Terug naar het schematisch overzicht

59
Caio Iulio Caesare Marco Calpurnio Bibulo consulibus

Caesar begon onmiddellijk aan de uitvoering van het programma van de triumviri, maar trad aanvankelijk respectvol op tegenover de senaat. Daar diende hij een akkerwet in om niet alleen Pompeius' veteranen aan grond te helpen, maar ook behoeftige burgers die vader waren van drie kinderen. Er zou niet geraakt worden aan de ager publicus in Campania; de grond die nodig was zou dus eventueel gekocht moeten worden.

De senaat weigerde dagenlang de wet goed te keuren maar speelde daarbij de rol van bezorgde vader, zodat Caesar gedwongen was mee te spelen met hun komedie. Tot Cato, impulsief als altijd, botweg zei dat hij de wet nooit zou goedkeuren. Waarop Caesar hem door zijn lictoren naar de gevangenis liet brengen. Toen stond enkele senatoren op om met Cato naar de gevangenis te gaan. Een van hen, de jonge Caius Scribonius Curio (filius), draaide zich bij de deuren om en verklaarde dat hij liever met Cato in de gevangenis zat dan met Caesar in de senaat. Caesar riep de lictoren terug en gelastte hen Cato vrij te laten. Voor hij de zitting ophief, liet Caesar de senatoren weten dat als zij zijn akkerwet niet wilden goedkeuren, hij die wet zonder hun goedkeuring door het volk zou laten stemmen.

De senatoren stelden al hun hoop op Marcus Calpurnius Bibulus, Caesars collega, maar beseften wel dat de wet er hoe dan ook zou komen. Caesar riep de volksvergadering bijeen maar wou tot elke prijs in de ogen van het volk de man van de verzoening zijn. Daarom vroeg hij aan de aanwezige Bibulus of hij de wet nu zou goedkeuren. Waarop Bibulus antwoordde dat zolang hij consul was, die wet er niet zou komen. Caesar liet dan Crassus en Pompeius opdraven om hun mening te vragen over de wet. De twee voormannen legden haarfijn aan het volk uit wat een zegen die wet wel zou zijn en wezen er terloops op dat er geld genoeg was in de staatskas voor de aankoop van gronden. Toen kwam Bibulus, die ook augur was, opnieuw tussenbeide; hij zwoer vanaf de volgende dag elke morgen de vlucht van de vogels te zullen waarnemen en bij ongunstige voortekens de volksvergadering te zullen verbieden.

Het volk wist nu wat het kon verwachten en bereidde zich voor op het ergste. De volgende ochtend had Caesar de volksvergadering samengeroepen aan de tempel van Castor en Pollux. Zelf nam hij plaats op de trappen om de vergadering te leiden. Plots verscheen er een delegatie consulares onder leiding van Bibulus op het Forum (klaarblijkelijk met de bedoeling de volksvergadering te ontbinden), maar Bibulus raakte niet halverwege de tempeltrappen. Hij werd door heethoofden naar beneden gegooid, kreeg een mand vuiligheid over zijn hoofd en moest machteloos toezien hoe de roeden van zijn lictoren aan stukken werden gebroken; ondertussen regende het stenen op de consulares. Bibulus ontblootte zijn borst en riep de heethoofden toe dat ze hem eerst maar moesten vermoorden maar werd dan in veiligheid gebracht door enkele vrienden. Dan verscheen Cato die tweemaal probeerde het volk toe te spreken, tweemaal van de trappen werd gesmeten en vrij ernstig gekwetst moest afdruipen.

Toen liet Caesar, die zich vanop de trappen afzijdig had gehouden van het geweld maar ook niets gedaan had om het te beletten, de akkerwet stemmen. Hij liet een clausule opnemen die bepaalde dat elke senator een eed moest afleggen waardoor hij zich ertoe verbond zich nooit tegen de wet te verzetten en nooit iemand te steunen die de wet zou proberen af te schaffen.

De volgende dag riep Caesar de senaat bijeen. Over de ongeregeldheden van de vorige dag werd niet gerept, tot woede en ontgoocheling van Bibulus, die zwoer dat hij zijn huis niet meer zou verlaten tot het einde van zijn ambtsjaar. De senatoren moesten dus die eed afleggen en een deel van hen deed dat zonder morren. Een minderheid onder leiding van Quintus Caecilius Metellus Celer en Cato weigerde evenwel. Caesar was niet onder de indruk. Hij riep opnieuw de volksvergadering samen en liet een wet stemmen die bepaalde dat wie de eed niet aflegde, ter dood veroordeeld zou worden. Alle weerspannige senatoren legden toen de eed af, ook Cato, die overgehaald was door Cicero met de woorden dat Cato wel zonder Rome kon (Cato overwoog zelfmoord), maar Rome niet zonder Cato.

Een commissie die toezicht zou houden op de uitvoering van de wet werd in het leven geroepen. Cicero moest bitter vaststellen dat behalve de voor de hand liggende Pompeius en Crassus ook Publius Clodius Pulcher deel uitmaakte van de groep van twintig...

Er werden nog twee maatregelen genomen. De eerste keurde alle beslissingen van Pompeius in het oosten goed, de tweede verminderde de pachtprijs die de publicani in Asia Minor moesten betalen met een derde. Van de eerste drie beleidsdaden van Caesar waren er dus twee in het voordeel van Pompeius en was de laatste in het voordeel van Crassus.

