Terug naar het schematisch overzicht

75-68

Tijdens zijn ambtsperiode als quaestor in 75 ontdekte hij bij Syracusae het graf van Archimedes. Voor zijn terugkeer naar Rome (in 74) sprak Cicero in Lilybaeum een afscheidsrede uit tot de bewoners van Sicilië, die hem dankbaar waren voor zijn eerlijkheid en verdraagzaamheid. Ook de Romeinen waren hem erkentelijk omdat hij, dank zij zijn vooruitziendheid, Rome in een periode van schaarste graan had bezorgd. Onderweg naar Rome ondervond Cicero dat het spreekwoord "uit het oog, uit het hart" maar al te juist was, en hij nam zich voor om voortaan altijd op de voorgrond te treden. Toch bleef geen van de redevoeringen bewaard die Cicero in de daaropvolgende jaren uitsprak, behalve de Oratio pro Marco Tullio van 71.

In 70 (het jaar waarin hij werd verkozen tot aedilis curulis) trad Cicero op als aanklager van Verres (In Verrem actiones); deze redevoeringen maakten van Cicero onbetwistbaar de belangrijkste pleiter van Rome. Terzelfder tijd bracht hij een zware slag toe aan een van de pijlers van de staatsorganisatie van Sulla door de corruptie van de uitsluitend uit de senatorenstand gekozen rechters aan te klagen.

De belangrijkste veranderingen die Sulla in de staatsorganisatie had doorgevoerd (en die tot in 70 bijna onaangetast waren blijven bestaan), waren de volgende:

* de volkstribunen bleven beroofd van hun vetorecht en van hun recht om wetten voor te stellen en door het volk te laten goedkeuren (dat was een alleenrecht van de senaat geworden);

* rechters werden, zoals hierboven gezegd, nog altijd uitsluitend uit leden van de senatorenstand gekozen;

* er waren sinds Sulla's bewind geen censoren meer geweest.

Kortom, Sulla had van de senaat het enige gezagsorgaan in Rome gemaakt.

Sulla's hervorming kon echter alleen slagen als die senaat verstandig en doortastend optrad en als de militaire en bestuurlijke verantwoordelijken uit de rangen van de senatoren efficiënt en betrouwbaar waren. En hier wrong het schoentje...

De nobiles (die de senaat monopoliseerden) moesten alleen nog rekenschap afleggen tegenover hun standgenoten. Ze moesten niet meer bang zijn voor kritiek op hun doen en laten vanwege het volk via de volkstribunen. Wanbestuur in provincies werd alleen nog beoordeeld door collega-senatoren, niet langer door rechters uit de ridderstand... En ja, als er geen verantwoording moet worden afgelegd, staat natuurlijk de deur naar corruptie en andere onfrisse praktijken wagenwijd open! De zwaarst gedupeerden waren ongetwijfeld de inwoners van de provincies, zoals bleek uit het optreden van Dolabella in Macedonia (80-78) en van Caius Verres op Sicilië (73-71).

De senatoren hielden evenwel de rangen gesloten en waren best tevreden met hun erfelijk geworden machtspositie; ze probeerden dus iedere homo novus te beletten een prominente rol te spelen in de senaat door zijn verkiezing tot een hoger ambt tegen te werken. Dat ze zo bekwame mannen die de staat goede diensten konden bewijzen, de pas afsneden, was de minste van hun zorgen.

Beweren dat de senatorenstand alleen uit corrupte mensen bestond, zou natuurlijk de waarheid geweld aandoen. Er waren in de rangen van de nobiles voorbeeldige mannen zoals Quintus Lutatius Catulus, bekwame militairen zoals Quintus Caecilius Metellus Pius en Publius Servilius Isauricus en de briljante generaal Lucius Licinius Lucullus. Maar er waren onvoldoende goede elementen om de nood aan bekwame en eerlijke bestuurders te lenigen. Denken we maar even aan Quintus Sertorius, die er in slaagde van 80 tot 72 Spanje af te scheuren van Rome (geen van de tegen hem uitgezonden generaals boekte succes), of aan de smadelijk mislukte poging van Marcus Antonius (74-71) om de zeeroverij in de Middellandse Zee te beëindigen, of aan het spoor van verwoesting dat Spartacus in Italië trok met zijn gladiatoren (73-71).

