Terug naar het schematisch overzicht

61
Marco Pupio Pisone Frugi Marco Valerio Messalla Nigro consulibus

De gebeurtenis van het jaar was de terugkeer van Pompeius uit het oosten. Na een ontspannen reis via Asia Minor en Athene landde Pompeius in december 62 in Brundisium en ontbond daar zijn leger. Hiermee maakte Pompeius duidelijk dat hij zeker geen aleenheerschappij nastreefde met een leger achter zich. Natuurlijk wou Pompeius de eerste man in Rome worden, maar daarbij had hij als lichtend voorbeeld geen Pisitratus maar een Pericles voor ogen.

Pompeius' groot nadeel was dat hij gewoon geen leiding kon geven; hij had geen politieke visie en bezat geen van de gaven die een groot staatsman kenmerken. Door uitsluitend het goede moment af te wachten wekte hij de indruk niet oprecht te zijn. In Cicero's ogen kwam daar nog het vermoeden bij dat Pompeius jaloers was op de successen die hij, Cicero, geboekt had tijdens zijn ambtsperiode van consul. Cicero kon evenmin vergeten dat Quintus Caecilius Metellus Nepos uit het leger van Pompeius vertrokken was om zich te laten verkiezen tot volkstribuun, en dat hij opnieuw naar Pompeius vertrokken was zodra de grond in Rome te heet werd onder zijn voeten.

Pompeius' eerste toespraak tot het volk in januari 61 was voor alle partijen een teleurstelling. Met hoeveel respect hij ook over de senaat en Cicero sprak, hij kreeg geen goedkeuring over zijn lippen in verband met de dreigende vervolging van Publius Clodius voor zijn rol in het Bona Dea-schandaal of voor Cicero's maatregelen in het algemeen. De kortzichtige senatoren die alleen aan hun eigenbelang dachten, wantrouwden en vreesden Pompeius. Lucius Licinius Lucullus en Quintus Caecilius Metellus Creticus lagen met Pompeius overhoop in verband met de regelingen die hij in het oosten getroffen had, Quintus Caecilius Metellus Celer voelde zich beledigd omdat Pompeius juist gescheiden was van zijn halfzuster Mucia ten voordele van een nieuw huwelijk dat hij met Caesar geregeld scheen te hebben. Zijn isolement in Rome bracht Pompeius ertoe alsnog toenadering te zoeken tot Cicero.

Marcus Valerius Messalla en Marcus Pupius Piso Frugi waren consul in 61. Met Messalla was Cicero best tevreden, maar Piso kleineerde Cicero in de senaat en kantte zich tegen een wetsvoorstel om Clodius voor zijn schandelijk gedrag tijdens het Bona Dea-feest voor een rechtbank te brengen waarvan de juryleden door de praetor zouden gekozen worden in plaats van (zoals gebruikelijk) te worden aangeduid door het lot. De senaat haalde bakzeil toen ook volkstribuun Fufius verklaarde een veto te zullen uitspreken tegen het wetsvoorstel.

De senaat dacht een kleine toegeving te hebben gedaan omdat de schuld van Clodius toch overduidelijk was; de juryleden (allemaal uit de ridderstand) zouden immers niet anders kunnen dan Clodius veroordelen! Maar door voor grote bedragen juryleden om te kopen slaagde Clodius erin zich met enkele stemmen te laten vrijspreken. Op dat proces had Cicero getuigd tegen Clodius. Die was de avond van het Bona Dea-feest nog bij Cicero langsgegaan, maar op het proces verklaarde Clodius dat hij die avond al in Interamna was geweest, wat Cicero dus onder ede tegensprak. Clodius zou Cicero die getuigenis nooit vergeven: hij zwoer zich te zullen wreken. En Clodius zou een geduchte vijand blijken, niet alleen omwille van zijn afstamming van een van de adellijkste families van Rome, maar ook door zijn invloed bij het volk van Rome.

Op 27 juli waren er verkiezingen voor het ambt van consul. Door met gulle hand stemmen te kopen slaagde Pompeius er in een van zijn officieren, Lucius Afranius, tot consul te laten verkiezen. De andere consul designatus, Quintus Caecilius Metellus Celer, behoorde evenwel tot de ferventste tegenstanders van Pompeius.

Op 28 en 29 september hield Pompeius zijn twee triomftochten, de eerste voor zijn overwinning op de piraten, de tweede voor zijn veldtocht tegen Mithridates, waarbij de omvang en het belang van zijn prestaties in het oosten dik in de verf werden gezet.

In december kwam het tot een aanvaring tussen de senaat en de equites. Geschokt door de omvang van de omkoping van de juryleden tijdens het proces van Clodius probeerden de senatoren de onschendbaarheid van de juryleden (die niet tot hun eigen stand behoorden) op te heffen om hen voor de rechtbank te kunnen brengen wegens corruptie, iets waarmee de equites niet konden lachen. Een tweede bron van ongenoegen voor de ridderstand was de weigering van de senaat om het contract te herzien dat de inning van de belastingen van Asia Minor regelde en dat nadelig was voor de belastingpachters (publicani). Marcus Porcius Cato en Quintus Caecilius Metellus Celer weigerden iedere aanpassing terwijl Cicero zich - tevergeefs - inspande om de senaat tot toegevingen te bewegen om de concordia ordinum niet in gevaar te brengen. De ruzie bedaarde maar de problemen raakten niet opgelost en aan beide zijden bleef er wrok woekeren.

Drie gouverneurs vielen dat jaar in min of meerdere mate op. Quintus Cicero deed zijn best in Asia Minor, Caius Pomptinus sloeg een opstand van de Allobroges neer in Gallia Transalpina, en Caesar oogstte roem en haalde buit binnen door de onderwerping van enkele bergstammen in Hispania Ulterior; bovendien verzachtte hij het effect van de draconische wetten in verband met de schulden in zijn provincie. 

Terug naar het schematisch overzicht