Terug naar het schematisch overzicht

63
Marco Tullio Cicerone Caio Antonio Hybrida consulibus

Cicero had nu zijn levensdroom verwezenlijkt maar al van bij zijn ambtsaanvaarding op 1 januari 63 werd hij geconfronteerd met een netelig politiek probleem.

Op 10 december 64 hadden de nieuwe volkstribunen hun ambt opgenomen en een van hen, Publius Servilius Rullus, werd door de populares naar voor geschoven om een ingrijpende akkerwet voor te stellen. Wat in Italië nog overbleef aan ager publicus (vooral in Campania) moest in percelen worden opgedeeld en toegewezen worden aan arme burgers die nu in Rome op kosten van de staat leefden. Bovendien moesten grote stukken staatsgrond in de provincies verkocht worden en de opbrengst van de verkoop moest, samen met de inkomsten uit de nieuwe provincies (bij voorbeeld Egypte), gebruikt worden om meer grond in Italië te kopen die eveneens onder het stadsproletariaat moest verdeeld worden.

Het doel van de voorgestelde wet was op het eerste gezicht edel: een deel van de werkloze armen uit Rome overplaatsen naar kleine landbouwbedrijven in Italië. Er was (in tegenstelling tot vroegere wetsvoorstellen) geen sprake meer van om zonder vergoeding grond in beslag nemen die in het bezit was van burgers. Er viel dus niet veel op af te dingen!

Maar de uitvoering van de wet zou toevertrouwd worden aan een commissie van tien leden die uitgebreide volmachten zouden krijgen voor de duur van vijf jaar. Bovendien zou Pompeius in die commissie van tien geen zitting kunnen hebben omdat men persoonlijk in Rome moest aanwezig zijn om in de commissie van tien verkozen te kunnen worden (en Pompeius zat in het oosten!)... Achter Rullus doemden dus de leiders van de populares op die van deze wet wilden gebruik maken om zich populair te maken bij het plebs ten koste van Pompeius. De commissie van tien moest dus een tegengewicht vormen tegen de macht van Pompeius, en Caesar en Crassus toch nog de controle bezorgen over Egypte (en dus een deel van de graanvoorraad van Rome), wat hen een mooie machtsbasis zou opleveren...

Cicero geloofde dat deze wet een gevaar vormde voor de financiële stabiliteit van de staat en dat er zoveel wrok zou groeien dat er misschien een revolutie van zou kunnen komen. Hij begreep natuurlijk ook dat Pompeius' macht en waardigheid een stevige deuk zouden krijgen als de wet gestemd werd, en door dat te benadrukken met veel overdrijvingen en spitsvondigheden kelderde hij de wet (Oratio in senatu de lege agraria / Oratio ad quirites contra Publium Rullum): het volk verdroeg zo'n lage aanval op de afwezige Pompeius niet en verwierp het wetsvoorstel.

Cicero verzette zich ook met succes tegen een poging om de politieke belemmeringen die Sulla had opgelegd aan de kinderen van degenen die door hem op de proscriptielijsten waren gezet, af te schaffen. Waarschijnlijk vond hij het ogenblik niet geschikt om deze (overigens terechte) eis te bespreken, maar de mislukking van deze maatregel en de afwijzing van de akkerwet dreven ongetwijfeld enkele teleurgestelde Romeinen in de armen van Catilina.

Een andere maatregel die Sulla had afgeschaft werd dan wel hersteld. Titus Labienus, een volkstribuun, liet in opdracht van de leiders van de populares de wijze van aanduiden van augures en pontifices die voor Sulla in voege was, herstellen. Kandidaten moesten nog altijd voorgedragen worden door twee leden van het college van augures of pontifices, en ze moesten nog steeds aanvaard worden door het college, maar ze moesten opnieuw verkozen worden door zeventien door het lot aangeduide tribus van de vijfendertig die de comitia tributa vormden. Het doel dat de populares zich gesteld hadden, werd bereikt: Caesar werd triomfantelijk verkozen tot pontifex maximus, hoewel zijn tegenkandidaten Quintus Lutatius Catulus en Publius Servilius Isauricus waren...

