Terug naar het schematisch overzicht

67
Caio Calpurnio Pisone Manio Acilio Glabrione consulibus

In 67 begon Cicero zijn correspondentie met Titus Pomponius Atticus, zijn vriend voor het leven. De eerste brieven gaan over persoonlijke aangelegenheden, zoals de dood van Cicero's vader, de dood van zijn neef Lucius, de vervreemding tussen Quintus Cicero en Pomponia, de zuster van Atticus (die nog maar pas gehuwd waren) en de verloving van Tullia (die nog maar een kind was) met Caius Calpurnius Piso.

In datzelfde jaar was Cicero kandidaat voor het ambt van praetor, maar tot tweemaal toe werden de verkiezingen geschorst. Cicero was toen al zo populair dat hij bij elk van de drie verkiezingen de meeste stemmen achter zijn naam had.

Na enkele stormachtige scènes op het forum had Caius Cornelius (een volkstribuun) voorstellen laten goedkeuren die de rechten van de senaat beperkten om individuele burgers vrij te stellen van bepaalde wetten en die de praetoren verplichtten om hun edicten te publiceren bij hun ambtsaanvaarding en zich daar vervolgens ook aan te houden.

Een andere volkstribuun, Lucius Roscius Otho, liet een wet stemmen waarbij voortaan ook aan de equites plaatsen werden voorbehouden in het theater; wat Cicero, telg uit een geslacht van equites en voorvechter van de ridderstand, natuurlijk toejuichte. Hij was ook ingenomen met de belangrijke wet van Aulus Gabinius die de oorlog tegen de zeerovers toevertrouwde aan één man met verregaande volmachten: Pompeius.

De laatste jaren was het buitenlands optreden van Rome gekenmerkt door wisselend succes. Lucius Licinius Lucullus had Mithridates uit zijn koninkrijk Pontus verdreven (73-72); daarna had hij een eclatante overwinning behaald op Tigranes (koning van Armenia) en de stad Tigranocerta ingenomen (69).

Maar dan liep het fout: Lucullus' troepen weigerden hem nog te gehoorzamen en zijn officieren leden nederlaag op nederlaag, wat Mithridates toeliet Pontus opnieuw in handen te krijgen. Van het thuisfront had hij nooit echte steun gekregen en eerst werd hem het bestuur over Asia Minor afgenomen, dan het bestuur over Cilicia en tenslotte (op grond van de lex Gabinia) het bestuur over Bithynia en Pontus samen met het opperbevel in de oorlog.

Lucullus werd opgevolgd door Marcus Acilius Glabrio die de krachtmeting met de vijand echter niet aandurfde. Hij bleef werkloos in Bithynia zitten terwijl Lucullus, door de desertie van zijn soldaten, machteloos op zijn opvolger wachtte.

Pompeius kweet zich intussen schitterend van zijn opdracht: in veertig dagen had hij het westen van de Middellandse Zee van zeerovers verlost, in de volgende vijftig dagen ruimde hij het oosten van de Middellandse Zee op en onderwierp hij de vestingen van de piraten in Cilicia.

Quintus Caecilius Metellus had in 69-67 Creta veroverd (wat hem het cognomen ex virtute Creticus opleverde) en toen Pompeius zich in 67 wou bezighouden met de bestuurlijke organisatie op het nieuw veroverde eiland (iets waartoe hij gemachtigd was op grond van de lex Gabinia, die hem dezelfde macht gaf als andere provinciegouverneurs), werd hem dat botweg belet door Metellus. Dus bleef Pompeius in Cilicia om te proberen deze zaak te regelen en om de andere veroverde gebieden te organiseren. 

Terug naar het schematisch overzicht