi Apollinares, die op 7 juli in naam van Marcus Junius Brutus zouden gevierd worden, hen opnieuw populair zouden maken bij het volk. Ter gelegenheid van die spelen werd door Marcus Junius Brutus afgekondigd dat de naam van de maand quinctilis voortaan iulius zou worden, wat Cicero met afgrijzen vervulde. De spelen zelf werden weliswaar onthaald op applaus maar hadden voor de rest niet het verhoopte resultaat.

Na de senaatszitting van 17 maart nam Cicero gedurende ongeveer zes maanden geen deel meer aan het politieke leven. Hij wijdde zich aan de literatuur en schreef in die periode De divinatione libri III, De fato, de gloria, Cato maior sive de senectute, Laelius sive de amicitia en Topica. Op 7 april verliet hij Rome en reisde naar het zuiden via Tusculum, Lanuvium, Astura, Fundi, Formiae en Sinuessa. De laatste helft van april was zijn villa bij Cumae zijn vaste stek, terwijl de eerste helft van mei verdeeld werd tussen Pompeii en Puteoli. Vandaar vertrok hij via Sinuessa naar Arpinum en na een verblijf van enkele dagen in zijn geboortestreek reisde hij naar Tusculum waar hij op 27 mei aankwam en bijna heel juni verbleef (de week van 8 tot 15 juni bracht hij door in Antium of de omgeving van Antium). In Tusculum schreef hij zijn Tusculanae disputationes libri III.

Cicero's aanvankelijk enthousiasme over de moord op Caesar had snel plaats gemaakt voor sombere bezorgdheid toen hij moest vaststellen dat de besluiteloosheid en de kortzichtigheid van de samenzweerders Marcus Antonius in staat hadden gesteld het roer in handen te nemen. Hoewel hij beleefdheden bleef uitwisselen met Marcus Antonius en een tijdje gerustgesteld werd door het krachtdadig optreden van Dolabella, had hij geen echt vertrouwen in de aanhangers van Caesar, noch in gematigden als Caius Matius of de consules designati Aulus Hirtius en Caius Vibius Pansa. Evenmin kon het sluwe gevlei van Octavianus hem blind maken voor het feit dat Octavianus geen vriend kon zijn van de moordenaars van zijn "vader".

Het bericht dat Marcus Antonius zich Gallia als provincie had laten toekennen en zijn gekonkel met de veteranen in Campania maakten Cicero bang dat een nieuwe burgeroorlog tot de mogelijkheden behoorde. Hij bleef de moord op Caesar goedkeuren maar zag terzelfder tijd hoe zwak de positie van de samenzweerders was zonder leger waarop ze konden steunen. Marcus Junius Brutus en Cassius hadden in het belang van de vrede zelfs de cliënten naar huis gestuurd die zich vanuit steden buiten Rome rond hen verzameld hadden. Hun hulpeloosheid kwam scherp aan het licht toen ze op een vergadering van de samenzweerders in Antium op 8 juni urenlang discussieerden of ze nu het (eigenlijk beledigende) voorstel van Marcus Antonius om zich bezig houden met de graanbevoorrading van Rome zouden aanvaarden of niet, en het uiteindelijk aanvaardden...

Cicero besefte dat hij door terug te keren naar Rome de zaken niet vooruit kon helpen en besloot een voornemen uit te voeren dat hij al een tijdje gemaakt had: hij wou een half jaar naar Griekenland gaan. Daar zou hij zijn zoon Marcus in Athene kunnen bezoeken en nagaan wat hij daar zoals had uitgespookt, want van meerdere kanten had hij weinig geruststellende berichten gekregen. Op 2 juni werd hij tot speciaal legaat aangesteld door Dolabella zodat hij de toestemming had om Italië te verlaten. Toch vertrok hij niet onmiddellijk omdat hij niet het nodige geld bij elkaar kreeg; Dolabella kon hem een uitstaande schuld niet terugbetalen. Cicero maakte van de gelegenheid gebruik wat orde te scheppen in zijn zaken. Wat hem er natuurlijk ook van weerhield onmiddellijk naar Griekenland te gaan, was de vrees dat men hem ervan zou beschuldigen de republikeinse zaak in de steek te laten.

Op 30 juni vertrok Cicero vanuit Tusculum en reisde via Anagnia, Arpinum en Formiae naar Puteoli waar hij op 7 juli aankwam. Hij bleef enkele dagen in Puteoli en voerde er twee gesprekken met Marcus Junius Brutus; daarin vertelde Brutus hem dat hij niet uit Italië zou vertrekken vooraleer hij wist welk effect de ludi Apollinares op de bevolking van Rome hadden gehad. Cicero vernam verder dat zijn neef Quintus partij had gekozen voor de republikeinen (een keuze die Quintus tot zijn dood trouw zou blijven).