Cicero liet twee nuttige hervormingen goedkeuren: verkiezingsfraude zou strenger bestraft worden, en legationes liberae werden beperkt tot een jaar (hij had de afschaffing ervan voorgesteld maar was op een veto van een volkstribuun gestoten. Ook overtuigde hij de senaat ervan om aan Pompeius een supplicatio (dankfeest) van ongewone lengte toe te kennen ter gelegenheid van zijn overwinningen in het oosten.

Een van de redevoeringen van 63 die geen verband houden met de samenzwering van Catilina was een toespraak waarin hij het volk verzoende met de voorrang die de equites genoten in het theater krachtens de wet van Lucius Roscius Otho. Een andere was de verdediging van Caius Rabirius (Oratio pro Caio Rabirio), een oude senator die vervolgd werd voor moord op Saturninus (de volkstribuun die in 100 de macht had proberen te grijpen en na het senatus consultum ultimum gedood was).

Wanneer Cicero juist van de plannen van Catilina op de hoogte was, is moeilijk met zekerheid te achterhalen. Wel had hij, voor zijn ambtsaanvaarding op 1 januari, zijn collega Caius Antonius er al toe gebracht zijn steun aan Catilina op te zeggen door met hem van provincie te ruilen; Caius Antonius had Gallia Cisalpina geloot, Cicero Macedonia. Vermits er in Macedonia veel meer te "rapen" viel dan in Gallia Cisalpina voor iemand die financiële problemen had, had Caius Antonius gekozen voor de spreekwoordelijke vogel in de hand. Cicero liet ook zijn aanspraak op Gallia Cisalpina vallen en zorgde ervoor dat Quintus Caecilius Metellus Celer (een van de praetoren) die provincie kreeg.

Welke aandeel de leiders van de populares, Caesar en Crassus, in de samenzwering van Catilina speelden, zal wel nooit bekend worden. Waarschijnlijk was Catilina teleurgesteld in zijn verwachting consul te kunnen worden en vond hij dat de populares niet zoveel bereikten ondanks al hun manoeuvres, en maakte hij zich om die redenen los van zijn leiders. Zijn samenzwering was alleszins ondoordacht en slecht georganiseerd, en moord en brandstichting waren zeker een onderdeel van zijn plannen. Vermoedelijk distantieerden zowel Caesar en Crassus zich van Catilina zodra ze lucht kregen van zijn opzet en brachten ze zelfs Cicero op de hoogte. Maar zelfs als Catilina zijn slag had thuisgehaald en de zwakke senaat buitenspel had kunnen zetten, dan had hij nog geen schijn van kans gehad tegen Pompeius en zijn leger bij hun terugkeer uit het oosten.

Cicero had een informant in de samenzwering (Quintus Curius) en was dus vanaf een bepaald ogenblik perfect van Catilina's plannen op de hoogte. Hij verzocht Catilina in de senaat om zich van de verdenking van samenzwering te zuiveren, maar Catilina antwoordde met nauwelijks verholen bedreigingen. Cicero verijdelde het plan om hem te vermoorden de dag van de verkiezingen voor het ambt van consul door geharnast en omringd door een lijfwacht van vrienden en cliënten op het Marsveld te verschijnen. Catilina moest het opnieuw afleggen, ditmaal tegen Decimus Junius Silanus en Lucius Licinius Murena.

Op 21 oktober voorspelde Cicero in de senaat dat Manlius (Catilina's legeraanvoerder) in Etruria in opstand zou komen (wat op 27 oktober inderdaad gebeurde). Op 22 oktober werd het senatus consultum ultimum gestemd, waardoor de krijgswet feitelijk was afgekondigd. Consuls en praetoren kregen de opdracht troepen te lichten in verschillende delen van Italië. Een poging van de samenzweerders om op 1 november Praeneste in te nemen mislukte. Een tweede poging om Cicero op 7 november te vermoorden in zijn eigen huis mislukte eveneens (Curius had Cicero laten verwittigen).

Catilina bleef intussen de schijn van onschuld ophouden. Hij had zich bij de ene senator na de andere onder bewaking willen plaatsen (om getuigen te hebben van zijn onschuld), en waagde het op 8 november de senaatsvergadering bij te wonen. Daar werd hij door de verontwaardigde Cicero in een prachtige smaadrede aangeklaagd (Oratio prima in Catilinam). Dezelfde nacht nog verliet Catilina Rome om zich in Etruria aan het hoofd te plaatsen van zijn opstandelingenleger. De volgende dag sprak Cicero het volk toe om zijn beleid te rechtvaardigen (Oratio secunda in Catilinam).