Deze aanslepende oorlogen waren zeker niet het enige gevaar dat Rome bedreigde. Heel wat steden in Italië hadden door toedoen van Sulla hun gronden en rechten zien verdwijnen. Hun inwoners vormden, samen met de zonen van de door Sulla via proscripties vermoorde of verbannen Romeinen, een onbetrouwbare groep. Dan waren er nog de veteranen die door Sulla over heel Italië verspreid waren en die door hun mislukking als landbouwer uitkeken naar de eerste de beste gelegenheid om opnieuw gemakkelijk rijk te worden door plundering. Tenslotte waren de inwoners van Rome voor een aanzienlijk deel samengesteld uit vreemdelingen en vrijgelatenen en vormden vaak een gevaar voor de openbare orde doordat er geen politiemacht was in de stad.

Er tekende zich dan ook stilaan oppositie af. Er waren respectabele nobiles, mensen die opkwamen voor recht en orde maar die nooit sympathie hadden gekoesterd voor de extreme en gewelddadige middelen die Sulla gebruikt had. Heel wat steden in Italië hadden het moeilijk om zich zomaar neer te leggen bij hun vernedering door Sulla en vreesden dat de gronden en de rechten die ze hadden kunnen behouden, alsnog voor hen verloren zouden gaan door de handigheid van advocaten of door de slordigheid van Romeinse ambtenaren. Dan was er tenslotte nog de aanzienlijke macht van de ridderstand, ook al mochten zijn leden niet meer zetelen als rechter en hadden ze zwaar te lijden gehad van de proscripties. De equites hadden een nieuw elan gekregen doordat welstellende burgers uit heel Italië tot de ridderstand waren toegelaten. Rijke grootgrondbezitters werden immers uit de senaat geweerd op grond van hun lage afkomst (ze waren maar landadel) en traden daarom toe tot de ridderstand. En voor heel die oppositie tegen de oligarchie van de senaat had Cicero grote sympathie, hoewel hij zich nog niet in de actieve politiek mengde.

In 71 keerde Pompeius uit Spanje terug aan het hoofd van zijn leger. Hij had de troepen van Sertorius verslagen en op de terugweg had hij het laatste restje van het slavenleger van Spartacus in de pan gehakt. Hij rekende erop dat de senaat hem een triomftocht zou gunnen en hem zou toestaan zich kandidaat te stellen voor het ambt van consul (hij had in 77 al de bevoegdheid van proconsul gehad in Spanje), ondanks het feit dat hij volgens de hervorming van de cursus honorum door Sulla, te jong was om consul te kunnen worden en geen andere ambten had bekleed.

Uit afgunst voor zijn schitterende prestaties als veldheer aarzelde de senaat om de wensen van Pompeius in te willigen. De tegenstanders van de optimaten zagen hun kans schoon en begonnen met Pompeius te onderhandelen om de nobiles een hak te zetten. Marcus Licinius Crassus, die in de oorlog tegen de slaven wel een groot deel van het werk had gedaan maar besefte dat hij qua populariteit en militaire roem de mindere was van Pompeius, werd snel bereid gevonden tweede consul naast Pompeius te worden en stelde zich tevreden met een ovatio in plaats van een triomftocht.