Vanuit Pompeii vertrok Cicero op 17 juni naar Griekenland. Hij was in Velia op 20 juli en in Rhegium op 28 juli (tussen deze twee plaatsen schreef hij de Topica). Op 1 augustus was hij in Syracusae vanwaar hij de volgende dag aan de oversteek naar Griekenland begon, maar tegenwind dreef hem terug naar Leucopetra. Daar vernam hij dat er een verzoening mogelijk was tussen Marcus Antonius enerzijds en Marcus Junius Brutus en Cassius anderzijds. Marcus Antonius zou bereid zijn Gallia als provincie af te staan en Marcus Junius Brutus en Cassius zouden Italië verlaten, allemaal in het belang van de vrede. Dat ze in een adem ook ieder een belangrijke provincie (met leger!) vroegen, wat leidde tot een boze briefwisseling tussen Marcus Antonius en zijn twee rivalen, wist Cicero niet. Toen hij nog een brief kreeg waarin Atticus hem het verwijt maakte dat hij zijn vaderland in de steek liet, besloot hij naar Rome terugkeren om aanwezig te kunnen zijn op een senaatsvergadering die belegd was op 1 september.

Cicero maakte dus rechtsomkeer en op zijn terugreis ontmoette hij Marcus Junius Brutus op 17 augustus in Velia. Die wist hem te vertellen dat de vader van Caesars weduwe Calpurnia, Lucius Calpurnius Piso (iemand die bekend stond als afkerig van extremisme), in volle senaat Marcus Antonius had aangevallen maar van niemand steun had gekregen, en dat het tot een breuk gekomen was tussen Marcus Antonius en de moordenaars van Caesar. Cicero zag in dat de situatie hopeloos was, wat hij ook uit de brieven van zijn vriend Caius Matius had kunnen afleiden. Toch reisde hij verder en kwam op 31 augustus in Rome aan.

Sinds Cicero de stad had verlaten op 30 juni was de politieke situatie hoegenaamd niet veranderd. Marcus Antonius, die zich door een regeling in verband met de provincies van de steun van Dolabella verzekerd had, poogde nu de veteranen voor zich te winnen door hen een stuk grond te geven op basis van een akkerwet die zijn broer Lucius Antonius (volkstribuun) had laten stemmen.

In juli was Antonius echter tot de vaststelling gekomen dat Octavianus steeds populairder werd, wat onder meer gebleken was uit zijn spelen ter ere van Venus genetrix tussen 20 en 30 juli (toen manifesteerde zich de sidus Caesareum, een komeet die beschouwd werd als een aanwijzing van Caesars goddelijkheid). Dus zocht Marcus Antonius toenadering tot Marcus Junius Brutus en Caius Cassius Longinus, maar hij bleek niet bereid de prijs te betalen die ze voor hun medewerking vroegen. Begin augustus had Marcus Antonius definitief met Brutus en Cassius gebroken en had veteranen, soldaten en volk voor zich proberen te winnen door wetten te laten stemmen die niet in overeenstemming waren met Caesars wetgeving. Marcus Antonius wou aan de juryleden centurionen en veteranen toevoegen en recht op hoger beroep bij het volk geven aan allen die veroordeeld waren wegens vis of maiestas. Hij dacht hierbij vooral aan zijn eigen aanhangers; die waren nogal uit de bol gegaan om de situatie van hun leider veilig te stellen en maakten geen schijn van kans als ze zouden moeten verschijnen voor een rechtbank waarvan de juryleden uitsluitend uit de hoogste klassen kwamen.

Op 1 september vroeg Marcus Antonius aan de senaat of het opportuun was een dag toe te voegen aan de supplicatio ter ere van Caesar. Hij weigerde de verontschuldiging van de afwezige Cicero te aanvaarden (vermoeidheid van de reis) en dreigde ermee hem te dwingen aanwezig te zijn. De volgende dag nam Cicero, in afwezigheid van Marcus Antonius, het woord in de senaat (Philippica I). Cicero trachtte de consuls te overtuigen van de vergissing die ze bezig waren te begaan; daarbij doseerde hij zorgvuldig lof en blaam voor de aanwezige consul Dolabella en sprak een strenge aanklacht (maar nog zonder persoonlijke aanvallen) uit tegen de politiek die Marcus Antonius de laatste maanden gevoerd had.

Marcus Antonius antwoordde op 19 september met een scherpe aanval op Cicero's politieke carrière, en op 2 oktober beschuldigde hij Cicero in een rede tot de senaat en het volk de instigator te zijn geweest van de moord op Caesar. Hij viel ook Octavianus aan die hij ervan verdacht hem naar het leven te staan.

Op 9 oktober verliet Marcus Antonius Rome en vertrok naar Brundisium, waar drie legioenen die uit Macedonia kwamen, op hem wachtten. Ze hadden echter al het bezoek gekregen van agenten van Octavianus en verwierpen dus de voorstellen die Marcus Antonius hen deed; ze lachten hem zelfs uit toen hij begon te dreigen. Waarop Antonius de leiders van het verzet tegen hem liet terechtstellen en naar Rome marcheerde met het vijfde legioen; de legioenen uit Macedonia moesten langs de kustweg naar Gallia Cisalpina trekken.