De in Rome achtergebleven samenzweerders hielden zich koest na Catilina's vertrek tot ze een gezantschap van de Allobroges poogden over te halen met hen mee te doen en Catilina's leger te versterken met ruiterij. De gezanten zochten echter contact met Cicero, die hen opdroeg geschreven verklaringen van de samenzweerders te vragen om hun stamgenoten te kunnen overtuigen deel te nemen aan de samenzwering. In de nacht van 2 op 3 december werden de gezanten op hun reis naar Gallië aangehouden op de Mulviusbrug. Nu Cicero in het bezit was van schriftelijke bewijzen, liet hij Publius Cornelius Lentulus Sura, Caius Cornelius Cethegus, Caeparius, Publius Gabinius Capito en Lucius Statilius aanhouden.

Op 3 december besloot de senaat, geconfronteerd met de bewijzen tegen de aangehouden samenzweerders, dat de arrestanten in libera custodia moesten worden gehouden en dat Cicero geëerd zou worden met een dankfeest (supplicatio). Dan sprak de consul tot het volk om hen geluk te wensen met het verijdelen van de samenzwering (Oratio tertia in Catilinam).

Op 5 december had in de senaat de discussie plaats over wat er nu met de samenzweerders moest gebeuren. De senatoren helden over naar de doodstraf tot Caesar in een intelligente redevoering twijfel zaaide. Cicero's toespraak (Oratio quarta in Catilinam) kon het tij niet doen keren, wat Marcus Porcius Cato wel vermocht in een ongezouten rede. Toen besloot men tot de doodstraf en dezelfde avond nog werden de vijf samenzweerders met de strop gewurgd in het Tullianum.

In november (na het vertrek van Catilina maar voor de ontmaskering van de samenzweerders) kreeg Cicero af te rekenen met een ongelegen ruzie onder de mensen die hem voluit steunden. De nieuw gekozen consul Lucius Licinius Murena werd door Cato (de man die altijd de puntjes op de i wilde zetten) en door Servius Sulpicius (een afgewezen kandidaat voor het ambt van consul) aangeklaagd wegens omkoperij. Hoewel Cicero zelf de wet had laten stemmen op grond waarvan Murena werd aangeklaagd, nam hij toch de verdediging van Murena op zich (Oratio pro Lucio Murena). Door deze rede, vol spot op Cato's stoïcijnse overtuiging en Sulpicius' gezeur, maar met een ernstige verwijzing naar de politieke toestand bekwam Cicero de vrijspraak voor Murena en wendde hij het spook van het houden van nog een verkiezing voor het ambt van consul af.

Op 29 december belette Quintus Caecilius Metellus Nepos, een van nieuwe volkstribunen, Cicero tot het volk te spreken bij het neerleggen van zijn ambt, omdat Cicero burgers had laten terechtstellen zonder proces. Cicero legde dus alleen de gebruikelijke eed af maar veranderde de tekst enigszins zodat hij zijn redding van het vaderland in herinnering bracht, wat hem een daverend applaus opleverde. Quintus Caecilius Metellus Nepos was echter een stroman van Pompeius, zodat hij door zijn interventie eigenlijk aan Cicero liet weten dat Pompeius er niet gelukkig mee was dat Cicero - en niet Pompeius zelf - de redder van het vaderland was...

In zijn ambt van consul streefde Cicero er voortdurend naar goede relaties tot stand te brengen en in stand te houden tussen de (soms enggeestige en overdreven zelfbewuste) senatoren en de middenklasse van Italië, de ordo equester. Die verstandhouding omschreef hij als concordia ordinum en consensus Italiae. Het Romeinse volk beperkte zich niet tot de menigte op het Forum maar omvatte de inwoners van heel Italië, en de senaat was geen clubje navelstaarders maar de vertegenwoordigers van al het goede in de maatschappij. In Pompeius zag Cicero de voorvechter van zijn eigen ideaal, de leider die in staat zou zijn de groeiende macht van het leger in toom te houden. 

Terug naar het schematisch overzicht