Terug naar het schematisch overzicht

66
Manio Aemilio Lepido Lucio Volcatio Tullo consulibus

Zo was de situatie toen Cicero in januari 66 praetor werd. Voor de eerste maal kwam hij direct tussenbeide in de politiek en sprak hij het volk toesprak vanop de rostra. Hij steunde de lex Manilia (Oratio de imperio Cnaei Pompeii seu pro lege Manilia): die bezorgde Pompeius, naast zijn andere opdrachten, het bestuur over Cilicia en Bithynia en het opperbevel in de oorlog tegen Mithridates en Tigranes. Cicero betoogde dat zolang Mithridates niet definitief overwonnen was, er groot gevaar dreigde voor de belastingsinkomsten uit Asia Minor (waar de staat vast op rekende!) en voor het vermogen van heel wat ridders die daar kapitaal hadden geïnvesteerd. Hij bracht de briljante campagne van Pompeius tegen de zeerovers in herinnering en benadrukte dat dit een rechtstreeks gevolg was van de concentratie van macht in de handen van één persoon; men kon zich dus niet vergissen door een geslaagd experiment te herhalen!

Cicero wierp zich hier reeds op als de voorvechter van de ridderstand en de steun en toeverlaat van Pompeius. In 66 had die een schitterende militaire staat van dienst en was hij een integer en loyaal politicus gebleken die vertrouwen inboezemde. En hoewel Cicero later zou ondervinden dat Pompeius geenszins de verdediger van het republikeinse staatsbestel was (die Cicero in hem vermoed had), noch de onbaatzuchtige politicus (Pompeius streefde in zijn politieke allianties en functies schaamteloos materiële welstand na), noch een man met grote leiderscapaciteiten, noch een dankbare vriend, toch zou Cicero - vaak tegen beter weten in - in hem blijven geloven. Tot het bittere einde was Cicero ervan overtuigd dat de samenwerking van de senaat en de ridderstand het voortbestaan van de republiek zou mogelijk maken (de fameuze concordia ordinum) en dat Pompeius als het ware voorbestemd was om die grote taak tot een goed einde te brengen.

Als praetor zat Cicero de rechtbank voor die zich bezighield met zaken van afpersing (quaestio repetundarum). Voor andere rechtbanken ging hij gewoon door met pleiten; zo nam hij de verdediging op zich van Aulus Cluentius Habitus, die vervolgd werd voor gifmoord (Oratio pro Cluentio).

Quintus Cicero werd in de loop van 66 verkozen tot aedilis voor het jaar 65. De consules designati voor 65, Publius Autronius Paetus en Publius Cornelius Sulla, werden veroordeeld wegens omkoping zodat hun verkiezing ongeldig was; Lucius Aurelius Cotta en Lucius Manlius Torquatus waren hun vervangers. Autronius en Sulla zouden daarna samen met Cnaeus Calpurnius Piso en Lucius Sergius Catilina pogen de plaatsvervangende consuls te vermoorden. 

Terug naar het schematisch overzicht