Marcus Antonius arriveerde midden november in Rome, vergezeld van een gewapende lijfwacht. Hij belegde een senaatsvergadering voor 24 november met de bedoeling definitief af te rekenen met zijn tegenstanders, en dan vooral met Octavianus. Maar voor die datum kwam er een legioen tegen Antonius in opstand en bezette de stad Alba, waarna een ander legioen dat voorbeeld volgde. Marcus Antonius was intussen in Tibur druk in de weer om zijn greep op zijn legioenen en sympathisanten te verstevigen en zag zich door de gebrutenissen gedwongen de geplande senaatsvergadering te verdagen tot 28 november.

In die vergadering beperkte hij zich ertoe Marcus Aemilius Lepidus te eren en snel de toekenning van de provincies voor 43 aan te passen (Macedonia moest naar zijn broer Caius Antonius gaan). Een laatste verzoeningspoging mislukte door de onverzettelijkheid van Lucius Antonius, Antonius' andere broer. Marcus Antonius was er niet in geslaagd de revolterende legioenen opnieuw voor zich te winnen en op 29 november verliet hij in alle vroegte Rome. Hij trok naar Gallia Cisalpina waar Decimus Junius Brutus zich verplicht zag zich terug te trekken in Mutina.

Zodra Marcus Antonius vertrokken was, lichtte Octavianus een aanzienlijk leger van veteranen in Campania en marcheerde naar Rome. Op verzoek van volkstribuun Tiberius Cannutius sprak hij het volk toe; Octavianus probeerde uit te leggen dat het uitsluitend de vijandige houding van Marcus Antonius was geweest die hem, Octavianus, in de positie van vijand gemanoeuvreerd had. Hij gaf Arretium op als verzamelplaats van zijn strijdmacht en vertrok daar in december heen met de legioenen die hem trouw gezworen hadden.

Cicero durfde na zijn Philippica I niet meer in de senaat verschijnen maar bleef wel in Rome tot Marcus Antonius naar Brundisium vertrokken was op 9 oktober. Hij werkte aan een antwoord op Antonius' beschuldigingen - die bijtende en vernietigende Philippica II - waarvan hij de tekst naar Atticus stuurde voor eventuele kritiek (hij publiceerde zijn Philippica II pas na het vertrek van Marcus Antonius naar Gallia op 29 november).

Cicero verbleef ongeveer twee weken in Puteoli (eind oktober-begin november) en bijna een maand in Arpinum. In deze periode schreef hij zijn laatste filosofisch werk, De officiis libri III. Op 9 december was Cicero opnieuw in Rome waar hij zich wijdde aan het schrijven van brieven naar bevriende provinciegouverneurs die hij vroeg trouw te blijven aan de republiek.

Op 20 december was Cicero nog eens in de gelegenheid een politieke redevoering af te steken (Philippica III). De nieuwe volkstribunen die op 10 december hun ambt hadden opgenomen, hadden voor die dag de senaat bijeengeroepen om maatregelen te treffen waardoor het opnieuw mogelijk zou worden vrijuit zijn mening te laten horen onder het bewind van de nieuwe consuls. Cicero beperkte zich evenwel niet tot dat punt van de dagorde; hij viel Marcus Antonius aan, liet Octavianus en Decimus Junius Brutus dank te betuigen voor hun verzet tegen Antonius en stelde voor alle provinciegouverneurs te laten weten dat ze op post moesten blijven tot ze van hun ambt ontheven werden door een senaatsbesluit (waardoor hij Antonius' laatste regeling voor de toekenning van de provincies ongedaan wou maken).

Dezelfde dag sprak hij ook tot het volk waar hij de verdiensten van Octavianus en Decimus Junius Brutus ophemelde (Philippica IV). Nog geen maand vroeger had Cicero groot wantrouwen gekoesterd tegen Caesars erfgenaam; nu - zo verklaarde hij tenminste - had hij het volste vertrouwen in hem.

Cicero zag voor zichzelf een dubbele opdracht. Ten eerste moest hij in de senaat de politiek van de republikeinse partij vorm geven en het lauwe enthousiasme van de kopstukken van die partij aanwakkeren. Hoewel hij hierin vaak werd tegengewerkt door Quintus Fufius Calenus (een felle aanhanger van Antonius) en moest opboksen tegen het gebrek aan medewerking van de boegbeelden van de senaat, bereikte hij zijn doel. Zijn tweede taak, de provinciegouverneurs in het westen (die welwillend stonden tegenover Octavianus) loyaal te laten blijven tegenover de senaat, ging Cicero's krachten te boven. Louter woorden, hoe welsprekend ook, vermochten niets tegen geweld, en oproepen tot de gouverneurs om hun plicht te blijven vervullen en volgens hun geweten te handelen waren niet opgewassen tegen de macht van ambitie en hebzucht. 

Terug naar het schematisch overzicht