Te laat begrepen de optimaten dat ze door hun eigen kortzichtigheid buitenspel waren gezet: de combinatie van twee generaals (van wie de legers aan de stadspoorten kampeerden) met de hervormingsgezinden in de stad was beslissend voor de verkiezingen van 71! Pompeius en Crassus werden tot consul verkozen voor het jaar 70 en na hun ambtsaanvaarding op 1 januari drukten ze het programma van de hervormingsgezinden door:

* de lex Pompeia de tribunicia potestate schafte alle beperkingen af die Sulla aan de volkstribunen had opgelegd (volledigheidshalve vermelden we dat in 75 Caius Aurelius Cotta er al voor gezorgd had dat mensen die volkstribuun waren geweest, zich opnieuw kandidaat konden stellen voor hogere ambten, wat Sulla verboden had);

* de quaestiones perpetuae werden hervormd; de zetelende rechters zouden voortaan niet uitsluitend senatoren zijn, maar senatoren, ridders en tribuni aerarii; dit compromis was vastgelegd in de lex Aurelia iudiciaria, die werd voorgesteld door Lucius Aurelius Cotta, praetor in 70 en broer van Caius Aurelius Cotta, de hervormende consul van 75;

* er kwamen opnieuw censoren die onmiddellijk 64 door Sulla benoemde senatoren van het album senatorum afvoerden.

Deze hervormingen deden weliswaar de belangrijkste politieke maatregelen van Sulla teniet, maar verhielpen geenszins de sociale en economische moeilijkheden in Rome en Italië...

Cicero was niet echt enthousiast over de eerste van de drie hierboven vermelde maatregelen; de derde keurde hij ongetwijfeld goed en tot de tweede had hij zelf in hoge mate bijgedragen, niet alleen door het wetsvoorstel van Cotta te steunen maar vooral door zijn vernietigende aanval op de uitsluitend uit senatoren samengestelde rechtbanken in zijn aanklacht tegen Caius Verres.

Dit proces had plaats in de zomer van 70. Vrienden van de beklaagde probeerden eerst te beletten dat Cicero als aanklager zou optreden door die taak toe te vertrouwen aan Quintus Caecilius Niger, die quaestor was geweest onder Verres. Toen dat niet lukte, wilden ze het proces doen uitstellen tot 69, het jaar waarin de verdediger van Verres, Quintus Hortensius Hortalus, consul zou zijn (ze gingen er blijkbaar van uit dat Verres dan zeker zou vrijgesproken worden).

Cicero was evenwel op zijn hoede ging onmiddellijk aan het werk. Op amper vijftig dagen verzamelde hij op Sicilië een overweldigend aantal belastende getuigenissen tegen Verres. Bij het begin van het proces hield Cicero een kort pleidooi en liet toen de getuigen defileren. Hun verklaringen waren zo vernietigend voor Verres dat Hortensius zich terugtrok als verdediger en Verres in ballingschap vertrok voor het einde van het proces.

Om de indruk die de Divinatio in Caecilium en de In Verrem actio prima in Rome hadden gemaakt, nog te versterken, publiceerde Cicero de volledige aanklacht tegen Verres in de vijf boeken van de In Verrem actio secunda. Iets gelijkaardigs zou hij later nog doen met het niet uitgesproken pleidooi voor Titus Annius Milo (oratio pro Tito Annio Milone, in 52) en met de Philippica II tegen Marcus Antonius (in 44).

In 69 was Cicero aedilis. Omdat hij nu eenmaal niet afgeladen rijk was, kon hij het volk niet vergasten op de schitterende spelen die het plebs van een aedilis verwachtte, en daarom gebruikte hij de geschenken die de bevolking van Sicilië hem had gegeven ten bate van de staat. Hij hield zich afzijdig van de politiek en pleitte in 69 voor Marcus Fonteius (Oratio pro Marco Fonteio); deze laatste werd beschuldigd van wanbestuur in Gallië. De manier waarop Cicero Fonteius ophemelt en de Gallische getuigen ten laste belachelijk maakt, staat in erg schril contrast met de integriteit waarmee hij Verres aanklaagde... In 68 nam hij de verdediging op zich van Aulus Caecina (Oratio pro Aulo Caecina). 

Terug naar het schematisch overzicht