Terug naar het schematisch overzicht

58
Lucio Calpurnio Pisone Caesonino Aulo Gabinio consulibus

Publius Clodius was in oktober 59 verkozen tot volkstribuun en had op 10 december zijn ambt opgenomen. Hij begon zich dadelijk populair te maken met een reeks maatregelen die hij in januari 58 voorstelde:

* hij wou de betaling van een (minieme) geldsom, die de behoeftige Romeinen betaalden voor het graan dat de staat uitdeelde, afschaffen;

* hij wou dat er op alle dies fasti wetgevend werk zou mogen verricht worden en dat het plegen van obstructie door de aankondiging dat er onheilspellende voortekens waren waargenomen, zou afgeschaft worden (hij wou dus de volledige of gedeeltelijke afschaffing van de lex Aelia Fufia van 150, die praetoren en consuls toeliet comitia te ontbinden op grond van bij voorbeeld het onheilspellend karakter van de vlucht van vogels);

* hij wou dat collegia opnieuw toegelaten zouden worden en dat er nieuwe collegia zouden erkend worden (een collegium was een soort gilde, een beroepsvereniging, die geen beroepsbelangen diende maar vriendschap en verenigingsleven wilde bevorderen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden);

* hij wou het recht van de censoren beperken om senatoren van het album senatorum af te voeren; de censoren moesten voortaan een duidelijke reden opgeven voor de schrapping en ze moesten het onderling eens zijn.

Het was voor iedereen duidelijk dat de eerste drie maatregelen gunstig onthaald zouden worden door het plebs, en dat de vierde op de steun zou kunnen rekenen van de minder goed aangeschreven senatoren (en misschien ook op de steun van de triumviri, die liefst geen concurrentie kregen van te machtige censoren en de beknotting van hun macht door Sulla een goede zaak vonden).

Clodius won de sympathie van de consuls door in februari te beloven hun bij wet de provincies te bezorgen die ze verlangden te besturen na hun ambtsperiode; Lucius Calpurnius Piso wou Macedonia en Achaia, Aulus Gabinius Syria. Maar Clodius stipuleerde dat de goedkeuring van die wet er pas zou komen als er twee andere maatregelen waren goedgekeurd. De eerste was dat Cato de opdracht kreeg het eiland Cyprus te annexeren en in te richten als Romeinse provincie, de tweede dat ieder die Romeinse burgers zonder proces had laten terechtstellen, vuur en water zou ontzegd worden (dus verbannen zou worden).

Cicero vond achteraf wel dat ook hij dat voorstel had kunnen goedkeuren omdat de Catilinariërs geen burgers waren maar vijanden, maar begreep toch dat hij in nauwe schoentjes stond. Hij kleedde zich in een toga pulla en stelde zich onder de bescherming van het volk. Senatoren, ridders en gewone burgers trokken ook hun rouwtoga aan maar werden door een edict van de consuls gedwongen hun gewone toga weer aan te trekken. Lucius Ninnius (een volkstribuun) en Lucius Lamia (een ridder) zetten zich in voor Cicero, maar Lamia werd door consul Gabinius verplicht Rome te verlaten.

Van de triumviri verklaarde Caesar openlijk dat Cicero volgens hem onwettig had gehandeld door de Catilinariërs te laten terechtstellen maar dat men verder geen oude koeien uit de sloot moest halen en de zaak moest laten rusten. Pompeius probeerde de boot af te houden; hij verwees Cicero naar de consuls die echter niets voor hem wilden doen, en toen Cicero Pompeius op de man af hulp vroeg, antwoordde Pompeius dat hij niets kon doen dat indruiste tegen Caesars wensen.

Bij de optimaten was Lucius Licinius Lucullus voorstander van het gebruik van geweld tegen de triumviri en hun handlangers; de hogere standen in Rome zouden zeker meedoen en in heel Italië zouden talloze mensen bereid zijn de wapens op te nemen. Als Lucullus de situatie al juist inschatte, vergiste hij zich toch deerlijk in de slagvaardigheid van de mensen die het goed met Cicero meenden: er was immers geen spoor van organisatie terwijl de bende van Clodius gewapend en wel klaar was voor de strijd...

De smeekbeden van zijn familieleden en de raad van Quintus Hortensius Hortalus en Marcus Porcius Cato haalden het tenslotte: Cicero was bereid, zij het tegen zijn zin, Rome te verlaten (waarschijnlijk op 20 maart). Juist die dag werd Clodius' wet gestemd, onmiddellijk gevolgd door een vogelvrijverklaring van Cicero; hij moest op minstens 600 km van Italië verblijven (wat Cicero, die op weg was naar Sicilië, nog niet wist).

Aangezien vogelvrijverklaring ook automatisch de verbeurdverklaring van eigendommen inhield, werden Cicero's huis op de Palatijn en zijn villa's in Tusculum en Formiae geplunderd en vernield. De consuls eigenden zich een groot deel van de buit toe en Clodius wijdde de plaats waar Cicero's huis gestaan had voor de bouw van een tempel van Libertas.

