Terug naar het schematisch overzicht

62
Decimo Iunio Silano Lucio Licinio Murena consulibus

Toen Catilina op de hoogte was van het lot van zijn gearresteerde handlangers, probeerde hij vanuit Etruria naar Gallia Cisalpina te trekken maar werd de pas afgesneden door Quintus Caecilius Metellus Celer. Hij maakte dus rechtsomkeer en botste op het leger van Caius Antonius Hybrida. Nabij Pistoria werd de beslissende veldslag uitgevochten, die eindigde in de totale overwinning van Marcus Petreius (de legaat van Caius Antonius) op de opstandelingen. Catilina sneuvelde als een held, vechtend tot de laatste snik.

Heel wat van zijn aanhangers werden in Rome voor de rechter gebracht; onder hen Publius Cornelius Sulla, die met succes door Cicero werd verdedigd (Oratio pro Publio Sulla). Cicero hield in de senaat ook een toespraak ter verdediging van Caius Antonius. Voor de rechtbank (voorgezeten door zijn broer Quintus) verdedigde Cicero met succes het burgerrecht van zijn oud-leraar Archias (Oratio pro Archia poeta). Als Cicero verwachtte dat Archias uit dankbaarheid de lof zou zingen van zijn verwezenlijkingen als consul, vergiste hij zich echter deerlijk...

Caesar, die in 62 praetor was, had intussen al heel subtiel geprobeerd om Pompeius in het kamp van de populares te loodsen. Eerst stelde hij voor om de eer van de wijding van de tempel van Jupiter Optimus Maximus, die hersteld was na de brand van 83, aan Pompeius te laten in plaats van aan Quintus Lutatius Catulus; dat voorstel werd echter afgeschoten. Een tweede poging ondernam Caesar toen hij de volkstribuun Quintus Caecilius Metellus Nepos steunde in diens - overigens vergeefse - poging om via een volksbesluit eerst de leiding van de oorlog tegen Catilina toe te vertrouwen aan Pompeius, en vervolgens Pompeius de opdracht te bezorgen de "orde te herstellen". Die voorstellen strandden op het koppig verzet van Marcus Porcius Cato (eveneens volkstribuun in 62), en het kwam tot ernstige rellen.

In antwoord op de ongeregeldheden onthief de senaat zowel Metellus als Caesar van hun functie. Metellus vluchtte naar Pompeius en het volk troepte samen aan Caesars woning om hem hun steun te betuigen. Caesar wist de gemoederen te bedaren, waarop de senaat besloot hem dan toch maar zijn ambt terug te geven. Niet veel later werd Caesar dan weer aangeklaagd door Lucius Vettius en Quintus Curius wegens medeplichtigheid aan de samenzwering van Catilina, maar Cicero in hoogsteigen persoon getuigde voor Caesar zodat de aanklacht verviel en de aanklagers zelf gestraft werden.

In 62 hervatte Cicero zijn activiteit als briefschrijver met een epistel aan Pompeius. Voordien had hij Pompeius al een (verloren gegaan) omstandig verslag van zijn activiteiten als consul toegestuurd en in de brief klaagde hij erover dat Pompeius maar heel lauw gereageerd had op zijn verwezenlijkingen. Cicero schreef ook een vernietigend antwoord op een brief van Quintus Caecilius Metellus Celer die geklaagd had over Cicero's houding tegenover zijn familielid Quintus Caecilius Metellus Nepos.

Cicero kocht van Marcus Crassus een groot huis op de Palatijn voor 3.500.000 sestertiën en moest daarvoor geld gaan lenen bij Publius Cornelius Sulla. Waarop hij ironisch opmerkte in een brief aan Publius Sestius dat zijn schulden groot genoeg waren om hem te laten deelnemen aan een samenzwering, als men zijn deelname tenminste op prijs zou stellen.

Misschien is de aankoop van zijn huis op de Palatijn een geschikte aanleiding voor een overzicht van Cicero's onroerende bezittingen.

Cicero's villa's lagen allemaal aan of in de buurt van grote wegen naar Rome en waren dus gemakkelijk bereikbaar vanuit de stad. Alle villa's hadden hetzij een speciale ligging, hetzij een prachtig uitzicht. Zijn villa in Tusculum bijvoorbeeld lag op een heuvel en de lucht was er dus fris, die bij Arpinum lag aan de Fibrenus (een rivier), de overige lagen aan de zee.

1. Arpinum: oorspronkelijk was het een boerderij die door Cicero's vader gemoderniseerd en uitgebreid was; in 68 erfde Cicero dit landgoed. Cicero hield veel van dit voorvaderlijk verblijf en bouwde er een Amaltheum (een heiligdom voor de nimf Amalthea). Niet ver daarvandaan bezat Cicero's broer Quintus twee landhuizen, het Arcanum en het Laterium.

2. Tusculum: op 15 mijl van Rome nabij de Via Latina. De eerste bezitter was Publius Cornelius Sulla geweest, en Cicero had het gekocht van Quintus Lutatius Catulus. De villa was rijk versierd met fresco's en standbeelden en omvatte ook een gymnasium. Cicero schreef hier veel (de oratore, Orator, Tusculanae disputationes, enz.) omdat hij vrij gebruik mocht maken van de schitterende bibliotheek van zijn buurman Lucius Licinius Lucullus. Cicero verbleef hier graag en bleef in het bezit van deze villa tot aan zijn dood, ook al bood hij ze in 57 tijdelijk te koop aan en bleef hij er weg in de maanden die volgden op de dood van zijn dochter Tullia in 45.