In 59 was Ptolemaeus XII Auletes, die zichzelf in 80 tot koning van Egypte had uitgeroepen, uit het land gezet door de inwoners van Alexandrië. Hij vluchtte naar Rome waar hij steun zocht om in zijn waardigheid hersteld te worden. De machtsverhoudingen in Rome waren sinds 65-63 sterk veranderd. Pompeius was geen rivaal meer van Caesar en Crassus, maar een bondgenoot. Egypte aan een van de drie triumviri toekennen, zou die ene te veel macht geven. En dus besloten de triumviri om Ptolemaeus XII Auletes die noch door afkomst, noch door verdienste recht had op de troon van Egypte, als koning van Egypte te erkennen. Dat hij de triumviri zwaar betaalde voor deze onverhoopt gunstige wending die de zaken namen, lijdt geen twijfel.

Caesar liet ook de lex Iulia de repetundis goedkeuren, tot vreugde van de bewoners van de provincies; deze wet vergrootte het aantal vergrijpen waarvoor een gouverneur kon aangeklaagd worden en verzwaarde de voorziene straffen. Tevens liet hij regelmatig een samenvatting van de senaatszittingen publiceren, wat de senatoren misschien rekening zou doen houden met wat de publieke opinie over hun tussenkomsten in de senaat zou denken (de acta diurna).

Caesars toekomst werd veilig gesteld door de lex Vatinia. Caesar had een goede provincie en een leger nodig (om zijn belabberde financiële toestand aan te zuiveren) en kreeg beiden dank zij een wet van Publius Vatinius, een volkstribuun. Hierdoor bekwam Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum met drie legioenen voor de duur van vijf jaar. De senaat had al geprobeerd om de consuls van 59 een onbeduidende functie te laten vervullen in Italië na hun ambtsjaar maar dreigde opnieuw het onderspit te moeten delven tegen de populares. Daarom hield de senaat de eer aan zichzelf en gaf (op voorstel van Pompeius) Caesar Gallia Transalpina met een vierde legioen.

Caesar versterkte de band met Pompeius door hem met zijn dochter Julia te laten trouwen; zelf huwde hij met Calpurnia, de dochter van Lucius Calpurnius Piso. Op 18 oktober slaagde hij erin zijn schoonvader tot consul te laten kiezen voor 58 samen met Aulus Gabinius, een stroman van Pompeius. Toch vreesden de triumviri tegenstand van de harde kern van de optimaten en wilden enkele van hun meest geduchte leiders uit Rome verwijderen of desnoods uitschakelen. Een geheimzinnig complot moest Pompeius verder vervreemden van de optimaten en hun leiders treffen.

Lucius Vettius vertelde aan Caius Scribonius Curio filius dat hij van plan was Pompeius te vermoorden; Curio klaagde hem aan en Vettius werd aangehouden. Tijdens zijn ondervraging noemde hij namen van talrijke vooraanstaande optimaten, maar sprak zich zo vaak tegen dat hij niet meer geloofd werd en in de gevangenis werd opgesloten. Caesar haalde Vettius de volgende dag uit de gevangenis en liet hem tijdens een volksvergadering tegenover het verzamelde volk zijn beschuldigingen herhalen en aandikken, waarop Vettius terug naar de gevangenis mocht. Niet veel later werd hij daar dood in zijn cel aangetroffen, waarop iedereen zei dat hij vermoord was door degenen van wie hij de naam had vernoemd. Enkele jaren later zou Cicero Publius Vatinius ervan beschuldigen Vettius te hebben aangezet tot meineed en hem vervolgens te hebben gedood. Het is natuurlijk niet onmogelijk dat Caesar achter deze episode zat, die evenwel niet het verhoopte resultaat opleverde.

In maart had Cicero Caesar in de senaat aangevallen in een redevoering ter verdediging van Caius Antonius, zijn collega in het ambt van consul. Caesar bekrachtigde dezelfde dag de adoptie van Publius Clodius Pulcher in een plebejische familie, hoewel de wettelijkheid van die adoptie betwistbaar was (Clodius was trouwens enkele jaren ouder dan zijn adoptiefvader Publius Fonteius, die amper twintig was!).

Clodius had nog een eitje te pellen met Cicero en vanaf juli begon hij Cicero openlijk te bedreigen met een proces in verband met de terechtstelling van de Catilinariërs. Cicero dacht evenwel dat zijn positie sterk genoeg was; de triumviri (van wie Clodius een werktuig was) waren zeer onpopulair en Pompeius had Cicero verzekerd dat hij niets te vrezen had. Hij wimpelde dus een aanbod van Caesar af dat hem onschendbaar zou maken door te weigeren als speciaal legatus mee te gaan naar Gallië en door niet te willen zetelen in de commissie die moest toezien op de uitvoering van de akkerwet.

De belangrijkste toespraken van Cicero in 59 waren de verdediging die hij in de senaat uitsprak voor Caius Antonius (beschuldigd van wanbeheer in zijn provincie Macedonia en ondanks de toespraak van Cicero veroordeeld), twee redevoeringen voor Aulus Thermus (die vrijgesproken werd) en de verdedigingsrede voor Lucius Flaccus (Oratio pro Lucio Flacco); Cicero kon deze laatste laten vrijspreken doordat hij de getuigen ten laste (inwoners van de door Flaccus uitgeperste provincie Asia Minor) handig belachelijk maakte. 

Terug naar het schematisch overzicht