Terug naar het schematisch overzicht

57
Publio Cornelio Lentulo Spinthere Quinto Caecilio Metello Nepote consulibus

De dag van zijn ambtsaanvaarding bracht consul Publius Lentulus Spinther de kwestie van Cicero's terugkeer onmiddellijk voor de senaat. Lucius Aurelius Cotta vond niet dat er een wet nodig was maar Pompeius was daar wel voorstander van; een wet zou Cicero's terugkeer officieel maken. Volkstribuun Sextus Atilius Serranus liet niet toe dat er gestemd werd; eerst moest iedereen diep over de zaak nadenken. En van dat uitstel kwam natuurlijk afstel.

Op 23 januari bracht volkstribuun Fabricius een wetsvoorstel om Cicero terug te roepen voor de volksvergadering. Clodius kwam echter tussenbeide met zijn bende en in het gevecht dat ontstond kon Quintus Cicero ternauwernood het vege lijf redden. In latere rellen raakte volkstribuun Publius Sestius vrij zwaar gewond. Pogingen van Titus Annius Milo (ook volkstribuun) om Clodius voor de rechtbank te brengen mislukten. Pogingen om straatgeweld te beantwoorden met tegengeweld, zetten geen zoden aan de dijk: tot juli bleef Clodius Rome terroriseren.

Tussen 1 juni en 4 augustus ondernam de senaat toch enkele stappen in het voordeel van Cicero:

* tijdens een vergadering in de tempel van Honos et Virtus (een monument dat Marius had laten oprichten) dankte de senaat Cnaeus Plancius en de steden die Cicero onderdak hadden verleend, beval Cicero aan bij de gouverneurs en de inwoners van de provincies en riep de bevolking van Italië op de volksvergadering bij te wonen waar zou gestemd worden over Cicero's terugkeer;

* tijdens een vergadering in de tempel van Jupiter stemde de senaat bijna unaniem voor een decreet dat verklaarde dat Cicero de staat had gered en dat de consuls een wetsvoorstel moesten indienen voor zijn terugkeer; consul Quintus Caecilius Metellus Nepos verklaarde zich tijdens die vergadering verzoend met Cicero;

* de volgende dag vergaderde de senaat in de curia en bepaalde dat ieder die de volksvergadering waarop de terugkeer van Cicero ter sprake moest komen, zou tegenwerken of onmogelijk maken, zou beschouwd en behandeld worden als een vijand; als de volksvergadering toch vijfmaal zou ontbonden worden voor er gestemd was over Cicero's terugkeer, mocht Cicero gewoon terugkeren.

Uiteindelijk zouden de comitia centuriata op 4 augustus de wet stemmen die Cicero terugriep; de burgers die waren komen stemmen werden beschermd door een gewapende bende onder leiding van Titus Annius Milo...

Ondertussen was Cicero in november 58 al naar Dyrrhachium gegaan aan de Adriatische kust van Griekenland; die stad was zijn zaak genegen. Cicero had het raadzaam gevonden niet in de provincie te blijven die door Lucius Calpurnius Piso zou bestuurd worden vanaf januari 57 en was in Dyrrhachium trouwens dichter bij Rome. Hij verliet die stad op uitnodiging van de senaat op 4 augustus, de dag dat zijn terugkeer door de volksvergadering werd gestemd.

Op 5 augustus was hij in Brundisium waar zijn dochter Tullia op hem wachtte. Op 11 augustus vernam hij van zijn broer Quintus dat zijn terugkeer gestemd was. Zijn reis naar Rome was een triomfantelijke tocht; overal waar hij kwam, werd hij opgehouden door afvaardigingen die hem hun gelukwensen kwamen aanbieden. Op 4 september werd hij in Rome opgewacht door een enthousiaste menigte. Op 5 september dankte hij de senaat (Oratio post reditum ad senatum) en daarna het volk (Oratio post reditum ad populum) voor zijn terugkeer. In beide toespraken benadrukte hij hoeveel hij aan Pompeius te danken had.