3 Antium: nabij een aangename en rustige kuststad, ongeveer 36 mijl van Rome aan een weg die afsplitste van de Via Appia nabij Bovillae. Cicero bezat deze villa al in 60 en heeft ze in 45 aan Marcus Aemilius Lepidus (de latere triumvir) verkocht.

4. Astura: zeven mijl voorbij Antium; de villa stond op een eilandje in de Astura-rivier ten noorden van de Pontijnse moerassen. De omgeving was bebost en vanuit de villa had Cicero een schitterend zicht op de zee. Waarschijnlijk kocht Cicero dit buitenverblijf in 45. Hij verbleef hier zeer veel na de dood van Tullia omdat hij het uitzicht en de eenzame omgeving op prijs stelde.

5. Formiae: eigenlijk stond de villa tussen Formiae en Caieta, zodat Cicero ze nu eens bij de ene, dan weer bij de andere naam noemt. Het was Cicero's eerste villa aan de zee (gekocht in 67). Naar Cicero's smaak was het er druk en vond hij het publiek er maar een bende zeurkousen, wat hem niet belette het huis te laten opknappen na zijn terugkeer uit ballingschap en het te behouden tot aan zijn dood. De villa was uitstekend gelegen op de Via Appia, 88 mijl van Rome, ze was verbonden met Arpinum (dat 45 mijl verwijderd was) door een weg die via Minturnae en de vallei van Liris liep. Cicero kon van daar uit ook makkelijk naar zijn villa's in Cumae en Puteoli (zo'n 65 mijl), en vanuit Caieta kon hij per schip weg. In tijden van onrust was Cicero vaak hier (zoals ten tijde van de burgeroorlog).

6. Cumae: wordt voor het eerst vermeld na Cicero's terugkeer uit ballingschap. De villa lag aan het Lucrinusmeer aan de weg van het Avernusmeer naar Puteoli, een schitterende maar te drukke omgeving naar Cicero's smaak. Hier schreef Cicero een deel van zijn de republica en Academica. In deze villa of in die van Puteoli was Caesar te gast in 45.

7. Puteoli: wordt alleen vermeld in de brieven van 45-44 en maakte waarschijnlijk deel uit van een erfenis die Cicero kreeg van een bankier uit Puteoli, Cluvius. Tijdens zijn laatste verblijf hier schreef Cicero een deel van zijn de officiis.

8. Pompeii: Cicero spendeerde veel geld aan de verfraaiing van dit huis, dat hij voor 60 kocht en tot aan zijn dood bezat. Hier kwam hij om te ontsnappen aan de drukte van Cumae en Puteoli en om gezellig te babbelen met zijn buurman Marcus Marius.

Deversoria: Cicero bezat ook veel huizen waar hij kon overnachten als hij van een buitenverblijf naar een ander reisde. Zo kon hij tussen Tusculum en Arpinum de nacht doorbrengen in Anagnia op de Via Latina, en tussen Formiae en het zuiden in Sinuessa. Op de via Latina kon hij boven Capua slapen in Cales, en ergens op de Via Appia bezat Cicero nog een deversorium. Ook in Aquinum kon hij een reis onderbreken tussen Formiae en Arpinum. Cicero wou nog een huis kopen in Terracina, op 25 mijl van Formiae op de weg naar Rome.

Cicero's onroerende bezittingen in Rome omvatten tot 62 het ouderlijk huis in de Carinae-wijk. Toen kocht hij, zoals gezegd, een prachtig huis van Marcus Licinius Crassus op de Palatijn, een huis dat ooit had toebehoord aan Marcus Livius Drusus. Waarschijnlijk liet hij toen zijn ouderlijk huis over aan zijn broer Quintus. Cicero bezat evenwel nog eigendommen in het Argiletum en op de Aventijn.

Na Cicero's verbanning in 58 werden zijn huis op de Palatijn en zijn villa's in Tusculum en Formiae vernield door Clodius en zijn bende. Na zijn terugkeer in 57 kreeg hij een schadeloosstelling, die evenwel niet volstond voor de wederopbouw van zijn eigendommen. Daarbij kwam nog dat de werkzaamheden meermaals onderbroken werden door Clodius en zijn bende en dus zeer traag vorderden.

In december 62 brak het Bona Dea-schandaal los, dat later zulke zware gevolgen zou hebben voor Cicero. Publius Clodius Pulcher werd, verkleed als slavin, ontdekt in het huis van praetor urbanus Caesar op het ogenblik dat daar het nachtelijk feest ter ere van de Bona Dea plaats had. Clodius werd ervan verdacht een ontmoeting te hebben gezocht met Pompeia (Caesars vrouw). Caesar nam evenwel geen maatregelen tegen de heiligschenner Clodius maar scheidde wel van zijn vrouw. Hij verantwoordde zich door te zeggen dat de vrouw van Caesar nu eenmaal onbesproken en boven elke verdenking verheven moest zijn. 

Terug naar het schematisch overzicht