Terug naar het schematisch overzicht

65
Lucio Aurelio Cotta Lucio Manlio Torquato consulibus

Een eerste poging om de consuls uit te schakelen op 1 januari en een tweede poging op 5 februari mislukten, de eerste doordat het plan uitgelekt was, de tweede omdat Catilina veel te vroeg het teken had gegeven om tot de actie over te gaan. Laatstgenoemde zat op dat ogenblik al diep in de problemen: hij had zich in het bestuur van de provincie Africa als propraetor schuldig gemaakt aan wanbeheer en vreesde daarvoor vervolgd te zullen worden, wat hem dan zou beletten zijn kandidatuur te stellen voor het ambt van consul.

Nog in 65 werd een wetsvoorstel ingediend om Egypte voortaan als Romeins bezit te beschouwen, om Egypte dus om te vormen tot een Romeinse provincie.

Sulla had in 80 Ptolemaeus XI Alexander II op de troon gezet, maar die was na een regering van negentien dagen vermoord door Ptolemaeus XII Auletes, die zichzelf tot koning uitriep en in 76 gekroond werd. Rome had evenwel nooit diens koningschap erkend.

In de tweede helft van 65 deed in Rome het gerucht de ronde dat Ptolemaeus XI Alexander II bij testament zijn land aan Rome had nagelaten; men had dus nu, omdat er geen officieel door Rome erkende koning meer was in Egypte, de gelegenheid Egypte in te palmen, op grond van het testament van Ptolemaeus XI Alexander II.

Egypte was een verleidelijke brok: een rijk land, vruchtbaar en met een volle schatkist. Het lag bovendien op een sleutelpositie in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, zowel militair-strategisch gezien als wat handel betrof. De leiders van de populares, Caesar en Crassus, begrepen dadelijk hoe belangrijk de zaak "Egypte" voor hen kon worden als ze erin zouden slagen Egypte aan het Romeinse rijk toe te voegen vooraleer Pompeius een begerig oog op Egypte zou laten vallen. Dan zouden zij een soort van voorrangsrecht krijgen in verband met Egypte dat hen in staat zou stellen een tegengewicht te vormen tegen de machtspositie die Pompeius na zijn terugkeer uit het oosten onvermijdelijk zou bekleden.

Caesar en Crassus begonnen de publieke opinie te bewerken. Vijftien jaar na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II kwam men plots tot de vaststelling dat geen acht slaan op het lot van de ongelukkige Ptolemaeus XI Alexander II, het slachtoffer van een wrede usurpator, het Romeinse volk onwaardig was. Men moest die usurpator de oorlog verklaren, zoals vroeger ook gebeurd was met Jugurtha in Numidia! Men moest zijn heilige plicht doen door het testament van Ptolemaeus XI Alexander II uit te voeren (onmiddellijk na de moord op de jonge vorst had men in 80 "voor alle zekerheid" diens goudschat - die bij bankiers in Tyrus berustte - naar Rome overgebracht)! Trouwens, waren er geen precedenten? Had Attalos III van Pergamum zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 133? Had Ptolemaeus Apion van Cyrene zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 96? Had Nikomedes IV van Bithynia zijn rijk niet vermaakt aan Rome in 74?

Caesar zette dus volkstribunen aan het werk. Ze moesten een wetsvoorstel indienen volgens hetwelk hij troepen ter beschikking zou krijgen en hem buitengewone volmachten zouden worden toegekend om van Egypte een Romeinse provincie te maken. Crassus beloofde dit voorstel in de senaat te zullen steunen. Als Caesar zijn slag zou thuishalen, zou hij met speciale volmachten aan het hoofd van een leger staan in een rijke en vruchtbare provincie, wat hem bijna een evenknie maakte van Pompeius als die naar Rome terugkeerde...

De senaat verzette zich echter tegen het voorstel (dat loyaal gesteund werd door Crassus) om geen aankomend maar erg ambitieus politicus een leger ter beschikking te moeten stellen. Het was Cicero die zich in een verloren gegane redevoering (de rege Alexandrino) met succes tegen dit voorstel kantte.

In de loop van datzelfde jaar 65 weigerde Cicero het bestuur van een provincie als propraetor en begon hij aan de voorbereiding van zijn kandidatuur voor het ambt van consul, dat hij evenwel ten vroegste in 63 kon bekleden.

De verkiezingen voor het ambt van consul voor 64 werden gewonnen door Lucius Julius Caesar en Caius Marcius Figulus; op de dag van hun verkiezing werd Cicero's zoon Marcus geboren. Van Cicero's stemmenwerving voor zijn verkiezing als consul krijgen we een levendig beeld via een werkje - eigenlijk een handleiding - van zijn broer Quintus (de petitione consulatus). Uit een brief aan Atticus (I 1) blijkt hoe zorgvuldig Cicero te werk ging en op welke grote schaal hij aan stemmenwerving deed. 

Terug naar het schematisch overzicht