Op 7 september stelde hij in de senaat voor om Pompeius de zorg toe te vertrouwen over de graanbevoorrading van de hele wereld voor de duur van vijf jaar; hij zou een imperium proconsulare krijgen en vijftien legaten. Een van de volkstribunen, Messius, wou daar nog een leger en een vloot aan toevoegen en wou dat het imperium van Pompeius dat van gewone gouverneurs zou overtreffen. De fanatieke optimaten vonden Cicero's voorstel al te ver gaan en wilden dus zeker van geen leger of vloot weten, te meer omdat Pompeius niet met zoveel woorden toegaf dat hij eigenlijk een leger wou (om zijn positie te kunnen handhaven). Uiteindelijk werd Cicero's voorstel aangenomen maar het echte doel van Cicero (verzoening bewerken tussen Pompeius en de gematigde senatoren) werd niet bereikt. Verder durfde Cicero niet gaan; hij wou noch Pompeius, noch de optimaten tegen zich in het harnas jagen tot zijn eigen belangen veilig waren gesteld. Toch vond hij dat de toekomst er rooskleurig uitzag. Hij geloofde oprecht dat een verzoening tussen Pompeius en de senaat mogelijk was, dat de kans reëel was dat het triumviraat zou uiteenvallen en dat Pompeius de republiek zou redden met de steun van de gematigden uit de ridderstand en de senaat.

In een toespraak (Oratio de domo sua) op 29 december kon hij de pontifices ervan overtuigen dat de wijding van de grond op de Palatijn waar zijn huis gestaan had, wettelijk niet in orde was. De daarop volgende dagen stemde de senaat decreten die de consuls toelieten Cicero schadeloos te stellen voor de vernieling van zijn huis en zijn villa's. De wederopbouw begon snel en het werk schoot goed op, ondanks een gewelddadige overval op de werf door Clodius en zijn bende op 3 november.

Omstreeks deze tijd haalde Cicero uit het tabularium op het Kapitool alle tabletten weg die het verslag bevatten van Clodius' handelingen als volkstribuun, maar daardoor ontstemde hij Marcus Porcius Cato die van Clodius de opdracht had gekregen Cyprus in te richten als een Romeinse provincie.

Tenslotte steunde Cicero een voorstel in de senaat om een supplicatio van vijftien dagen toe te kennen aan Caesar omwille van zijn successen in Gallië.

Caesar had dat jaar in Gallië bij de Axona het bondgenootschap van de Belgen kunnen laten springen en had in een zwaar gevecht bij de Sabis hij de Nervii verslagen die als de onverzettelijkste Belgen beschouwd werden. Alle Belgen gaven zich toen over en hun voorbeeld werd gevolgd door de zeestammen in het noordwesten van Gallië. Caesars legaat Servius Sulpicius Galba ging evenwel overwinteren bij de Allobroges nadat hij zich uit de vallei van de Rhodanus had moeten terugtrekken.

Van de consuls van 58 had Lucius Calpurnius Piso Macedonia geplunderd terwijl Aulus Gabinius goed werk leverde in Syria, waar hij een opstand van de joden tegen de door Pompeius aangestelde hogepriester Hyrcanus neersloeg.

Ptolemaeus XII Auletes was, niet lang na zijn erkenning door Rome in 59, verdreven uit Egypte door de inwoners van Alexandria en was naar Rome gekomen om te intrigeren voor zijn terugkeer. De inwoners van Alexandria hadden zijn oudste dochter Berenice op de troon geplaatst en stuurden gezanten naar Rome om te protesteren tegen mogelijke steun van Rome aan Ptolemaeus XII Auletes. Die liet echter een aantal van die gezanten op hun reis naar Rome vermoorden en door omkoperij slaagde hij erin te verhinderen dat de senaat de overlevenden een audiëntie gaf. De senaat besloot dat consul Publius Lentulus Spinther (die Cilicia ging besturen) Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon van Egypte moest zetten. 


Terug naar het schematisch overzicht