Zodra Caesar vaststelde dat zowel Cicero als Cato monddood waren gemaakt door hun verwijdering uit Rome, haastte hij zich naar zijn ambtsgebied in Gallia Transalpina. Daar verpletterde hij bij Bibracte de stam van de Helvetii die op weg was naar de Atlantische kust en dreef Ariovistus en zijn Suebi terug over de Rijn.

Cicero ging eerst naar Vibo (in Bruttium), waar zijn vriend Sicca een landgoed had; pas daar vernam hij dat hij op minstens 600 km van Italië moest gaan leven. Dat betekende dat Cicero niet naar Sicilië kon waar zijn vriend Caius Vergilius bereid was hem onderdak te geven zelfs als dat zou betekenen dat hij daardoor de triumviri zou mishagen. Cicero reisde dus door naar Brundisium en besloot in Thessalonica te gaan leven (net boven Chalcidice); hij sloeg een aanbod van Atticus af om op een van zijn landgoederen in Epirus te wonen en vermeed Athene omdat Publius Autronius en enkele andere Catilinariërs daar leefden. In Thessalonica verbleef hij zeven maanden (van april tot november) in het huis van zijn toegewijde vriend Cnaeus Plancus die quaestor was. Hij genoot de bescherming (hoewel niet van harte verleend) van de gouverneur van Macedonia, Lucius Appuleius.

Cicero leed in die periode aan een zware depressie. Hij was bang voor het lot van zijn vrouw en zijn kinderen, hij was bang dat Terentia zich zou ruïneren in haar ijver om voor hem te zorgen, hij was bang dat zijn broer Quintus, die op terugreis was van zijn provincie Asia Minor, door zijn schuld zou vervolgd worden en hij vermoedde dat Quintus Hortensius Hortalus en andere vrienden hem achter zijn rug tegenwerkten.

Naarmate de maanden verstreken, kreeg Cicero meer hoop. Clodius had Pompeius gegriefd door de Armeense prins Tigranes (die Pompeius als gevangene naar Rome had meegebracht) te helpen ontsnappen; Clodius had consul Gabinius tegen zich in het harnas gejaagd door keet te blijven schoppen in de straten van Rome; Clodius had met zijn bende Pompeius door de straten achtervolgd zodat Pompeius zich in zijn huis had moeten barricaderen; Clodius werd er in augustus zelfs van verdacht Pompeius te willen vermoorden.

Toch faalden alle pogingen om Cicero te laten terugkeren. Op 1 juni kreeg Lucius Ninnius Quadratus, een volkstribuun, de steun van bijna de voltallige senaat met een voorstel om de verbanning van Cicero ongedaan te maken, maar zijn collega Aelius Ligus stelde zijn veto toen Ninnius met zijn voorstel naar de volksvergadering wou gaan. Atticus stelde aan Cicero voor zijn verbanning ongeldig te laten verklaren op grond van de vaststelling dat de wet van Clodius een privilegium betrof (een maatregel - lex - tegen een privépersoon - privatus), wat door de Wet der XII Tafelen uitdrukkelijk verboden was; Cicero was het met die suggestie niet eens. Op 29 oktober dienden acht volkstribunen een wetsvoorstel in dat de publieke opinie in een voor Cicero gunstige zin beïnvloedde, ook als was de tekst zo slordig opgesteld dat Cicero er zich behoorlijk over opwond.

De consules designati voor 57 waren Publius Lentulus Spinther (een goede vriend van Cicero) en Quintus Caecilius Metellus Nepos (een trouwe aanhanger van Pompeius). Metellus was Cicero wel niet gunstig gezind maar er kon met hem gepraat worden. Van de nieuwe volkstribunen waren Titus Annius Milo, Titus Fadius en Publius Sestius energieke sympathisanten van Cicero, terwijl de rest van de volkstribunen beloofde Cicero's terugkeer te zullen steunen (hoewel Sextus Atilius Serranus en Quintus Numerius Rufus achteraf op hun belofte terugkwamen).

Cicero's brieven uit ballingschap stammen bijna allemaal uit 58 en laten hem zeker niet van zijn fraaiste kant zien. Positief is de oprechte liefde voor zijn gezinsleden en de rest van zijn familie. Negatief zijn Cicero's zelfbeklag en twijfel aan de oprechtheid van zijn vrienden. Hij stuurde zelfs Atticus verwijten toe; hij rekende op Marcus Terentius Varro (de beroemde oudheidkundige), op Pompeius, op Caesar en kon het hen niet vergeven als hij in zijn hoop bedrogen werd. Hij draaide zich in alle mogelijke bochten tegenover mensen die hij vroeger beledigd had opdat ze toch maar zouden ijveren voor zijn terugkeer.

In al zijn ellende had Cicero toch een straaltje zon: de trouw van zijn schoonzoon Caius Calpurnius Piso; die deed alles wat hij kon om zijn bloedverwant Lucius Calpurnius Piso te verzoenen met Cicero's terugkeer en weigerde naar een provincie te vertrekken als quaestor om in Rome Cicero's belangen te kunnen blijven behartigen. Cicero sprak over hem met diepe genegenheid en klaagde dat de vroege dood van Piso (nog voor Cicero's terugkeer naar Rome) het hem onmogelijk had gemaakt zijn dankbaarheid tegenover Piso te tonen. 

Terug naar het schematisch overzicht