Terug naar het schematisch overzicht

60
Quinto Caecilio Metello Celeri Lucio Afranio consulibus

Pompeius bleef zijn uiterste best doen om uit zijn uitzichtloze situatie te geraken en tenminste de goedkeuring te bekomen van de regelingen die hij in het oosten had getroffen, waaronder het nakomen van zijn belofte aan zijn soldaten dat ze na hun diensttijd een lapje grond zouden krijgen. De meerderheid van de senaat, geleid door Lucius Licinius Lucullus, weigerde echter het geheel van Pompeius' maatregelen te ratificeren en veroorzaakte eindeloze vertraging door elk punt apart te bespreken.

Ondertussen diende Lucius Flavius, volkstribuun en werktuig van Pompeius, een akkerwet in waaraan Cicero verbeteringen had aangebracht en die hij steunde. Flavius was evenwel een heetgebakerd individu; toen consul Quintus Caecilius Metellus Celer het stemmen van de wet tegenwerkte, wierp Flavius de consul in de gevangenis. Maar de senaat steunde zijn consul die halsstarrig bleef weigeren mee te werken. Om geen verder schandaal te creëren liet Pompeius via Flavius de akkerwet intrekken.

Door zo koppig tegen te werken vervreemdden de senatoren zich definitief van Pompeius. Op aanstoken van Marcus Porcius Cato bleven de senatoren bovendien aandringen op maatregelen om curruptie van juryleden te kunnen tegengaan en weigerden ze in te gaan op het verzoek van de publicani om de pachtovereenkomst voor Asia Minor te herzien. Daardoor kwam het tot een breuk tussen de senatoren en de equites. Misschien was het wegvallen van Quintus Lutatius Catulus (die in deze periode overleed en een van de verstandigste en meest pragmatische leiders van de optimaten was) mee verantwoordelijk voor de onverzettelijkheid van de senaat.

Een direct gevolg was dat de senaat geïsoleerd raakte en Pompeius in de armen van Caesar werd gedreven. Ook Cicero had zijn buik vol van de lichtzinnigheid van sommige nobiles en van de kwade trouw van andere en besloot de kaart van Pompeius te spelen in de - ijdele - hoop dat hij in Pompeius een voorvechter van de republikeinse instellingen had gevonden.

Ondertussen was Publius Clodius al druk bezig zich te laten adopteren door een plebejer om zo volkstribuun te kunnen worden (als telg uit een adellijk geslacht was dat onmogelijk). Hij had al hulp gekregen van een van de volkstribunen van 60, Caius Herennius, maar de andere volkstribunen stelden hun veto tegen zijn adoptie.

In Rome begonnen geruchten de ronde te doen dat er in Gallië dingen gebeurden die een tussenkomst van Rome misschien noodzakelijk maakten. De Haedui hadden tegen de Germaanse Suebi van Ariovistus een nederlaag geleden, en de Helvetii waren van plan om naar het westen van Gallië te verhuizen. De senaat besloot in maart dat de consuls, na hun ambtsperiode, als proconsul Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina moesten besturen, en dat ondertussen drie gezanten naar Gallië moesten vertrekken om andere stammen af te raden met de Helvetii mee te trekken. Pompeius en Cicero kregen verbod deel uit te maken van het gezantschap omdat hun aanwezigheid in Rome onmisbaar was (wat als belediging bedoeld was maar eigenlijk als een compliment kon opgevat worden). In mei was de oorlogsdreiging weggeëbd, tot opluchting van iedereen behalve consul Quintus Caecilius Metellus Celer, die gehoopt had een triomftocht te kunnen verdienen in Gallië.

In juni keerde Caesar uit Spanje naar Rome terug. In plaats van buiten de stad te wachten op de toestemming van de senaat om een triomftocht te mogen houden voor zijn successen in Spanje, overschreed hij onmiddellijk het pomerium, waardoor hij afzag van zijn recht op een triomftocht. Zo kon hij, volkomen in overeenstemming met de wetten, persoonlijk zijn kandidatuur stellen voor het ambt van consul voor het jaar 59.

Caesar werkte voor zijn stemmenwerving samen met een schatrijke tegenkandidaat, Lucius Lucceius, en dank zij de steun van Pompeius en Crassus werd hij probleemloos verkozen. De optimaten zorgden echter voor een tweede consul uit hun eigen rangen, de onbuigzame Marcus Calpurnius Bibulus, en schuwden daarbij geen grote uitgaven om stemmen te kopen.

Achter de schermen werkte Caesar aan de verzoening tussen Crassus en Pompeius, zo discreet dat in december nog niets was uitgelekt. Caesar probeerde in die maand door bemiddeling van Lucius Cornelius Balbus ook Cicero bij zijn plannen te betrekken. Cicero had in juni nog de hoop gekoesterd dat hij zowel Caesar als Pompeius kon beïnvloeden en was erg gevleid met Caesars aanbod. Maar hij realiseerde zich zeer scherp dat van hem verwacht zou worden dat hij alle maatregelen van de nieuwe bondgenoten voluit zou steunen en dat ging hem te ver: hij bleef zijn principes trouw en wou op zijn manier werken aan het welzijn van de staat. De drie bondgenoten - de triumviri - gingen dan maar zonder Cicero verder en voelden zich bij de uitwerking van hun plannen nooit gehinderd door scrupules.

In de eerste maanden van 60 voltooide Cicero een gedenkschrift over zijn ambt van consul (in het Grieks, µµ). Over hetzelfde (blijkbaar onuitputtelijk) onderwerp schreef hij ook nog een gedicht en misschien nog een boekje in proza (in het Latijn). Hij verbeterde tevens zijn vertaling van Aratos en stuurde zijn broer, die propraetor was in Asia Minor, een brief waarin hij het had over de plichten van een provinciegouverneur. 

Terug naar het schematisch overzicht